← België

Arrest 258849 - Niet begeleide minderjarigen - 19/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.849 Rolnummer: A. 237014/VII-41635 Zaak: Arrest 258849 - Niet begeleide minderjarigen - 19/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-27 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-11 03:23 Fiche Arrest nr 258.849 van 19 februari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.849 van 19 februari 2024 in de zaak A. 237.014/VII-41.635 In zake : A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 3 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 4 augustus 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat A.B. niet meer zijn voogd is. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 254.338 van 23 augustus 2022 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. VII-41.635-1/8 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Dhondt, die loco advocaat Bobber Loos verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 6 januari 2020 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 31 januari
  5. Op 3 maart 2020 wordt A.B. aangesteld als verzoekers voogd. 3.
  6. Op 24 juni 2022 deelt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de dienst Voogdij mee dat verzoeker een Pakistaans VII-41.635-2/8 bewijs van registratie heeft met een andere identiteit, namelijk A.K., geboren op 1 januari
  7. De commissaris-generaal uit twijfels over verzoekers voorgehouden leeftijd. 3.
  8. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 29 juni 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 29-06-2022 een leeftijd heeft van 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. Op 4 augustus 2022 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat A.B. niet meer zijn voogd is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ambtshalve exceptie van niet-ontvankelijkheid – gebrek aan actueel belang
  9. Ter terechtzitting merkt de Raad van State op dat verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming en op het ogenblik van het medisch onderzoek heeft verklaard geboren te zijn op 31 januari 2005 en dat hij deze datum ook in het verzoekschrift tot nietigverklaring opgeeft als geboortedatum. De vraag wordt gesteld of verzoeker nog een actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing vermits hij volgens zijn eigen verklaringen de leeftijd van 18 jaar reeds heeft bereikt.
  10. Desgevraagd verklaart verzoeker nog over het vereiste belang te beschikken. Hij verwijst daartoe naar de impact van de bestreden beslissing op de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich houdt aan de beslissing wat verzoekers leeftijd betreft. Verzoeker wijst op de gevolgen van de bestreden beslissing voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming vermits zijn verklaringen over zijn leeftijd als ongeloofwaardig zullen worden beschouwd in VII-41.635-3/8 het kader van dat verzoek. Verzoeker benadrukt vooral de gevolgen van de leeftijdsbeslissing voor zijn recht op gezinshereniging met zijn ouders.
  11. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  12. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoeker beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient hij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling hem een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). VII-41.635-4/8
  13. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en verzoeker een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoeker dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken. Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en verzoeker om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors).
  14. Volgens artikel 5 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002, is de voogdijregeling over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen van toepassing op elke persoon “van minder dan achttien jaar oud”. Het niet bereikt hebben van de leeftijd van 18 jaar is bijgevolg beslissend om onder de toepassing van de wetgeving op de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen te vallen en om dus onder de hoede van de dienst Voogdij of van een voogd te worden geplaatst. Na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing zal de dienst Voogdij enkel kunnen vaststellen dat verzoeker ook op basis van de door hemzelf verstrekte gegevens de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
  15. De bestreden beslissing houdt louter een schatting in van verzoekers leeftijd om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en hij dus al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is VII-41.635-5/8 voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Ze vormt geen leeftijdsbepaling noch maakt ze deel uit van het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming. Indien de bestreden beslissing ertoe zou leiden dat in een beslissing omtrent het verzoek om internationale bescherming verzoekers verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard en dit zou worden beschouwd als een tegenindicatie voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas, kan verzoeker daartegen alsnog de rechtsmiddelen uitputten waarover hij beschikt, met de mogelijkheid van een beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van een cassatieberoep bij de Raad van State tegen de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  16. Verzoeker wijst op het in artikel 10, § 1, 7°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ vervatte recht op gezinshereniging met “de ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3 of die de subsidiaire bescherming geniet, voor zover zij met hem komen samenleven en op voorwaarde dat hij jonger is dan achttien jaar en het Rijk binnengekomen is zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen”. Door de leeftijdsbeslissing zou hij niet in aanmerking komen voor deze gunstige regeling. Opnieuw moet het karakter van de bestreden beslissing worden benadrukt, niet als een leeftijdsbepaling maar slechts als een leeftijdsschatting om na te gaan of verzoeker al dan niet in aanmerking komt voor de bescherming die is voorzien voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Hoe dan ook blijkt dat in de bestreden beslissing verzoekers leeftijd op 29 juni 2022 wordt geschat op 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Dit houdt in dat verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming in januari 2020 zelfs VII-41.635-6/8 volgens de bestreden beslissing de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en dat deze beslissing derhalve een gebeurlijke aanvraag tot gezinshereniging na een gebeurlijke toekenning van internationale bescherming niet in de weg zou staan.
  17. De vernietiging van de bestreden rechtshandeling verschaft verzoeker te dezen geen bijkomend direct en persoonlijk voordeel, hoe miniem ook, minstens toont verzoeker dit niet aan. Er blijkt ook niet dat verzoeker tot op het ogenblik van het sluiten van het debat een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Aangezien verzoekers gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure niet is te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te vergemakkelijken, beschikt verzoeker niet langer over het vereiste belang om de voortzetting van de vernietigingsprocedure bij de Raad van State te benaarstigen.
  18. Het beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.635-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.635-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.849 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.