id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 Rolnummer: A. 237985/IX-10188 Zaak: Arrest 258901 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-29 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-05 07:02 Fiche Arrest nr 258.901 van 23 februari 2024 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 no lien 275979 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 258.901 van 23 februari 2024 in de zaak A. 237.985/IX-10.188 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ineke Michielsen en Bram Vangeel kantoor houdend te 2440 Geel Diestseweg 155 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door:
- de minister van Ambtenarenzaken
- de leidend ambtenaar van het directoraat-generaal Recrutering en Ontwikkeling van de FOD Beleid en Ondersteuning bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrik De Maeyer en Daisy Daniels kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 28 oktober 2022 waarbij XXXX niet geslaagd wordt verklaard voor de mondelinge proef en bijgevolg niet geslaagd is voor de ‘Specifieke proef Bevordering A’ voor ‘fiscalist KMO/GO – btw (BNG21267)’ voor de federale overheidsdienst Financiën. IX-10.188-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste en de tweede, alsook de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Ineke Michielsen, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Daisy Daniels, die tevens loco advocaat Patrik De Maeyer verschijnt voor de eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-10.188-2/16 III. Feiten 3.
- Verzoekster is sinds september 1998 in statutair dienstverband tewerkgesteld bij de FOD Financiën. Op dit ogenblik is zij als financieel deskundige (niveau B) werkzaam bij het team ‘KMO Antwerpen Controle 7’. 3.
- Om te kunnen worden bevorderd tot niveau A neemt verzoekster deel aan een bevorderingsproef die toegang verleent tot de klasse A1 in de functie ‘fiscalist KMO/GO – btw’. Deze proef wordt georganiseerd door Selor. Het selectiereglement omschrijft de volgende selectiestappen: - stap 1: screening van de deelnemingsvoorwaarden - stap 2 (deel 1): computergestuurde proef - stap 3 (deel 2): interview gedragsgerichte competenties - stap 3 (deel 3): interview motivatie. De stappen 2 en 3 vormen samen de ‘vergelijkende selectie’ (‘reeks 3’). Om te slagen moet de kandidaat: - ten minste 60 punten op 100 behalen voor stap 2 (deel 1) - ten minste 60 punten op 100 behalen voor stap 3 (delen 2 en 3 samen) - ten minste 60 punten op 100 behalen voor de gehele ‘reeks 3’, waarbij stap 2 meetelt voor 35% en stap 3 voor 65%. 3.
- Met een e-mail van 28 oktober 2022 wordt aan verzoekster meegedeeld dat zij de resultaten voor de computergestuurde proef en het interview kan raadplegen via haar elektronisch dossier op de website van Selor. Daaruit blijkt dat verzoekster 60,42 op 100 behaalde voor de computergestuurde proef (stap 2, deel 1) en 50 op 100 voor het interview (stap 3 delen 2 en 3). Met een totale score van 53,65 op 100 behaalt verzoekster aldus niet het vereiste minimum voor het geheel, noch voor het interview (stap 3). IX-10.188-3/16 Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
- In een enig middel beroept verzoekster zich op een schending van de formelemotiveringsplicht en van de materiëlemotiveringsplicht.
- Een eerste onderdeel van het enige middel steunt op de schending van de formelemotiveringsplicht. 6.
- Verzoekster voert aan dat het interview geen loutere kennisproef is en dat bijgevolg een ruimere motivering dan enkel de toegekende punten is vereist. Zij stelt dat zij niet wist dat er een motiveringsfiche voorhanden was, maar betwist alleszins dat deze de score van 50/100 zou kunnen verantwoorden. 6.
- Verzoekster betoogt dat er geen concrete quotering of motivering voor de verschillende deelaspecten voorligt, dat op basis van de motiveringsfiche niet kan worden vastgesteld wat het verband is tussen wat haar onder de algemene opmerkingen wordt verweten en hoe dit zich in de quotering vertaalt, dat enkel wordt verwezen naar de competentie ‘zichzelf ontwikkelen’ terwijl verzoekster vermoedt dat de score ook op andere gronden rust en dat – samengevat – uit de bestreden beslissing niet blijkt waarom precies 50/100 werd toegekend. 6.
