← België

Arrest 258932 - Varia (economische zaken) - 26/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.932 Rolnummer: A. 236714/XIV-39040 Zaak: Arrest 258932 - Varia (economische zaken) - 26/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-19 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-06-11 03:24 Fiche Arrest nr 258.932 van 26 februari 2024 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 258.932 van 26 februari 2024 in de zaak A. 236.714/XIV-39.040 In zake : de BV M.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dave Van Moppes en Winnie Milbou kantoor houdend te 2018 Antwerpen Van Putlei 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Werk en Economie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tine Bricout kantoor houdend te 9041 Gent/Oostakker Orchideestraat 61A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 juni 2022, strekt tot de nietigverklaring van de negatieve beslissing van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie van 19 april 2022 betreffende het opleggen van een administratieve geldboete aan de verzoekende partij, na het verzoek tot heroverweging van de verzoekende partij. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.040-1/6 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
  3. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Winnie Milbou, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tine Bricout, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Met een beslissing van 19 april 2022 beslist de directeur-generaal van de Economische Inspectie van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie tot het opleggen aan de verzoekende partij van een administratieve geldboete. Dit is de bestreden beslissing die per aangetekende brief tegen ontvangstbewijs aan de verzoekende partij wordt aangeboden. XIV-39.040-2/6 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens laattijdigheid Standpunt van de partijen
  6. De verwerende partij voert in de memorie van antwoord aan dat het voorliggende beroep laattijdig is. Zij stelt dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift verkeerdelijk verwijst naar artikel 4, § 2, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), terwijl in casu artikel 4, § 2, eerste en tweede lid, van dat besluit van toepassing zijn. Anders dan de verzoekende partij aanneemt, moet de startdatum van de beroepstermijn te dezen niet aan de hand van de zogenaamde ontvangsttheorie worden berekend aangezien de zending aangetekend met ontvangstmelding werd verstuurd, zodat de dag van aanbieding van de zending geldt als datum van betekening. Trouwens, zo stelt de verwerende partij, ook indien de bestreden beslissing gewoon aangetekend zou zijn verzonden (quod non), kan het bestuur het (tegen)bewijs leveren van de datum waarop de kennisgeving is gebeurd. De bestreden beslissing werd in casu via aangetekende brief met ontvangstmelding verstuurd en werd op 22 april 2022 om 09.02 uur aangeboden op de maatschappelijke zetel van de verzoekende partij, doch werd niet in ontvangst genomen. De datum van 22 april 2022 geldt als datum van kennisgeving. De beroepstermijn verstreek dan ook op (dinsdag) 21 juni
  7. Het verzoekschrift werd echter pas op 24 juni 2022 ter griffie van de Raad van State neergelegd, zodat het beroep niet binnen de 60 dagen na kennisgeving ervan werd ingediend en het bijgevolg niet-ontvankelijk is. Voor zover als nodig, benadrukt de verwerende partij nog dat de tweede kennisgeving van de bestreden beslissing, via elektronische weg op 17 mei 2022, geen afbreuk doet aan wat voorafgaat. Zij wijst erop dat wanneer een beslissing een eerste maal regelmatig aan de belanghebbende wordt betekend, hetgeen te dezen het geval is, de beroepstermijn ingaat en een eventuele tweede betekening geen nieuwe beroepstermijn doet ingaan. XIV-39.040-3/6
  8. De verzoekende partij had eerder in het verzoekschrift gesteld dat de bestreden beslissing “op donderdag 21 april 2022 gewoon aangetekend [werd] verzonden” zodat de verzoekende partij geacht wordt “op dinsdag 26 april 2022 (c.q. de derde werkdag volgend op de verzending) in kennis te zijn gesteld van de beslissing (art. 4 §2, derde lid Procedurereglement). De termijn van zestig dagen werd bijgevolg gerespecteerd bij een neerlegging op 24 juni 2022.” In de memorie van wederantwoord repliceert zij, hetgeen zij in de laatste memorie herneemt, dat de aangetekende brief met ontvangstbewijs te dezen niet aan de geadresseerde kon worden bezorgd “ingevolge een geval van overmacht” waardoor de termijn voor het instellen van een vernietigingsberoep bij de Raad van State niet is ingegaan op de dag volgend op die van de deponering van de kennisgeving van de post. Zij argumenteert dat zij immers is gevestigd “in een gebouw waar honderden diamantvennootschappen gevestigd zijn en waar geen toegang verleend wordt zonder identificering via ID of paspoort. Ook de brievenbussen kunnen enkel bereikt worden met een gepaste inkombatch”. Dat er op het tijdstip van aanbieding van de aangetekende zending niemand aanwezig was, blijkt uit de registratie van de personen die een toegangskaart gebruiken onder de naam van de verzoekende partij. De kennisgeving van de bestreden beslissing geschiedde dan ook op 17 mei 2022 via elektronische weg, nadat de beslissing werd teruggestuurd naar de afzender. De termijn van zestig dagen werd bijgevolg “gerespecteerd bij een neerlegging op 24 juni 2022”. Beoordeling
  9. In het auditoraatsverslag wordt de exceptie om de hiernavolgende redenen gegrond bevonden. “[…]
  10. In het verzoekschrift erkent de verzoekende partij dat de bestreden [beslissing] op 21 april 2022 aangetekend is verzonden. Evenwel blijkt – anders dan wat zij voorhoudt – dit niet te zijn gebeurd bij gewone aangetekende brief. Hierdoor is artikel 4, § 2, derde lid, algemeen procedurereglement niet van toepassing.
