← België

Arrest 259032 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 06/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.032 Rolnummer: A. 237564/IX-10148 Zaak: Arrest 259032 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 06/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-18 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-06-19 05:31 Fiche Arrest nr 259.032 van 6 maart 2024 Economische zaken - Wegverkeer van mensen (bussen) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.032 van 6 maart 2024 in de zaak A. 237.564/IX-10.148 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tine Dekeyser en Anne-Marie Ivens kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas De Meulenaerstraat 2A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vanhemelrijck kantoor houdend te 1910 Kampenhout Bergstraat 54 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissingen dd. 25/07/2022 en 06/09/2022 van [de] Vlaamse Vervoersmaatschappij De Lijn […] waarbij aan verzoeker definitief een administratieve boete ten bedrage van € 107 wordt opgelegd ingevolge het vermeend rijden zonder geldig vervoersbewijs op 15/06/2022, dossier gekend onder PV nr. 9998002386”. Daarnaast vordert verzoeker de Vlaamse Vervoermaatschappij “te veroordelen tot terugbetaling van het onverschuldigde”. IX-10.148-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari
  3. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tine Dekeyser, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Peter Vanhemelrijck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 15 juni 2022 wordt het vervoerbewijs van verzoeker gecontroleerd door een controleur van de Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM). Verzoeker toont een papieren abonnement ‘Omnipas’, maar dit wordt door de IX-10.148-2/18 controleur niet aanvaard omdat het gebruik van een MOBIB-kaart – waarop het abonnement wordt opgeladen – verplicht is. De controleur stelt een proces- verbaal op ten laste van verzoeker voor de volgende inbreuk: “Reiziger toont vervoerbewijs of bewijsstuk dat recht geeft op gratis vervoer niet. Toonde bij controle nog een oud pmh abo.” 3.
  6. Met een aangetekende brief van 20 juni 2022 stelt de dienst Administratieve Boetes van de VVM verzoeker in kennis van het voormelde proces-verbaal. Daarbij wordt meegedeeld: “Op 15.06.2022 om 17.56 uur werd door een beëdigd controleur (personeelsnummer […]) proces-verbaalnummer 0999802386 opgesteld ten laste van [verzoeker] voor volgende inbreuk: ‘code 01- Geen geldig vervoerbewijs/geen bewijsstuk dat recht geeft op gratis vervoer (art. 66.1)’. Bijkomende informatie vindt u in het proces-verbaal in bijlage. U ontvangt dit schrijven omdat u reed zonder geldig vervoerbewijs. Voor de kwalificatie van ‘geldig vervoerbewijs’ verwijzen wij naar onze Algemene Reisvoorwaarden die u terugvindt op onze website www.delijn.be.” De dienst Administratieve Boetes vermeldt tevens het “[v]oorstel van beslissing” om een boete van 107 euro te betalen. 3.
  7. Op 10 juli 2022 bezorgt verzoeker zijn verweer aan de dienst Administratieve Boetes waarin hij stelt: “Ik formuleer verweer tegen het voorstel van beslissing ingevolge proces- verbaal
  8. Bij de controle van 15 juni 2022 werd mijn papieren Omnipas met nummer […] ingehouden, omdat die blijkbaar reeds jaren was vervallen. Ik had die Omnipas van De Lijn ontvangen, daar ik van de FOD Sociale Zekerheid een tegemoetkoming krijg. Op de Omnipas stond dat die geldig was ‘tot herroeping’, maar ik heb van De Lijn nooit een bericht daartoe gekregen. Daags na de controle begaf ik mij naar de Lijnwinkel, en ontving ik op basis van mijn tegemoetkoming van de FOD Sociale Zekerheid voor vijf euro mijn nieuwe Lijnkaart. Sinds 1 december 2008 krijg ik van de FOD Sociale Zekerheid ononderbroken een integratietegemoetkoming. IX-10.148-3/18 Waarom zou ik willens en wetens jaren een vervallen Omnipas blijven gebruiken, als ik die heel eenvoudig had kunnen laten omzetten in een nieuwe Lijnkaart?” 3.