- De motiveringsfiche bevat weliswaar twee links naar “algemene toelichting” – verzoekster legt de twee desbetreffende documenten voor als haar stukken 1.6 en 1.7 – maar volgens verzoekster houdt dit geen verband met haar specifieke proef en maakt het ook geen deel uit van de bestreden beslissing zelf. 6.
- Verzoekster heeft de indruk dat zij niet correct werd beoordeeld en meent dat het onduidelijk is hoe de totaalscore van 53,65/100 tot stand is ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 IX-10.188-4/16 gekomen, temeer nu, volgens verzoekster, de technische competenties, waarvoor zij slaagde, zwaarder zouden doorwegen. 7.
- De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoorden in hun memorie van antwoord dat in het aan verzoekster bezorgde motiveringsverslag uitdrukkelijk is aangegeven welke gedragsgerichte competenties tijdens de mondelinge proef werden onderzocht en welke verschillende dimensies per competentie werden beoordeeld. Aldus is aangegeven dat verzoekster als volgt scoorde: - motivatie: eerder goed - in team werken: eerder goed - zichzelf ontwikkelen: zwak - objectieven behalen: eerder goed. Via de link in dat motiveringsverslag kon worden doorgeklikt naar het document ‘hoe moet ik mijn motiveringsverslag interpreteren’, waarin niet alleen wordt toegelicht dat de antwoorden worden beoordeeld aan de hand van het functieprofiel en niet in het licht van het functioneren in de huidige job, maar waarin ook een beoordelingsmatrix wordt toegelicht die de evaluaties koppelt aan een cijfermatige score: “ Voor elke competentie wordt je prestatie gemeten op een schaal van zes niveaus. Vervolgens brengen we alle evaluaties samen om tot een eindresultaat te komen, uitgedrukt in percentage. Dat eindresultaat is de vertaling van de evaluaties van de jury voor elke competentie (en de aspecten waaruit ze bestaat) in een cijfer. zeer zwak zwak eerder zwak eerder goed goed zeer goed 0% - 6% 7% - 22% 23% - 49% 50% - 76% 77% - 92% 93% - 100% ” 7.
- Bijgevolg kan, volgens de eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij, uit de functiebeschrijving en het motiveringsverslag duidelijk worden afgeleid welke gedragsgerichte competenties concreet werden getoetst en hoe. Waar verzoekster ‘zwak’ scoorde, werd bovendien een bijkomende motivering opgenomen: IX-10.188-5/16 “De competentie ‘zichzelf ontwikkelen’ werd gescoord als zwak. Uit uw voorbeelden blijkt onvoldoende dat u zelf inspanningen onderneemt om uzelf professioneel extra te ontwikkelen en om te groeien binnen een functie. U heeft nog geen duidelijk beeld van uw professionele evolutiemogelijkheden. Daarnaast blijkt uit uw voorbeelden niet dat u actief op zoek gaat naar feedback. Ook toont u onvoldoende aan dat u zichzelf af en toe durft in vraag te stellen om uw kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen.” Deze motieven volstaan naar het oordeel van de eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij om de bestreden beslissing te schragen.
- De derde vertegenwoordiger van de verwerende partij werpt op dat de formelemotiveringsplicht niet zo ver gaat dat elk motief, wanneer het op zich voldoende concreet en begrijpelijk is, nog moet worden onderbouwd met een verwijzing naar concrete antwoordelementen die de gemaakte conclusie schragen. Hij stelt dat in casu aan de formelemotiveringsplicht is voldaan, nu verzoekster in de motiveringsfiche heeft kunnen lezen dat de competenties ‘motivatie’, ‘in team werken’, ‘zichzelf ontwikkelen’ en ‘objectieven behalen’ werden beoordeeld, met een aantal deelaspecten, waarbij telkens een resultaat (‘goed’, ‘eerder goed’, ‘eerder zwak’ of ‘zwak’) werd toegekend. Hoe de door verzoekster behaalde resultaten zich vervolgens vertalen in een concreet cijfer, wordt volgens de derde vertegenwoordiger van de verwerende partij meegedeeld in de toelichting met betrekking tot de gebruikte evaluatieschalen, waarin de competentiebeoordelingen worden omgezet in een percentage.
