id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.863 Rolnummer: A. 238662/IX-10226 Zaak: Arrest 258863 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 20/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-26 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-16 01:35 Fiche Arrest nr 258.863 van 20 februari 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.863 van 20 februari 2024 in de zaak A. 238.662/IX-10.226 In zake: het INRICHTINGSHOOFD VAN DE GEVANGENIS VAN BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kris Vincke kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Maalse Steenweg 138 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/22-0169 van de beroepscommissie bij de centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 21 februari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.371 van 27 april 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.226-1/6 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 december 2023 en is voortgezet op 12 februari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luna Ghekiere, die loco advocaat Pieter Dewaele verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Machteld Ryckeboer, die loco advocaat Kris Vincke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De beroepscommissie bij de centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten gegeven: “Op 11 maart 2022 ontving klager [thans: verweerder in cassatie] om 13u30 een bezoeker achter glas. Tijdens dit glasbezoek ontstond een ruzie waardoor het bezoek vroegtijdig werd beëindigd. Bij de controle van het bezoeklokaal (aan de bezoekerskant) werd vastgesteld dat een stoel werd vernield en niet meer gebruikt kon worden. Naar aanleiding van deze vaststelling werd op 12 maart 2022 een ordemaatregel ten aanzien van de bezoeker opgelegd, waarbij deze 2 IX-10.226-2/6 weken de toegang tot de inrichting ontzegd (van 12 maart tot en met 25 maart 2022).” 3.
- Verweerder dient tegen deze beslissing een klacht in bij de klachtencommissie van de gevangenis Brugge, die de klacht op 21 juni 2022 ontvankelijk maar ongegrond verklaart. 3.
- Met de bestreden uitspraak BC/22-0169 van 21 februari 2023 verklaart de beroepscommissie het beroep van verzoekster, inrichtingshoofd van de gevangenis te Brugge, tegen de beslissing van de klachtencommissie van Brugge van 21 juni 2022 in de zaak KC05/22-0040 “ontvankelijk doch ongegrond” en bevestigt zij de beslissing van de klachtencommissie. De beroepscommissie “merkt […] op dat het beroepschrift zuiver principieel van aard is, daar het inrichtingshoofd slechts vraagt de beslissing van de klachtencommissie te hervormen, in die zin dat de klacht onontvankelijk in plaats van ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- Met de bestreden beslissing van de beroepscommissie wordt de beslissing van de klachtencommissie bevestigd en wordt aldus de initiële klacht van de klager-gedetineerde tegen verzoekster in cassatie afgewezen. De vraag rijst dan ook of verzoekster een nadeel ondervindt bij de bestreden beslissing dat haar het rechtens vereiste belang oplevert bij het voor- liggende cassatieberoep en of dit belang voldoende rechtstreeks is om voor de ontvankelijkheid van een cassatieberoep te kunnen volstaan.
- Daartoe om een standpunt gevraagd, stelt verzoekster het volgende: IX-10.226-3/6 “
- De verzoekende partij werpt in haar tweede middel op dat de bestreden beslissing, die het hoger beroep van de verzoekende partij verwerpt op grond dat de Klachtencommissie terecht oordeelde dat de ordemaatregel van 12 maart 2022 ten aanzien van […] een bezoeker van de verwerende partij, onder het toepassingsgebied van artikel 148 van de Basiswet valt, de in het middel aangehaalde wetsbepalingen schendt aangezien artikel 148 van de Basiswet bepaalt dat een gedetineerde bij de Klachtencommissie beklag kan doen over elke beslissing die door of namens de directeur ten aanzien van hem genomen werd, terwijl de ordemaatregel van 12 maart 2022 werd genomen ten aanzien van de bezoeker en niet ten aanzien van de verwerende partij. Artikel 148, eerste lid van de Basiswet beperkt het toepassingsgebied van het klachtenrecht van de gedetineerde tot beslissingen die te zijnen aanzien zijn genomen. Indien de ordemaatregel (zoals in voorliggend geval uitdrukkelijk door de Beroepscommissie wordt aangenomen) is genomen ten aanzien van een bezoeker, beschikt de gedetineerde niet over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij de Klachtencommissie. De Klachtencommissie heeft geen rechtsmacht om kennis te nemen van klachten van gedetineerden die betrekking hebben op beslissingen die zijn genomen ten aanzien van andere partijen dan de betrokken gedetineerde. Als zodanig heeft het middel van de verzoekende partij betrekking op de regels van rechterlijke organisatie en raakt het de openbare orde. Het komt de verzoekende partij voor dat de Raad van State ook ambtshalve het ontbreken van rechtsmacht in hoofde van de Klachtencommissie en de Beroepscommissie moet vaststellen en bijgevolg de bestreden beslissing moet vernietigen, gebeurlijk zonder verwijzing.
