id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 Rolnummer: A. 235877/VII-41333 Zaak: Arrest 258966 - Natuurbehoud - Vergunningen - 29/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-14 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-06 07:58 Fiche Arrest nr 258.966 van 29 februari 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 no lien 277509 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 258.966 van 29 februari 2024 in de zaak A. 235.877/VII-41.333 In zake :
- M.D.
- E.V.
- W.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Judo en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip Vincke kantoor houdend te 8580 Avelgem Leopoldstraat 63 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA ROCES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurent Proot kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van het voorwaardelijk gunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 16 februari 2022, uitgebracht in graad van bestuurlijk beroep, over de aanvraag ingediend door de bvba Roces tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het bouwen van een koppelwoning te Koksijde, waarin in het bijzonder wordt aangegeven dat “dit VII-41.333-1/14 gunstig advies […] mits naleving van de voorwaarden gesteld in het advies, [geldt] als afwijking op de verboden van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoeksters hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De bvba Roces heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 26 april 2023 een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoeksters hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 november
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoeksters, advocaat Filip Vincke, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Laurent Proot, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.333-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 4 juni 2021 dient de bvba Roces een omgevingsvergunningsaanvraag in voor het bouwen van een dubbelwoonst op een terrein gelegen te Koksijde. Het bouwperceel is gesitueerd achter de percelen die in eigendom toebehoren aan de verzoeksters. Het grenst aan een duingebied dat aangewezen is als VEN- en habitatrichtlijngebied. 3.
- Over de aanvraag verleent het Agentschap voor Natuur en Bos op 30 augustus 2021 een voorwaardelijk gunstig advies waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “Op het terrein was verboden te wijzigen duinvegetatie aanwezig (reeds verwijderd bij aanleg ondergrondse delen en vloerplaat). Er was zeker duindoornstruweel aanwezig. Gezien de vegetatie reeds vernietigd is, is niet meer vast te stellen of nog andere verboden te wijzigen vegetaties voorkwamen. Duinvegetaties zijn verboden te wijzigen conform art. 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 23/07/
- De aanvrager vraagt een afwijking op het verbod op wijzigen verboden te wijzigen vegetaties (punt 14 in de nota). Vrijstelling op dit verbod is hier niet van toepassing (geen activiteit op een huiskavel en geen activiteit uitgevoerd op basis van een regelmatige machtiging of vergunning, afgeleverd op basis van het Bosdecreet). De aanvrager stelt dat de gevraagde boscompensatie beschouwd kan worden als een herstelmaatregel, maar beschrijft ook het herstel van natuurontwikkeling rondom en op het gebouw. In de natuurtoets staat tevens dat de aanvrager via natuurgericht beheer duindoornstruweel zal herstellen. Het dossier bevat geen details over hoe en waar dit zal gebeuren. Het herstel kan o.i. gebeuren op perceel 1035D én perceel 1035E (samen voorheen 1035A en beide in eigendom van de aanvrager). Dit herstelbeheer dient terdege uitgewerkt te worden (volgens de natuurtoets zal dit gebeuren met het studiebureau) en voorgelegd te worden aan het ANB. Dit beheer dient in lijn te zijn met de beschermingen op het VEN en de instandhoudingsdoelstelling van het habitatrichtlijngebied. Dit herstelbeheer dient ten minste gelijktijdig met de fase van afwerking van het gebouw uitgevoerd te worden. […] De aanvraag omvat het wijzigen van vegetaties die onder toepassing vallen van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 VII-41.333-3/14 nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Dit gunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos geldt, mits naleving van de voorwaarden gesteld in het advies, als afwijking op de verboden van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, volgens artikel 10 van het vermelde besluit. Een ongunstig advies betekent dat er geen afwijking wordt verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos en dat het wijzigen van vegetaties onder toepassing van artikel 7 van hogervermeld besluit bijgevolg verboden zijn.” De verzoeksters hebben tegen het voormelde advies een beroep tot nietigverklaring ingesteld (zaak A. 234.884/VII-41.246). 3.
- Bij besluit van 11 oktober 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde aan de tussenkomende partij de gevraagde omgevingsvergunning, mits naleving van een aantal voorwaarden. 3.
- Tegen deze vergunningsbeslissing stellen de verzoeksters bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. 3.
