id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 Rolnummer: A. 222675/XIV-37466 Zaak: Arrest 258881 - Apothekers en apotheken - 22/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-06 Raadplegingen: 275 - laatst gezien 2026-06-18 20:28 Fiche Arrest nr 258.881 van 22 februari 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 no lien 275974 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.881 van 22 februari 2024 in de zaak A. 222.675/XIV-37.466 In zake : XXXX rechtsgeding hervat door XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Verhaegen kantoor houdend te 2970 Schilde Vloeyenbergdreef 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël Keukelaere kantoor houdend te 1000 Brussel Terhulpsesteenweg 181 bus 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 juli 2017, strekt tot de nietigverklaring van: “- [1.] de beslissing van de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten d.d. 6 januari 2014 tot toekenning van de vergunning voor de apotheek gelegen te […], bekend onder stamboeknummer 110330, aan […], vanaf 6 november 2013[;en] - [2.] de beslissing van de administrateur-generaal van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten d.d. 6 januari 2014 tot registratie van de apotheek gelegen te […], bekend onder stamboeknummer 110330, op naam van […], vanaf 6 november 2013.” XIV-37.466-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 248.154 van 19 augustus 2020 werd het debat heropend en werd het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur Anja Somers heeft een aanvullend verslag opgesteld. De gedinghervattende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari 2024 om 14.00 uur. Op die dag heeft verzoeker een verzoek om schadevergoeding tot herstel ingediend om 12.56 uur. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. De gedinghervattende persoon, die in persoon verschijnt, is gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 248.154 van 19 augustus
- Er wordt naar verwezen. XIV-37.466-2/14 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Vooraf
- In zijn tussenarrest nr. 248.154 van 19 augustus 2020 heeft de Raad van State vastgesteld dat “na het door haar ingestelde vernietigingsberoep aan de oorspronkelijke verzoekster, zij het ditmaal na een aanvraag daartoe, een registratieattest, gedaan op 22 maart 2018, op haar naam werd afgeleverd dat (evenwel) de situatie op 8 mei 2017 ‘volgens schriftelijke verklaring’ vaststelt” en dat “[m]et dat registratieattest wordt bevestigd dat, conform artikel 20 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 [‘betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken’ (hierna: het koninklijk besluit van 25 september 1974)], de oorspronkelijke verzoekster de betrokken apotheek heeft laten registreren en dat aan die registratie het volgnummer 110330 – 8/05/207 werd toegekend”, zodat dan ook de vraag rees of en, zo ja, welke gevolgen dit heeft voor het belang van de oorspronkelijke verzoekster (en haar rechtsopvolger) bij het voorliggende annulatieberoep. Ambtshalve exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens gebrek aan actueel belang Standpunt van de partijen
- De oorspronkelijke verzoekster zet in haar verzoekschrift uiteen dat haar belang om een beroep in te stellen evident is, nu het gaat om beslissingen waarbij een vergunning waarvan zij houder is, op naam van een derde werden gesteld. In de memorie van wederantwoord voegt zij daaraan toe dat de “enormiteit” van de door het FAGG begane onwettigheid een vernietiging van de bestreden beslissingen vereist door de Raad van State, ter herstel van de rechtsorde en van haar geschonden vertrouwen in de overheid. In haar laatste memorie beperkt de oorspronkelijke verzoekster zich ertoe te volharden in haar uiteenzetting in het verzoekschrift tot nietigverklaring en in de memorie van wederantwoord, en beschouwt deze als uitdrukkelijk herhaald. XIV-37.466-3/14 Bij e-mail van 4 juni 2019 vraagt de auditeur-verslaggever aan de oorspronkelijke verzoekster of zij nog belang stelt in de hangende procedure en, zo ja, om toelichting te verschaffen waarin het actueel belang is gelegen gelet op het tussengekomen registratieattest. Bij e-mail van 2 juli 2019 antwoordt de oorspronkelijke verzoekster: “Ik stel zeker nog belang in de ingestelde procedure. Ik beoog om een vordering tot schadevergoeding tot herstel in te stellen. Aldus dient de wettigheid van de bestreden beslissing te worden onderzocht door de Raad van State, niettegenstaande de intrekking (arresten van de Algemene vergadering nrs. 248.865 en 248.866 van 21 juni 2018).”
