id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 Rolnummer: A. 228265/IX-9559 Zaak: Arrest 259030 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 06/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-18 Raadplegingen: 119 - laatst gezien 2026-06-19 05:31 Fiche Arrest nr 259.030 van 6 maart 2024 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 no lien 276033 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.030 van 6 maart 2024 in de zaak A. 228.265/IX-9559 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Aube Wirtgen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2019 waarbij aan XXXX een mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend en zijn mandaat van gedelegeerd bestuurder van het Vlaams agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen wordt beëindigd op 31 oktober
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 244.768 van 11 juni 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-9559-1/26 Bij arrest nr. 246.316 van 5 december 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 januari
- Staatsraad Jurgen Neuts heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaten Vincent Vuylsteke en Stéphanie De Somer, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Sietse Wils, die loco advocaten Bart Martel en Aube Wirtgen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- IX-9559-2/26 III. Feiten 3.
- Verzoeker is bij besluit van de Vlaamse Regering van 18 oktober 2013 met ingang van 1 november 2013 aangewezen voor de functie van gedelegeerd bestuurder van het (toenmalige) Vlaams agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen, een extern verzelfstandigd agentschap van de Vlaamse overheid (hierna ook: het agentschap). Het betreft een mandaatfunctie met een duur van maximum zes jaar, die hernieuwbaar is onder de voorwaarden die zijn bepaald bij het Vlaams personeelsstatuut (hierna: VPS). 3.
- De scores van de opeenvolgende, jaarlijkse evaluaties van verzoekers functioneren door de functioneel bevoegde Vlaamse minister, namelijk de Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, zijn respectievelijk de volgende: - 2014: score B+ (het prestatieniveau voldoet volledig aan de verwachtingen); - 2015: score B+ (het prestatieniveau voldoet volledig aan de verwachtingen); - 2016: score B- (positief met verbeterpunten: het prestatieniveau ligt onder de verwachtingen); - 2017: score B (het prestatieniveau voldoet grotendeels aan de verwachtingen); - 2018: score B (het prestatieniveau voldoet grotendeels aan de verwachtingen). 3.
- Voor de mandaatevaluatie “met het oog op het opnemen van een volgend mandaat”, die uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken van het mandaat moet plaatsvinden (artikel V 13, § 2, VPS), wordt ten aanzien van verzoeker een beroep gedaan op de externe instantie A. IX-9559-3/26 Deze instantie stelt daartoe in maart 2019 een rapport ‘Mandaatevaluatie 2014-2018’ op. Het besluit daarvan luidt als volgt: “Algemeen mag gesteld worden dat de leidend ambtenaar op voldoende wijze invulling gaf aan zijn mandaat. Niettegenstaande de grote wijzigingen die Syntra Vlaanderen de voorbije periode kende in de kern van de missie en visie, realiseerde de mandaathouder de vooropgestelde doelstellingen, hoewel niet altijd conform de verwachtingen van de minister. Het blijft ook opvallend dat de minister, zeker voor de beleving van de waarden en voor de manier waarop hij zich in zijn leiderschapsstijlen profileert, op zijn honger blijft en een ander verwachtingspatroon heeft dan [verzoeker] zelf, de raad van bestuur en de medewerkers. De prestaties en de wijze van invulling van het mandaat voldoen aan de verwachtingen. De medewerker slaagt in zijn rol als leidend ambtenaar.” 3.
- Op 7 mei 2019 heeft een gesprek plaats tussen verzoeker en de functioneel bevoegde Vlaamse minister. Tussen de partijen is niet betwist dat de voornoemde minister bij die gelegenheid verzoeker in kennis heeft gesteld van zijn intentie om aan de Vlaamse Regering voor te stellen verzoekers mandaat als ‘onvoldoende’ te evalueren, zodat het niet kan worden hernieuwd. 3.
- Met een e-mailbericht van 8 mei 2019 aan verzoeker bevestigt de voornoemde minister zijn voormeld voornemen en vermeldt hij zijn motieven daarvoor. 3.
- Met een e-mailbericht van 13 mei 2019 wordt aan de raadslieden van verzoeker een afschrift van het administratief dossier bezorgd: enerzijds een nota van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding aan de Vlaamse Regering betreffende de mandaatevaluatie van verzoeker en anderzijds het rapport ‘Mandaatevaluatie 2014-2018’ van de externe instantie A. IX-9559-4/26 3.
- Op 24 mei 2019 wordt verzoeker gehoord door de Vlaamse Regering. 3.