- In het kader van de beroepsprocedure verleent het Agentschap voor Natuur en Bos op 16 februari 2022 opnieuw een voorwaardelijk gunstig advies waarin het volgende wordt gesteld: “In het beroepschrift wordt ingegaan op de verboden te wijzigen vegetatie die aanwezig was op het terrein (reeds verwijderd bij aanleg ondergrondse delen en vloerplaat). Er was duindoornstruweel aanwezig. Gezien de vegetatie reeds vernietigd is, is niet meer vast te stellen of nog andere verboden te wijzigen vegetaties voorkwamen. Duinvegetaties zijn verboden te wijzigen conform art. 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu van 23/07/
- In het beroepschrift wordt gesteld dat de bouwheer geen afwijking op het verbod tot vernietigen van verboden te wijzigen vegetaties heeft aangevraagd, en dat er dus niet kan van uitgegaan worden dat deze afwijking werd gegeven. Het ANB heeft dit element in de aanvraag pragmatisch aangepakt. In de nota van de aanvrager (punt 14) staat dat een afwijking op het verbod op wijzigen verboden te wijzigen vegetaties wordt aangevraagd - het ANB heeft dit als een aanvraag beschouwd, hoewel er ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 VII-41.333-4/14 verder geen dossierstukken zijn omtrent dit onderdeel. De aanvrager stelt dat de gevraagde boscompensatie beschouwd kan worden als een herstelmaatregel, maar engageert zich bijkomend ook tot het herstel van natuurontwikkeling rondom en op het gebouw. In de natuurtoets staat dat de aanvrager via natuurgericht beheer duindoornstruweel zal herstellen. Het dossier bevat geen details over hoe en waar dit zal gebeuren. Daarom heeft ANB hieromtrent een voorwaarde in het advies eerste aanleg opgenomen: er gebeurt herstel van duinvegetatie op perceel 1035D volgens plan, maar ook op 1035E, conform natuurgericht beheer. Dit beheer wordt terdege uitgewerkt en voorgelegd aan ANB en is in lijn met de beschermingen op het VEN en de instandhoudingsdoelstelling van het habitatrichtlijngebied. Dit herstelbeheer gebeurt ten minste gelijktijdig met de fase van afwerking van het gebouw. […] De aanvraag omvat het wijzigen van vegetaties die onder toepassing vallen van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Dit gunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos geldt, mits naleving van de voorwaarden gesteld in het advies, als afwijking op de verboden van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, volgens artikel 10 van het vermelde besluit. Een ongunstig advies betekent dat er geen afwijking wordt verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos en dat het wijzigen van vegetaties onder toepassing van artikel 7 van hogervermeld besluit bijgevolg verboden zijn.” Dit is de thans bestreden akte. 3.
- Met een besluit van 21 april 2022 wijst de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen het beroep van de verzoeksters tegen de vergunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Koksijde van 11 oktober 2021 als ongegrond af. Dit besluit werd inmiddels door de Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd bij arrest nr. RvVb-A-2223-0473 van 26 januari
- IV. Verzoek tot samenvoeging
- De verzoeksters vragen de samenvoeging met de zaak A. 234.884/VII-41.
- VII-41.333-5/14
- In het belang van een goede rechtsbedeling werden de beide zaken behandeld op dezelfde openbare terechtzitting. De goede rechtsbedeling vereist voorts niet dat over die zaken in één arrest uitspraak wordt gedaan. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De tussenkomende partij werpt op dat de verzoeksters geen belang hebben bij de nietigverklaring van het bestreden advies. Zij meent in het bijzonder dat een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing hen “geen enkel voordeel” kan opleveren omdat het project valt onder de vrijstellingsgrond van artikel 9, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 ‘tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998) “waardoor er geen individuele afwijking op het Vegetatiebesluit noodzakelijk is”. Immers werd voor het uitvoeren van de betreffende vegetatiewijzingen reeds herhaaldelijk een machtiging verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos dat akkoord is gegaan met de aangevraagde ontbossing en het boscompensatievoorstel. De vegetatiewijzigingen zijn dan ook gedekt door de verkregen machtiging(en) in het kader van de ontbossing en de boscompensatie. Ten slotte zouden de verzoeksters nalaten de onwettigheid op te werpen van de goedkeuring van het boscompensatievoorstel “los van het verlenen van de individuele afwijking”.
