id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 Rolnummer: A. 238390/VII-41913 Zaak: Arrest 258925 - Niet begeleide minderjarigen - 26/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-29 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-06-18 19:35 Fiche Arrest nr 258.925 van 26 februari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 no lien 275990 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.925 van 26 februari 2024 in de zaak A. 238.390/VII-41.913 In zake : J.H. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benoit Dhondt kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 12 december 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging 2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. VII-41.913-1/25 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Benoit Dhondt, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 8 november 2022 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 27 juli 2006. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfel over verzoekers voorgehouden leeftijd. Op 6 december 2022 ondergaat verzoeker in het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 06-12-22 een leeftijd heeft van 21,5 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar”. De dienst Voogdij beslist op 12 december 2022 op grond van het voormelde medisch onderzoek verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. VII-41.913-2/25 IV. Exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis 4. De verwerende partij werpt in een exceptie van niet-ontvankelijkheid op dat de bestreden beslissing op 12 december 2022 ter kennis is gebracht van verzoeker die ze op 13 december heeft ontvangen. Zij acht het beroep tot nietigverklaring laattijdig omdat het volgens haar is ingediend op 14 februari 2022. 5. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker het beroep tot nietigverklaring heeft ingediend op 10 februari 2022 met een ter post aangetekende brief. De exceptie van de verwerende partij, die zich ter terechtzitting “naar de wijsheid” van de Raad van State gedraagt, wordt verworpen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 6. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 3 en 8 iuncto 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: EVRM), van de artikelen 2 en 7 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet), van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003), van “de motiveringsplicht” zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991), van de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, van de artikelen 1, 7, 18, 24.2 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-3/25 3 en 12 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: kinderrechtenverdrag), van de artikelen 25 en 46 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32) en van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). 7. In een eerste middelonderdeel “de bijstand van een voogd en geïnformeerde toestemming” citeert verzoeker artikel 7 van de voogdijwet, artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 en artikel 25.1 en 25.5 van richtlijn 2013/32. Hij merkt op dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en in die hoedanigheid is aangemeld bij de dienst Voogdij. Verzoeker voert aan dat artikel 7 van de voogdijwet niet de omzetting vormt van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 maar wel richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. De door de dienst Voogdij georganiseerde leeftijdstest vormt een toepassing van het voornoemde artikel 25.5. De aanstelling van een voogd voor een verzoeker om internationale bescherming die aangeeft minderjarig te zijn, valt onder het Unierecht. Verzoeker vervolgt dat artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 gepaard gaat met een appreciatiebevoegdheid. Hij acht artikel 7 van de voogdijwet hiermee in strijd omdat het geen enkele marge voorziet doch een verplichting inhoudt om een medische leeftijdstest uit te voeren zodra de dienst Vreemdelingenzaken twijfel uit over de opgegeven leeftijd. De beperking van de discretionaire bevoegdheid heeft een impact op de evenredigheid van de bestreden beslissing. Artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 vereist de onmiddellijke aanstelling en bijstand van een voogd, hetgeen blijkt uit de structuur en de logica van deze ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-4/25 bepaling, waarbij pas later een medische leeftijdstest kan worden overwogen in geval van twijfel. Verzoeker verwijst hierover onder meer naar standpunten van het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN-Kinderrechtencomité), het Fundamentel Rights Agency en de Europese Commissie en naar het arrest van Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 21 juli 2022 in de zaak 5797/17, Darboe en Camara tegen Italië. Te dezen heeft verzoeker geen voogd noch opvang als minderjarige gekregen voordat de leeftijdstest werd afgenomen. Verzoeker werd niet correct geïnformeerd over de leeftijdstest en de gevolgen ervan, noch over de mogelijkheid deze test te weigeren en de gevolgen daarvan. Er kan niet worden geverifieerd of de in de “fiche niet-begeleide minderjarige” aangegeven informatie wel klopt. Verzoeker beschikte niet over een voogd of een advocaat zodat hij niet met de nodige procedurele garanties zijn toestemming voor de leeftijdstest kon geven en geen sprake kan zijn van een vrije, geïnformeerde toestemming. Een leeftijdstest die wordt afgenomen terwijl verzoeker de gevolgen van dergelijke test niet begrijpt, gebeurt niet met respect voor zijn recht op privéleven en zijn hoger belang als kind. Op grond van het voorgaande acht verzoeker ook artikel 8 van het EVRM en artikel 12 van het kinderrechtenverdrag geschonden. 8. In een tweede middelonderdeel “met betrekking tot de nauwkeurigheid en evenredigheid van de test” herhaalt verzoeker dat hem geen voogd werd toegewezen vóór het uitvoeren van de leeftijdstest. Er werden geen verklaringen afgenomen van verzoeker noch werd enig ander (bijvoorbeeld psycho-affectief of multidisciplinair) onderzoek gevoerd en er werden evenmin inlichtingen ingewonnen via diplomatieke posten. De verwerende partij heeft verzoekers identiteitsdocument niet bekeken. Verzoeker voert aan dat op grond van artikel 25.5 van richtlijn 2013/32 het minst ingrijpende medisch onderzoek moet worden georganiseerd, volgens het Europees Asielagentschap pas nadat alle andere mogelijkheden om de leeftijd te schatten zijn uitgeput. Het VN-Kinderrechtencomité vereist dat niet enkel met het fysieke voorkomen maar ook met de psychische maturiteit van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-5/25 betrokkene rekening wordt gehouden. Ook het EHRM wijst in zijn hoger genoemd arrest van 21 juli 2022 op het belang van een holistische en multidisciplinaire leeftijdsschatting. Op grond van een richtlijnconforme interpretatie van artikel 7 van de voogdijwet en artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, evenals de in artikel 4 van richtlijn 2011/95 voorziene samenwerkingsplicht, de zorgvuldigheidsplicht en het evenredigheidsbeginsel, is ook de verwerende partij hiertoe gehouden. Tot slot is de verwerende partij op grond van artikel 3 iuncto artikel 13 van het EVRM verplicht verzoekers identiteit en leeftijd aan een nauwgezet en nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Verzoeker laat gelden dat de beoordeling van de verklaarde leeftijd van een verzoeker om internationale bescherming, inclusief de betwisting hiervan, deel uitmaakt van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, dit overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: vreemdelingenwet), dat er de omzetting van is. Verzoekers leeftijd en identiteit behoren tot de kernelementen voor de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming die in direct verband staan met verzoekers geloofwaardigheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschouwt de leeftijdsbeslissingen van de dienst Voogdij als administratieve beslissingen waaraan het privilège du préalable kleeft en die worden geacht wettig te zijn zolang ze niet zijn vernietigd of ingetrokken. De asiel- en beroepsinstanties maken geen latere inschatting van de leeftijd. Indien de verklaarde leeftijd niet wordt aanvaard, kan dit nochtans een tegenindicatie vormen voor de algemene geloofwaardigheid van het asielrelaas. Hier geldt ook de samenwerkingsplicht voor de lidstaten van de Europese Unie met de verzoeker om internationale bescherming, waarvoor verzoeker naar analogie verwijst naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wat het onderzoek naar de seksuele gerichtheid van de betrokkene betreft. Verzoeker leidt hieruit af dat een leeftijdsschatting