← België

Arrest 258979 - Niet begeleide minderjarigen - 29/02/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 februari 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.979 Rolnummer: A. 238394/VII-41914 Zaak: Arrest 258979 - Niet begeleide minderjarigen - 29/02/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-11 Raadplegingen: 91 - laatst gezien 2026-06-19 08:34 Fiche Arrest nr 258.979 van 29 februari 2024 Vreemdelingen - Niet begeleide minderjarigen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 258.979 van 29 februari 2024 in de zaak A. 238.394/VII-41.914 In zake : Z.A. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hind Riad kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ine De Cneudt kantoor houdend te 3054 Oud-Heverlee Maurits Noëstraat 145 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 14 februari 2023 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Justitie, dienst Voogdij, van 21 december 2022 waarbij wordt beslist verzoeker te beschouwen als ouder dan 18 jaar en dat verzoeker geen voogd zal krijgen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de VII-41.914-1/16 rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 september 2023, om 14 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hind Riad, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Ine De Cneudt, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker komt België binnen en hij wordt op 24 juni 2022 als niet-begeleide minderjarige vreemdeling aangemeld door de dienst Vreemdelingenzaken bij de dienst Voogdij. Hij heeft verklaard van Afghaanse nationaliteit te zijn en geboren te zijn op 30 juni
  5. Met een beslissing van 18 augustus 2022 wordt een voogd voor verzoeker aangesteld. VII-41.914-2/16 3.
  6. Op 19 augustus 2022 brengt de dienst Vreemdelingenzaken de dienst Voogdij ervan op de hoogte dat verzoeker in Bulgarije een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend onder een andere identiteit, meer bepaald als Z.A., geboren op 12 augustus
  7. De dienst Vreemdelingenzaken uit vervolgens twijfel over de door verzoeker voorgehouden leeftijd. 3.
  8. In het Universitair Ziekenhuis Sint-Rafaël te Leuven ondergaat verzoeker op 15 september 2022 een medisch onderzoek om na te gaan of hij al dan niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt. De arts besluit dat verzoeker “op datum van 15-09-2022 een leeftijd heeft van zeker ouder dan 18 jaar, waarbij 23,0 jaar een minimum leeftijd is”. Op 28 september 2022 beslist de dienst Voogdij op grond daarvan dat verzoeker ouder is dan 18 jaar en dat een einde wordt gesteld aan de voogdij. Verzoeker stelt een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in tegen deze beslissing. Ze worden verworpen met ’s Raads arrest nr. 256.454 van 9 mei
  9. 3.
  10. Verzoekers advocaat bezorgt op 19 oktober 2022 kopieën van een aantal Afghaanse identiteitsdocumenten aan de dienst Voogdij. Op 7 november 2022 vindt op de dienst Voogdij een gesprek plaats met verzoeker, in aanwezigheid van een tolk, verzoekers voogd en zijn advocaat. De dienst Voogdij beslist op 21 december 2022 opnieuw dat verzoeker ouder is dan 18 jaar en dat hij geen voogd zal krijgen. Dit is de thans bestreden beslissing. VII-41.914-3/16 IV. Exceptie van niet-ontvankelijkheid – belang
  11. De verwerende partij betwist verzoekers voorgehouden belang bij het beroep tot nietigverklaring omdat de bestreden beslissing niet verzoekers persoonlijk statuut betreft en dus geen invloed heeft op zijn staat van persoon, zoals verzoeker verkeerdelijk suggereert. Verzoekers geboortedatum wordt niet bepaald of gewijzigd met de bestreden beslissing. Met de bewering dat zijn leeftijd wordt vastgelegd met de bestreden beslissing en hij daarom belang heeft bij de nietigverklaring, toont verzoeker volgens de verwerende partij derhalve niet het vereiste belang aan.
