id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 Rolnummer: A. 230374/X-17685 Zaak: Arrest 258879 - Fiscale provinciale en lokale reglementen - 21/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-08 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-10 21:48 Fiche Arrest nr 258.879 van 21 februari 2024 Fiscaliteit - Fiscale provinciale en lokale reglementen Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 no lien 275587 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 258.879 van 21 februari 2024 in de zaak A. 230.374/X-17.685 In zake :
- R.M.
- L.L. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE LUBBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Engelen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Léon Stynenstraat 75 C bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 5 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemeenteraad van Lubbeek van 30 december 2019 tot goedkeuring voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 van een belastingreglement ‘activeringsheffing gevestigd op de onbebouwde percelen en kavels deel uitmakend van een goedgekeurde verkaveling, die voorkomt in het gemeentelijk register van onbebouwde percelen’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. X-17.685-1/17 Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. Verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 oktober
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor verzoekers, en advocaat Bart Engelen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Juridisch kader en feiten
- Het decreet van 27 maart 2009 ‘betreffende het grond- en pandenbeleid’ (hierna: het decreet grond- en pandenbeleid) machtigt in artikel 3.2.5 de gemeenteraden om, teneinde potentiële woonlocaties vrij te maken en grondspeculatie tegen te gaan, een jaarlijkse belasting te heffen op onbebouwde bouwgronden in woongebied of onbebouwde kavels. Het decreet voorziet, naast bepalingen van dwingend recht, ook in bepalingen die in artikel 3.2.6 heten “van toepassing [te zijn] in zoverre de gemeentelijke heffingsreglementen daarvan niet afwijken”. Tot die laatste bepalingen behoren bijvoorbeeld de vrijstelling van de activeringsheffing voor sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb (autonoom provinciebedrijf), de vrijstelling voor ouders met kinderen, en de opschorting van de heffing voor de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 X-17.685-2/17 houders van een in laatste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. Daarentegen verplicht na te leven zijn de minimale heffingsbedragen in artikel 3.2.5, § 1: “1° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per strekkende meter lengte van de bouwgrond of kavel palende aan de openbare weg, bedraagt de heffing ten minste 12,50 euro per strekkende meter; 2° indien de activeringsheffing wordt vastgesteld op een bedrag per vierkante meter oppervlakte van de bouwgrond of kavel, bedraagt de heffing ten minste 0,25 euro per vierkante meter; 3° in elk geval geldt een minimale aanslag van 125 euro per bouwgrond of kavel.” Ook geldt er een verplichting om een activeringsheffing in te voeren wanneer er gelet op de woningbehoefte in de gemeente een “structureel onderaanbod” inzake het bouwpotentieel wordt vastgesteld (artikel 3.2.15). 4.
- Nadat de gemeenteraad van de verwerende partij al voor eerdere periodes een activeringsheffing instelde, beslist hij op 30 december 2019 ook voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 tot de goedkeuring van een belastingreglement met betrekking tot de activeringsheffing gevestigd op de onbebouwde percelen en kavels deel uitmakend van een goedgekeurde verkaveling, die voorkomen in het gemeentelijk register van onbebouwde percelen in woongebied. Deze gemeenteraadsbeslissing is het voorwerp van het voorliggende beroep. De activeringsheffing bedraagt 50 euro per strekkende meter aan de straatkant van het onbebouwd perceel of de onbebouwde kavel, met een minimum van 700 euro per onbebouwd perceel of onbebouwde kavel. Elk gedeelte van een meter wordt als volle meter beschouwd. X-17.685-3/17 4.
- Op grond van het belastingreglement worden eerste en tweede verzoeker voor het aanslagjaar 2020 belast ten bedrage van, respectievelijk, 2.100 euro en 2.700 euro. 4.
- Op 25 mei 2021 keurt de gemeenteraad voor de aanslagjaren 2021 tot en met 2025 een aangepast belastingreglement met betrekking tot de activeringsheffing goed. In de gemeenteraadsbeslissing wordt uitgelegd dat het noodzakelijk is om het belastingreglement activeringsheffing “bij te stellen om het zo correct mogelijk te kunnen toepassen”, dat het aangewezen is “om het belastbaar feit en de doelgroep van belastingplichtigen duidelijk te definiëren en af te bakenen in overeenstemming met het doel van de belasting” en dat het belastingreglement wordt aangepast aan de Vlaamse Codex Wonen van
- Dit is het voorwerp van het annulatieberoep met nr. A. 234.189/X-17.