- De verzoekende partij doet ook blijken van het door artikel 19, eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste nadeel of belang. De verzoekende partij beschikte in eerste instantie over het rechtens vereiste belang om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de Klachtencommissie. Zij had er immers materieel en moreel belang bij dat een klacht die niet tot de rechtsmacht van de Klachtencommissie behoort in een vroeg stadium van de procedure als zodanig werd beoordeeld. Dat zou de verzoekende partij de inzet van tijd, mensen en middelen hebben bespaard om zich tegen een dergelijke (onontvankelijke) klacht te verweren. De verzoekende partij heeft er verder een moreel belang bij dat de Klachten- en Beroepscommissie het klachtenrecht op grond van artikel 148 van de Basiswet ten aanzien van haar beslissingen correct interpreteren en toepassen. Door de gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing van de Beroepscommissie verdwijnt deze uit de rechtsorde. Ingeval van verwijzing zal de verwijzingsrechter zijn rechtsmacht en de ontvankelijkheid van de klacht opnieuw moeten onderzoeken en in het voordeel van de verzoekende partij (moeten) vaststellen dat de door de verwerende partij beklaagde ordemaatregel ten aanzien van een bezoeker niet onder het klachtenrecht van artikel 148 van de Basiswet valt. De vernietiging van de IX-10.226-4/6 bestreden beslissing levert de verzoekende [partij] dan ook rechtstreeks het voordeel op van een (voor haar gunstige) herbeoordeling van de klacht zodat de verzoekende partij in het kader van onderhavig cassatieberoep over een actueel moreel belang beschikt.” Beoordeling
- Personen die bij het administratief rechtscollege partij waren, kunnen tegen een rechterlijke uitspraak van dit rechtscollege bij de Raad van State een cassatieberoep instellen. Meer in het bijzonder de partij die haar zaak niet, zelfs niet gedeeltelijk, heeft gewonnen vóór de bodemrechter is ontvankelijk om de cassatie na te streven van deze uitspraak die haar een nadeel berokkent.
- In de voorliggende zaak wekt de beslissing van de beroepscommissie geen enkel nadeel bij verzoekster, aangezien zij de beslissing bevestigt van de klachtencommissie, die het beroep had afgewezen dat door de verweerder in cassatie was ingediend tegen de beslissing die verzoekster over zijn klacht had genomen. De laatstgenoemde beslissing blijft dus juridisch overeind. Verzoekster heeft dus geen enkel belang bij het instellen van haar beroep, tenzij voor recht te horen zeggen dat de door verweerder bij de klachtencommissie ingediende klacht niet-ontvankelijk is. Een dergelijk belang, dat overeenkomt met dat van iedere persoon die over een juridisch vraagstuk advies wil inwinnen, is onvoldoende om een regelmatige saisine van de Raad van State te rechtvaardigen. Niet ontvankelijk in cassatie bij gebrek aan belang is de verzoekende partij die opkomt tegen de beslissing over de ontvankelijkheid van de klacht wanneer die niet gegrond is verklaard.
- Dat verzoekster mogelijk een middel aanvoert dat de openbare orde raakt, laat niet toe om anders te besluiten. Het onderzoek van de ontvankelijkheid van het beroep gaat de ontvankelijkheid of zelfs het ambtshalve moeten aanvoeren van middelen vooraf. IX-10.226-5/6
- Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op twintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.226-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.