- De gedinghervattende partij, te dezen de rechtsopvolger van de oorspronkelijke verzoekster, heeft in haar verzoekschrift tot gedinghervatting van 25 mei 2020 niet aangegeven welk belang zij bij een vernietiging van de bestreden beslissingen heeft. In haar laatste memorie is de gedinghervattende partij van oordeel dat haar belang bij het annulatieberoep bestendigd wordt op twee manieren. Enerzijds vertonen volgens haar de bestreden beslissingen een dermate hoge graad van illegaliteit dat het in het belang van de rechtszekerheid nodig is om ze formeel te vernietigen, nu niet kan worden aanvaard dat de houder van een officieel en openbaar register de essentie van zijn taak negeert, te weten zekerheid bieden over de juistheid van de gegevens en van de bewegingen in het register, zoals in casu niet is gebeurd. Bovendien wordt de enormiteit van de begane inbreuk op het publieke vertrouwen en op de rechtszekerheid, nog verzwaard door de lang volgehouden weigering van de verwerende partij om haar fout – gedeeltelijk en schoorvoetend – recht te zetten en valt het volgens de gedinghervattende partij moeilijk te geloven dat een openbare overheid de bestreden beslissingen heeft genomen, waarbij in zulk geval de Raad van State aanvaardt dat tot vernietiging dient te worden overgegaan, zodat de verzoekende partij haar belang behoudt. Anderzijds behoudt de gedinghervattende partij haar belang bij de gevorderde nietigverklaring door de mogelijkheid tot het indienen XIV-37.466-4/14 van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, welke mogelijkheid volgens haar bestaat tot de behandeling van het annulatieberoep door de Raad van State.
- In de memorie van antwoord zet de verwerende partij in essentie uiteen dat de oorspronkelijke verzoekster bij gebrek aan vernietiging opnieuw eigenaar kan worden van de vergunning, nu zij een dading afsloot waaruit zou blijken dat zij de eigenaar van de vergunning zou zijn, waardoor de oorspronkelijke verzoekster verplicht is om deze overdracht te laten registreren. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.
- en B.12.2) (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105). XIV-37.466-5/14 Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3 (ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109); GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020 (ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105), punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, punten 42 e.v. (ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506)). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 XIV-37.466-6/14 voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
- In geval van gedinghervatting zoals te dezen, moet de ontvankelijkheid van het beroep getoetst worden aan het belang van de oorspronkelijke verzoekster zelf, evenals aan het belang dat haar rechtsopvolger kan laten gelden.
- Zoals de oorspronkelijke verzoekster, betwist de gedinghervattende partij de bestreden beslissingen houdende de afgifte van beide documenten waarvan zij voor de Raad van State de vernietiging benaarstigt. Luidens het verzoekschrift beschikt de oorspronkelijke verzoekster over het vereiste belang “nu het gaat om beslissingen waarbij een vergunning waarvan zij houder is, op naam van een derde werd gesteld”. Te dezen omschrijft de oorspronkelijke verzoekster in haar verzoekschrift tot nietigverklaring haar belang bij de vernietiging van de bestreden beslissingen. De gedinghervattende partij, van haar kant, betoogt, in de door haar na het aanvullende auditoraatsverslag ingediende laatste memorie in essentie dat de bestreden beslissingen een dermate hoge graad van illegaliteit vertonen dat het in het belang van de rechtszekerheid nodig is om ze formeel te vernietigen en dat de enormiteit van de begane inbreuk op het publieke vertrouwen en op de rechtszekerheid, nog verzwaard wordt door de lang volgehouden weigering van de verwerende partij om haar fout recht te zetten. De oorspronkelijke verzoekster, en de gedinghervattende partij hebben aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en hebben hun door de bestreden beslissingen vermeende veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid.
- Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep, maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat. XIV-37.466-7/14 De Raad van State stelt vast dat een registratieattest gedaan op 22 maart 2018, op naam van de oorspronkelijke verzoekster werd afgeleverd dat de situatie op 8 mei 2017 “volgens schriftelijke verklaring” vaststelt en dat met dat registratieattest wordt bevestigd dat, conform artikel 20 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, de oorspronkelijke verzoekster de betrokken apotheek heeft laten registreren en dat aan die registratie het volgnummer 110330 – 8/05/207 werd toegekend. Niettegenstaande de oorspronkelijke verzoekster, zoals werd vastgesteld in het tussenarrest nr. 248.154 van 19 augustus 2020, met haar beroep tot nietigverklaring geenszins een nieuw registratieattest (na een nieuwe aanvraag tot wijziging van registratie) noch een nieuwe vergunning op haar naam beoogde te bekomen, doch integendeel, met het door haar ingestelde beroep tot vernietiging van de bestreden beslissingen een terugkeer naar de vóór die beslissingen geldende situatie beoogde waarbij het registratieattest en de vergunning ononderbroken op haar naam werden uitgereikt en moesten blijven, dient in ieder geval te worden vastgesteld dat op naam van de oorspronkelijke verzoekster een registratieattest werd afgeleverd en dit attest de situatie op 8 mei 2017 “volgens schriftelijke verklaring” vaststelt, met name op dezelfde datum als de door de oorspronkelijke verzoekster beoogde ingangsdatum van de door haar aangevraagde tijdelijke sluiting. Uit wat voorafgaat volgt dat met het op naam van de oorspronkelijke verzoekster afgeleverde registratieattest van 22 maart 2018, een registratie van de vergunning op haar naam vanaf de “volgens schriftelijke verklaring” vastgestelde datum van 8 mei 2017 werd verkregen en dat aldus de mogelijkheid om een tijdelijke sluiting met ingang van die datum aan te vragen, effectief werd bekomen. Noch in het elektronisch antwoordbericht van 2 juli 2019 van de oorspronkelijke verzoekster, noch in de laatste memorie van de gedinghervattende partij wordt betwist dat met het afgeleverde registratieattest van 22 maart 2018 de door de oorspronkelijke verzoekster beoogde tijdelijke sluiting met ingang van 8 mei 2017 kon worden bekomen en dat haar aldus – vanuit het oogpunt wat zij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 XIV-37.466-8/14 met de nagestreefde nietigverklaring beoogde – volledige genoegdoening werd verschaft, temeer nu de oorspronkelijke verzoekster zelf pas op de hoogte was van een registratieprobleem op 9 mei 2017, datum waarop zij haar aanvraag indiende voor het bekomen van de voornoemde tijdelijke sluiting. Bezien vanuit dat oogpunt kan een vernietiging van de bestreden beslissingen de oorspronkelijke verzoekster en de gedinghervattende partij niet tot voordeel strekken.
- De oorspronkelijke verzoekster en de gedinghervattende partij, verliezen evenwel in dat geval niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid elk belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar zoals de oorspronkelijke verzoekster, dient (ook) de gedinghervattende partij minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Ter zake heeft zowel de oorspronkelijke verzoekster, als de gedinghervattende partij een stelplicht. Noch de gedinghervattende partij, noch voordien de oorspronkelijke verzoekster doen zulks. Los van de vaststelling dat de oorspronkelijke verzoekster en de gedinghervattende partij er zich te dezen toe beperken op algemene wijze te poneren enerzijds dat zij “zeker nog belang [stelt] in de ingestelde procedure” en anderzijds te betogen dat het in het belang van de rechtszekerheid nodig is om de bestreden beslissingen formeel te vernietigen, waarbij zij zich, ondanks hun stelplicht ter zake - ter staving van hun standpunt - beperken tot het louter poneren van een standpunt zonder enig begin van bewijs gesteund op concrete en verifieerbare gegevens die op hun merites door de Raad van State kunnen worden onderzocht, volstaat die enkele vaststelling niet opdat zij doen blijken van een actueel belang. In die omstandigheden is wat de oorspronkelijke verzoekster – voordien - en de gedinghervattende partij – thans- met de gevraagde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 XIV-37.466-9/14 nietigverklaring dan nog nastreven niet méér dan het voordeel om derden te overtuigen van hun initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Het aldus beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissingen uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de oorspronkelijke verzoekster en de gedinghervattende partij aangevoerde middelen.