met een zeer grote foutenmarge, zonder een verzoeker eerst uitgebreid te horen en zonder zijn documenten nauwkeurig en nauwgezet te onderzoeken, in strijd is met artikel 4 van richtlijn 2011/95 en artikel 13 van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-6/25 richtlijn 2005/85 van de Raad van 1 december 2005 ‘betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus’ (hierna: richtlijn 2005/85). Er is op zijn minst aanvullend onderzoek nodig, zoals de in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 voorziene psycho-affectieve test, en dit voorafgaand aan een medische leeftijdstest. Het is onzorgvuldig en onredelijk om zonder enige motivering en zonder goede reden geen ander mogelijk onderzoek te doen doch over te gaan tot een notoir onnauwkeurige test. De verwerende partij moet ook verzoekers documenten aan een nauwkeurig onderzoek onderwerpen. Verzoeker wijst verder op de noodzaak van een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals vereist door artikel 46.3 van richtlijn 2013/32 en op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, die een uitputtend en geactualiseerd (ex nunc) onderzoek vereist. De toetsingsbevoegdheid van de Raad van State is bij gebrek aan volle rechtsmacht veel beperkter en vormt derhalve geen effectief rechtsmiddel. Het VN-Kinderrechtencomité deelt die mening. 9. In een derde middelonderdeel “met betrekking de betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van de test en het voordeel van de twijfel” acht verzoeker de medische leeftijdstest “op zich onnauwkeurig en weinig precies”, hetgeen hij omstandig toelicht. Hij benadrukt het belang van het voordeel van de twijfel, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de psychologische maturiteit van de betrokkene en waarbij de laagst mogelijke leeftijd in aanmerking moet worden genomen. Vervolgens betwist verzoeker de interpretatie van de resultaten van zijn leeftijdstest. Dat overeenkomstig artikel 7, § 3, van de voogdijwet rekening moet worden gehouden met “de jongste leeftijd” wil zeggen dat de betrokkene als minderjarig moet worden beschouwd indien één van de drie tests een “relevante” leeftijd oplevert die onder de meerderjarigheidsgrens ligt. Verzoeker merkt op dat de “standaarddeviatie” aan beide zijden van de geschatte ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-7/25 leeftijd 34,1 % bedraagt, waarna er met die resultaten nog eens 16 % ouder of jonger dan de standaarddeviatie zijn. Zelfs met een dubbele standaarddeviatie van 13,6 % aan beide zijden, vallen 2,2 % van de personen er aan weerszijden buiten. De jongste leeftijd bevindt zich extreem links op de leeftijdscurve, zodat de standaarddeviatie zou moeten worden vermenigvuldigd met drie. Verzoekers leeftijd zou volgens de radiografie van het sleutelbeen liggen op 20 jaar met een standaarddeviatie van 2 jaar. Met een dubbele standaarddeviatie zou hij op het ogenblik van de test ook 16,7 jaar oud kunnen zijn of, zoals hij zelf heeft verklaard, 17,5 jaar. Op basis van de handpolsradiografie wordt besloten dat verzoeker een matuur skelet heeft, dat zich gemiddeld situeert op 18 jaar. Hierbij gaat het slechts om een gemiddelde en niet om een absolute ondergrens, waarbij verzoeker nog opmerkt dat de test enkel is gericht op de skeletleeftijd en niet op de effectieve leeftijd. Op basis van het orthopantomogram, komt men tot een leeftijd van 23 jaar, hetgeen verzoeker bizar vindt. Volgens een artikel waarnaar deskundigen in een ander leeftijdsdossier verwijzen, stemt kroonstadium 10 voor alle wijsheidstanden overeen met 96,3% kans dat de betrokkene 18 jaar is en dus 3,7 kans dat hij jonger dan 18 jaar is. Voor verzoeker met twee aanwezige wijsheidstanden in stadium 10 geldt een kans van 82,6% dat hij ouder dan 18 jaar en bijgevolg 17,4% kans dat hij jonger dan 18 jaar is. Bovendien is bij verzoeker geen standaarddeviatie toegepast terwijl dit in andere dossiers wel gebeurt. Verzoeker acht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geschonden in de mate dat het leeftijdsresultaat afhangt van de deskundige en niet van het resultaat zelf. Verzoeker noemt de medische leeftijdstest nogmaals “te onnauwkeurig en weinig betrouwbaar”, onder meer omdat de standaardafwijking als ondergrens wordt gehanteerd terwijl ze slechts 68% van de testpopulatie beslaat en 32% uitsluit. Om deze reden acht verzoeker meteen de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen geschonden. Het uitvoeren van dergelijke test vormt een niet-rechtvaardigbare inmenging in verzoekers privéleven en, wat de mogelijkheid van gezinshereniging betreft, ook in zijn gezinsleven. Tussendoor merkt verzoeker nog op dat een beroep tegen de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-8/25 bestreden beslissing automatisch schorsend moet zijn, zodat hij ook tijdens de beroepsprocedure wordt behandeld als een minderjarige en het hoger belang van het kind toepassing blijft vinden. 