- Verzoekster betoogt in haar memorie van wederantwoord dat stuk 7 van het administratief dossier van de eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij nieuw is en haar nooit eerder werd meegedeeld en dat uit de tabel die de beoordeling koppelt aan een percentage, niet kan worden afgeleid welke cijfermatige score precies wordt toegekend. Zo staat tegenover de beoordeling ‘zwak’ een score ‘7-22%’, waarbij het voor verzoekster geheel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 IX-10.188-6/16 onduidelijk, maar uiteraard wel zeer relevant is om te weten of zij nu eerder 7%, dan wel 22% behaalde. Daarnaast betoogt verzoekster dat enkel de competentie ‘zichzelf ontwikkelen’, die als ‘zwak’ werd beoordeeld, van een beknopte motivering werd voorzien, terwijl zij er belang bij heeft om ook van de andere competenties om te weten waarom de toegekende beoordeling werd gegeven.
- In haar laatste memorie weerspreekt verzoekster dat zij in haar memorie van wederantwoord nieuwe argumenten ontwikkelt. Zij stipt voorts aan dat haar bezwaarlijk een gebrek aan concrete kritiek kan worden verweten, wanneer zij niet de motieven kent die zij aan kritiek zou moeten onderwerpen.
- De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij voeren in hun laatste memorie aan dat verzoeksters argumentatie omtrent stuk 7 van hun administratief dossier niet overtuigt. Verzoekster kon immers in het motiveringsverslag dat zij ontving reeds lezen dat de verschillende beoordelingen van de competenties binnen een percentagemarge vallen. Aan de formelemotiveringsplicht is volgens hen voldaan.
- Een tweede onderdeel van het enige middel steunt op de schending van de materiëlemotiveringsplicht.
- In haar verzoekschrift voert verzoekster aan dat de selectie betrekking had op de functie die zij nu reeds uitoefent, maar dan op A-niveau. Het is voor verzoekster daarom evident dat de beoordeling van de proeven overeenstemt met de evaluaties die zij door de jaren heen heeft gekregen, al merkt verzoekster zelf op dat de afgelegde proeven geen beoordeling van haar functioneren uitmaken. Niettemin is verzoekster van oordeel dat de wijze waarop de quotering voor het interview zich tot haar evaluaties verhoudt, niet met de materiëlemotiveringsplicht in overeenstemming kan worden gebracht. Vooreerst ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 IX-10.188-7/16 wijst verzoekster op een schriftelijke verklaring van haar teamchef, die van oordeel is dat verzoeksters niet-slagen voor de mondelinge proef en de zwakke score voor motivatie en zelfontwikkeling niet stroken met de wijze waarop verzoekster haar job in de dagdagelijkse realiteit uitoefent. Vervolgens gaat verzoekster in op de beoordelingen ‘zwak’ en ‘eerder zwak’ die haar voor vier onderdelen werden toegekend, waarbij zij aan de hand van citaten uit haar jaarlijkse evaluaties aanvoert dat de betrokken competentie daarin wél steeds positief werd beoordeeld.
- De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoorden in hun memorie van antwoord dat de Raad van State in het raam van de materiëlemotiveringsplicht enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier gegevens voorhanden zijn die met die vaststelling onverenigbaar zijn – dat met andere woorden slechts tot een schending van de materiëlemotiveringsplicht kan worden besloten indien het onbegrijpelijk is hoe de overheid, op grond van de gegevens van het dossier, tot een bepaalde beslissing is kunnen komen. Daarvan is volgens de eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij geen sprake. Zij stippen aan dat de door verzoekster aangevoerde evaluaties van de voorbije jaren verschillen van de momentopname die de proef is en dat in het motiveringsverslag ook uitdrukkelijk wordt toegelicht dat het interview niet tot doel heeft om de kandidaat of diens functioneren in de huidige job te beoordelen. In het licht van de concrete motieven met betrekking tot het interview – met name de voorbeelden die door verzoekster tijdens dat interview werden gegeven – zijn voorgaande evaluaties van de werkplek dan ook niet relevant. De eerste en de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij verwijzen tot slot naar arrest nr. 256.027 van 15 maart 2023 van de Raad van State.
- De derde vertegenwoordiger van de verwerende partij deelt de bovenstaande visie. Hij wijst erop, per competentie die als ‘zwak’ of ‘eerder zwak’ ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 IX-10.188-8/16 werd beoordeeld, dat de antwoorden tijdens het interview aantonen dat slechts een beperkt aantal gedragsindicatoren werd behaald.