- IV. Excepties van nietigheid en onontvankelijkheid Excepties
- Volgens de verwerende partij is het verzoekschrift tot nietigverklaring nietig wegens het ontbreken van de vermelding van het rijksregisternummer van verzoekers. Dit is in strijd met artikel 17 van de wet van 14 oktober 2018 ‘tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen’ (hierna: de wet van 14 oktober 2018 ‘tot hervorming van de griffierechten’).
- Nog volgens de verwerende partij is de bestreden beslissing “een hernieuwing van de belasting [betreffende de activeringsheffing], die reeds eerder werd hernieuwd en dus verscheidene jaren geleden werd ingevoerd”. Voor zover de bepalingen van het belastingreglement “inhoudelijk niet werden gewijzigd ten aanzien van de eerdere beslissingen” is de bestreden beslissing een loutere bevestiging van een eerdere beslissing en niet voor vernietiging vatbaar. Een rechtshandeling veronderstelt het aanbrengen van wijzigingen in een bestaande regel of rechtstoestand. X-17.685-4/17 Beoordeling
- De verwerende partij beroept zich voor haar nietigheidsexceptie op de wijziging die artikel 17 van de wet van 14 oktober 2018 ‘tot hervorming van de griffierechten’ heeft aangebracht aan artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek. Dat artikel 1034ter somt de vermeldingen op waaraan, volgens het deel ‘Burgerlijke rechtspleging’ van het Gerechtelijk Wetboek, boek II ‘Geding’, een verzoekschrift op tegenspraak moet voldoen. Artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek is evenwel niet van toepassing op het verzoekschrift tot nietigverklaring dat bij de Raad van State wordt ingediend. Welke vermeldingen een dergelijk verzoekschrift moet bevatten, wordt geregeld door artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Dit artikel 2 vereist geen vermelding van het rijksregisternummer. De exceptie van nietigheid wordt verworpen.
- Ook de exceptie dat de bestreden belasting niet voor vernietiging vatbaar is, wordt verworpen. De bestreden beslissing keurt een activeringsheffing goed voor een nieuwe periode vanaf
- Terecht zijn verzoekers van oordeel dat het om “een nieuw belastingreglement” gaat, dat niet slechts een bevestigende beslissing is. X-17.685-5/17 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel betogen verzoekers in het verzoekschrift dat het bestreden belastingreglement de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt, doordat het in artikel 5 sociale woonorganisaties en het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams Brabant vrijstelt van de activeringsheffing. Het is, gelet op het doel van de belasting, niet redelijkerwijze te begrijpen waarom sociale woonorganisaties en het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant bouwgronden wel onbebouwd zouden mogen laten liggen, in tegenstelling tot andere eigenaars van gronden. Waar verwezen zou worden naar artikel 3.2.8 van het decreet grond- en pandenbeleid als rechtsbasis voor de vrijstelling, is er reden om ter zake een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat de vrijstelling in artikel 5 van het belastingreglement met betrekking tot de sociale woonorganisaties en het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant, gebaseerd is op artikel 3.2.8, 2°, van het decreet grond- en pandenbeleid. Een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof hierover wordt “niet dienstig” geacht: “Het antwoord op [de] prejudiciële vraag is immers niet noodzakelijk voor de beslechting van het geschilpunt […] gezien, enerzijds, deze vraag dus reeds eerder met arrest van 18 mei 2011 door het Grondwettelijk Hof werd beantwoord, en, anderzijds, de vrijstelling voorzien voor sociale woonorganisaties en Vlabinvest […] pertinent is in het licht van het doel van de beoogde heffing en verzoekende partijen niet aantonen dat zij in concreto worden gediscrimineerd door deze vrijstelling.” X-17.685-6/17 Beoordeling
- Artikel 5 van het bestreden belastingreglement voorziet in zijn vierde lid in een vrijstelling van de activeringsheffing voor: “De sociale woonorganisaties en het Investeringsfonds voor Grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant, vermeld in artikel 16 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting 1992.” Aldus mogen, zo doen verzoekers concreet gelden, sociale woonorganisaties en het Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant, nadien Vlabinvest apb (autonoom provinciebedrijf), “wél onbelast gronden in portefeuille […] aanhouden”, in tegenstelling tot andere eigenaars van gronden, zoals zijzelf.