  12. Verzoeker, die beoogt uiteindelijk te horen zeggen dat hij minder dan 18 jaar is zodat hem een voogd moet worden toegekend, heeft een evident belang bij de nietigverklaring van de beslissing waarmee het tegendeel wordt beslist. Het beroep tot nietigverklaring is derhalve ontvankelijk. Voor het overige hangt de exceptie samen met de gegrondheid van het middel. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  13. Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, van artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet van 24 december 2002’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 december 2003), van de artikelen 3, 8 en 12 van het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: IVRK), van artikel 8 van het Europees verdrag voor de Rechten van de VII-41.914-4/16 Mens (hierna: EVRM), van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 27 en 28 van de wet van 16 juli 2004 ‘houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht’ (hierna: WIPR), van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 ‘betreffende de openbaarheid van bestuur’, van artikel 32 van de Grondwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel, de formele- en materiëlemotiveringsplicht evenals het hoorrecht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
  14. In een eerste middelonderdeel, “onzorgvuldig onderzoek van alle elementen van het dossier”, voert verzoeker eerst aan dat aanvankelijk geen twijfel werd geuit over zijn leeftijd doch pas nadat de dienst Vreemdelingen werd geïnformeerd dat verzoeker in Bulgarije zou zijn geregistreerd als volwassene. Volgens verzoeker is geen rekening gehouden met het feit dat er eerst geen twijfel bestond noch met zijn verklaringen over de geregistreerde leeftijd in Bulgarije noch met de aanwezigheid in België van zijn oudere broer aan wiens leeftijd en gezinssamenstelling niet werd getwijfeld. Verzoeker werd er niet over gehoord. Doordat geen rekening werd gehouden met alle elementen van het dossier, acht verzoeker het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Hij voert vervolgens aan dat zijn oudere broer als vluchteling is erkend bij arrest nr. é.826 van 10 maart 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en dat de thans bestreden beslissing, die erop neerkomt dat verzoeker nu als ouder wordt beschouwd dan zijn erkende broer, het gezag van gewijsde van dit arrest schendt. De motieven van de thans bestreden beslissing laten niet toe te begrijpen waarom met voormeld arrest geen rekening werd gehouden. Hierdoor acht verzoeker ook het zorgvuldigheidsbeginsel en de formelemotiveringsplicht geschonden. Verzoeker voert voorts aan dat de verwerende partij reeds bij zijn aanmelding als niet-begeleide minderjarige vreemdeling op de hoogte was van het feit dat hij beschikte over een taskara in Afghanistan. Hij heeft zowel zijn eigen taskara als die van zijn broers en zussen in Afghanistan meegedeeld aan de VII-41.914-5/16 verwerende partij doch deze heeft er geen rekening mee gehouden. Het Europees Sociaal en Economisch Comité benadrukt het belang van de verklaringen van de betrokkene en van documenten van de burgerlijke stand. Volgens het VN-Comité voor de Rechten van het Kind (hierna: VN-Kinderrechtencomité) kan een medisch onderzoek pas worden uitgevoerd als er geen documenten of ander bewijs kunnen worden voorgelegd. Verzoeker leidt uit de artikelen 27 en 28 van het WIPR af dat een authentieke akte niet zonder meer aan de kant mag worden geschoven. Het is hem volstrekt onduidelijk waarom geen waarde wordt gehecht aan de overgelegde taskara’s, er wordt geen enkel objectief motief aangebracht waarom de resultaten van een medisch onderzoek zouden primeren op de kwestieuze documenten. Volgens verzoeker zijn zodoende ook artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 en de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden. Tot slot voert verzoeker aan dat de thans bestreden beslissing verregaande gevolgen heeft voor zijn recht op privéleven vermits er een belangrijk aspect van zijn identiteit mee wordt miskend. Volgens zijn Afghaans document is hij 15 jaar oud terwijl hij volgens de beslissing zelfs ouder is dan zijn oudere broer. Doordat de thans bestreden beslissing enkel is genomen op grond van de resultaten van het medisch onderzoek zonder de mogelijkheid te bieden authentieke stukken uit Afghanistan voor te leggen, acht verzoeker artikel 8 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM geschonden. Ze is niet genomen in het hoger belang van het kind, minstens is er geen afweging van de belangen gemaakt, zodat ook artikel 3 van het IVRK en artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn geschonden.