  9. Met een aangetekende brief van 25 juli 2022 stelt de dienst Administratieve Boetes van de VVM verzoeker ervan in kennis dat de boete van 107 euro wordt gehandhaafd. Deze brief luidt als volgt: “Op 15.06.22 om 17.56 uur werd door een beëdigd controleur (personeelsnummer […]) proces-verbaalnummer 0999802386 opgesteld ten laste van [verzoeker] voor volgende inbreuk: 01 - Geen geldig vervoerbewijs/geen bewijsstuk dat recht geeft op gratis vervoer (art. 66.1) Uw verweer van 13.07.2022 De Lijn is overgestapt op een MOBIB-kaart. Hierbij wordt aan onze reizigers gevraagd om de MOBIB-kaart steeds te scannen bij het opstappen. Op uw oude Omnipas stond dat de kaart geldig was ‘tot herroeping’. U ontving begin januari 2018 een voorstel van De Lijn om een MOBIB-kaart aan te kopen voor 5 euro zodat u uw abonnement kon overzetten, omdat uw huidig vervoerbewijs diende vervangen te worden door een MOBIB-kaart. U ging hier niet op in. Hierdoor beschikte u op het moment van controle niet over een geldig abonnement van De Lijn. Pas na controle werd uw abonnement hernieuwd. Sinds 16 06 2022 beschikt u over een geldig abonnement, dit blijft geldig tot en met 15 06 2023 (Tenzij u het abonnement vroeger stopzet). De administratieve boete blijft gehandhaafd.” Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.
  10. Op 22 augustus 2022 vraagt verzoeker om hem het bewijs te bezorgen dat hij in 2018 is uitgenodigd om zijn Omnipas in te ruilen voor een MOBIB-kaart. Onder voorbehoud van een eventueel nog in te stellen beroep tegen de beslissing gaat verzoeker over tot betaling van de betwiste administratieve boete. 3.
  11. Op 6 september 2022 deelt de dienst Administratieve Boetes van de VVM aan verzoeker mee niet het bewijs te kunnen leveren van de uitnodiging om zijn Omnipas te vervangen door een MOBIB-kaart. Voorts wordt meegedeeld dat de boete van 107 euro gehandhaafd blijft. IX-10.148-4/18 IX-10.148-5/18 Dat is de tweede door verzoeker bestreden beslissing, die luidt: “Op 15.08.2022 om 17.56 uur werd door een beëdigd controleur (personeelsnummer […]) proces-verbaalnummer 0999802386 opgesteld ten laste van [verzoeker] voor volgende inbreuk: 01 - Geen geldig vervoerbewijs/geen bewijsstuk dat recht geeft op gratis vervoer (art. 66.1) Uw verweer van 13.07.2022 Elke abonnee met een lopend abonnement op karton of magneetkaart, ontving vanaf 2018 een uitnodiging om over te stappen op een MOBIB- kaart. Uw uitnodiging werd op 12.01.2018 verstuurd. Aangezien de datum te ver in het verleden ligt is de offerte niet meer beschikbaar om u hiervan een bewijs te bezorgen. Op uw oude Omnipas stond nochtans wel dat de kaart geldig was ‘tot herroeping’. De kartonnen PMH-abonnementen ‘geldig tot herroeping’ werden effectief herroepen op 01/01/
  12. Vanaf die dag diende elk PMH-abonnement overgezet te worden naar een MOBIB-kaart. Deze herroeping werd bovendien niet alleen via de betalingsuitnodiging meegedeeld maar ook via verschillende nieuwskanalen zoals onze website, nieuwsbladen, sociale media enzovoort met het doel iedereen te bereiken. In samenspraak met de Vlaamse ombudsdienst werd er zelfs een gedoogbeleid ingevoerd die liep tot 14.01.2019 om iedereen de kans te geven zich in regel te stellen. We stellen dan ook dat elke abonnee voldoende geïnformeerd werd. De boete blijft dan ook behouden. We hebben het verschuldigd boetebedrag inmiddels ontvangen en sluiten het dossier hiermee af.” IV. Rechtsmacht van de Raad van State
  13. Ambtshalve wordt vastgesteld dat de Raad van State niet bevoegd is om, zoals verzoeker in fine van het verzoekschrift vraagt, de VVM “te veroordelen tot terugbetaling van het onverschuldigde”. V. Ontvankelijkheid van het beroep
  14. Eveneens ambtshalve wordt vastgesteld dat de verwerende partij met de tweede bestreden beslissing van 6 september 2022 louter haar beslissing van 25 juli 2022 bevestigt dat verzoeker op het moment van de controle niet over een geldig vervoerbewijs beschikt aangezien zijn Omnipas was herroepen, zodat de opgelegde boete behouden blijft. IX-10.148-6/18 De beslissing van 6 september 2022 heeft dezelfde draagwijdte en gevolgen als de beslissing van 25 juli 2022 en is niet genomen op grond van andere motieven of na een nieuw onderzoek ten gronde of na kennisneming van nieuwe gegevens. Een dergelijke louter bevestigende beslissing is niet aanvechtbaar voor de Raad van State, aangezien geen nieuwe beslissing wordt genomen, maar wordt verwezen naar de reeds bestaande beslissing, hetgeen geen gevolgen in rechte heeft.