- Op 26 mei 2019 beslist de Vlaamse Regering om aan verzoeker de mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ toe te kennen. Dat is de bestreden beslissing. Daarin is te lezen dat de Vlaamse Regering de motivering overneemt die is opgenomen in de voormelde nota van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoede- bestrijding. De “conclusie” van het voorstel van de mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ luidt als volgt: “De minister stelt op basis van de samenvattende tabel met de jaarlijkse evaluatiescores vast dat [verzoeker] zowel voor 2016, 2017 en 2018 niet volledig voldeed aan de verwachtingen (met in 2016 een score B-, prestatieniveau ligt onder de verwachtingen). Samenlezend met de evaluaties door de bevoegde minister kan daaruit minstens geconcludeerd worden dat [verzoeker] er niet in geslaagd is om de aandachtspunten op een adequate manier aan te pakken en zo tot een verbetering van zijn prestaties te komen zoals gevraagd door de bevoegde minister. Hij presteerde met andere woorden ondermaats ten opzichte van de functienorm. De minister is er zich van bewust dat uit de mandaatevaluatie en jaarlijkse evaluaties blijkt [dat] er een discrepantie is tussen de zelfevaluatie, de evaluatie van de Raad van Bestuur en de bevoegde minister. De minister evalueerde [verzoeker] stelselmatig minder goed. Doorheen de jaren werden de verschillen ook steeds groter. In de verschillende evaluaties wordt aangegeven dat [verzoeker] meer in dialoog moet gaan met de minister en de kabinetschef om de wederzijdse verwachtingen helderder [t]e krijgen. Vanaf de evaluatie van 2016 wordt dit stelselmatig aangegeven dat dit dient te gebeuren. Zowel in 2016, 2017 en 2018 komt deze opmerking terug. In 2018 geeft [de externe instantie A.] zelfs aan dat het moeilijk wordt om een objectieve evaluatie te maken (vandaar de B). We kunnen echter vaststellen dat er door[h]een de jaren geen verbetering optreedt in de samenwerking met een belangrijke belanghebbende en functioneel bevoegde minister. De scores blijven laag en de discrepantie tussen de verwachtingen [is] groot. In zijn reactie op zowel de evaluatie 2017 als 2018 geeft [verzoeker] aan dat hij niet akkoord is met de evaluatie van de minister die hij in 2017 eerder als een opinie beschrijft dan als een evaluatie. In 2018 krijgt de minister daarbij nog de opmerking dat ‘evaluatoren dienen ook bekwaam te zijn om te kunnen evalueren’. Hij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-5/26 betwist de manier van evalueren en het primaat van de politiek daarin. Hij ziet Syntra Vlaanderen als een private onderneming die niet door de politiek dient aangestuurd te worden. [Verzoeker] vergeet echter dat een belangrijke belanghebbende en opdrachtgever net de minister is die via Syntra Vlaanderen zijn beleid uitvoert. Dit getuigt van een weinig loyale houding van [verzoeker] ten opzichte van zijn minister en het uitgestippelde beleid van de Vlaamse Regering. Dit wordt ook bevestigd in bepaalde communicatie op sociale media en de Raad van Bestuur. Het vertrouwen tussen de minister en [verzoeker] is dus op dat vlak volledig verdwenen.” De genotuleerde beslissing van de Vlaamse Regering vermeldt voorts: “Het eerste mandaat van [verzoeker] neemt een einde op 31 oktober
- Bijgevolg zal [verzoeker] uiterlijk binnen één jaar na de schriftelijke kennisgeving van de beëindiging van het mandaat herplaatst worden in de interne arbeidsmarkt in een passende functie van de terugvalgraad van directeur-generaal.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de verwerende partij 4.
- Met een brief van 28 juni 2022 deelt de verwerende partij mee dat zij het actueel belang van verzoeker betwist. Zij werpt op dat een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing aan verzoeker “geen enkel tastbaar voordeel” kan opleveren. In dat verband wijst zij erop dat het Vlaams agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen bij decreet van 19 juni 2020 werd “opgeheven”. Overeenkomstig artikel 1 juncto artikel 7 (lees: 8) van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 2020 ‘tot overdracht van personeelsleden binnen de diensten van de Vlaamse overheid door de opheffing van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd Agentschap ‘Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen’’ werd verzoeker in de “terugvalgraad” van directeur-generaal met salarisschaal A311 per 1 januari 2021 overgedragen aan het departement Werk en Sociale economie. IX-9559-6/26 Verzoeker heeft tegen dat besluit geen annulatieberoep bij de Raad van State ingesteld. Daaruit leidt de verwerende partij af dat zelfs indien een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing tot een gunstige evaluatie van verzoeker zou leiden, dit niet tot gevolg kan hebben dat verzoeker in het mandaat van gedelegeerd bestuurder van het agentschap kan worden hernieuwd. Bovendien, zo doet de verwerende partij nog gelden, blijft verzoeker steeds dezelfde bezoldigingsregeling genieten als ten tijde van het uitoefenen van de managementfunctie van N-niveau. Verzoeker blijft ook na de overdracht aan het departement Werk en Sociale economie dezelfde salarisschaal A311 genieten. Daarom meent de verwerende partij dat verzoeker door een hernieuwing van zijn mandaat niet in een gunstiger positie kan worden gebracht. 4.
- In haar laatste memorie voegt de verwerende partij daar “[v]oor zoveel als nodig” nog aan toe dat zij moet vaststellen dat de voordelen van een vernietiging – “een ‘rechtzetting’ van de financiële en carrièrematige gevolgen die uit de negatieve mandaatevaluatie voortvloeien” – “veeleer hypothetisch” zijn. De vernietiging van de bestreden beslissing levert verzoeker niet “automatisch” een gunstige mandaatevaluatie op. De verwerende partij moet in dat geval een nieuwe beslissing nemen over de mandaatevaluatie. Ter zake beschikt zij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Zij moet alsdan alleen rekening houden met de motieven van het vernietigingsarrest. Dit belet volgens de verwerende partij niet dat zij opnieuw tot een ongunstige mandaatevaluatie beslist. Dit geldt des te meer, zo besluit zij, wanneer de Raad van State de bestreden beslissing op grond van het tweede middel zou vernietigen. Dit betreft, steeds volgens de verwerende partij, een “loutere formele wettigheidskritiek […] die bovendien geenszins de inhoud van de negatieve mandaatevaluatie in twijfel trekt”. Beoordeling
- De ontbinding van het agentschap waarvan verzoeker gedurende zes jaar en tot 31 oktober 2019 gedelegeerd bestuurder was – een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-7/26 zogenaamde “managementfunctie van N-niveau” – doet hem niet ipso facto zijn belang bij het beroep tegen de ongunstige mandaatevaluatie verliezen.
- Na vernietiging van de bestreden beslissing is het bestuur ertoe gehouden de mandaatevaluatie van verzoeker over te doen. Daarbij beschikt de verwerende partij zeer zeker – opnieuw – over een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid.