- De in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet vervatte regels met betrekking tot de gelijkheid en de niet-discriminatie inzake belastingen staan een verschillende fiscale behandeling niet in de weg, op voorwaarde dat er een objectieve en redelijke verantwoording voor bestaat. Die verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de belasting en de redelijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
- Met de bestreden bepaling heeft de verwerende partij louter de vrijstelling overgenomen van artikel 3.2.8, eerste lid, 2°, van het decreet grond- en pandenbeleid. Volgens die bepaling zijn van de activeringsheffing vrijgesteld: “de sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb”. In dit licht stelt het middel wezenlijk de schending van de gelijkheidsregel door artikel 3.2.8 van het decreet grond- en pandenbeleid aan de orde.
- Toch is het volgens de verwerende partij niet nodig het Grondwettelijk Hof hieromtrent prejudicieel te ondervragen. Immers is de vraag ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 X-17.685-7/17 over de schending van de gelijkheidsregel om reden van de vrijstelling voor sociale woonorganisaties en Vlabinvest reeds door het Grondwettelijk Hof beantwoord in zijn arrest nr. 81/2011 van 18 mei
- Tevens is de vrijstelling voldoende verantwoord nu de situatie van de verzoekende partijen onvergelijkbaar zou zijn met die van de vrijgestelde entiteiten en de vrijstelling, gelet op het doel van de heffing, pertinent is.
- Het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 81/2011 heeft geen betrekking op het grond- en pandenbeleid, maar op een wet van 22 december 2009 ‘houdende fiscale bepalingen’ waarbij de regeling voor het vestigen van een subsidiaire aanslag in de inkomstenbelastingen wordt gewijzigd. Met de verwijzing naar het arrest beoogt de verwerende partij alleen de overweging sub B.4.2 van het arrest onder de aandacht te brengen en te benadrukken: “Het Hof zou niet tot de schending van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie kunnen besluiten om de enkele reden dat uit de parlementaire voorbereiding niet de redelijke verantwoording van een verschil in behandeling blijkt. De vaststelling dat een dergelijke verantwoording niet in de parlementaire voorbereiding is vermeld, sluit niet uit dat aan een maatregel een legitieme doelstelling ten grondslag ligt die het eruit voortvloeiende verschil in behandeling in redelijkheid kan verantwoorden.” Deze geciteerde overweging houdt allerminst in dat bij gebrek aan een redelijke verantwoording in de parlementaire voorbereiding voor een gemaakt verschil in behandeling geen schending van de gelijkheid kan worden vastgesteld. Wel is het voor een vaststelling van zulk een schending onvoldoende dat de redelijke verantwoording niet blijkt in de parlementaire voorbereiding.
- Of, ten slotte, verzoekers in een vergelijkbaar geval verkeren als de sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb en of de verantwoording voor de verschillende behandeling pertinent en voldoende is, behoort tot de beoordeling van de eventuele schending van de gelijkheid door artikel 3.2.8 van het grond- en pandenbeleid. Die beoordeling komt evenwel niet de Raad van State, maar het Grondwettelijk Hof toe. X-17.685-8/17 Er is reden om de door verzoekers in het verzoekschrift geopperde vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Geen gevolg wordt gegeven aan hun verzoek in de laatste memorie om die vraag uit te breiden. De uitbreiding – door verzoekers een ‘verfijning’ genoemd – voegt niets wezenlijks toe. B. Tweede middel Samenvatting van het middel
- In een tweede middel voeren verzoekers in het verzoekschrift aan dat er geen enkele motivering wordt gegeven “om de heffing zo maar even 5,6 maal zo hoog te maken als het bedrag dat als doeltreffend wordt aangemerkt in het Decreet grond- en Pandenbeleid”. Dit overschrijdt de grenzen van de redelijkheid en schendt het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht. De overdreven hoogte van de heffing tast ook het recht op eigendom aan, vervat in artikel 16 van de Grondwet en beschermd door artikel 1 van het Eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De activeringsheffing strekt er rechtstreeks toe, of moet er krachtens het decreet grond- en pandenbeleid toe strekken, om de eigenaars van bebouwbare percelen en kavels te belasten om ze ertoe te bewegen hun gronden te verkopen, “anders heeft de belasting immers helemaal geen enkele zin”. De belasting legt een