- Verzoekster handhaaft haar kritiek in haar memorie van wederantwoord. Zij herhaalt dat zij de functie waarop de proef betrekking heeft reeds jarenlang uitoefent en zij gaat omstandig in op haar loopbaan. Daarnaast stelt verzoekster dat het nog steeds onduidelijk is welke elementen in het gesprek op welke wijze werden geïnterpreteerd en hoe de beoordeling vervolgens tot stand kwam. Verzoekster geeft als voorbeeld haar toelichting, tijdens het interview, omtrent de opleiding van een stagiaire en de taken die haar teamchef haar toevertrouwt, in het licht waarvan de beoordeling van de competenties onduidelijk is.
- In haar laatste memorie betwist verzoekster dat zij door de concrete verwijzing, in haar memorie van wederantwoord, naar voorbeelden die zij tijdens het interview heeft aangehaald, een nieuwe en bijgevolg onontvankelijke grief zou aanvoeren. Beoordeling
- De Raad van State stelt vooreerst vast dat in het vacaturebericht uitdrukkelijk is aangegeven dat binnen de vergelijkende selectie (‘reeks 3’), stap 2 (computergestuurde proef) meetelt voor 35% en stap 3 (het interview) voor 65%. Voor zover het middel vertrekt van de veronderstelling dat de technische competenties zwaarder doorwegen, mist het feitelijke grondslag.
- Er dient op te worden gewezen dat de selectiecommissie over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om de motivatie en de competenties van de kandidaat te waarderen. Afhankelijk van haar samenstelling, kan de selectiecommissie meer of minder streng zijn of andere accenten leggen. De beoordeling van de selectiecommissie van het interview, is daarom noodzakelijk ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 IX-10.188-9/16 een appreciatie van deels subjectieve aard. Er moeten dan ook overtuigende elementen worden aangebracht opdat de Raad van State haar oordeel als onregelmatig zou kunnen beschouwen. Hierbij zij eraan herinnerd dat de Raad van State als wettigheidsrechter niet geroepen is om die waardering in de plaats van de selectiecommissie over te doen. Hij mag wel nagaan of de commissie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of zij op een willekeurige wijze van haar beoordelingsbevoegdheid heeft gebruikgemaakt. Dit laatste zal enkel het geval zijn indien zij handelt op een wijze waarop geen ander naar kennis en kunde redelijk bekwaam en naar feitelijk optreden redelijk handelend bestuur in dezelfde omstandigheden zou handelen.
- Het ligt op de weg van verzoekster om de Raad ervan te overtuigen dat de selectiecommissie op onjuiste gegevens steunt of onredelijk heeft gehandeld. Daartoe volstaat het niet om zulks louter als persoonlijke overtuiging te poneren, maar dient zij de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier hierbij te betrekken.
- De grieven die verzoekster aan de bestreden beslissing tegenwerpt, dienen daarbij vooreerst met eerbiediging van de procedurevoorschriften voor de Raad van State te worden aangevoerd. Zowel van het gegeven dat ‘mening en ideeën delen’ en ‘zich nieuwe inzichten, vaardigheden en kennis eigen maken’ deel uitmaken van de gedragsgerichte competenties als van het feit dat zij voor bepaalde competenties ‘zwak’ of ‘eerder zwak’ scoorde, was verzoekster reeds op de hoogte bij het instellen van haar beroep. Dit blijkt immers uit het vacaturebericht en de motivering van het resultaat die zij bij haar beroep voegt. De voorbeelden die verzoekster in haar memorie van wederantwoord voor het eerst aanvoert om in concreto de beoordeling van bepaalde aspecten van het interview te bekritiseren, had zij derhalve reeds in haar verzoekschrift kunnen aanvoeren. IX-10.188-10/16 In de memorie van wederantwoord komen zij te laat en dus op niet-ontvankelijke wijze aan bod.
- Voor zover verzoekster verwijst naar de verklaring van haar teamchef en omstandig put uit haar evaluatieverslagen van de voorbije jaren, merkt de Raad van State op dat het interview en de jaarlijkse evaluaties een andere finaliteit nastreven en ook steunen op andere beoordelingselementen. Een evaluatie ziet op de prestaties overheen een jaar, terwijl het interview een momentopname is waarbij de antwoorden van de kandidaat in rekening worden gebracht. Gunstige evaluatieverslagen, ook al hebben ze betrekking op dezelfde jobinhoud, verhinderen dus niet dat de betrokkene anders casu quo minder gunstig wordt beoordeeld bij het interview. Deze evaluatieverslagen maken overigens geen deel uit van het “dossier” dat aan de beoordeling van de selectieproef ten grondslag ligt. Om dezelfde redenen doet ook de verklaring van de teamchef niet besluiten tot een schending van de materiëlemotiveringsplicht.