  15. Het beroep is onontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Vooraf
  16. In het eerste middel voert verzoeker aan dat zijn Omnipas bij gebrek aan herroeping nog steeds een geldig vervoerbewijs was, zodat er geen sprake kan zijn van een inbreuk op de vervoersvoorwaarden. Hoewel het niet met zoveel woorden wordt gezegd, blijkt hieruit dat verzoeker de schending aanvoert van de materiëlemotiveringsplicht doordat het motief dat hij op het moment van de controle niet beschikt over een geldig abonnement niet deugdelijk is. Uit het antwoord van de verwerende partij blijkt dat zij dat ook uit de uiteenzetting van het middel heeft kunnen afleiden en dat zij verzoekers argumentatie vanuit die optiek heeft beantwoord. IX-10.148-7/18 Hierna wordt deze grief behandeld in deze lezing, zoals begrepen door de verwerende partij en het auditoraat. Uiteenzetting van het middel 8.
  17. Verzoeker voert aan dat hij sedert 1 december 2008 van de FOD Sociale Zekerheid een integratietegemoetkoming ontvangt waardoor hij recht heeft op een gratis abonnement van De Lijn (Omnipas). Uit artikel 2.6.4.8 van de algemene reisvoorwaarden van De Lijn, geldig vanaf 1 februari 2018, blijkt dat een dergelijk abonnement geldig blijft tot de herroeping of de vervanging ervan door De Lijn. Verzoeker betwist ten stelligste ooit in kennis te zijn gesteld van de herroeping van zijn abonnement en hij merkt op dat de verwerende partij heeft erkend dat zij hiervan het bewijs niet kan leveren. Aangezien de Omnipas op naam is, dient dit abonnement individueel te worden herroepen. Algemene informatiecampagnes kunnen niet in de plaats worden gesteld van een individuele beslissing tot herroeping. Bij gebrek aan individuele herroeping, moest verzoekers Omnipas op 15 juni 2022 als een geldig vervoerbewijs worden beschouwd en ontbeert de opgelegde administratieve sanctie elke grondslag. 8.
  18. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de verwerende partij nog steeds niet het bewijs levert dat zijn Omnipas is herroepen. De print uit het computersysteem van de verwerende partij met de details van zijn account waaruit blijkt dat verzoeker hierover tweemaal is aangeschreven, volstaat volgens verzoeker niet. De inhoud van het schrijven ontbreekt en zo blijkt niet welke offerte is verstuurd. Voorts ontbreekt ook het bewijs van de daadwerkelijke verzending en offerte 25751629 heeft als status ‘geannuleerd’. Verzoeker vindt het ook opmerkelijk dat de verwerende partij beweert dat zijn Omnipas zou zijn herroepen op 1 januari 2018 terwijl hij pas met een brief van 12 januari 2018 daarvan in kennis zou zijn gesteld. Op het uittreksel van haar website dat de verwerende partij toevoegt, wordt dan weer vermeld dat het papieren abonnement vanaf 1 april 2018 vervalt. Verzoeker blijft bij zijn standpunt dat hij individueel IX-10.148-8/18 in kennis gesteld had moeten worden van de herroeping van zijn Omnipas en dat dit nooit is gebeurd. Hij merkt op dat het aan de verwerende partij toevalt om te bewijzen dat het abonnement is herroepen. In zoverre de verwerende partij verwijst naar diverse reclame- en informatiecampagnes, merkt verzoeker op dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat de herroeping een individueel schrijven vereiste. 8.