- In hun memorie van wederantwoord betwisten de verzoeksters dat een “overbodige beslissing” zou worden aangevochten en dat de goedkeuring door het Agentschap voor Natuur en Bos van de aangevraagde ontbossing en van het boscompensatievoorstel zou gelden als een machtiging of vergunning afgeleverd op grond van het bosdecreet van 13 juni
- Zij benadrukken dat dit standpunt niet te verzoenen is met het feit dat de verwerende partij zelf van oordeel was dat een afwijking nodig was en deze afwijking uiteindelijk ook heeft verleend. Het door het Agentschap voor Natuur en Bos verleende gunstig advies over de ontbossing en de boscompensatie is duidelijk geen vergunning of machtiging in de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 VII-41.333-6/14 zin van het bosdecreet, nu op zich enkel de voorgestelde boscompensatie wordt beoordeeld.
- De tussenkomende partij herhaalt in haar laatste memorie dat de vrijstellingsgrond van artikel 9, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 wel degelijk van toepassing is. Minstens, zo betoogt zij, kan over de opgeworpen exceptie pas uitspraak worden gedaan nadat de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen een beslissing heeft genomen over de omgevingsvergunningsaanvraag. Beoordeling
- De bestreden akte maakt in duidelijke bewoordingen kenbaar dat het Agentschap voor Natuur en Bos niet enkel een advies heeft verleend in het kader van de behandeling van de door de tussenkomende partij ingediende omgevingsvergunningsaanvraag, maar dat het “advies” tevens “geldt […] als afwijking op de verboden van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, volgens artikel 10 van het vermelde besluit”. Het wordt niet betwist dat artikel 7, 7°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 het wijzigen van duinvegetaties verbiedt en dat op het bouwperceel in kwestie bestaande duinvegetaties werden verwijderd. Op grond van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 kunnen individuele afwijkingen worden toestaan op de verbodsbepalingen van artikel 7 “mits de aanvrager de zorgplicht opgelegd door artikel 14 van het decreet naleeft en voor zover er, bij het verlenen van de afwijking, uitdrukkelijk voldaan wordt aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet inzake het tegengaan van vermijdbare schade, of aan de bepalingen van artikel 36ter, § 3, van het decreet, indien dit van toepassing is”. Met de thans bestreden akte wordt een dergelijke individuele afwijking verleend. In dat opzicht VII-41.333-7/14 kadert de bestreden akte niet in een procedure tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning.
- Bij artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 maart 2018 ‘tot wijziging van diverse besluiten naar aanleiding van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid en het decreet van 8 december 2017 houdende diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving’ werd artikel 9, 2°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 opgeheven dat voorzag in een generieke vrijstelling op het verbod van het wijzigen van onder andere duinvegetaties voor stedenbouwkundige handelingen waarvoor een omgevingsvergunning was verleend na advies van het Agentschap voor Natuur en Bos. Door de opheffing van die generieke vrijstelling volstaat het verlenen van een omgevingsvergunning actueel niet meer om een vegetatiewijziging door te voeren. In zoverre het bestreden advies een individuele afwijking verleent op het verbod om duinvegetaties te wijzigen, gaat het om een administratieve rechtshandeling die vatbaar is voor een annulatieberoep bij de Raad van State.
- In het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 30 augustus 2021 wordt uitdrukkelijk gesteld dat de vrijstelling van het verbod tot wijziging van duinvegetaties op grond van artikel 9, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 “hier niet van toepassing [is] (geen activiteit op een huiskavel en geen activiteit uitgevoerd op basis van een regelmatige machtiging of vergunning, afgeleverd op basis van het Bosdecreet)”. De tussenkomende partij toont het tegendeel niet aan. Bezwaarlijk kan zij in dit verband nuttig verwijzen naar een advies dat het Agentschap voor Natuur en Bos in oktober 2011 heeft verleend over een andere aanvraag die finaal heeft geleid tot een vergunningsweigering.
