← België

Arrest 258978 - Niet begeleide minderjarigen - 29/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 Rolnummer: A. 239755/VII-42157 Zaak: Arrest 258978 - Niet begeleide minderjarigen - 29/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-11 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-19 08:34 Fiche Arrest nr 258.978 van 29 februari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 no lien 276007 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.978 van 29 februari 2024 in de zaak A. 239.755/VII-42.157 In zake: A.N. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Vandenbroucke en Hannelore Bourry kantoor houdend te 8940 Wervik Steenakker 28 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Vaalbeek Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 4 augustus 2023 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 12 juli 2023 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota met opmerkingen en een administratief dossier ingediend. VII-42.157-1/11 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december 2023, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 6 februari 2023 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 12 november
  5. VII-42.157-2/11 Op 3 juli 2023 informeert de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij dat verzoeker reeds internationale bescherming heeft aangevraagd in Duitsland onder een andere identiteit, namelijk A.S., geboren op 1 januari
  6. De dienst Vreemdelingenzaken uit twijfels over verzoekers voorgehouden leeftijd. In het Algemeen Ziekenhuis Sint-Jan Brugge-Oostende ondergaat verzoeker op 5 juli 2023 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker ouder is dan 18 jaar. Op 12 juli 2023 beslist de dienst Voogdij verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de artikelen 3, § 2, eerste lid, 2°, 6, § 2, 1°, en 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: voogdijwet) en van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2003). Hij licht dit als volgt toe: “De uitdrukkelijke motiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen heeft tot doel de belanghebbende in kennis te stellen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 VII-42.157-3/11 van de redenen waarom de desbetreffende administratieve overheid tot de bestreden beslissing is gekomen zodat de betrokkene in staat is te weten of het wenselijk is zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De motivering van de bestreden beslissing bevat geen informatie over de aard van het onderzoek dat hij onderging. Artikel 3§2, eerste lid, 2° van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ bepaalt [dat] de Dienst Voogdij o.a. belast is met volgende taak: 2° overgaan tot identificatie van de niet-begeleide minderjarigen en, indien de staat van minderjarigheid wordt aangevochten, de leeftijd laten nagaan door middel van een medisch onderzoek, onder de voorwaarden bedoeld in artikel 7; Artikel 7 §1 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 bepaalt: Wanneer de dienst Voogdij of de overheden bevoegd voor asiel, toegang tot het grondgebied, verblijf en verwijdering twijfel koesteren omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, laat de dienst Voogdij onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of deze persoon al dan niet jonger is dan 18 jaar. De bevoegdheid van de Dienst Voogdij strekt zich niet uit tot het vaststellen van een nieuwe geboortedatum van de vreemdeling, anders dan wat hij verklaarde. Dit blijkt uit artikel 6, §2, 1° van de Voogdijwet en artikel 3 van het KB tot uitvoering van Hoofdstuk 6 van de Voogdijwet. Door te oordelen de verklaarde leeftijd niet in overweging te kunnen nemen, en te bepalen dat de verzoeker een leeftijd heeft van 26,07 jaar met een standaarddeviatie van 2,5 jaar, kent de bestreden beslissing verzoeker impliciet maar zeker een andere, fictieve geboortedatum toe. Op die manier overschrijdt de Dienst Voogdij zijn bevoegdheid tot identificatie en verificatie van de verklaarde leeftijd van verzoeker. Verzoeker dient vast te stellen dat door de Dienst Voogdij geen medisch onderzoek werd uitgevoerd. De schending van artikel 7 §1 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 staat dan ook vast. Uit de best[r]eden beslissing kan geenszins afgeleid worden op welke wijze en op grond waarvan besloten kon worden dat verzoeker bovenvermelde leeftijd heeft. Op medisch vlak bestaan er (in theorie) diverse methodes om de leeftijd van een bepaalde persoon te onderzoeken. Een van de oudste methodes betreft het leeftijdsonderzoek