onredelijke last op: ze verbreekt het billijk evenwicht tussen de vereisten van het algemeen belang en de bescherming van het recht op het ongestoord genot op eigendom en doet aldus op onverantwoorde wijze afbreuk aan het ongestoord genot van het eigendom van verzoekers. Het past volgens verzoekers om het Grondwettelijk Hof prejudicieel te ondervragen “inzake de bestaanbaarheid van artikel 3.2.5 [van het decreet grond- en pandenbeleid] met artikel 16 van de Grondwet in samenhang met artikel 1 [van het Eerste aanvullend protocol bij het EVRM], waar het de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 X-17.685-9/17 gemeenten machtigt om een belasting te heffen die er toe strekt eigenaren hun onbebouwde percelen of kavels te doen verkopen”. Beoordeling
- Artikel 4, eerste lid, van het bestreden belastingreglement bepaalt: “De activeringsheffing bedraagt 50 EUR per strekkende meter aan de straatkant van het onbebouwd perceel of de onbebouwde kavel, met een minimum van 700 EUR per onbebouwd perceel of onbebouwde kavel. Elk gedeelte van een meter wordt als volle meter beschouwd.” Hierdoor moet eerste verzoeker met betrekking tot 2020 een activeringsheffing van 2.100 euro betalen voor zijn perceel aan de E. te Linden en tweede verzoeker een activeringsheffing van 2.700 euro voor zijn perceel aan de P. te Linden.
- Er wordt door de gemeenteraad voor de welbepaalde hoogte van het goedgekeurde heffingstarief geen precieze verantwoording gegeven. Dat is naar het oordeel van de Raad van State ook niet vereist. Het volstaat dat de bedragen niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan en voor de betrokkenen geen onevenredig groot nadeel veroorzaken.
- Volgens verzoekers is dat net wel het geval. Daarvoor wordt in het verzoekschrift als enige reden aangevoerd dat het decreet grond- en pandenbeleid in een minimumheffing van 12,5 euro per lopende meter straatbreedte of van 125 euro per kavel of perceel voorziet en dat in Vlaanderen het gemiddelde 25 euro per lopende meter zou bedragen. Verzoekers laten daarbij gemakshalve buiten beschouwing dat de bedragen in het decreet grond- en pandenbeleid aan de evolutie van de ABEX-index moeten worden aangepast. Evenzo laten zij na hun bewering in verband met het gemiddelde bedrag van de activeringsheffing te staven. X-17.685-10/17
- Het oogmerk van een activeringsheffing bestaat erin potentiële woonlocaties vrij te maken en grondspeculatie tegen te gaan. Uit de omstandigheid dat volgens artikel 3.2.5, § 1, eerste lid, van het decreet grond- en pandenbeleid een gemeente daartoe de activeringsheffing “ten minste” op 12,50 euro per strekkende meter moet bepalen of op het “minimale” bedrag van 125 euro per bouwgrond of kavel, volgt nog geenszins dat een bedrag van 50 euro per strekkende meter, of 700 euro per bouwgrond of kavel excessief is of de heffingsplichtigen een exorbitant groot nadeel berokkent. Ook het feit dat, gemiddeld beschouwd, andere gemeenten beweerdelijk zouden volstaan met 25 euro per strekkende meter – waarmee zij dus blijkbaar evenmin als de verwerende partij het minimumbedrag in het decreet grond- en pandenbeleid opleggen – doet dat niet zomaar aannemen.
- In de memorie van wederantwoord betwisten verzoekers de deugdelijkheid van “de motivering die op 28 januari 2015 werd gegeven om de tarieven extreem fors op te trekken (met name de bewering dat ‘de activeringsheffing […] optimaal [moet] worden benut om de minderinkomsten voor de gemeente op te vangen die volgen uit de veroudering van de bevolking’)”. Die kritiek is hoe dan ook achterhaald. Met een gemeenteraadsbeslissing van 28 januari 2015 stelde de verwerende partij de jaarlijkse activeringsheffing vast op 70 euro per strekkende meter lengte van het perceel en de minimale aanslag per onbebouwd perceel of kavel op 1.000 euro. In de aanhef werd onder meer overwogen dat de activeringsheffing optimaal benut moest worden gelet op de toenemende veroudering van de bevolking in de gemeente “waardoor minder inkomsten gegenereerd kunnen worden uit de personenbelasting”. Maar al op 21 december 2016 werden die bedragen aangepast tot 50 euro per strekkende meter en ten minste 700 euro per onbebouwd perceel of onbebouwde kavel “omdat de activering van onbebouwde gronden in woongebied ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 X-17.685-11/17 goed op gang is gekomen. Het bedrag wordt niet te laag gezet omdat het nodig is de activering te blijven stimuleren.” De bestreden beslissing van 30 december 2019 houdt dezelfde bedragen aan.