- De exceptie wordt verworpen. VII-41.333-8/14 VI. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 en van het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook wordt “de onbevoegdheid van de steller van de akte” opgeworpen. De verzoeksters zetten uiteen dat uit de tekst van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 blijkt dat een afwijking op de verbodsbepalingen van artikel 7 van hetzelfde besluit enkel verleend kan worden op grond van een bij het Agentschap voor Natuur en Bos ingediende aanvraag die “een aantal gegevens [moet] bevatten” en die door het Agentschap “eerst ontvankelijk en volledig [moet worden] verklaard […] en vervolgens beoordeeld”. Het verlenen van een afwijking zonder aanvraag daartoe, zou een “bevoegdheidsoverschrijding” inhouden. De verzoeksters stellen vast dat de tussenkomende partij geen documenten heeft ingediend die formeel beschouwd kunnen worden als een aanvraag tot afwijking. Enkel wordt te kennen gegeven dat een afwijkingsaanvraag “kan” worden ingediend. Klaarblijkelijk wenste de tussenkomende partij “voorbehoud” te maken om eventueel later een vraag tot afwijking te formuleren, wat echter nooit uitdrukkelijk is gebeurd. Ten onrechte is het Agentschap voor Natuur en Bos er van uitgegaan dat de tussenkomende partij toch een afwijking wenste te verkrijgen, zonder dat op dit punt een ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek is gebeurd. Dat geen aanvraag voorligt werd door het Agentschap voor Natuur en Bos bevestigd, en de gegevens die een aanvraag minimaal dient te bevatten (addendum V1 van bijlage 2 bij het omgevingsvergunningenbesluit) ontbreken. Ook een beschrijving van de verwijderde vegetatie waarvan de regularisatie wordt beoogd ontbreekt, alsmede “de beschrijving van de noodzaak van de werkzaamheden”. De duinvegetatie werd “ruimer […] dan nodig” verwijderd, en “concrete maatregelen om negatieve effecten te verminderen of te herstellen blijven onvermeld”. De aanvraag, indien er ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 VII-41.333-9/14 sprake van zou zijn geweest, moest in elk geval onvolledig worden verklaard, daar de verwerende partij niet met de vereiste kennis van zaken kon oordelen. Op geen enkele wijze kan worden begrepen hoe het Agentschap voor Natuur en Bos ertoe kon komen om een afwijking toe te kennen op een principieel verbod tot het uitvoeren van een duinvegetatiewijziging, zonder dat de aanvrager hier uitdrukkelijk heeft om gevraagd, zonder dat de omgevingsvergunningsaanvraag de daartoe vereiste dossierstukken omvatte, en zonder dat de informatie die uit die dossierstukken moet blijken op een andere wijze uit de aanvraag naar voor komt.
- De verwerende partij antwoordt dat in de verantwoordingsnota bij de omgevingsvergunningsaanvraag melding wordt gemaakt van de mogelijkheid om een afwijking te verkrijgen op het verbod tot het wijzigen van duinvegetatie en dat het Agentschap voor Natuur en Bos dit heeft opgevat als “een aanvraag”, en stelt verder dat de verzoeksters een “verkeerde invulling” geven aan de notie van de “onbevoegdheid van de steller” van de akte, dat het voorkomt dat zij “veeleer de beslissing omtrent de ontvankelijkheid van de aanvraag betwist[en]”, dat het Agentschap voor Natuur en Bos de aangelegenheid in dat opzicht “pragmatisch [heeft] aangepakt, zoals de bestreden beslissing ook expliciet vermeldt”, dat het Agentschap bovendien “al jarenlang volledig op de hoogte is van de toestand ter plaatse”, dat artikel 10, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 nergens bepaalt “dat een aanvraag nietig zou zijn als de […] [vereiste] gegevens niet vermeld worden” en dat er geen sanctie is voorzien, zodat een pragmatische aanpak toelaatbaar is.
- De tussenkomende partij laat in de eerste plaats gelden dat de verzoeksters geen belang hebben bij het middel. De omstandigheid dat de afwijking is aangevraagd in samenhang met de omgevingsvergunningsaanvraag, brengt hen immers geen enkel nadeel toe en het Agentschap voor Natuur en Bos beschikte over alle relevante gegevens om de aanvraag te beoordelen. Voorts benadrukt zij dat in de aanvraag wel degelijk om een afwijking werd verzocht, dat geen enkele bepaling verbiedt dat deze afwijkingsaanvraag deel uitmaakt van de omgevingsvergunningsaanvraag, dat addendum V1 niet op straffe van onontvankelijkheid deel moet uitmaken van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 VII-41.333-10/14 omgevingsvergunningsaanvraag maar dat minimaal de gegevens van dit addendum deel moeten uitmaken van de afwijkingsaanvraag, dat zij een ecologische studie heeft laten uitvoeren door een natuurdeskundige en een door het Agentschap voor Natuur en Bos goedgekeurd boscompensatieformulier heeft toegevoegd. Volgens de tussenkomende partij is de door de verzoeksters aangevoerde kritiek gebaseerd op een zeer formalistische lezing van artikel 10, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoeksters dat geen afwijkingsaanvraag werd ingediend, dat het middel de openbare orde raakt zodat zij geen belang moeten aantonen en dat de verwerende partij bij het ontbreken van een aanvraag, die onderbouwd is met alle vereiste gegevens, niet met de vereiste kennis van zaken kon beslissen over een afwijking op het verbod tot het wijzigen van duinvegetaties. Beoordeling
- De vaststelling dat met een aanvechtbare rechtshandeling een afwijking van het verbod op het uitvoeren van een duinvegetatiewijziging werd verleend op grond van een aanvraag die onbestaande is of die niet voldoet aan de door artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 vereiste mededeling van bepaalde gegevens, moet leiden tot de nietigverklaring van de bestreden akte. De verzoeksters hebben belang bij het verdwijnen uit de rechtsorde van de bestreden akte op grond van dit middel. Het middel is ontvankelijk.