via een röntgenfoto van de linker hand en de pols, op basis waarvan, aan de hand van de atlas van Greulich en Pyl, iemands zogenaamde skeletleeftijd wordt vastgesteld (de rijping of volgroeiing van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 VII-42.157-4/11 het skelet), waaruit men vervolgens de reële (of zogeheten chronologische) leeftijd van de betrokkene inschat. Nauw hiermee verwant zijn de medische testen waarmee iemands (skelet)leeftijd wordt nagetrokken via een onderzoek van de gebitsontwikkeling (volgroeiing van de wijsheidstanden). Andere leeftijdsonderzoeken zijn veeleer gericht op de externe kenmerken van de lichaamsbouw in het algemeen of op de ontwikkeling van de secundaire geslachtskenmerken. Er zijn ook sociaalpedagogische leeftijdsonderzoeken, waarbij hoofdzakelijk via vraaggesprekken, gepeild wordt naar het intellectuele ontwikkelingsniveau, evenals de psychologische en emotionele maturiteit van een persoon. Verzoeker heeft minstens het recht te weten aan welke onderzoeken hij onderworpen werd en welke methode hiervoor werd aangewend. Bovendien wijst verzoeker erop dat er in de medische wereld heel wat bezwaren worden geuit bij het gebruik van de verschillende methodes om de leeftijd van een niet-begeleide minderjarige te bepalen. Vooreerst dient erop gewezen te worden dat de leeftijdsonderzoeken geenszins ontwikkeld werden met de bedoeling om de reële leeftijd van een bepaalde persoon zo nauwkeurig mogelijk vast te leggen. Bovendien dient er rekening gehouden te worden met een grote foutenmarge. Heel wat leeftijdsonderzoeken zijn geschraagd op onderzoeksgegevens [van] vaak tientallen jaren geleden. Sindsdien verloopt de lichaamsontwikkeling van jongeren in het algemeen echter in een verhoogd tempo. Specifiek naar niet-begeleide minderjarige vreemdelingen toe stelt zich bovendien het probleem dat de ontwikkeling van de botstructuur mede afhangt van factoren die verband houden met de levenswijze, de voedingsgewoonten en vooral de etnische afkomst. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van het gebit. Aangezien omzeggens alle medische leeftijdsonderzoeken (op basis van fysieke lichaamskenmerken) stoelen op onderzoeksgegevens omtrent de lichaamsontwikkeling van blanke Amerikaanse of Engelse jongeren uit de middenklasse en de biologische ontwikkeling van met name negroïde jongeren gemiddeld een sneller verloop kent, is het risico reëel dat men de leeftijd op basis van de thans gehanteerde onderzoeksgegevens onnauwkeurig vaststelt. Bijkomen[d] zouden de (fysieke) leeftijdsonderzoeken in onvoldoende mate rekening houden met groeistoringen op grond van ondervoeding, of ziekte, of nog met het verrichten van zware (fysieke) arbeid en de invloed daarvan op de lichaamsontwikkeling. De onderzoeksmethode houdt tevens onvoldoende rekening met de specifieke achtergrond van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, wordt ook geuit ten overstaan van het zogenaamd sociaal-pedagogische leeftijdsonderzoek. Dergelijk onderzoek vereist allereerst en in nog sterkere mate dan hij lichamelijke leeftijdstesten, een kwaliteitsvolle communicatie tussen de onderzoeker en de betrokken minderjarige, hetgeen bij niet-begeleide buitenlandse minderjarige er niet is. Verzoeker stelt zich dan ook terecht de vraag hoe de verwerende partij zich kan baseren op leeftijdsonderzoeken waarvan de betrouwbaarheid door de medische wereld zelf in vraag wordt gesteld. Verzoeker wijst er tenslotte op dat het medisch verslag niet werd gevoegd ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 VII-42.157-5/11 met de beslissing. Verzoeker kan onmogelijk achterhalen op welke manier de aangestelde dienst(en) tot hun conclusie zijn gekomen. De schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen staat dan ook vast. De redenen die worden aangegeven zijn noch voldoende noch afdoende gemotiveerd zodat er dient besloten te worden dat de beslissing de motiveringsplicht geschonden heeft.” Beoordeling
  8. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in de bestreden beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Het is hierbij niet vereist dat de beslissing eveneens aangeeft welke medische onderzoeken werden uitgevoerd noch dat de resultaten van het medisch onderzoek samen met de bestreden beslissing worden betekend. Overigens bevindt het verslag van het medisch onderzoek, waarin wordt aangegeven welke onderzoeken zijn uitgevoerd en welke deviatiemarge wordt gehanteerd, zich in het administratief dossier. Verzoeker toont niet aan dat hij er geen kennis van heeft kunnen nemen.