- Naar luid van artikel V 13, § 4, VPS wordt een evaluatie die niet resulteert in de uitspraak ‘onvoldoende’ geacht positief te zijn. Artikel V 15, eerste lid, VPS bepaalt dat de titularis van het mandaat in zijn mandaat wordt hernieuwd “[w]anneer de mandaatevaluatie bedoeld in artikel V 13, § 2 niet resulteert in een einduitspraak ‘onvoldoende’”. Die hernieuwing gebeurt, steeds volgens het voormelde artikel V 15, eerste lid, “zonder opnieuw een beroep te doen op de mededinging” en geldt “voor een bijkomende en, in beginsel eenmalige, termijn van zes jaar”. Er kan en mag evenwel niet worden vooruitgelopen op wat de uitkomst van die eventuele nieuwe mandaatevaluatie zou inhouden. Derhalve kan een gunstige mandaatevaluatie van verzoeker evenmin worden uitgesloten. Op grond van de voormelde bepalingen maakt verzoeker na vernietiging van de bestreden beslissing derhalve kans – namelijk wanneer de herdane mandaatevaluatie niet in de einduitspraak ‘onvoldoende’ resulteert – om retroactief hernieuwd te worden in het mandaat van gedelegeerd bestuurder van het agentschap. In dat geval is het zonder relevantie dat verzoeker intussen als gevolg van de ontbinding werd overgeplaatst en die overplaatsing niet met een annulatieberoep heeft bestreden.
- Hoewel op vandaag het mandaat van gedelegeerd bestuurder van het agentschap door de ontbinding ervan feitelijk niet meer kan worden uitgeoefend, moet worden vastgesteld dat voor de afwikkeling van die ontbinding vanuit de optiek van het personeel de uitgangspositie van een mandaathouder fundamenteel verschilt van die van de betrekking van directeur-generaal, waarin verzoeker zich ten gevolge van de bestreden beslissing bevindt. IX-9559-8/26 IX-9559-9/26 Immers, artikel V 17bis VPS bepaalt: “Als het mandaat van de titularis van een managementfunctie van N- niveau wordt beëindigd door de afschaffing van de entiteit, herplaatst de in dienst nemende overheid de titularis in de interne arbeidsmarkt in een vacante projectleidersfunctie van N-niveau.” Dat voordeel van een herplaatsing in een projectleidersfunctie van hetzelfde N-niveau is verzoeker ten gevolge van de bestreden beslissing misgelopen.
- Dat beide betrekkingen – gedelegeerd bestuurder en directeur- generaal – volgens dezelfde salarisschaal worden bezoldigd, is evenmin van aard om verzoeker het belang bij zijn beroep te ontzeggen. In het beredeneerd auditoraatsverslag heeft de verwerende partij kunnen vernemen over welke bijkomende toelagen of kredieten een mandaathouder van N-niveau kan beschikken. Het doet het auditoraat ertoe besluiten dat verzoeker ten gevolge van de bestreden beslissing “zowel op financieel vlak als carrièrematig negatieve gevolgen” heeft moeten ondergaan. De verwerende partij weerspreekt die negatieve gevolgen in haar laatste memorie opvallend niet. Zij betoogt alleen dat een en ander “veeleer hypothetisch” is omdat een vernietiging niet “automatisch” tot een positieve mandaatevaluatie leidt. Alsdan kan de Raad, na een eigen onderzoek te hebben gevoerd, de conclusie van het auditoraatsverslag in dat verband bijvallen en voorts vaststellen dat een vernietiging aan verzoeker in elk geval de kans biedt om alsnog positief geëvalueerd te worden én dat zulks voor (het behoud van) zijn belang volstaat.
- Of de strekking van de middelen – en dan in het bijzonder deze van het middel dat tot vernietiging aanleiding zou geven – in het kader van de beoordeling van het actueel belang enige relevantie vertoont, dan wel dat dit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-10/26 alleen de ontvankelijkheid van de betrokken middelen aangaat, kan onbesproken blijven. De verwerende partij verwijst in dat verband naar de door verzoeker in zijn tweede middel aangevoerde schending van artikel V 13, § 2, derde lid, VPS, waarin wordt opgelegd dat “[b]ij de mandaatevaluatie van de titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau in een EVA […] de raad van bestuur [wordt] gehoord”. Het is echter verre van evident dat wat de verwerende partij als een “loutere formele wettigheidskritiek” beschouwt, met zekerheid zonder invloed is gebleven op de inhoud van de bestreden beslissing.