- Artikel 10, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 bepaalt dat een afwijking op het principiële verbod tot het wijzigen van bepaalde vegetaties enkel kan worden toegestaan “na het indienen van een aanvraag dienaangaande”. VII-41.333-11/14 Afgaande op de gegevens van de zaak moet worden besloten dat geen aanvraag tot afwijking werd ingediend en dat de vermelding in punt 14 van de verantwoordingsnota bij de omgevingsvergunningsaanvraag waar in de bestreden akte naar wordt verwezen, onmogelijk beschouwd kan worden als een aanvraag zoals bedoeld in artikel 10, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli
- In punt 14 van de verantwoordingsnota wordt namelijk louter vermeld: “Het duindoornstruweel wordt verwijderd in functie van een ontbossing van het perceel, waarvoor een ontbossingscompensatieformulier is ingediend. Artikel 9, 3° van het Natuurbehoudsbesluit voorziet dat het verbod voor het wijzigen van de vegetaties niet geldt indien de vegetatiewijzigingen ‘worden uitgevoerd op basis van een regelmatige machtiging of vergunning, afgeleverd op basis van het Bosdecreet van 13 juni 1990’. Ook de Raad voor vergunningsbetwistingen bevestigt dit in haar arrest van 23 juni 2020, met rolnummer RvVb A 1920
- Deze vrijstellingsgrond is in dit dossier van toepassing, gelet op de aangevraagde ontbossing en de ermee samenhangende boscompensatie. Minstens kan de aanvrager overeenkomstig art. 10 Natuurbehoudsbesluit een afwijking vragen van het verbod op wijziging van die vegetaties. In dat verband kan de gevraagde boscompensatie worden beschouwd als een maatregel tot herstel en ontwikkeling van habitats en ecosystemen (cfr. art. 15, § 2, 3° Natuurbehoudsbesluit). De volledige oppervlakte te verwijderen struweel en bomen maakt immers deel uit van het compensatievoorstel voor ontbossing.” Uit deze verklaringen blijkt dat de tussenkomende partij er bij het indienen van de omgevingsvergunningsaanvraag van is uitgegaan dat zij met toepassing van artikel 9, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 reeds geniet over een vrijstelling van het verbod tot wijziging van duinvegetaties op grond van een door het bosdecreet verleende toelating.
- Voorts wordt vastgesteld dat: - de verwerende en de tussenkomende partij verwijzen naar een verantwoordingsnota die niet werd overgemaakt aan het Agentschap voor Natuur en Bos of aan de bevoegde Vlaamse minister; - in de bestreden beslissing wordt bevestigd dat “er […] geen dossierstukken zijn”; - de verwerende en de tussenkomende partij niet weerleggen dat het dossier niet alle door het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 vereiste gegevens bevat. VII-41.333-12/14 De zienswijze dat de aanpak van het Agentschap voor Natuur en Bos getuigt van pragmatisme, laat niet toe om de in het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 wettelijk vastgestelde procedure volledig terzijde te schuiven.
- Het eerste middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het voorwaardelijk gunstig advies van het Agentschap voor Natuur en Bos van 16 februari 2022, uitgebracht in graad van bestuurlijk beroep, over de aanvraag ingediend door de bvba Roces tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het bouwen van een koppelwoning te Koksijde, in zoverre dit advies “geldt […] als afwijking op de verboden van artikel 7 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, volgens artikel 10 van het vermelde besluit”.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde akte.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verzoeksters. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: VII-41.333-13/14 Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.333-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.966 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div