id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 Rolnummer: A. 234764/VII-41220 Zaak: Arrest 258887 - Natuurbehoud - Vergunningen - 22/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-29 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-11 03:23 Fiche Arrest nr 258.887 van 22 februari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 no lien 275976 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.887 van 22 februari 2024 in de zaak A. 234.764/VII-41.220 In zake :
- J.D.
- A.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurent Puissant kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopold I-straat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
- S.V.
- G.D. beide woonplaats kiezend te -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 mei 2021 waarbij aan de verzoekende partijen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd die strekken tot het herbebossen van een perceel; - het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 augustus 2021 waarbij het beroep ingesteld tegen de VII-41.220-1/12 beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 mei 2021 ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. S.V. en G.D. hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 januari
- Auditeur Benny De Sutter heeft op 5 mei 2022 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ruben Massoels, die loco advocaat Laurent Puissant verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij, die in persoon verschijnt, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-41.220-2/12 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 1 maart 2021 stellen natuurinspecteurs van het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat een perceel grond, gelegen te Overijse, is ontbost. 3.
- Er wordt een proces-verbaal opgemaakt waarin het volgende wordt gesteld: “Vaststellingen: […] l) AANLEIDING: Melding van onze collega’s van de dienst Adviezen en Vergunningen (AVES) van het Agentschap Natuur en Bos over een illegale omvorming van bos naar een grasland te Overijse. Op 29 mei 2017 wordt er door de heer […] een aanvraag tot ontheffing op het ontbossingsverbod ingediend voor het betrokken perceel. De aanvraag wordt als bijlage 1 aan dit proces-verbaal gevoegd samen met de email en een tweede bijlage. De ontheffing werd nooit verleend wegens onontvankelijk. Er werd geen kapmachtiging afgeleverd voor dit perceel. 2) VASTSTELLING: Op maandag 1 maart 2021 omstreeks 11:00 uur begeven wij ons ter plaatse. Langs een aanpalend veld gelegen aan de Korenarenstraat begeven wij ons tot aan de rechterzijde van het betrokken perceel. Wij stellen er vast dat het bos volledig verdwenen is en vervangen werd door gazon. Hierop begeven wij ons naar de woning gelegen aan de […]straat […] waarvan wij op dat moment denken dat het betrokken perceel deel uitmaakt. We spreken er met de eigenaars die ons meedelen dat het achterliggende gedeelte van het perceel niet van hen is maar dat dit recent werd verkocht aan de naastliggende buren. Hierop begeven wij ons naar de woning gelegen aan de […]laan met huisnummer […]. De deur staat open en wij vragen of er iemand thuis is. Daarop komt mevrouw […] naar de deuropening en maken wij ons kenbaar en vragen we haar of zij de eigenaar is van het achterliggende gazon waar voordien bomen stonden. Mevrouw […] bevestig[t] dat het stuk grond waar voordien een sparrenbos op stond werd opgedeeld en verkocht werd door de heer […]. Wij delen haar mee dat het bos illegaal ontbost werd en leggen de situatie uit. Daarop begeven wij ons ook naar huisnummer […] en bellen daar aan. De heer […] opent voor ons de deur waarop wij ons voorstellen en ook aan hem de situatie uitleggen. De heer […] bevestig[t] dat ook hij recent het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 VII-41.220-3/12 achterliggende stuk heeft aangekocht van de heer […]. Hij neemt ons mee naar achteren in de tuin en toont ons het stuk dat hij heeft bijgekocht. Er werden gele markeringen aangebracht die de verdeling aanduiden van het betrokken perceel. Het deel waar er voorheen bos aanwezig was is volledig omgevormd naar gazon. Verklaring/Verhoor: De heer […] wordt op 29 april 2021 in het bijzijn van Meester […] door opsteller verhoord. Het verhoor verliep rustig en zonder incidenten. Het volledige verhoor wordt als bijlage 3 toegevoegd aan dit proces-verbaal. Voor aanvang van het eigenlijke verhoor overhandigt de heer […] ons een schriftelijke en ondertekende verklaring samen met enkele foto’s van het bos, de factuur van de tuinaannemer en de verkoopakten van de twee opgesplitste delen van het perceel waar voordien het bos aanwezig was. De schriftelijke verklaring samen met de foto’s van de toestand van het bos en de factuur van de tuinaannemer worden als bijlage 4 aan dit proces-verbaal gevoegd. De verkoopakten worden als bijlage 5 en bijlage 6 toegevoegd. In beide verkoopakten staat op pagina 10 onder de rubriek ‘Bosdecreet’ het volgende vermeld: ‘Verwijzend naar artikel 3 van het Bosdecreet, heeft de verkoper verklaard dat het hierboven vermelde goed niet kan aanzien worden als een bos, een kaalvlakte, een niet beboste oppervlakte nodig voor het behoud van het bos, een bestendige bosvrije oppervlakte of strook of recreatieve uitrusting binnen het bos en dat er zich op het bij deze verkochte goed geen aanplantingen bevinden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de houtopbrengst.’ […] Overige inlichtingen: […] Gezien het feit dat de heer […] voorafgaand aan de ontbossing een aanvraag tot ontheffing op het ontbossingsverbod heeft ingediend maar niet heeft gekregen toont wel degelijk aan dat hij op de hoogte was van de geldende regelgeving. In de schriftelijke verklaring van de heer […] verwijst hij naar artikel 87 van het Bosdecreet waarbij binnen een termijn van 22 jaar na de aanplanting mag ontbost worden mits eenvoudige melding. Dit is enkel van toepassing voor erkende landbouwers en bovendien is het bos op luchtfoto’s van de periode 1979-1990 reeds waar te nemen.” 3.