  19. In zijn laatste memorie blijft verzoeker van mening dat de verwerende partij hem individueel in kennis had moeten stellen van de herroeping van zijn Omnipas, ongeacht of er in de algemene vervoersvoorwaarden die van toepassing waren, sprake is van de MOBIB-kaart. Artikel 3.1.3.8 van de algemene reisvoorwaarden gaat naar het oordeel van verzoeker over de uitreiking van nieuwe abonnementen terwijl over het lot van bestaande papieren abonnementen niets wordt bepaald. Van een impliciete herroeping van een individueel abonnement door de algemene vervoersvoorwaarden kan volgens verzoeker geen sprake zijn. Verzoeker blijft er ook bij dat het aan de verwerende partij toevalt om het bewijs te leveren dat het vervoerbewijs dat hij tijdens de controle bij zich had niet meer geldig was en hij stelt dat ook inzake administratieve sancties het vermoeden van onschuld overeind moet blijven om willekeur geen vrij spel te geven. Uit de omstandigheid dat er een gedoogbeleid is ingevoerd dat liep tot 14 januari 2019 om iedereen de kans te geven zich in regel te stellen, leidt verzoeker tot slot af dat de overgang van de abonnementen die geldig waren tot herroeping naar het nieuwe systeem met de MOBIB-kaarten niet voor iedereen zo klaar en duidelijk was als de verwerende partij wil laten uitschijnen. Beoordeling
  20. De bestreden beslissing is genomen op grond van (het inmiddels opgeheven) artikel 66, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ‘betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM’ (hierna: IX-10.148-9/18 het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004) dat ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing luidt: “Zodra de reiziger in het voertuig plaatsneemt, moet hij in het bezit zijn van een vervoerbewijs, dat geldig is of geldig is gemaakt voor de rit. Het vervoerbewijs moet geldig zijn voor de volledige rit die hij ermee aflegt.”
  21. In het eerste middel gaat verzoeker ervan uit dat zijn Omnipas, bij gebrek aan individuele herroeping, beschouwd moest worden als een geldig vervoerbewijs. Die stelling kan niet worden bijgevallen.
  22. De verhouding tussen de verwerende partij en de gebruikers van de dienst – zoals verzoeker – wordt geregeld door de ‘Algemene reisvoorwaarden’, die van reglementaire aard zijn. De verwerende partij kan deze reisvoorwaarden steeds eenzijdig wijzigen. Dat is ook wat de verwerende partij heeft gedaan naar aanleiding van de introductie van de MOBIB-kaart voor houders van een Buzzy Pazz en een Omnipas voor personen met een handicap.
  23. Over de gratis Omnipas voor personen met een handicap bepaalt artikel 3.1.3.8 van de algemene reisvoorwaarden, in de versie van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing: “3.1.3.
  24. Buzzy Pazz en Omnipas voor personen met een handicap Personen hebben recht op een gratis Buzzy Pazz of Omnipas als ze gedomicilieerd zijn in het Vlaamse Gewest en voldoen aan één van de hieronder vermelde voorwaarden. - ingeschreven zijn bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap (VAPH); - een inkomensvervangende en/of integratietegemoetkoming ontvangen van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid (FODSZ) ; - door de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding gerechtigd zijn op bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen (BTOM); - door het VSB erkend met recht op de THAB. Om dit gratis abonnement te kunnen uitreiken moeten rechthebbenden in het bezit zijn van een geldige MOBIB-kaart. De Lijn stuurt voor de IX-10.148-10/18 aankoop van een MOBIB-kaart een betalingsuitnodiging. Aan de rechthebbenden met een geldige MOBIB-kaart wordt vervolgens automatisch een abonnement uitgereikt door De Lijn.”