10. In ondergeschikte orde vraagt verzoeker de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “1. Dient artikel 25.1 van richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn) zo gelezen te worden dat een niet-begeleide minderjarige verzoeker internationale bescherming recht heeft op de bijstand van een voogd, ook al wordt er aan diens leeftijd getwijfeld en overweegt men een medische test in de zin van artikel 25.5 van de richtlijn af te nemen? 2. Dient artikel 25 van de Procedurerichtlijn zo gelezen te worden dat indien er een medische leeftijdstest in de zin van artikel 25.5 van de richtlijn wordt afgenomen de niet-begeleide minderjarige reeds vertegenwoordigd moet zijn door een voogd? 3. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zo gelezen te worden dat lidstaten een discretionaire marge moeten genieten om al dan niet over te gaan tot het afnemen van een leeftijdstest na het uiten van ernstige twijfel, en dient deze discretionaire marge conform het hoger belang van het kind, en algemene rechtsbeginselen als het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel uitgeoefend te worden? 4. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn zo gelezen te worden dat het uiten van ernstige twijfel geen subjectief proces mag zijn dat louter voortvloeit uit een inschatting van het uiterlijk van de minderjarige, maar aan kwaliteitsstandaarden dient te beantwoorden, en zo ja, welke? 5. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn gelezen te worden in functie van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en geldt de samenwerkingsplicht bij de inschatting van de leeftijd van een verzoeker? 6. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn gelezen te worden in functie van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en houdt dit in dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van de leeftijd dient te gebeuren door de bevoegde asielinstantie, of alleszins dezelfde instantie die de andere elementen vernoemd in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn beoordeelt? 7. Dient artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn gelezen te worden in functie van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, en houdt dit dat de leeftijd niet enkel medisch mag ingeschat worden maar in relatie tot de andere materiële elementen vermeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn? 7 [lees: 8]. Dient er tegen een leeftijdsinschatting van een verzoeker internationale bescherming een ex nunc rechtsmiddel open te staan in de zin van artikel 46 lid 3 van de Procedurerichtlijn? 8 [lees: 9]. Dient het uiten van toestemming en de informatieplicht over de leeftijdstest en de gevolgen hiervan, zoals bepaald in artikel 25.5 van de Procedurerichtlijn, aan bepaalde standaarden en procedurele garanties te voldoen, zoals de bijstand van een voogd, een raadsman, een schriftelijk en gehandtekend verslag in een taal die de verzoeker begrijpt?” VII-41.913-9/25 Beoordeling Eerste onderdeel van het enige middel 11. In de mate dat verzoeker verwijst naar richtlijn 2013/32, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat deze in haar artikel 1 uitdrukkelijk “de vaststelling van gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming” beoogt. Zoals verzoeker terecht opmerkt, vormt de voogdijwet niet de omzetting van deze richtlijn. De voogdijwet dateert van vóór de richtlijn en maakt geen onderscheid naargelang de betrokkenen “de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling hebben gevraagd” dan wel “niet voldoen aan de voorwaarden inzake toegang tot en verblijf op het grondgebied vastgesteld in de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen”. Het in de voogdijwet voorziene leeftijdsonderzoek heeft enkel tot doel in geval van twijfel na te gaan of de betrokkenen al dan niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt en hen dus al dan niet een voogd moet worden toegekend. Het gaat niet om een beoordeling in het licht van een verzoek om internationale bescherming. 