  11. Uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij het bestreden besluit naar de verzoekende partij heeft verstuurd bij aangetekende brief met ontvangstmelding. Vanuit het Postkantoor Antwerpen – Quellinstraat werd een bericht achtergelaten op het adres van de verzoekende partij, met name [Antwerpen] XIV-39.040-4/6 Aangezien de verzoekende partij nadien de zending niet heeft opgehaald in het postkantoor, is de zending terug naar de verwerende partij gezonden op 8 mei
  12. Artikel 4, § 2, eerste en tweede lid, algemeen procedurereglement regelt niet expliciet de situatie waarbij de bestemmeling niet de aangetekende brief met ontvangstbewijs op het postkantoor komt ophalen waardoor er een niet gesigneerd bericht van ontvangst naar de afzender werd teruggestuurd. In een vergelijkbare zaak heeft de Raad van State in het Franstalige arrest [nr. 248.812 van 30 oktober 2020] geoordeeld dat de beroepstermijn begint te lopen de dag na de datum waarop het bericht dat de betrokkene informeert over de beschikbaarheid van de brief, in de brievenbus wordt gedeponeerd, behoudens wanneer er sprake is van overmacht of er een andersluidende bepaling geldt.
  13. In deze zaak werd de aangetekend brief aangeboden op 22 april 2022 waardoor – rekening houdende met deze rechtspraak – de termijn begint te lopen op 23 april
  14. De laatste dag binnen de beroepstermijn valt op dinsdag 21 juni
  15. Het verzoekschrift is elektronisch ingediend op 24 juni 2022, wat buiten de termijn is, waardoor het beroep laattijdig is ingediend.
  16. De verzoekende partij beroept zich voor het eerst in de memorie van wederantwoord op overmacht. De verzoekende partij voert aan dat er in het gebouw honderden diamantvennootschappen gevestigd zijn en er geen toegang wordt verleend zonder identificering. Er was op dat moment niemand aanwezig die een toegang kon verlenen aan de postbeambte. De beroepstermijn kan slechts worden verlengd indien verzoeker ten gevolge van overmacht in de absolute onmogelijkheid verkeert om binnen de wettelijke termijn beroep in te stellen. De bewijslast van het bestaan van overmacht ligt bij verzoeker. De Raad van State heeft in het verleden geoordeeld dat de afwezigheid uit de woning geen reden tot overmacht uitmaakt. De omstandigheid dat er op het tijdstip van de aanbieding van de niemand aanwezig was, vormt dan ook geen overmacht.
  17. De omstandigheid dat het bestreden besluit nadien op 17 mei 2022 via elektronische weg wordt meegedeeld aan de verzoekende partij, doet niet de (nieuwe) termijn van 60 dagen ingaan.”
  18. Wanneer de ontvankelijkheid van het beroep in vraag wordt gesteld - en zulks des te meer wanneer dit zoals te dezen gebeurt in het beredeneerd verslag dat over de zaak is opgesteld door het daartoe aangestelde lid van het auditoraat -, dan moet die partij daarover een standpunt innemen en de nodige verduidelijkingen bijbrengen. Verzoeker heeft in haar laatste memorie niet meer inhoudelijk gereageerd op de bespreking in het auditoraatsverslag. Ze heeft er zich toe beperkt louter haar standpunt te hernemen zoals zij dat reeds had uiteengezet bij wijze van repliek op de door de verwerende partij ingeroepen exceptie. De Raad van State ziet in die omstandigheden geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en besluit, na eigen onderzoek, aldus het XIV-39.040-5/6 auditoraatsverslag bij te vallen dat het voorliggende beroep omwille van de laattijdige indiening ervan, niet-ontvankelijk is. BESLISSING
  19. De Raad van State verwerpt het beroep.
  20. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.040-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.932 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.