- De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
- Wat de gevolgen zijn van een vernietigingsarrest moet niet alleen in het licht van het dictum ervan worden uitgemaakt, maar mede in het licht van de vernietigingsmotieven. Die vernietigingsmotieven zijn de onwettigheden die in de aangevoerde en gegrond bevonden middelen werden vastgesteld. Deze onwettigheden mogen bij het overdoen van dezelfde beslissing niet opnieuw worden begaan, op straffe van schending van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest. Op die manier beperken ze de handelingsruimte waarover de overheid bij dit overdoen nog beschikt. Naargelang een middel – de daarin aangevoerde onwettigheid – deze handelingsruimte bij het overdoen méér beperkt, met andere woorden dit overdoen moeilijker of lastiger maakt, worden het middel en de op grond ervan uitgesproken vernietiging “ruimer” genoemd. IX-9559-11/26 Dat brengt de Raad van State ertoe de volgorde van de beoordeling van de middelen die verzoeker tegen de bestreden beslissing heeft aangevoerd, te laten afhangen van de vraag welk daarvan het ruimste rechtsherstel biedt. B. Eerste middel, eerste onderdeel (partim) Uiteenzetting van het middel
- In het eerste onderdeel van het eerste middel voert verzoeker – onder meer – de schending aan van het vertrouwensbeginsel. Hij stelt “geschokt” te zijn “in de verwachtingen die hij rechtmatig kon putten uit zijn jaarlijkse evaluaties en uit de communicatie van de minister in dit verband”. Verzoeker betoogt dat hij door de positieve jaarlijkse evaluaties nooit enig signaal heeft gekregen dat hij moest vrezen voor een mandaatevaluatie ‘onvoldoende’. Bij hem werd de indruk gewekt dat, hoewel er op een aantal punten verbeteringen konden worden doorgevoerd, zijn presteren grotendeels aan de verwachtingen voldeed. Dat de minister hem naar aanleiding van de jaarlijkse evaluatie voor 2017 bedankte voor de “uitstekende prestaties” noemt verzoeker “[b]ijzonder frappant”. Die brief bevond zich niet in het dossier dat bij de Vlaamse Regering voorlag; verzoeker heeft hem zelf neergelegd tijdens de hoorzitting. Verzoeker kon naar eigen zeggen moeilijk anders dan daaruit afleiden dat de minister uiterst tevreden was over zijn functioneren in 2017 en dat hij op de goede weg was om zijn mandaat hernieuwd te zien. In de bestreden beslissing wordt overwogen dat de mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ bezwaarlijk een verrassing kon zijn, gelet op “dergelijke lage scores”. Die brief is, zo benadrukt verzoeker, de laatste individuele kennisgeving van een jaarlijkse evaluatie. Voor het jaar 2018 heeft hij nooit een kennisgeving met een score ontvangen, laat staan een lijst met verbeterpunten. Pas naar aanleiding van de hoorzitting over zijn mandaatevaluatie vernam hij de score ‘B’ voor
- Dat is een positieve evaluatie, zonder enig signaal dat er zich volgens de minister IX-9559-12/26 ernstige problemen met betrekking tot zijn functioneren zouden hebben voorgedaan. Verzoeker stelt voorts nooit het voorwerp te hebben uitgemaakt van een maatregel ter verbetering van zijn prestaties of een verbeteringstraject. Als hij werkelijk zo slecht presteerde als de verwerende partij beweert, dan had de minister de verplichting om acties te ondernemen ter verbetering van de situatie. Evaluatieprocedures moeten gericht zijn op de ontwikkeling van het personeelslid en het belang van de organisatie. Een ambtenaar die slecht presteert moet de kans krijgen om te verbeteren. Het eerste doel van zo een evaluatieprocedure is om het personeelslid op de hoogte te stellen van eventuele tekortkomingen in zijn functioneren en niet om hem te straffen. Zo kan het personeelslid zijn gedrag nog tijdig bijstellen en zijn kansen op een gunstige evaluatie gaaf houden. De verwerende partij heeft geen enkel initiatief genomen om de beweerde tekortkomingen te verbeteren. Beoordeling
- Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen.
- Zoals hierna bij de bespreking van het tweede middel zal blijken, is een mandaatevaluatie méér dan de loutere optelsom van de jaarlijkse evaluaties. Niet het minst omdat de mandaatevaluatie ook een prospectieve beoordeling inhoudt: er wordt geëvalueerd “met het oog op het opnemen van een volgend mandaat”. Bovendien gaat de jaarlijkse evaluatie uit van de bevoegde minister en is de mandaatevaluatie de verantwoordelijkheid van de Vlaamse Regering. IX-9559-13/26 Het zijn allemaal redenen om aan te nemen dat verzoeker geen gerechtvaardigde verwachtingen kan doen gelden waarin hij beschaamd is.
- Verzoeker is voorts de mening toegedaan dat de beoordeling anders moest verlopen, maar dat heeft met het vertrouwensbeginsel geen uitstaans. De mandaatevaluatie laat zich overigens niet zonder meer vergelijken met een evaluatieprocedure voor andere personeelsleden van de overheid, of zelfs de jaarlijkse evaluaties van de mandaathouder. Zo mag niet worden veronachtzaamd dat een mandaat in beginsel hoe dan ook slechts voor een bepaalde periode – zes jaar, weliswaar beperkt hernieuwbaar – kan worden uitgeoefend. Bij de afloop van die termijn komt het de Vlaamse Regering toe – en dat is de essentie van de mandaatevaluatie – om uit te maken of zij de betrokken mandaathouder al dan niet voor een volgende periode van zes jaar aan het roer wil zien staan van een departement, een intern of een extern verzelfstandigd agentschap. Ook in dat opzicht kan verzoeker niet ervan overtuigen dat in zijn geval de evaluatieprocedure op een oneigenlijke manier werd gebruikt.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel, zoals hiervóór beschreven, is ongegrond. C. Tweede middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker put een tweede middel uit de schending van artikel V 13, § 2, derde lid, VPS. Hij betoogt dat uit die bepaling volgt dat bij de mandaatevaluatie van een titularis van een managementfunctie van N-niveau in een extern verzelfstandigd agentschap de raad van bestuur moet worden gehoord. Dit horen moet volgens hem gebeuren vooraleer de bevoegde minister zijn ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-14/26 voorstel aan de Vlaamse Regering overmaakt. Omdat het administratief dossier dat hem vóór de hoorzitting bij de Vlaamse Regering ter beschikking werd gesteld geen document bevatte dat aantoonde dat de minister de raad van bestuur van het agentschap zou hebben gehoord, voerde hij dit als grief aan in zijn verweernota. De bestreden beslissing antwoordt daarop alleen dat de voorzitter van de raad van bestuur in een interview uitgebreid werd bevraagd. Nochtans schrijft het VPS voor dat de raad van bestuur moet worden gehoord, zo stelt verzoeker. Het horen van alleen de voorzitter van die raad van bestuur volstaat volgens hem niet. De raad van bestuur is een collegiaal orgaan en moet in die hoedanigheid en met respect voor de regels betreffende zijn samenstelling en het quorum worden gehoord. Bovendien zegt verzoeker geen kennis te hebben van enig stuk – een schriftelijke verklaring of een proces-verbaal – dat bewijst dat de voorzitter van de raad van bestuur werd geïnterviewd. Verzoeker had het in zijn verweer ten aanzien van de Vlaamse Regering moeten kunnen betrekken. Ook aan de motivering van de bestreden beslissing werd het niet toegevoegd. Het lijkt er volgens verzoeker op dat zo een stuk niet bestaat. Het e-mailverkeer tussen de voorzitter van de raad van bestuur en de externe instantie in verband met het inplannen van een interview bewijst niet dat het interview daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Een proces-verbaal van die hoorzitting wordt niet neergelegd. Het horen van de raad van bestuur is volgens verzoeker een substantiële vormvereiste, waarvan de niet-naleving “hoe dan ook” tot de onwettigheid van de beslissing leidt. Hij wijst erop dat de raad van bestuur hem altijd positief heeft beoordeeld. Verzoeker voert voorts aan dat de Vlaamse Regering de opvattingen van de raad van bestuur in overweging moet nemen. Wanneer zij die opvattingen niet wenst te volgen, rust op haar de verplichting om uitdrukkelijk te motiveren waarom zij daarvan afwijkt. Het gaat volgens verzoeker immers om een normatieve verplichting om te horen die moet verzekeren dat de Vlaamse IX-9559-15/26 Regering met volle kennis van zaken, bijgestaan door een orgaan dat de mandaathouder en de organisatie bijzonder goed kent, tot een eindevaluatie komt. Verzoeker wijst erop, tot slot, dat het voorwerp van de mandaatevaluatie verschilt van dat van de jaarlijkse evaluaties. Dat maakt volgens hem het horen van de raad van bestuur specifiek naar aanleiding van de mandaatevaluatie niet overbodig, maar verplicht. Verzoeker besluit dat door de raad van bestuur in het kader van zijn mandaatevaluatie niet te horen aan hem een waarborg werd ontnomen, namelijk het voordeel van een “naar grote waarschijnlijkheid” positieve stem in het debat over zijn presteren gedurende de laatste zes jaren, globaal genomen.