- In arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015) (ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015) heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat wanneer een verzoekende partij haar belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, zodat deze moet worden afgewezen, het indienen van een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel met toepassing van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State in voorkomend geval de Raad wel voor de verplichting plaatst om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die de verzoekende partij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over het ingediende verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. Aldus verschaft artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aan een verzoekende partij, wier belang in de annulatieprocedure buiten haar tekortkoming om evolueerde van een belang bij de nietigverklaring naar alleen nog een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel, het nodige instrument om toch nog een beoordeling door de Raad van State te verkrijgen van de middelen die zij in het kader van haar annulatieberoep aanvoerde. XIV-37.466-10/14
- De oorspronkelijke verzoekster geeft in haar e-mail van 2 juli 2019 aan dat zij beoogt om een vordering tot schadevergoeding tot herstel in te stellen. De gedinghervattende partij van haar kant laat in haar laatste memorie gelden dat zij haar belang bij de gevorderde nietigverklaring behoudt door de mogelijkheid tot het indienen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel, welke mogelijkheid volgens haar bestaat tot de behandeling van het annulatieberoep door de Raad van State. De Raad van State moet in dat verband echter vaststellen dat de gedinghervattende partij wachtte tot 17 januari 2024, op minder dan twee uur voor de geplande terechtzitting waarop het debat zou worden gesloten, om te doen wat zij al maanden wist en al eerder had aangekondigd en waartoe zij, met eerbiediging van het recht van verdediging, ruimschoots de mogelijkheid had, namelijk alsnog een regelmatig verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel indienen. Op de terechtzitting heeft de gedinghervattende partij geen redenen, laat staan in redelijkheid aanvaardbare redenen, gegeven waarom zij pas in extremis, hetzij iets meer dan een uur voor de terechtzitting, haar verzoek kon indienen. Zij geeft enkel aan in haar verzoek tot schadeloosstelling, enerzijds, dat “[i]n deze zaak nog geen arrest [is] tussengekomen dat oordeelt over het annulatieberoep [en] de ontvankelijkheid ratione temporis blijkt” en, anderzijds, dat “[h]et annulatieberoep door verzoekster [is] ingesteld op 17 juli
- Aldus is artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State op onderhavige casus van toepassing, gelet op het bepaalde in artikel 40 van de wet van 5 [lees: 6] januari
- Het verzoek tot schadevergoeding tot herstel is ontvankelijk.” Dit alles samen in overweging nemend, maakt dat de proceshouding van de gedinghervattende partij, die de verwerende partij en de Raad van State nodeloos en vermijdbaar uitermate in extremis overvalt met een nieuw gegeven, niet getuigt van gepaste loyauteit ten aanzien van de merites van een correct en efficiënt procesverloop, temeer daar de gedinghervattende partij op het ogenblik van het sluiten van het debat onmogelijk het voor de beoogde vordering voorgeschreven rolrecht kan hebben betaald of zelfs geen opdracht tot ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 XIV-37.466-11/14 betaling kan voorleggen, zodat er op dat ogenblik allerminst zekerheid is of de vordering overeenkomstig artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ als “verricht” kan en mag worden beschouwd. Het gedrag van de gedinghervattende partij vormt derhalve een duidelijke schending van de loyale procesvoering die van de partijen in het geding moet worden verwacht. Het voorgaande maakt een substantiële tekortkoming uit aan het normale en behoorlijke verloop van het onderzoek van het beroep. Het argument van de gedinghervattende partij dat “artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State op onderhavige casus van toepassing [is]” doet niet anders besluiten. Het voormelde principe dat op een verzoekende partij geen stelplicht rust om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten en dat het haar toevalt om bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven indien dat in twijfel wordt getrokken, belet immers dat te dezen de gedinghervattende partij hiervan gebruik maakt op een wijze die - zoals hiervoor is vastgesteld - kennelijk de perken van de normale uitoefening ervan door een bedachtzame en zorgvuldige persoon te buiten gaat.
- De oorspronkelijke verzoekster en de gedinghervattende partij hebben geen actueel belang meer bij het voorliggende beroep tot vernietiging.
- De ambtshalve exceptie is gegrond. V. Wat de vordering tot het toekennen van een schadevergoeding tot herstel betreft
- In haar op 17 januari 2024 ingediend verzoekschrift vraagt de gedinghervattende partij de Raad van State haar een schadevergoeding tot herstel toe te kennen. XIV-37.466-12/14
- Nu geen onwettigheid is vastgesteld, dient het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel overeenkomstig artikel 25/3, §§1 en 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, eveneens te worden afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- De gedinghervattende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de oorspronkelijke verzoekster en van de gedinghervattende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter XIV-37.466-13/14 Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.466-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.154 citeert: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div