  15. In een tweede middelonderdeel, “medische tests zijn onvoldoende”, voert verzoeker aan dat ernstige vragen rijzen bij deze medische onderzoeken, die hij onvoldoende acht omdat ze zijn geënt op een Westers publiek, onnauwkeurig zijn en er geen effectief rechtsmiddel tegen de beslissingen bestaat. Hij citeert dienaangaande diverse commentaren, adviezen en observaties. VII-41.914-6/16 Verzoeker stelt dat er ook “specifieke mankementen” aan het medisch verslag zijn. Zo wordt nergens melding gemaakt van de competenties van de artsen die het verslag van het medisch onderzoek hebben ondertekend en blijkt dat één van de artsen het verslag, dat werd opgesteld op 15 september 2022, pas op 19 september 2022 heeft ondertekend, zodat er “ernstige twijfels zijn of zij het rapport mee heeft opgesteld”. Verzoeker wijst er verder op dat er “geen toegang (wordt) verleend aan het resultaat van het onderzoek van het gebit van verzoeker maar enkel een samenvatting van de uitgevoerde radiografie”, waardoor hij niet nuttig kan nagaan of dit in overeenstemming is met het medisch verslag. Verzoeker besluit dat de onnauwkeurige medische onderzoeken manifest onvoldoende zijn om zijn buitenlands identiteitsdocument aan de kant te schuiven. Hij acht zodoende artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2003, de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden. Beoordeling Eerste middelonderdeel
  16. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Naar luid van artikel 7, § 1, van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002 (hierna: de voogdijwet) laat de dienst Voogdij, indien hij twijfel koestert omtrent de leeftijd van de betrokken persoon, onmiddellijk een VII-41.914-7/16 medisch onderzoek door een arts uitvoeren teneinde na te gaan of die persoon al dan niet jonger is dan achttien jaar. Het medisch leeftijdsonderzoek is aldus door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Voorts heeft de wetgever met de medische leeftijdstest niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te achterhalen, doch enkel uitsluitsel te krijgen dat de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Er blijkt op zich dan ook geen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit het feit dat de dienst Voogdij de thans bestreden beslissing heeft genomen op grond van dergelijk leeftijdsonderzoek. Dat de dienst Vreemdelingenzaken aanvankelijk geen twijfel heeft geuit over verzoekers voorgehouden leeftijd, neemt niet weg dat daaraan naderhand wel kan worden getwijfeld indien, zoals te dezen, uit later verkregen informatie blijkt dat verzoeker elders onder een andere identiteit en geboortedatum een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Het feit dat nader onderzoek naar de leeftijd wordt verricht, getuigt net van een zorgvuldig onderzoek. Verder laat verzoeker na in het middel te verduidelijken met welke concrete verklaringen omtrent de registratie van zijn leeftijd in Bulgarije de dienst Voogdij geen rekening zou hebben gehouden. Waar verzoeker stelt dat hij niet kon worden gehoord over de aanwezigheid van zijn oudere, in België als vluchteling erkende broer aan wiens leeftijd en gezinssamenstelling niet werd getwijfeld, blijkt dat verzoeker zowel bij zijn aanmelding bij de dienst Voogdij als op 7 november 2022 op de dienst Voogdij zelf werd gehoord. Verzoeker was derhalve in de mogelijkheid om dienaangaande alle nuttige verklaringen af te leggen. Nu verzoeker tot tweemaal toe in de mogelijkheid was om alle nuttige verklaringen omtrent zijn leeftijd af te leggen, nu de dienst Voogdij, nadat verzoeker bijkomend documenten had voorgelegd, hem heeft uitgenodigd voor een gesprek in het bijzijn van een tolk, VII-41.914-8/16 zijn voogd en zijn advocaat, en nu verzoeker niet aantoont met welke concrete elementen de verwerende partij ten onrechte geen rekening zou hebben gehouden, toont hij geen schending aan van de zorgvuldigheidsplicht of de hoorplicht door de verwerende partij. Overigens houdt de hoorplicht niet in dat verzoeker diende te worden gehoord over de reden van de twijfel alvorens tot een medisch onderzoek werd overgegaan en de bestreden beslissing op grond daarvan werd genomen. Tot slot heeft verzoeker pas (kopieën van) documenten meegedeeld aan de verwerende partij nadat reeds was beslist een medisch leeftijdsonderzoek te houden en nadat dit onderzoek reeds was uitgevoerd. Het kan de verwerende partij in die omstandigheden bezwaarlijk worden verweten een medisch onderzoek te hebben laten uitvoeren op een ogenblik dat zij nog niet beschikte over verzoekers stukken.