- Bij besluit van 6 mei 2021 legt het Agentschap voor Natuur en Bos aan de verzoekende partijen de volgende bestuurlijke maatregelen op: “- Herbebossen met inheems bosplantsoen op de ontboste oppervlakte en dit op een plantverband niet wijder dan 2,5 x 2,5 meter en dit in overleg met de huidige eigenaars. - Indien meer dan 10% van het aangeplante plantgoed afsterft dient in het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 VII-41.220-4/12 eerstvolgende plantseizoen te worden ingeboet. Indien nodig dient dit inboeten herhaald te worden in de daaropvolgende plantseizoenen tot de aanplant aanslaat.” Dit is de eerste bestreden beslissing. 3.
- Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
- Met een besluit van 9 augustus 2021 verklaart de Vlaamse minister het beroep ongegrond en bevestigt zij de door het Agentschap voor Natuur en Bos opgelegde bestuurlijke maatregelen, op grond van de volgende motieven: “Beroepsindieners erkennen de ontbossing te hebben uitgevoerd. De schending van bovenstaande bepalingen vormt een milieumisdrijf in de zin van artikel 16.1.2° van het DABM. Het milieumisdrijf in hoofde van beroepsindieners staat afdoende vast en de verwerende partij kon rechtmatig overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel. Beroepsindieners werpen in hun beroepschrift vooreerst op dat noch in de aankoopakte noch in de verkoopakte vermeld staat dat de bomen onder de bepalingen van het Bosdecreet vielen. Voor de toepassing van het Bosdecreet is de aanduiding van percelen in de notariële akte van verkoop echter niet bepalend voor de kwalificatie van de percelen als bos. De feitelijke situatie is bepalend. Uit de foto’s gevoegd bij de schriftelijke verklaring van beroepsindiener […] - bijlage 4 bij het aanvankelijk proces-verbaal - is duidelijk een bosbegroeiing te zien. Het perceel werd terecht beschouwd als een bos. Vervolgens werpen beroepsindieners op dat de sparren een veiligheidsrisico inhielden voor de aanpalende percelen, wegens het feit dat deze overhingen en afknakten gezien ze in slechte staat verkeerden. Beroepsindieners dienden om deze reden een verzoek tot vergunning voor de ontbossing in. Nadat zij bijkomende informatie aan ANB overmaakten, ontvingen zij geen antwoord meer van het ANB. Bovendien werd de heer […] zwaar ziek. Na mondeling akkoord van de gemeente Overijse heeft men derhalve de werken laten uitvoeren. Beroepsindieners lijken hiermee overmacht te willen inroepen. Artikel 16.4.5, eerste lid van het DABM schrijft voor dat bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd na de vaststelling van een milieumisdrijf. De redenering is dan dat, als er overmacht of dwaling in hoofde van beroepsindieners kan worden weerhouden wegens omstandigheden buiten de wil van beroepsindiener om of wegens onduidelijkheid over wat al dan niet toegelaten was, er geen bestuurlijke maatregel kan worden opgelegd. Blijkens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 december 2007 ‘tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 VII-41.220-5/12 bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’ is het bij bestuurlijke maatregelen, zoals in voorliggend geval werd opgelegd, ‘niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen’ (St. Vl. Parl., nr. 1249/1, 2006-2007, p. 14). Dergelijke maatregelen zijn aldus gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk. Derhalve kan de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich in principe niet beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Evenwel wordt er ondergeschikt op gewezen dat de aanwezigheid van overmacht erin dient te bestaan dat het milieumisdrijf enkel en alleen te wijten is aan een gebeurtenis die niets van doen heeft met vermoedelijke overtreder en die voor vermoedelijke overtreder niet voorzien, verhinderd of overwonnen kon worden. Dit is hier niet het geval. Het feit dat het bos in slechte staat zou zijn geweest en een gevaar betekende voor de omgeving doet geen afbreuk aan de vaststelling dat er kappingen werden uitgevoerd die niet gemachtigd