- Verzoekers overtuigen er niet van dat de activeringsbijdrage buitensporig is en een onredelijke last voor hen inhoudt.
- Dit wijst meteen ook uit dat verzoekers van een onjuiste stelling uitgaan in zoverre zij de aantasting van het recht op eigendom, die zij in het middel aanvoeren, baseren op de “overdreven hoogte van de heffing”. Die hoogte van de bestreden activeringsheffing, laat staan de hoogte van de minimumtarieven in artikel 3.2.5 van het decreet grond- en pandenbeleid, blijken niet van die aard dat ze de conclusie wettigen dat de heffing erop gericht is, of tenminste tot gevolg heeft, de eigenaars van bebouwbare percelen en kavels hun eigendom te doen verkopen. Anders ook dan verzoekers menen, wil “potentiële woonlocaties vrijmaken” niet zeggen: “vrijmaken van de eigenaar voor een andere potentiële eigenaar”. Het betekent: bouwgronden of kavels beschikbaar maken om effectief als woonlocatie te kunnen worden gebruikt. In de gegeven omstandigheden kan geen schending worden vastgesteld van het recht van verzoekers op het ongestoord genot van hun eigendom en is er evenmin reden om aan het Grondwettelijk Hof de prejudiciële vraag te stellen die zij in het verzoekschrift formuleren, te weten over de schending van het eigendomsrecht door artikel 3.2.5 van het decreet grond- en pandenbeleid in zoverre die bepaling ertoe zou strekken “eigenaren hun onbebouwde percelen of kavels te doen verkopen”.
- In de laatste memorie brengen zij in verband met het tweede middel nog een andere, tweede, prejudiciële vraag te berde. Deze tweede vraag is hierdoor ingegeven dat, wil het gebruik van (louter) de machtiging die artikel 3.2.5 van het decreet grond- en pandenbeleid inhoudt tot het instellen van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 X-17.685-12/17 activeringsheffing niet het eigendomsrecht schenden, die machtiging dan afhankelijk moest zijn gesteld van de voorwaarde dat er een structureel onderaanbod van bebouwbare percelen of kavels bestaat die wordt aangetoond door een woonbehoeftestudie. Verzoekers zoeken zodoende kennelijk aansluiting bij de voorwaarden waarin artikel 3.2.15 van het decreet grond- en pandenbeleid voorziet opdat er voor de gemeente een verplíchting zou bestaan tot het vaststellen van een activeringsheffing. Verzoekers geven hiermee aan het tweede middel een wending die de oorspronkelijke invulling ervan, in het verzoekschrift, te buiten gaat. Het maakt een nieuw middel(onderdeel) uit, dat niet ontvankelijk is. De tweede prejudiciële vraag wordt niet gesteld.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Samenvatting van het middel
- Elke belasting moet in hoofdorde een financieel doel hebben. Een dergelijk doel is te dezen klaarblijkelijk volledig afwezig. Vermits de belasting “een louter prohibitieve belasting is ten aanzien van het bezitten van onbebouwde grond”, dient het bestreden belastingreglement te worden vernietigd. Het is in strijd met het verbod van machtsafwending en de materiëlemotiveringsplicht. Beoordeling
- Met het bestreden belastingreglement maakt de verwerende partij toepassing van de machtiging die artikel 3.2.5 van het grond- en pandenbeleid haar geeft om een heffing in te stellen ten einde potentiële woonlocaties vrij te maken en grondspeculatie tegen te gaan. Overigens moet die heffing, juist ten bate van dat oogmerk, een bepaald minimum bedragen. X-17.685-13/17 Het is dan ook een misvatting dat het bestreden belastingreglement “in hoofdorde een financieel doel” zou moeten dienen.
- In zoverre verzoekers de bestreden heffing verwijten een zuiver prohibitief karakter te hebben en een verbod in te houden “op de belast[bare] materie”, gaat het middel op in het tweede middel, dat hiervoor verworpen is.