12. Artikel 25.1, a), van richtlijn 2013/32 legt de lidstaten op “zo snel mogelijk maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de niet-begeleide minderjarige wordt vertegenwoordigd en bijgestaan door een vertegenwoordiger zodat hij aanspraak kan maken op de rechten en kan voldoen aan de verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld”. Voor zover het Unierecht te dezen van toepassing zou zijn, dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat de voogdijwet de mogelijkheid niet uitsluit dat reeds een voogd wordt aangewezen indien er twijfel is over de voorgehouden leeftijd en de leeftijdstest nog moet worden uitgevoerd. Verder vermeldt het voornoemde artikel 25.1, a), enkel dat de vertegenwoordiger van de niet-begeleide minderjarige “zo snel mogelijk” moet worden aangesteld, zonder enige concrete termijn en met name zonder aan te geven dat dit moet gebeuren ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-10/25 vooraleer tot een leeftijdsonderzoek wordt beslist of dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd, laat staan dat een op grond van een medisch onderzoek genomen leeftijdsbeslissing onwettig zou zijn om de enkele reden dat op dat ogenblik nog geen voogd was aangesteld. Vervolgens dient te worden opgemerkt dat de dienst Voogdij op grond van artikel 6, § 2, van de voogdijwet de betrokkene meteen onder de hoede neemt vanaf zijn aanmelding bij de dienst Voogdij. In de verantwoording bij het amendement dat tot artikel 6, § 2, van de voogdijwet heeft geleid, heet het: “De beschermingsregeling bestaat uit twee fasen: De eerste fase bestaat erin dat de Dienst voogdij de vreemdeling die verklaart minderjarig te zijn onder zijn hoede neemt. De tweede fase vangt aan op het tijdstip waarop de Dienst voogdij de voogd heeft aangewezen wanneer volgens hem vast is komen te staan dat de betrokken persoon voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 6 van het ontwerp. Ingeval een vreemdeling asiel aanvraagt of aan de grens of op het grondgebied wordt gevonden zonder de documenten op grond waarvan hij het grondgebied mag betreden of aldaar verblijven en hij verklaart minderjarig te zijn, neemt de Dienst voogdij onmiddellijk die persoon onder zijn hoede en plaatst hem tijdelijk onder haar bescherming tot wanneer zijn minderjarigheid is bevestigd, voor zover zij wordt betwist. Het betreft een overgangsperiode die zo kort mogelijk moet zijn.” Net omwille van deze eerste fase van de bescherming, blijkt te dezen dat de in de voogdijwet voorziene en op verzoeker toegepaste regeling geen schending vormt van artikel 25.1 van richtlijn 2013/32 voor zover deze bepaling van toepassing zou zijn. 13. Naar luid van artikel 25.5, eerste lid, van richtlijn 2013/32/EU kunnen “de lidstaten […] in het kader van de behandeling van een verzoek om internationale bescherming besluiten om door middel van een medisch onderzoek de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige vast te stellen, wanneer zij, nadat er een algemene verklaring is afgelegd of ander relevante aanwijzingen zijn overgelegd, twijfels hebben over diens leeftijd”. Ook uit deze richtlijnbepaling blijkt niet dat een voogd moet zijn aangesteld alvorens een leeftijdsonderzoek kan worden ingesteld. Ze bevat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.925 VII-41.913-11/25 geen enkele vermelding in die zin. Evenmin blijkt dat artikel 25 van richtlijn 2013/32 chronologisch zou moeten gelezen zoals verzoeker doet, namelijk dat eerst (artikel 25.1) een voogd moet worden aangesteld en dat in een later stadium en wanneer daaraan is voldaan pas een leeftijdsonderzoek (artikel 25.5) kan worden uitgevoerd. Zo hebben artikel 25.3 en 25.4 duidelijk betrekking op een latere fase dan de leeftijdsbeslissing, namelijk het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming en zelfs de mogelijke intrekking van die bescherming. Tot slot voorziet artikel 25.5 zowel de situatie met als zonder voogd waar het voorziet dat “de niet-begeleide minderjarige” moet worden geïnformeerd over het leeftijdsonderzoek (artikel 25.5, derde lid,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.