  9. Verzoekers kritiek dat hem met de bestreden beslissing “een andere, fictieve geboortedatum” wordt toegekend waardoor de dienst Voogdij zijn bevoegdheid zou overschrijden, mist feitelijke grondslag. Met de bestreden beslissing wordt immers enkel bepaald dat de medische test aantoont dat verzoeker “ouder dan 18 jaar” is en dat hij geen voogd zal krijgen. Concreet bestaat het besluit van het medisch leeftijdsonderzoek hierin dat verzoekers leeftijd op 5 juli 2023 20,80 jaar is waarbij wegens het benaderend karakter van de leeftijdsschatting echter rekening moet worden gehouden met een deviatiemarge van 1,70 jaar, zodat verzoekers leeftijd op die datum ook 19,10 jaar kon bedragen. In het licht hiervan heeft de verwerende partij dus noch de in het middel aangehaalde bepalingen van de voogdijwet noch artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 geschonden door ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 VII-42.157-6/11 verzoekers leeftijd te schatten op meer dan 18 jaar en hem geen voogd toe te kennen.
  10. Verzoeker weidt verder uit over de (on)betrouwbaarheid van het medisch onderzoek en de kritiek erop vanuit de medische wereld. Naar luid van artikel 7, § 1, van de voogdijwet laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Het medisch onderzoek is door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker beperkt zich tot vage kritiek omtrent de betrouwbaarheid van dergelijk medisch onderzoek zonder evenwel in te gaan op de concrete vaststellingen van dat onderzoek. Hij toont derhalve geen schending aan van artikel 7, § 1, van de voogdijwet doordat de bestreden beslissing is gesteund op het resultaat van dergelijk onderzoek.
  11. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 2, tweede lid, van de voogdijwet en van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK). Hij licht dit als volgt toe: “Verzoeker is de mening toegedaan dat er in casu sprake is van een schending van artikel 2, §2 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet van 24 december
  13. Dit artikel bepaalt: ‘Bij iedere beslissing die op de minderjarige betrekking heeft, vormen zijn belangen de eerste overweging’. VII-42.157-7/11 Door de beslissing van de Dienst Voogdij wordt verzoeker behandeld als een meerderjarige. De bestreden beslissing heeft dan ook verstrekkende gevolgen. Verzoeker heeft in België asiel aangevraagd. De taak van de aangestelde voogd zal evenwel vroegtijdig worden beëindigd. Dit betekent dat deze voor verzoeker zijn wettelijke taak slechts voor korte periode kan uitoefenen. Zo wordt verzoeker o.a. niet meer bijgestaan in de zoektocht naar elementen die zijn minderjarigheid zouden kunnen bewijzen. Er zal er niet voor gezorgd worden dat verzoeker een adequate opvang krijgt, hangende de asielprocedure of mogelijk ook daar na nog. Voor de ontwikkeling van verzoeker is het vereist dat zij wel degelijk de nodige bijstand krijgt die de wet voor niet-begeleide minderjarigen voorziet. Het gebrek aan bijstand heeft voor verzoeker dus ernstige gevolgen en gaat in tegen zijn belangen. Op deze wijze wordt de ontwikkeling een halt toegeroepen en de rechten van verzoeker definitief geschonden. In dit kader dient voormelde Omzendbrief nogmaals aangehaald te worden, in de mate dat deze stelt dat ‘het fundamenteel principe van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind (I.V.R.K.) van 20 november 1989 is dat voor alle beslissingen met betrekking tot kinderen, van welke instantie zij ook mogen uitgaan, het hoger belang van het kind de eerste overweging vormt.’ Het is duidelijk dat de rechten van de minderjarige niet als doorslaggevende leidraad hebben gediend in de besluitvorming van de Dienst Voogdij. Dit maakt een schending uit van de internationaalrechtelijke regels, zoals het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de Rechten van het Kind, die hun neerslag vinden in voormelde Programmawet in haar artikel 479-2, §2 volgens hetwelk ‘bij iedere beslissing die op de minderjarige betrekking heeft, vormen zijn belangen de eerste overweging’. Art. 3 I.V.R.K. bepaalt : Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. De schending van een internationaalrechtelijke regel is een grond tot nietigverklaring.” Beoordeling
  14. Daargelaten de vraag naar de directe werking van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind in het Belgische recht, blijkt uit het medisch onderzoek en de bestreden beslissing dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Verzoeker toont de onwettigheid van deze vaststelling niet aan, VII-42.157-8/11 zodat hij zich niet kan beroepen op die verdragsbepaling. Hetzelfde geldt voor wat artikel 2, tweede lid, van de voogdijwet betreft.