  17. Volgens verzoeker blijkt uit het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 10 maart 2020 waarmee zijn broer werd erkend als vluchteling, dat deze broer geboren is op 31 december 2000 en bijgevolg ouder is dan verzoeker. Hij leidt hieruit af dat de thans bestreden beslissing in strijd is met het gezag van gewijsde van voormeld arrest dat de motieven van de thans bestreden beslissing niet toelaten te begrijpen waarom geen rekening werd gehouden met het voornoemde arrest. Het gezag van gewijsde steunt op de noodzakelijkheid te beletten dat eenzelfde betwisting altijd zou blijven duren. Dit gezag brengt onder meer met zich mee dat een door de rechter genomen bindende beslissing achteraf niet meer in vraag mag worden gesteld door de in het geding betrokken partijen. Wat het arrest betreft waarmee zijn broer als vluchteling werd erkend, is verzoeker echter geen “in het geding betrokken partij” zodat hij zich niet op het gezag van gewijsde van dit arrest kan beroepen. Bovendien houdt het arrest betreffende de erkenning als vluchteling van verzoekers broer op geen enkele wijze een uitspraak in over de leeftijd van verzoeker zelf. Verder wordt elk dossier individueel behandeld en belet niets dat aan de door verzoeker voorgehouden leeftijd wordt VII-41.914-9/16 getwijfeld, ook wanneer niet zou zijn getwijfeld aan de leeftijd van verzoekers broer.
  18. Wat het medisch onderzoek betreft, is de bestreden beslissing voorts formeel afdoende gemotiveerd wanneer het resultaat van dat onderzoek in die beslissing wordt vermeld. Te dezen geeft de bestreden beslissing de conclusie van dat onderzoek weer, waaruit blijkt dat verzoeker meer dan 18 jaar oud is. Derhalve diende de dienst Voogdij in de thans bestreden beslissing in beginsel niet te motiveren waarom hij op grond van het medisch onderzoek, dat als ultiem bewijsmiddel is ingesteld om te achterhalen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, tot de conclusie komt dat verzoeker ouder dan 18 jaar is. Hoe dan ook blijkt uit het arrest waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers broer als vluchteling erkent slechts dat daarin de identiteit, nationaliteit en origine van zijn broer niet ter discussie staan. Het bevat echter geen uitspraak over de identiteit en de (waarachtigheid van de voorgehouden) leeftijd van verzoeker.