- Bovendien nodigt verzoekster door het aanhalen van “tegenvoorbeelden” uit de evaluatieverslagen de Raad eigenlijk uit om zelf een beoordeling te maken van haar competenties, hetgeen buiten zijn bevoegdheid valt. De Raad van State mag de beoordeling van verzoeksters competenties niet overdoen. Die beoordeling komt uitsluitend de overheidsinstantie toe. Verzoekster heeft duidelijk een andere visie op haar competenties, maar zij toont hiermee niet aan dat de motivering op onjuiste gegevens steunt, dan wel onredelijk is.
- In het licht van de formelemotiveringsplicht uit verzoekster kritiek op de wijze waarop de woordelijk tot uitdrukking gebrachte beoordeling (‘zwak’, ‘eerder zwak’, enzovoort) wordt omgezet naar een cijfermatige score. In het verzoekschrift betoogt zij dat zij aan de hand van de motiveringsfiche niet kan nagaan hoe de score van 50/100 tot stand is gekomen en dat zij geen verband kan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 IX-10.188-11/16 vaststellen tussen wat haar onder de algemene opmerkingen wordt verweten en hoe dit zich zou vertalen in een concrete quotering. In de memorie van wederantwoord expliciteert verzoekster dat de tabellen met percentages geen concreet percentage plaatsen tegenover een welbepaalde beoordeling, maar een vork (bijvoorbeeld: ‘zwak’ = 7%-22%). Voorts heeft verzoekster aangegeven dat het interview geen louter kennisexamen is, dat de punten derhalve niet volstaan als motivering en dat zij de daadwerkelijke motieven van de bestreden beslissing niet kent.
- Luidens het vacaturebericht wordt bij het interview geëvalueerd of de gedragsgerichte competenties van de kandidaat overeenstemmen met de jobvereisten en wordt gepeild naar de motivatie, de interesse voor de functie en de voeling met het werkterrein. Het interview is derhalve geen kennisexamen, zodat een cijfer als quotering uit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht niet volstaat en een onder woorden gebrachte beoordeling vereist is.
- De loutere vermelding van een niet nader omschreven beoordeling zoals ‘zwak’, ‘eerder zwak’, ‘eerder sterk’, enzovoort is nietszeggend – alleszins niet méér zeggend dan een cijfer – en kan niet worden beschouwd als een ‘onder woorden gebrachte beoordeling’ zoals hiervóór bedoeld. De Raad merkt daarbij op dat een cesuur is ingesteld op 60% en dat bovendien de gehanteerde beoordelingstermen de kandidaat wel toelaten om in globo na te gaan of daarmee een score van ten minste 50% wordt bedoeld, maar niet of ook 60% werd behaald. Met andere woorden, ook de beoordeling ‘eerder goed’ (waar een score van 50% tot 76% tegenover staat) behoeft een concrete toelichting.
- Verzoekster is beoordeeld op vier competenties, die elk uit een aantal deelaspecten bestaan en die als volgt zijn beoordeeld: IX-10.188-12/16 - ‘motivatie bevorderingen’: eerder goed o Beeld van de dienst en organisatie: goed o Motivatie voor de functie: eerder zwak o Inzicht in de functie: eerder goed - ‘in team werken’: eerder goed o Conflicten vermijden en bijleggen: goed o Overleggen: zwak - ‘zichzelf ontwikkelen’: zwak o Continu leren: zwak o Persoonlijke groei plannen: eerder zwak - ‘objectieven behalen’: eerder goed o Scorend vermogen tonen: eerder goed o Verantwoordelijkheid opnemen voor ondernomen acties: eerder goed o Resultaatgerichtheid tonen: eerder zwak. Voor de drie competenties waarvoor zij ‘eerder goed’ scoort en waarvoor verzoekster een score van 50% tot 76% kan krijgen, wordt geen enkele nadere motivering gegeven. Zulks beantwoordt niet aan de formelemotiveringsplicht.