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat tussen de externe instantie en “de raad van bestuur, vertegenwoordigd door zijn voorzitter” een gesprek heeft plaatsgevonden. Dit is volgens haar in overeenstemming met de “Nota aan de Vlaamse Regering van 1 april 2011 ‘Mandaatevaluatie voor de Vlaamse topambtenaren: basisprincipes’, VR 2011 0104 DOC.0260” (hierna: de nota van 1 april 2011), die zij als een “interpretatief document” beschouwt dat “concrete invulling” geeft aan de regels inzake de mandaatevaluatie zoals die in het VPS zijn vastgelegd. Dat gesprek vertrekt, steeds volgens de verwerende partij, vanuit de vaststellingen van het gesprek dat de externe instantie met de mandaathouder heeft gehad. De focus ligt daarbij op de consolidatie van de historische informatie, zoals de jaarlijkse evaluaties van de mandaathouder, de resultaatgebieden en de wijze waarop de rol en de missie werden ingevuld. Het gesprek heeft ook betrekking op het resultaat van de competentiebeoordeling en er wordt ingegaan op de gewenste toekomstige invulling van de betrokken functie. Volgens de verwerende partij werd het vormvereiste van het horen van de raad van bestuur van het agentschap nageleefd. Uit het verslag van de externe instantie blijkt dat het gesprek met de voorzitter van de raad van bestuur heeft plaatsgehad. De verwerende partij brengt ook e-mailverkeer bij over het inplannen van dat gesprek. Die berichten bevatten zowel de uitnodiging voor het gesprek als de bevestiging van de voorzitter van de raad van bestuur van zijn ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-16/26 aanwezigheid. Verzoeker kan er volgens de verwerende partij redelijkerwijze niet aan twijfelen dat het gesprek heeft plaatsgehad. Zij herinnert er ook aan dat het Vlaams personeelsstatuut geenszins ertoe verplicht dat van die hoorzitting een proces-verbaal wordt opgesteld. De verwerende partij zegt voorts de “bijzonder positieve” jaarlijkse evaluaties door de medewerkers van verzoeker en de raad van bestuur van het agentschap niet te betwisten, maar benadrukt wel dat verzoeker er verkeerdelijk van uitgaat dat die medewerkers en de raad van bestuur zijn eigenlijke evaluatoren zijn. De bevoegdheid om te evalueren komt, wat de jaarlijkse evaluatie betreft, uitsluitend aan de opdrachtgever toe. De mandaatevaluatie is de uitsluitende bevoegdheid van de Vlaamse Regering. Het zijn alleen de finale opvattingen van de evaluatoren – de functioneel bevoegde minister als opdrachtgever, respectievelijk de Vlaamse Regering – die in ogenschouw kunnen worden genomen als evaluatie van verzoeker. Opvattingen van anderen over zijn functioneren kunnen door de evaluatoren mee in overweging worden genomen, maar ze mogen niet met deze van de evaluatoren worden vereenzelvigd. De verwerende partij benadrukt nogmaals dat zij door de voorzitter van de raad van bestuur te horen, haar verplichting uit het VPS is nagekomen. Zij ziet daarom niet in hoe verzoeker een waarborg zou zijn ontnomen. Met de “positieve houding van de raad van bestuur” ten aanzien van het functioneren van verzoeker werd trouwens rekening gehouden. “Ondergeschikt” betoogt de verwerende partij dat het normdoel van het vormvereiste ex artikel V 13, § 2, derde lid, VPS werd bereikt, zodat het middel onontvankelijk is. Verzoeker geeft aan dat hij door de raad van bestuur van het agentschap steeds positief werd beoordeeld en dat die informatie niet voldoende zou zijn doorgesijpeld in de besluitvorming over zijn mandaatevaluatie. Daarin kan verzoeker volgens de verwerende partij niet worden bijgevallen. Zij betwist niet dat de raad van bestuur, “minstens in het algemeen”, positief stond tegenover het functioneren van verzoeker. De bestreden beslissing spreekt dat ook niet tegen. Integendeel, zowel uit het administratief dossier als uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij zich zeer goed bewust was van de houding die de raad van bestuur ten aanzien van verzoeker aannam, dat de verwerende partij daarover behoorlijk werd geïnformeerd en dat zij dat gegeven in haar oordeelsvorming heeft betrokken. Zij ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-17/26 haalt in dat verband passages aan uit de bestreden beslissing, het verslag van de externe instantie en de verweernota van verzoeker. Het doet de verwerende partij besluiten dat niet valt in te zien wat de meerwaarde was van het horen van de volledige raad van bestuur van het agentschap. De Vlaamse Regering heeft rekening gehouden met de positieve houding van de raad van bestuur en heeft die meegenomen in de overwegingen van de bestreden beslissing. Reden, volgens de verwerende partij, om te besluiten dat verzoeker geen belang heeft bij het aanvoeren van een schending van artikel V 13, § 2, derde lid, VPS. Beoordeling
- Artikel V 13, § 2, derde lid, VPS bepaalt wat volgt: “Bij de mandaatevaluatie van de titularis van een management- of projectleidersfunctie van N-niveau in een EVA wordt de raad van bestuur gehoord. Bij de mandaatevaluatie van de algemeen directeur wordt de titularis van de managementfunctie van N-niveau gehoord.”