waren. Dit argument ontslaat beroepsindieners niet van de verplichting om zich zoals eenieder aan de geldende regelgeving te houden of minstens om zich voorafgaand aan het uitvoeren van de werken grondig te informeren. Indien het veiligheidsrisico te groot werd, hadden beroepsindieners conform artikel 81 van het Bosdecreet een kap om veiligheidsredenen dienen te melden. Dit hebben zij nagelaten. Wat betreft het beweerdelijk uitblijven van het antwoord van het ANB, tonen beroepsindieners niet aan dat zij verdere stappen hebben ondernomen om een ontvankelijke aanvraag tot ontheffing van het ontbossingsverbod te bekomen. Integendeel, het feit dat beroepsindieners voorafgaand aan de ontbossing een aanvraag tot ontheffing op het ontbossingsverbod hadden ingediend, maar dit niet hadden gekregen, toont net aan dat zij op de hoogte waren van de geldende regelgeving en zij - zich duidelijk bewust zijnde van deze schending - de kapwerkzaamheden alsnog uitvoerden/lieten uitvoeren. Ook de ziekte van de heer […] is geen overmacht, gezien men een derde, bijvoorbeeld een consultant, had kunnen aanstellen om de vergunningsaanvraag in te dienen indien dit voor beroepsindieners zelf niet meer haalbaar bleek te zijn. Tot slot kan ook een mondeling akkoord van gemeente Overijse niet worden nagegaan. Een dergelijke mondelinge goedkeuring of toestemming kan ook niet in de plaats komen van een formeel bestuursbesluit tot het verlenen van een vergunning. Het bestaan van overmacht kan dan ook niet worden aanvaard. Vervolgens werpen beroepsindieners op dat de sparren door hun rechtsvoorgangers zonder enige vergunning werden aangeplant en commercieel uitgebaat. Bovendien wezen enkele buren beroepsindieners op het feit dat deze sparren in strijd met artikel 35bis, § 5 van het Veldwetboek werden aangeplant. Dit artikel bepaalt dat in de voor de landbouw bestemde gedeelten van het grondgebied bosaanplanting verboden is op minder dan zes meter van de scheidingslijn tussen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 VII-41.220-6/12 twee erven. Bovendien is ingevolge deze bepaling een vergunning van het college van burgemeester en schepenen vereist. Deze zou niet voorhanden zijn geweest. Het gegeven dat men de sparren in strijd met de regelgeving zou hebben aangeplant, betekent echter niet dat men vervolgens ook bij de kap van deze bomen en nadien uitgevoerde bestemmingswijziging de regelgeving naast zich neer mag leggen, te meer nu deze bomen - inmiddels - een bosbestand vormen. Dit middel is ongegrond. Beroepsindieners werpen verder op dat, ook al is het Bosdecreet hun inziens niet van toepassing, in overeenstemming met artikel 87 van het Bosdecreet werd gehandeld. Conform deze bepaling is een rooiing toegelaten mits een eenvoudige melding indien deze gebeurt binnen de 22 jaar na de aanplanting of spontane bebossing als bedoeling terug te keren naar gebruik als landbouwgrond. Zij verklaren na de kap gewassen en sierbomen te hebben aangeplant. Van deze uitzonderingsbepaling kan echter in voorliggend geval geen gebruik gemaakt worden. Het bos is op luchtfoto’s van de periode 1979-1990, publiekelijk raadpleegbaar via www.geopunt.be, immers reeds waar te nemen. Bovendien zijn zij, afgezien van het feit dat zij geen bewijs voorleggen dat hierop naderhand gewassen zouden zijn geteeld, evenmin erkende landbouwers. Dergelijke activiteiten blijken ook niet uit hun verweerschrift. Bovendien hebben beroepsindieners het perceel na het uitvoeren van de ontbossing opgedeeld en verkocht. Tijdens zijn plaatsbezoek op 1 maart 2021 trof verwerende partij in ieder geval een gazon aan. Ook tonen beroepsindieners niet aan dat zij deze melding aan het ANB hebben gedaan. Derhalve is artikel 87 van het Bosdecreet niet van toepassing. Dit argument wordt niet weerhouden. Verder werpen beroepsindieners op dat de tuinaannemer de werken zonder enig voorbehoud uitvoerde, hetgeen er hun inziens op zou wijzen dat zij rechtsgeldig handelden. Het louter gegeven dat beroepsindieners voor de uitvoering van de werken beroep hebben