  15. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 27 en 34 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ en van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’. Hij licht dit als volgt toe: “Overeenkomstig art. 34 Wetboek IPR wordt de staat van de persoon beheerst door het recht van de staat waarvan deze persoon de nationaliteit heeft. Gezien verzoeker Afghaan is, dient Afghaans recht worden toegepast. Verzoeker wijst erop dat hij een foto van zijn paspoort heeft voorgelegd. Overeenkomstig art. 27 Wetboek IPR dient aan dit stuk bewijswaarde te worden toegekend. Bovendien dient vastgesteld te worden dat door verwerende partij met betrekking tot deze documenten in haar bestreden beslissing niets stelt. Verzoeker mag er in deze dan ook van uitgaan dat zijn paspoort niet alleen bewijswaarde bezit maar tevens primeert boven een leeftijdsonderzoek. Bovendien dient vastgesteld te worden dat de verwerende partij in haar bestreden beslissing totaal niet motiveert waarom er met dit paspoort geen rekening zou gehouden kunnen worden. In de akte moeten de juridische en feitelijke overwegingen worden vermeld die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en deze moeten afdoende zijn, wat betekent dat de motivering pertinent en draagkrachtig moet zijn. Het eerste houdt in dat de redengeving duidelijk in verband moet staan met de bestreden beslissing, het tweede dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De motivering van de bestreden beslissing bevat geen informatie over de reden waarom er geen rekening kon gehouden worden met de het voorgelegde foto van zijn paspoort.” Beoordeling
  17. In het administratief dossier bevindt zich geen foto van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 VII-42.157-9/11 paspoort dat verzoeker zou hebben overgelegd, waarover hij zou beschikken of waarnaar hij zou hebben verwezen. De fiche ‘niet-begeleide minderjarige vreemdeling’ vermeldt dat verzoeker heeft verklaard dat hij een foto van zijn paspoort heeft op zijn gsm en dat zijn originele taskara zich in Afghanistan bevindt, doch uit niets blijkt dat hij deze heeft voorgelegd aan de dienst Voogdij. Bijgevolg blijkt uit geen enkel element dat de verwerende partij kon of moest rekening houden met verzoekers paspoort. Daarenboven is de dienst Voogdij er niet toe gehouden een foto van een paspoort te laten primeren op de resultaten van het medisch onderzoek. Hiervoor kan, onder meer, worden gewezen op artikel 28, § 2 van het WIPR, naar luid waarvan het tegenbewijs van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten mag worden aangebracht met alle middelen. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. In de mate dat verzoeker een schending opwerpt van artikel 34 van het WIPR, dient te worden opgemerkt dat met de bestreden beslissing niet de staat van de persoon wordt vastgesteld, doch dat ze enkel een schatting van verzoekers leeftijd inhoudt om na te gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
  18. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. V. Over de vordering tot schorsing
  19. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. VII-42.157-10/11 BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  21. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  22. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negenentwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-42.157-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.978 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.