- Om ervan te overtuigen dat aan deze eis werd voldaan, verwijst de verwerende partij naar een gesprek dat de externe instantie heeft gehad met de voorzitter van de raad van bestuur van het agentschap. Om dat gesprek met de voorzitter van de raad van bestuur van het agentschap te kaderen, refereert de verwerende partij tot tweemaal toe uitdrukkelijk aan de nota van 1 april
- In die nota worden op de pagina’s 5 en 6 de “procedurestappen” voor de mandaatevaluatie beschreven en toegelicht. De verwerende partij verwijst telkens en uitsluitend naar pagina 6 van de nota van 1 april
- Op die pagina valt over een eventuele tussenkomst van de raad van bestuur evenwel niets te vernemen. Wel is op die plaats sprake van “[t]wee opvolgingsgesprekken” die de externe instantie organiseert “[o]p basis van de vermelde informatieverzameling” en na analyse van de gegevens. Eén van die opvolgingsgesprekken vindt plaats met “de functioneel bevoegde hoofdverantwoordelijke minister of voorzitter van de raad van bestuur en de medeverantwoordelijke minister op verzoek”. IX-9559-18/26
- Dat opvolgingsgesprek is volgens de nota van 1 april 2011 duidelijk te onderscheiden van de daaraan noodzakelijk voorafgaande “[i]nformatieverzameling (door externe instantie)”, waarbij als “informatiebronnen” worden genoemd: de “objectieve consolidatie van de historische informatie” en de “top-down bevraging en de zelfevaluatie”. Wat dat laatste aspect betreft en dan meer bepaald de “top- down bevraging”, leest de nota van 1 april 2011 als volgt: “Top-down bevraging van de minister/Raad van Bestuur/Auditcomité op basis van een consolidatie van de analyse van de verzamelde historische informatie. Op een systematische manier wordt informatie ingewonnen over de invulling van de resultaatsgebieden, de invulling van de betrokken topambtenaar haar/zijn rol en missie (gebaseerd op oprichtingsbesluit of - decreet en beheers- of managementovereenkomsten waarin de organisatiebrede doelstellingen, bijvoorbeeld de diversiteitsdoelstellingen, zijn opgenomen), en de invulling van de gedrags- en waardegebonden competenties van de topambtenaar, zoals die beschreven staan in haar/zijn functiebeschrijving. De top-down bevraging moet zoveel mogelijk worden onderbouwd met concrete elementen. […] Voor de algemeen directeur(s) wordt ook de houder van de N-functie bevraagd over de realisatie van de organisatiebrede doelstellingen en de resultaatsgebieden over het verleden mandaat.” Het is alleen op deze plaats in de beschreven “[p]rocedurestappen” van de mandaatevaluatie dat de raad van bestuur als zodanig ter sprake komt. Dat doet aannemen dat het precies deze “top-down bevraging” is die invulling geeft aan de eis van artikel V 13, § 2, derde lid, VPS om de raad van bestuur te horen. Dat wordt trouwens bevestigd door de daaropvolgende passus in de nota van 1 april 2011, waarin wordt gesteld dat “[v]oor de algemeen directeur(s) […] ook de houder van de N-functie [wordt] bevraagd over de realisatie van de organisatiebrede doelstellingen en de resultaatsgebieden over het verleden mandaat”. Dat vereiste correspondeert volledig met de tweede zin van het voormelde artikel V 13, § 2, derde lid, zodat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat wat daaraan voorafgaat – en voor zover het betrekking heeft op IX-9559-19/26 de raad van bestuur – zijn grondslag vindt in de eerste zin van artikel V 13, § 2, derde lid, VPS.
- Dat doet besluiten dat de verwerende partij niet ervan overtuigt dat met het gesprek tussen de externe instantie en de voorzitter van de raad van bestuur van het agentschap aan de eis van artikel V 13, § 2, derde lid, VPS was voldaan.
- Voor zover de verwerende partij “[o]ndergeschikt” doet gelden dat hoe dan ook het normdoel van deze bepaling werd bereikt omdat de Vlaamse Regering nu eenmaal weet had van de “positieve houding” van de raad van bestuur ten opzichte van verzoeker, kan zij andermaal niet worden bijgevallen.