gedaan op een tuinaannemer, ontheft hen niet van hun aansprakelijkheid voor het niet naleven van de regelgeving. Voor zover beroepsindieners trachten aan te tonen dat dit gegeven wijst op hun goede trouw dan wel op onoverwinnelijke dwaling kan dit argument evenmin gevolgd worden. Uit onderdeel 3.3 volgt reeds dat de persoon aan wie een bestuurlijke herstelmaatregel wordt opgelegd, zich in principe niet kan beroepen op de strafrechtelijke rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden. Bovendien kan, ondergeschikt, pas sprake zijn van dwaling als deze onoverwinnelijk is en betrekking heeft op één van de bestanddelen van het misdrijf. Onoverwinnelijk betekent dat er in de houding of de handelswijze van degene die het milieumisdrijf heeft gepleegd geen enkele fout te bespeuren valt, kortom als deze gehandeld heeft zoals ieder redelijk of voorzichtig persoon zou handelen die zich in dezelfde omstandigheden bevindt. Uit het dossier blijkt net dat beroepsindieners op de hoogte waren van de regelgeving gezien ze een - zij het niet-ontvankelijke - aanvraag tot ontheffing van het ontbossingsverbod hebben ingediend. Van enige onoverwinnelijke dwaling is derhalve geen sprake. VII-41.220-7/12 Beroepsindieners voeren verder aan dat beroepsindiener mevrouw [...] aanvankelijk niet als verdachte werd beschouwd, doch dat thans een bestuurlijke maatregel aan haar wordt opgelegd zonder ooit gehoord geweest te zijn. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur stelt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen, die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hij de gelegenheid heeft gehad om op nuttige wijze zijn standpunt ter kennis te brengen. Uit onderzoek van het dossier blijkt inderdaad dat de beroepsindiener mevrouw […] geen verklaring heeft afgelegd en niet werd verhoord. Afgezien van de vraag of de hoorplicht in haar hoofde werd nageleefd, heeft de devolutieve werking van het beroep bij de minister evenwel tot gevolg dat een eventueel niet naleven van de hoorplicht door verwerende partij door de beslissing van de minister wordt gedekt. Het voorliggend beroep tegen de bestreden beslissing betreft namelijk een georganiseerd administratief beroep met een devolutieve werking, wat inhoudt dat de minister zich in graad van beroep een eigen oordeel moet vormen over de zaak en de ministeriële beslissing volledig in de plaats komt van de initiële beslissing. Bijgevolg is het noodzakelijk maar voldoende dat beroepsindiener mevrouw […] in graad van beroep de mogelijkheid heeft gehad om zich te verweren, opdat haar rechten afdoende zouden zijn gevrijwaard. Beroepsindiener mevrouw […] had in het kader van voorliggende beroepsprocedure de mogelijkheid om gehoord te worden, een mogelijkheid waar zij niet om verzocht heeft. Het uitgebreide beroepschrift van haar raadsman, die uitdrukkelijk namens beide beroepsindieners optreedt, toont ten slotte ook aan dat beroepsindiener mevrouw […] met kennis van zaken beroep heeft kunnen indienen. Dit argument wordt niet weerhouden. Tot slot werpen beroepsindieners op dat zij geen eigenaars meer zijn zodat de bestuurlijke maatregel niet uitvoerbaar is. Bestuurlijke maatregelen kunnen conform art. 16.4.5 DABM worden opgelegd aan degene die het milieumisdrijf heeft gepleegd of hiertoe opdracht heeft gegeven. Een bestuurlijke maatregel is dus verbonden aan degene die het milieumisdrijf heeft uitgevoerd (of de opdrachtgever) en niet aan het perceel waarop het milieumisdrijf betrekking heeft. Het staat vast dat beroepsindieners deze bomen gekapt hebben en dus de overtreders zijn. Ongeacht enige zeggenschap over het perceel, blijven beroepsindieners aldus te beschouwen als ‘degene die een milieumisdrijf hebben gepleegd’ zodat de bestuurlijke maatregel niet zijn rechtmatigheid verliest conform artikel 16.4.5 van het DABM nu zij geen eigenaar meer zijn van het betrokken perceel. Het gegeven dat beroepsindieners geen eigenaar meer zijn van het perceel, is derhalve geen reden om het beroep tegen de bestreden beslissing gegrond te verklaren. Derhalve legde verwerende partij terecht op dat beroepsindieners in overleg met de huidige eigenaars dienen over te gaan tot herbebossing. Dit argument wordt niet weerhouden.” Dit is de tweede bestreden beslissing. VII-41.220-8/12 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
- Tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 mei 2021 stond overeenkomstig artikel 16.4.17 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) een georganiseerd administratief beroep open bij de bevoegde Vlaamse minister, dat door de verzoekende partijen overigens op regelmatige wijze werd uitgeput. Het ministerieel besluit van 9 augustus 2021 waarbij uitspraak wordt gedaan over het ingestelde beroep is volledig in de plaats gekomen van de beslissing van 6 mei
- Het beroep is niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de voormelde beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 mei
- V. Onderzoek van het eerste onderdeel van het tweede middel Standpunt van de partijen
- In het eerste onderdeel van het tweede middel wordt de schending aangevoerd van het zorgvuldigheidsbeginsel. De verzoekende partijen wijzen er onder meer op dat de grond werd verkocht vooraleer zij door het Agentschap voor Natuur en Bos op de hoogte werden gebracht van een mogelijke overtreding. De nieuwe eigenaars van de grond weigeren een herbebossing, zodat de opgelegde bestuurlijke maatregel niet uitvoerbaar is.
- De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen de gevolgen moeten dragen van de door hen gestelde handelingen “ongeacht het huidige eigendomsstatuut” en dat zij tot een overeenkomst moeten komen met huidige eigenaars. VII-41.220-9/12
- In hun memorie van wederantwoord beklemtonen de verzoekende partijen dat als zij werkelijk de intentie zouden hebben gehad om een meerwaarde te realiseren, zij het kwestieuze perceel veel eerder zouden hebben verkocht en dat zij per slot van rekening zelf “de kat de bel [hebben] aangebonden door [het] ANB en de gemeente te contacteren”. Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Naar luid van artikel 16.4.5, tweede lid, DABM kunnen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd “ten aanzien van degene die een milieu-inbreuk of een milieumisdrijf heeft gepleegd, alsook diegene die opdracht heeft gegeven om handelingen te stellen die een milieu-inbreuk of milieumisdrijf uitmaken”. Uit die bepaling vloeit niet voort dat aan de pleger van een milieu-inbreuk of milieumisdrijf en/of aan diegene die daartoe opdracht heeft gegeven, op wettige wijze bestuurlijke maatregelen kunnen worden opgelegd die door hen niet kunnen worden uitgevoerd.
- In hun beroepschrift hebben de verzoekende partijen opgeworpen dat zij de opgelegde maatregel tot herbebossing onmogelijk kunnen uitvoeren omdat zij niet langer eigenaar zijn van het betrokken perceel. Door dit beroepsargument af te wijzen op grond van de enkele vaststelling dat de verzoekende partijen nog steeds te beschouwen zijn als “degene die een milieumisdrijf hebben gepleegd”, gaat de verwerende partij volledig voorbij aan de juridische implicaties die de eigendomsoverdracht van het betrokken perceel heeft op de mogelijkheid van de verzoekende partijen om de opgelegde bestuurlijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 VII-41.220-10/12 maatregel tot herbebossing zelfstandig uit te voeren. De (tweede) bestreden beslissing schendt het zorgvuldigheidsbeginsel doordat de verwerende partij niet alle relevante juridische aspecten van het beroepsdossier tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 mei 2021 aan een deugdelijk onderzoek heeft onderworpen.
- Het tweede middel is in de aangeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 9 augustus 2021 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 6 mei 2021 ongegrond wordt verklaard. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-41.220-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.220-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.887 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div