- Enkel voor de competentie ‘zichzelf ontwikkelen’ wordt nader toegelicht: “Uit uw voorbeelden blijkt onvoldoende dat u zelf inspanningen onderneemt om uzelf professioneel extra te ontwikkelen en om te groeien binnen een functie. U heeft nog geen duidelijk beeld van uw professionele evolutiemogelijkheden. Daarnaast blijkt uit uw voorbeelden niet dat u actief op zoek gaat naar feedback. Ook toont u onvoldoende aan dat u zichzelf af en toe durft in vraag te stellen om uw kennis en vaardigheden verder te ontwikkelen.” Die motivering is geen post factum-motivering en moet bij de beoordeling van de formelemotiveringsplicht mee in rekening worden genomen. Dat voorschrift is immers een doelnorm. Ze strekt ertoe de betrokkene toe te laten IX-10.188-13/16 om met kennis van zaken zijn kansen af te wegen en zijn rechtsmiddelen voor te bereiden. Daaruit volgt dat, wanneer de betrokkene op een ándere wijze dan door de formele motivering en langs andere wegen de motieven van de bestuurshandeling heeft leren kennen en die kennisneming zich heeft voorgedaan in omstandigheden die zijn recht om zich in rechte te verweren tegen die handeling niet in het gedrang brengen, te zijnen opzichte het doel van de formele motivering is bereikt. Een schending van de formelemotiveringsplicht kan dan bij gebrek aan belangenschade niet tot nietigverklaring leiden. Welnu, verzoekster kende deze motivering, aangezien ze is opgenomen in het stuk ‘motivering resultaat’ dat verzoekster bij haar verzoekschrift heeft gevoegd.
- Waarom verzoekster voor andere deelcompetenties – ook buiten de competentie ‘zichzelf ontwikkelen’ – als ‘eerder zwak’ of zelfs ‘zwak’ werd beoordeeld, blijft evenwel volstrekt onduidelijk. Nochtans is het evident dat die deelbeoordelingen op hun beurt de beoordeling van de gehele competentie beïnvloeden en verhinderen dat verzoekster hetzij een betere totale beoordeling (bijvoorbeeld ‘goed’, zijnde met zekerheid meer dan 60%) kan behalen, hetzij een hoger percentage binnen eenzelfde beoordeling ‘eerder goed’.
- Deze werkwijze beantwoordt niet aan de formelemotiveringsplicht, temeer nu de cesuur niet per competentie is ingesteld en verzoekster bijgevolg belang erbij kan hebben om ook de beoordeling ‘eerder goed’ te betwisten aangezien zulks een invloed kan hebben op het totale cijfer dat wél aan de cesuur is onderworpen.
- Ten overvloede stipt de Raad van State aan dat ook voor de toekenning van het uiteindelijke percentage per competentie geen enkele verantwoording wordt gegeven, zodat dat het niet alleen voor verzoekster, maar ook voor de Raad geheel onduidelijk blijft welke precieze score (tussen 7% en 22% voor ‘zwak’ en tussen 50% en 76% voor ‘eerder goed’) aan verzoekster werd toegekend en waarom. IX-10.188-14/16
- De aan verzoekster ter beschikking gestelde links naar enerzijds een document waarin zij meer informatie kan vinden over de inhoud van die competenties en anderzijds de toelichting bij de gebruikte evaluatieschalen kunnen dat niet verhelpen, aangezien deze documenten eensdeels geen betrekking hebben op de individuele beoordeling van verzoekster en anderdeels, althans voor zover de Raad van State kan nagaan, ook geen licht werpen op de wijze waarop de beoordeling in percentages wordt omgezet.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de formelemotiveringsplicht in de aangegeven mate geschonden is, terwijl de schending van de materiëlemotiveringsplicht, in de mate waarin verzoekster die heeft kunnen ontwikkelen aan de hand van de haar wél bekende gegevens, niet is aangetoond. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van 28 oktober 2022 waarbij XXXX niet geslaagd wordt verklaard voor de mondelinge proef en bijgevolg niet geslaagd is voor de ‘Specifieke proef Bevordering A’ voor ‘fiscalist KMO/GO – btw (BNG21267)’ voor de federale overheidsdienst Financiën.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.188-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.188-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.901 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div