- Artikel V 13 VPS voorziet voor – onder meer – de titularis van een managementfunctie van N-niveau, zoals verzoeker, enerzijds in een jaarlijkse evaluatie (§§ 1, 1bis, 1ter, 3 en 4) en anderzijds in een mandaatevaluatie (§§ 2, 2bis, 3 en 4). Beide evaluaties hebben met mekaar gemeen dat ze gebeuren na een gesprek tussen de geëvalueerde en de “opdrachtgever” (§§ 1bis, tweede lid, en 2, tweede lid) – te dezen: de voor het extern verzelfstandigd agentschap functioneel bevoegde minister (artikel I 2, 13°, VPS). Nog een overeenkomst is dat voor de titularis van een managementfunctie van N-niveau in een extern verzelfstandigd agentschap de raad van bestuur wordt gehoord (§§ 1bis, derde lid, en 2, derde lid). Voor beide vormen van evaluatie geldt dat wanneer ze niet resulteren in de uitspraak ‘onvoldoende’, ze geacht worden positief te zijn (§ 4) en dat bij een evaluatie ‘onvoldoende’ de titularis het recht heeft om te worden gehoord door de Vlaamse Regering, al dan niet bijgestaan door een persoon van zijn keuze (§ 3, eerste lid). Blijkens deze bepalingen verschillen beide evaluaties dan weer onder meer hierin van mekaar: IX-9559-20/26 - de jaarlijkse evaluatie handelt over de prestaties en de wijze van functie- uitoefening (§ 1, eerste lid) tijdens de periode van één kalenderjaar (§ 1, derde lid), terwijl bij de mandaatevaluatie wel rekening wordt gehouden met de jaarlijkse evaluaties (§ 2, tweede lid) maar ze gebeurt “met het oog op het opnemen van een volgend mandaat (§ 2, eerste lid); - de jaarlijkse evaluatie wordt uitgevoerd door de opdrachtgever, die daarin wordt bijgestaan door het agentschap Overheidspersoneel. Dat laatste laat zich op zijn beurt bijstaan door een externe instantie (§ 1bis, eerste lid). De mandaatevaluatie wordt uitgevoerd door de Vlaamse Regering, op voorstel van de opdrachtgever en bijgestaan door een externe instantie (§ 2, eerste lid); - beide evaluaties gebeuren, zoals gezien, na een gesprek tussen de geëvalueerde mandaathouder en de opdrachtgever, al wordt voor de jaarlijkse evaluatie gespecificeerd dat daarbij rekening wordt gehouden met de informatie van personeelsleden die onder het gezag van de geëvalueerde staan en dat de opdrachtgever in overleg met de externe instantie en de geëvalueerde kan beslissen dat ook rekening wordt gehouden met informatie van externe belanghebbenden (§ 1bis, tweede lid); bij de mandaatevaluatie wordt, zoals gezien, rekening gehouden met de jaarlijkse evaluaties (§ 2, tweede lid), maar specifiek bij de mandaatevaluatie zelf worden de personeelsleden of externe belanghebbenden niet betrokken.
- Ook de nota van 1 april 2011 ziet “een aantal belangrijke verschilpunten” tussen de jaarlijkse evaluaties en de mandaatevaluatie, waaronder: “ Jaarlijkse evaluatie Mandaatevaluatie Doel? Evaluatie van de prestaties van het Evaluatie van het aflopende voorbije jaar mandaat met het oog op het opnemen van een volgend mandaat Wat?
- Evaluatie van de Evaluatie over het aflopende jaardoelstellingen en de mandaat op basis van: de resultaatsgebieden op basis consolidatie van historische van de bestaande afspraken informatie m.b.t. de afgelopen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-21/26 die gemaakt zijn in de jaarevaluaties; de beheersdocumenten (beheers- resultaatsgebieden over het /managementovereenkomst afgelopen mandaat; de wijze en ondernemingsplan) waarop de gemandateerde
- Evaluatie van de persoonlijke invulling geeft aan de rol en de en ontwikkelingsgerichte missie van haar/zijn organisatie doelstellingen op basis van de (gebaseerd op resultaatsgebieden die in de oprichtingsbesluit of -decreet functiebeschrijving staan. en beheers- of managementovereenkomsten waarin de organisatiebrede doelstellingen, bijvoorbeeld de diversiteitsdoelstellingen, zijn opgenomen); de wijze waarop de gemandateerde invulling geeft aan de waardegebonden competenties van de Vlaamse overheid. Resultaat? Score van A tot C++ Voldoende/onvoldoende Timing? Jaarlijks, het resultaat van de Ten laatste 6 maanden voor het evaluatie volgt uiterlijk op 31 maart. einde van het mandaat volgt een globale eindevaluatie ” Het wezenlijke verschil bestaat erin dat de jaarlijkse evaluatie het functioneren van de mandaathouder voor de periode van één jaar onder de loep neemt, terwijl de mandaatevaluatie volgens de nota van 1 april 2011 een evaluatie is “over het aflopende mandaat”, zich daarvoor “baseert […] op de vijf tot vijf en een half jaar van het mandaat van zes jaar” en daarbij “duidelijk” elementen betrekt “die over meer dan één jaar moeten/kunnen geëvalueerd worden en aldus zijn opgenomen in beheers- of managementovereenkomsten”. De jaarlijkse evaluatie heeft een retrospectief karakter: er wordt teruggeblikt op het functioneren tijdens het voorbije kalenderjaar. De mandaatevaluatie omvat naast dat retrospectieve aspect ook een prospectieve beoordeling, nu ze bepalend is voor de hernieuwing van het mandaat.
- Gelet op dat verschillende karakter van de jaarlijkse evaluaties en de mandaatevaluatie, het verschil ook in wat ter beoordeling voorligt, kan de verwerende partij bezwaarlijk voorhouden dat zij via die jaarlijkse evaluaties voldoende op de hoogte was van het standpunt van de raad van bestuur van het agentschap, of nog, dat het horen van de raad van bestuur bij de mandaatevaluatie geen “meerwaarde” zou hebben. IX-9559-22/26 Er anders over oordelen, zou de verplichting ex artikel V 13, § 2, derde lid, VPS om de raad van bestuur óók bij de mandaatevaluatie – en dus naast de jaarlijkse evaluaties – te horen volstrekt zinledig maken. Verzoeker heeft derhalve wel degelijk belang bij het middel.