  19. Anders dan verzoeker voorhoudt, betrekt de verwerende partij wel degelijk de door verzoeker voorgelegde Afghaanse identiteitsbewijzen in haar beoordeling, doch zij beslist dat een verschil van meer dan 7 jaar tussen de jongste leeftijd zoals vastgesteld op basis van de medische test en de leeftijd zoals die is vermeld in verzoekers verklaringen en documenten te groot is. Uit verzoekers kritiek in het middel blijkt dat hij de strekking van de bestreden beslissing ook in die zin heeft begrepen. Zoals hoger meermaals werd opgemerkt, is het medisch onderzoek door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. De dienst Voogdij dient een neergelegde taskara dan ook niet te laten primeren op het medisch onderzoek, noch verder te motiveren waarom de resultaten van de medische test primeren op verzoekers verklaringen en (kopieën van) documenten. Ingevolge artikel 28, § 2, van het WIPR mag het tegenbewijs VII-41.914-10/16 van de door de buitenlandse overheid vastgestelde feiten immers met alle middelen van recht worden aangebracht. Het resultaat van een medische leeftijdsbepaling, waarop de thans bestreden beslissing uitdrukkelijk is gesteund, vormt dergelijk (tegen)bewijsmiddel. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat conform artikel 30 van het WIPR zelfs authentieke documenten geen bewijskracht hebben indien ze niet gelegaliseerd werden. In de bestreden beslissing wordt uitdrukkelijk aangegeven – en verzoeker betwist niet – dat de neergelegde documenten niet gelegaliseerd zijn. In tegenstelling tot hetgeen hij voorhoudt, heeft verzoeker overigens geen authentieke documenten maar enkel kopieën van documenten voorgelegd. Ook artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 december 2003 verzet er zich niet tegen dat in geval van twijfel aan de informatie uit de overgelegde documenten wordt overgegaan tot een leeftijdsonderzoek dat, zoals hoger reeds meermaals is aangehaald, door de wet zelf is ingesteld. Het vormt op zich evenmin een schending van artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit of van de zorgvuldigheidsplicht om de uitslag van een leeftijdsonderzoek te laten primeren op de door verzoeker overgelegde documenten.
  20. Volgens verzoeker heeft de thans bestreden beslissing verregaande gevolgen voor zijn recht op privé-leven en houdt ze een “fundamentele wijziging van zijn identiteit” in. Deze kritiek mist feitelijke grondslag. Met de bestreden beslissing wordt noch verzoekers identiteit noch zijn geboortedatum bepaald en wordt geen uitspraak gedaan over zijn minder- of meerderjarigheid, die in zijn geval wordt bepaald door het Afghaanse recht. Er wordt enkel beslist dat de medische test aantoont dat verzoeker “ouder dan 18 jaar” is, “waarbij 23,0 jaar een minimumleeftijd is” die waarschijnlijk nog hoger ligt. De bestreden beslissing houdt dan ook geen “fundamentele wijziging van zijn identiteit” in vermits het enkel gaat om een leeftijdsschatting om na te VII-41.914-11/16 gaan of verzoeker al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt en of hem al dan niet een voogd moet worden toegewezen.
  21. Verzoeker acht artikel 8 van het EVRM en artikel 8 van het IVRK geschonden doordat de thans bestreden beslissing enkel is gesteund op de resultaten van de medische test zonder hem de mogelijkheid te bieden authentieke stukken uit Afghanistan voor te leggen en zonder hem hierover te horen. Anders dan wat verzoeker voorhoudt en zoals hoger reeds werd vastgesteld, heeft hij wel degelijk de mogelijkheid gehad om documenten voor te leggen, mogelijkheid waarvan hij overigens gebruik heeft gemaakt op 19 oktober 2022, werd hij op 7 november 2022 uitgenodigd voor een gesprek op de dienst Voogdij, zodat hij onder meer over deze documenten zijn standpunt kon uiteen zetten, en blijkt de dienst Voogdij in de bestreden beslissing rekening te hebben gehouden met de door verzoeker voorgelegde documenten. Verzoeker toont niet de onwettigheid aan van de beoordeling dat het resultaat van het medisch leeftijdsonderzoek wegens het grote verschil primeert op verzoekers verklaringen en stukken. Zoals blijkt uit de beoordeling hierna van het tweede middelonderdeel, ontkracht verzoeker de bevindingen van het medisch onderzoek niet. Ten overvloede dient te worden opgemerkt dat het onderzoek of een vreemdeling die op grond van zijn eigen verklaarde leeftijd een niet-begeleide minderjarige vreemdeling zou zijn, toch niet ouder is dan 18 jaar wanneer twijfel wordt geuit over zijn verklaarde leeftijd, wel degelijk kan worden beschouwd als noodzakelijk in een democratische samenleving omwille van onder meer de openbare orde. Tweede middelonderdeel
  22. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die VII-41.914-12/16 handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden.
