id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.826 Rolnummer: A. 237159/VII-41661 Zaak: Arrest 258826 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-20 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-16 03:33 Fiche Arrest nr 258.826 van 15 februari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.826 no lien 276122 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.826 van 15 februari 2024 in de zaak A. 237.159/VII-41.661 In zake : de NV GRIMALDI BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Adriaensens en Liesbeth Peeters kantoor houdend te 2300 Turnhout Parklaan 126, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE ANTWERPEN Tussenkomende partij : de CENTRALE DER WERKGEVERS AAN DE HAVEN VAN ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nele Ansoms en Yves Loix kantoor houdend te 2600 Antwerpen - Berchem Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 september 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2122-0989 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 28 juli 2022 in de zaak 2122-RvVb-0054-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 20 oktober
- VII-41.661-1/8 De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. De Centrale der Werkgevers aan de Haven van Antwerpen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 9 januari
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 14 april 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 januari
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Liesbeth Peeters, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Anton Rombaut, die loco advocaten Nele Ansoms en Yves Loix verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.661-2/8 III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij heeft in haar “verzoek tot voortzetting” schriftelijk gerepliceerd op het verslag van de eerste auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit (in de versie vóór de wijziging ervan bij koninklijk besluit van 21 juli 2023, die nog van toepassing is op deze zaak) vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. Het “verzoek tot voortzetting” van de verzoekende partij wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten teneinde te worden gehoord. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
- De verwerende partij verleent aan de tussenkomende partij een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de ondergrondse parking onder een kantoorgebouw met twee bouwlagen. 4.
- Het bestreden arrest verwerpt de vijf middelen en bijgevolg het beroep van de verzoekende partij tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 7, § 2, en 72 tot 74 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.826 VII-41.661-3/8 omgevingsvergunning’, van “het wettigheidstoezicht en de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen”, van artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ en van artikel 149 van de Grondwet. Zij zet uiteen dat het bestreden arrest: - er ten onrechte van uitgaat dat de vereiste van een bronbemaling louter een uitvoeringswijze en geen vergunningsvoorwaarde zou zijn, en dat de vergunningsvoorwaarde niet de omvang of de uitvoeringswijze van de bronbemaling zou aangeven; - overweegt dat de brandvoorzorgsmaatregel tot het plaatsen van een sprinklerinstallatie op de eigendom van de verzoekende partij niet als een vergunningsvoorwaarde moet worden beschouwd; terwijl: - in de beslissing van het college van burgemeester en schepenen het volgende werd opgenomen: “stedenbouwkundige voorwaarden[:]
- voor de realisatie van bouwlaag -2 en bouwlaag -3 zal een grote bemaling noodzakelijk zijn. Hiervoor dient een omgevingsvergunning aangevraagd te worden […]. Aangezien de invloedstraal reikt tot in het habitatrichtlijngebied […] zal een passende beoordeling in het aanvraagdossier aanwezig moeten zijn”, en in de beslissing die ter beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen voorlag een expliciete verwijzing naar de vergunningsvoorwaarden van de collegebeslissing werd opgenomen; - de rechterlijke motiveringsplicht een antwoord op de essentiële onderdelen van het verweer vereist, “zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen uitgaat van de verkeerde feitelijke en onzorgvuldige beoordeling dat de opgelegde voorwaarde geen voorwaarde is, die er enerzijds toe leidt dat zij onterecht oordeelt dat de vereenvoudigde procedure kon worden gevolgd en anderzijds dat zij zich onrechtmatig in de plaats stelt van de vergunningverlenende overheid die bevoegd is voor het opleggen of schrappen van voorwaarden.” VII-41.661-4/8 Beoordeling
- Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de afdeling bestuursrechtspraak uitspraak doet over de cassatieberoepen tegen de door de administratieve rechtscolleges in laatste aanleg gewezen beslissingen in betwiste zaken wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van “het wettigheidstoezicht en de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen” wordt geen overtreding van de wet of een schending van vormvoorschriften aangevoerd, zodat het in die mate onontvankelijk is.
- Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. De verzoekende partij maakt in haar uiteenzetting van het middel niet duidelijk hoe het bestreden arrest de rechterlijke motiveringsplicht, vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, schendt. Zij beweert wel dat niet zou zijn geantwoord op “essentiële onderdelen van het verweer” doch laat na aan te duiden op welke (verweer)middelen het bestreden arrest zou hebben nagelaten te antwoorden. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, mist het middel dan ook de nodige precisie en is het onontvankelijk. VII-41.661-5/8
- Het middel komt op tegen volgende beoordelingen van het bestreden arrest: “Uit het dossier blijkt dat een bronbemaling enkel noodzakelijk is tijdens de uitvoeringsfase van de vergunde werken aan de ondergrondse parkeergarage, minstens toont de verzoekende partij niet aan dat ook nadien een bemaling nodig zou zijn. In dat opzicht valt de bronbemaling dus onder het toepassingsgebied van artikel 7, § 2, tweede lid [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] en moet zij niet noodzakelijk samen worden aangevraagd met de stedenbouwkundige handelingen aan de parkeergarage zelf. Dat in de voorwaarden van de bestreden beslissing zelf wordt aangehaald dat een bronbemaling noodzakelijk is, doet aan voorgaande vaststelling geen afbreuk. De voorwaarde bepaalt geen uitvoeringswijze of omvang van de bronbemaling. Het staat de (aannemer van) de vergunningsaanvrager dus vrij om tijdens de uitvoeringsfase de omvang en de meest gerichte uitvoeringswijze van de bronbemaling te bepalen, waarvoor zij dan in voorkomend geval een omgevingsvergunning zal moeten aanvragen.” en: “De bijkomende opmerking van de brandweer is echter niet te beschouwen als een verplicht na te leven brandvoorzorgsmaatregel […]. Uit de gebruikte bewoordingen blijkt duidelijk dat de brandweer in de opmerking slechts de suggestie geeft om ook een natte sprinklerinstallatie onder [het gebouw van de verzoekende partij] te installeren, maar dat geenszins verplicht. De verwerende partij kon in de bestreden beslissing dus in alle redelijkheid oordelen dat de betreffende passage ‘geenszins als een vergunningsvoorwaarde uit te voeren door derden begrepen [dient] te worden’ en besluiten dat ‘het naleven van het brandweeradvies bijgevolg een geldige vergunningsvoorwaarde is’. Artikel 74 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] wordt met de bestreden beslissing dus niet miskend.”
- Artikel 14, § 2, RvS-wet bepaalt dat de Raad van State als cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Bijgevolg kan het cassatieberoep niet ertoe strekken de Raad van State te verplichten de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen over te doen. Met de aangevoerde schendingen van de artikelen 7, § 2, en 72 tot 74 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ nodigt de verzoekende partij de Raad van State uit om te beoordelen : VII-41.661-6/8 - of de bronbemaling waarvan sprake in de beslissing die voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd bestreden, al dan niet onder de toepassing valt van artikel 7, § 2, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, en al dan niet beschouwd moet worden als een vergunningsvoorwaarde in de zin van de artikelen 72 tot 74 van dat decreet, - of de plaatsing van een sprinklerinstallatie op de eigendom van de verzoekende partij, waarvan sprake in de beslissing die voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen werd bestreden, al dan niet beschouwd moet worden als een vergunningsvoorwaarde in de zin van de artikelen 72 tot 74 van dat decreet. Deze beoordeling vergt een onderzoek van de feiten die door de Raad van State niet kan worden gedaan. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van de artikelen 7, § 2, en 72 tot 74 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, is het middel bijgevolg eveneens niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-41.661-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.661-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div