- Wat voorafgaat doet eveneens besluiten dat de verwerende partij niet op goede gronden kan stellen dat zij “rekening [heeft] gehouden” met “de positieve houding van de raad van bestuur”. De “positieve houding” waaraan zij refereert kan hoogstens ten dele relevant zijn, namelijk in het kader van de consolidatie van de historische informatie. Over de andere beoordelingselementen waarop de mandaatevaluatie betrekking moet hebben, leren de jaarlijkse evaluaties niets. Ook in dat opzicht kan verzoeker niet het belang bij zijn middel worden ontzegd.
- Het tweede middel is gegrond. D. Overige middelen
- Een vernietiging op grond van het hiervóór besproken tweede middel wijst uit dat de besluitvorming over de mandaatevaluatie van verzoeker zo goed als van meet af aan is aangetast, te weten vanaf de “informatieverzameling” door de externe instantie: de raad van bestuur werd niet gehoord. Aangezien het volgens het tweede middel in die fase was dat het besluitvormingsproces fout liep, moet hoe dan ook minstens vanaf dat punt de procedure worden hernomen. In die omstandigheden is het in verband met het overdoen van de bestreden beslissing irrelevant of er mogelijk ook nog andere onwettigheden werden begaan later in het beslissingstraject. Alleen middelen die nog verder in het besluitvormingsproces teruggaan of middelen die de uitkomst van het IX-9559-23/26 besluitvormingsproces zouden kunnen determineren, behoeven nog nader onderzoek. 31.
- Dat geldt alvast niet voor het middel waarin de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht wordt aangevoerd “wegens het gebruik van feitelijk onjuiste motieven, het gebruik van motieven waartegen verzoeker zich niet heeft kunnen verweren tijdens de hoorzitting en het niet antwoorden op het verweer dat verzoeker ontwikkelde tijdens de hoorzitting” (eerste middel, tweede onderdeel). De onwettigheden die verzoeker daarin gelegen ziet, zijn in de chronologie van het besluitvormingsproces ná de “informatieverzameling” te situeren. 31.
- Hetzelfde geldt voor de door verzoeker voorgehouden onwettigheden ingevolge de schending van artikel V 13, §§ 2, tweede lid, en 4, VPS (eerste middel, eerste onderdeel, partim), waarbij wezenlijk wordt betoogd dat de Vlaamse Regering bij de mandaatevaluatie onvoldoende rekening heeft gehouden met de jaarlijkse evaluaties van verzoeker. 31.
- Ook het middel waarin verzoeker aanklaagt dat zijn gesprek met de bevoegde minister geen evaluatiegesprek was, dat de minister zijn beslissing al genomen had aangezien hem tijdens dat gesprek werd meegedeeld dat het advies aan de Vlaamse Regering negatief was, dat zijn standpunt niet in de besluitvorming werd betrokken, dat het gesprek niet heeft plaatsgevonden op basis van een werkelijk “dossier” zodat hij zich niet nuttig kon verweren en dat de Vlaamse Regering nooit op de hoogte werd gebracht van de inhoud van het gesprek met de minister (derde middel), kan niet tot een ruimere vernietiging leiden. Verzoeker ziet in dat alles een schending van artikel V 13, § 2, tweede lid, VPS gelegen, waarin wordt bepaald dat de mandaatevaluatie gebeurt na een gesprek tussen de geëvalueerde en de opdrachtgever. Dat gesprek heeft in zijn geval plaatsgevonden op 7 mei 2019, dit is nadat de externe instantie het evaluatieverslag had opgesteld en dus ook nadat de externe instantie alle informatie had moeten verzamelen. Tegen die ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 IX-9559-24/26 chronologie verzet verzoeker zich niet. Bijgevolg mag ook de Raad van State dit gesprek na de “informatieverzameling” in de tijd situeren, reden waarom het middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden. 31.
- Met het eerste onderdeel van het vierde middel voert verzoeker aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht als beginselen van behoorlijk bestuur en artikel V 13, § 2, VPS zijn geschonden “wegens het ontbreken van een groot aantal stukken in het dossier dat werd voorgelegd aan de Vlaamse Regering”. Vooreerst neemt verzoeker er aanstoot aan dat “geen enkel stuk met betrekking tot het horen van de raad van bestuur” werd voorgelegd. Hij voert ook aan dat van zijn gesprek met de minister een proces-verbaal had moeten worden opgenomen in het dossier van de mandaatevaluatie. Hij levert voorts kritiek op het feit dat de verslagen van de jaarlijkse evaluaties en alle voorbereidende stukken in het dossier ontbreken. De “memo” aan de Vlaamse Regering die de basis vormt voor de motivering van de bestreden beslissing bevat volgens verzoeker beweringen die niet door een stuk worden gestaafd. Tot slot, betoogt verzoeker dat ook de brief die de minister aan verzoeker richtte na het gesprek van 7 mei 2019 niet in het dossier was opgenomen. Alles bij mekaar levert verzoeker daarmee kritiek op de samenstelling van het dossier zoals het aan de Vlaamse Regering is voorgelegd. Ook die kritiek slaat op een punt dat in de tijd komt ná de “informatieverzameling” door de externe instantie. Hetzelfde kan worden gezegd van de kritiek van verzoeker in het tweede onderdeel van het vierde middel, namelijk dat de brief van de bevoegde minister na het gesprek van 7 mei 2019 en de “memo” aan de Vlaamse Regering nauwelijks positieve punten zouden bevatten.
- Wat voorafgaat doet besluiten dat na het gegrond bevinden van het tweede middel, de overige middelen geen nader onderzoek behoeven. Ze kunnen niet tot een ruimere vernietiging leiden. IX-9559-25/26 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2019 waarbij aan XXXX een mandaatevaluatie ‘onvoldoende’ wordt toegekend en zijn mandaat van gedelegeerd bestuurder van het Vlaams agentschap voor Ondernemersvorming – Syntra Vlaanderen wordt beëindigd op 31 oktober
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9559-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.030 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.768 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.316 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.