  23. Verzoeker weidt uit over de (on)betrouwbaarheid van medische onderzoeken voor leeftijdsbepaling en verwijst in het bijzonder naar standpunten van internationale organismen en de kritiek erop vanuit de medische wereld. Zoals supra herhaaldelijk werd opgemerkt, is het medisch onderzoek door de wet zelf ingesteld als ultiem bewijsmiddel om na te gaan of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt indien er twijfel is omtrent zijn leeftijd. Verzoeker beperkt zich tot algemene kritiek omtrent de betrouwbaarheid van dergelijk medisch onderzoek zonder evenwel in te gaan op de concrete vaststellingen van dat onderzoek. Hij toont evenmin aan dat het medisch onderzoek te dezen ondeskundig, onbetrouwbaar of niet correct is. Zo blijkt dat de arts eventuele afwijkingen ten gevolge van genetische, etnische of andere factoren heeft opgevangen door, waar nodig, een standaarddeviatie te hanteren. De wetgever heeft met de medische leeftijdstest overigens niet de bedoeling gehad de exacte leeftijd van de betrokkene te laten achterhalen doch enkel uitsluitsel te krijgen of de betrokkene al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. Het medisch verslag bevat een uitgebreide uiteenzetting betreffende de gebruikte methodologie. Verzoeker ontkracht aldus niet dat het medisch onderzoek met de vereiste deskundigheid is gebeurd en dat de arts bij de beoordeling van de objectieve gegevens die hem voorlagen, rekening heeft gehouden met alle gegevens die in de huidige stand van de wetenschap gemeenzaam worden aanvaard. VII-41.914-13/16
  24. Verzoekers kritiek dat nergens melding wordt gemaakt van de competenties van de artsen om het medisch onderzoek uit te voeren, is niet dienstig. Te dezen blijkt dat de onderzoeken zijn uitgevoerd door dr. G. W., gerechtsdeskundige van de afdeling Orthodontie en Forensische Tandheelkunde, en dr. H. S. kliniekhoofd Radiologie. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de gerechtsdeskundige van de afdeling Orthodontie en Forensische Tandheelkunde en het kliniekhoofd van de dienst radiologie niet competent zouden zijn om op grond van de bevindingen in het medisch verslag tot een leeftijdsschatting te komen. De omstandigheid dat het medisch verslag van 15 september 2022 pas enkele dagen later zou zijn ondertekend door één van de twee artsen, doet, anders dan verzoeker aanvoert, geen twijfel rijzen of zij het rapport wel mee heeft opgesteld. De ondertekening door de tweede arts, ongeacht of dit op een latere datum gebeurde, houdt immers in dat zij de inhoud van dit verslag volledig onderschrijft en het verslag bijgevolg tot het hare maakt.
  25. Uit het administratief dossier blijkt ten slotte geenszins dat verzoeker geen toegang zou zijn verleend tot het resultaat van het onderzoek van het gebit. In het verslag van het medisch onderzoek wordt bovendien aangegeven tot welke vaststellingen de radiografie van de tanden heeft geleid. Het gaat niet om motieven maar om elementen waarop de motieven van het medisch verslag, en vervolgens van de bestreden beslissing, zijn gesteund. Deze stukken behoren tot het medisch dossier van de betrokkene zelf.
  26. Verder behoort de beoordeling van de bronnen en de medische elementen tot de discretionaire bevoegdheid van de artsen en het bestuur. Het komt de Raad van State niet toe zich wat dat betreft in de plaats van de artsen of het bestuur te stellen. VII-41.914-14/16 Conclusie
  27. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. VI. Over de vordering tot schorsing
  28. Deze zaak vereist slechts korte debatten zodat er grond is om toepassing te maken van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Er is bijgevolg geen grond meer om de vordering tot schorsing verder te onderzoeken. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  30. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  31. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.914-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentwintig februari tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.914-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.979 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.