- In de laatste memorie sturen verzoekers het middel dat zij in het verzoekschrift aanvoerden grondig bij. Meer bepaald heet het nu dat als de verwerende partij pretendeert daadwerkelijk een activeringsheffing in te voeren, zij dan de “concrete feitelijke omstandigheden te Lubbeek [moet aanvoeren] die aannemelijk maken dat [zij] een activeringsheffing kan verantwoorden volgens de specifieke doelstelling van het [decreet grond- en pandenbeleid]”. Die concrete feitelijke omstandigheden ontbreken evenwel, volgens verzoekers. De bijsturing houdt in wezen het aanvoeren van een nieuw middel in. Dit nieuwe middel is te laat.
- De conclusie is dat het derde middel wordt verworpen. D. Vierde middel Samenvatting van het middel
- De verwerende partij heeft in het bestreden belastingreglement bepaald dat voor de houders van een verkavelingsvergunning met wegeniswerken slechts in een vrijstelling wordt voorzien tot op het moment van de goedkeuring van het proces-verbaal van voorlopige oplevering van de wegeniswerken. Deze vrijstelling wijkt af van de decretaal voorziene vrijstelling. Dit is wel principieel mogelijk, maar dan moet dit naar behoren worden gemotiveerd en met inachtneming van het redelijkheidsbeginsel. Daaraan is niet voldaan. X-17.685-14/17 Beoordeling
- Artikel 5, laatste lid, van het bestreden belastingreglement luidt: “Een vrijstelling wordt verleend aan de houders van een in laatste administratieve aanleg verleende verkavelingsvergunning met wegeniswerken, en dit tot op het moment van de goedkeuring van het proces-verbaal van de voorlopige oplevering van de wegeniswerken.” De bepaling wijkt af van artikel 3.2.11 van het decreet grond- en pandenbeleid, luidend: “De activeringsheffing wordt opgeschort in hoofde van de houders van een in laatste administratieve aanleg verleende omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, en dit gedurende vijf jaren, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg, respectievelijk, wanneer de verkaveling werken omvat, vanaf 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar van afgifte van het attest, vermeld in artikel 4.2.16, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, desgevallend voor die fase van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarvoor het attest wordt verleend.” Het attest bedoeld in het citaat, is een attest van het college van burgemeester en schepenen waaruit blijkt dat het geheel van de lasten uitgevoerd is of gewaarborgd door 1° de storting van een afdoende financiële waarborg; 2° een door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg.
- Dat het voorschrift van artikel 5, laatste lid, van het bestreden belastingreglement niet overeenstemt met artikel 3.2.11 van het decreet grond- en pandenbeleid, is niet onwettig. Artikel 3.2.11 behoort tot een afdeling die, gelet op artikel 3.2.6 van het decreet grond- en pandenbeleid, slechts van toepassing is in zoverre de gemeentelijke heffingsreglementen er niet van afwijken. Nu artikel 3.2.11 de belastingheffende overheid vrij laat, hoefde de verwerende partij ook niet te motiveren waarom zij de bepaling niet overneemt. X-17.685-15/17
- Voorts is, zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt, de afwezigheid van een tijdelijke belastingvrijstelling gedurende vijf jaar effectief van aard om sneller aan te zetten tot bebouwing. Dit is geheel in lijn met de bedoeling van de belasting, die er net toe strekt om de bouwgronden te activeren en grondspeculatie tegen te gaan. Het blijkt niet dat artikel 5, laatste lid, van het bestreden belastingreglement de redelijkheid te buiten gaat. Alleszins kunnen verzoekers niet genoegzaam van het tegendeel overtuigen aan de hand van één “voorbeeld” waarin zij uitgaan van de kwade trouw van het bestuur, namelijk van diens kwaadwillig getalm om het proces-verbaal van de voorlopige oplevering van de werken goed te keuren.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Aan het Grondwettelijk Hof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld: “Schendt artikel 3.2.8 van het decreet van 27 maart 2009 ‘betreffende het grond- en pandenbeleid’ de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat het voorziet in een vrijstelling voor sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb?”
- Na ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof wordt de zaak voorgelegd aan het bevoegde lid van het auditoraat voor het opstellen van een aanvullend verslag. X-17.685-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op eenentwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.685-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.879 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.536 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.