  25. Aldus blijkt dat opdat verzoeker over een geldig vervoerbewijs zou beschikken – in casu een gratis abonnement van De Lijn op grond van het ontvangen van een integratietegemoetkoming – hij in het bezit moet zijn van een MOBIB-kaart waarop dat abonnement is opgeladen.
  26. Verzoeker betwist niet dat hij tijdens de controle op 15 juni 2022 niet in het bezit was van een MOBIB-kaart waarop zijn abonnement was opgeladen.
  27. Dat er desgevallend – zoals verzoeker betoogt – geen individuele herroeping van zijn papieren Omnipas is gebeurd, doet geen afbreuk aan de verplichting uit artikel 66, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 om over een geldig vervoerbewijs te beschikken – verplichting welke verzoeker niet is nagekomen.
  28. Dat volgens de VVM geen geldig vervoerbewijs voorligt omdat het abonnement van verzoeker inmiddels is herroepen, schraagt de verwerende partij op voldoende wijze in de bestreden beslissing. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt niet aangetoond.
  29. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie de schending aanvoert van het vermoeden van onschuld, geeft hij aan het middel een nieuwe grondslag, wat hij niet op ontvankelijke wijze pas voor het eerst in zijn laatste memorie kan doen.
  30. Het eerste middel is ongegrond. IX-10.148-11/18 IX-10.148-12/18 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 19.
  31. In het tweede middel voert verzoeker aan dat hem geen administratieve boete kan worden opgelegd. Zelfs indien zijn Omnipas niet meer als een geldig vervoerbewijs kon worden beschouwd, moet worden vastgesteld dat hij recht had en bleef hebben op een gratis abonnement – getuige de MOBIB- kaart met gratis abonnement die hij daags na de feiten heeft opgehaald – en dat hij dus enkel niet over de juiste drager beschikte. Verzoeker verwijst ook naar artikel 5.2 van de algemene reisvoorwaarden waarin hij leest dat bij de eerste inbreuk binnen de twaalf maanden geen administratieve boete wordt opgelegd indien geen geldig abonnement kan worden voorgelegd door de passagier. Ook om die reden kan hem geen administratieve boete worden opgelegd. 19.
  32. In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat hij op het moment van de feiten nog steeds houder was van een gratis abonnement en er dus niets is gewijzigd aan zijn recht om gebruik te maken van de diensten van de verwerende partij, maar hij enkel niet over de juiste drager beschikte. Hij verwijst daarbij naar artikel 14 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 december 2021 ‘over de exploitatie van het kernnet en het aanvullend net’ op grond waarvan personen met een handicap vrijgesteld zijn van betaling van het openbaar vervoer. Beoordeling
  33. Bij de beoordeling van het eerste middel is vastgesteld dat verzoeker niet beschikte over een geldig vervoerbewijs aangezien daartoe een MOBIB-kaart vereist is waarop zijn abonnement is opgeladen. De verwerende partij mocht hem dan ook een administratieve geldboete opleggen wegens de overtreding van artikel 66, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van IX-10.148-13/18 14 mei
  34. Dat verzoeker recht heeft op een gratis abonnement doet aan die vaststelling geen afbreuk.
  35. Artikel 5.2 van de algemene reisvoorwaarden, in de versie van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt: “[…] Reizigers die hun geldig abonnement niet kunnen voorleggen bij controle of hun MOBIB kaart met een geldig abonnement op, niet hebben geregistreerd, krijgen steeds een proces-verbaal. De eerste keer binnen de twaalf maanden, wordt geen administratieve boete opgelegd. […].” Voor de toepassing van die bepaling is vereist dat de betrokkene beschikt over een geldig abonnement. Zoals reeds is uiteengezet, beschikte verzoeker niet over een geldig abonnement aangezien daartoe in zijn geval is vereist dat hij over een MOBIB-kaart beschikt waarop zijn abonnement is opgeladen. Artikel 5.2 van de algemene reisvoorwaarden vindt bijgevolg geen toepassing.
  36. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 23.
  37. In het derde middel voert verzoeker aan dat er geen sprake kan zijn van een overtreding omwille van een gebrek aan opzet, minstens de schulduitsluitende dwaling in zijnen hoofde. 23.
  38. Verzoeker argumenteert dat, bij gebrek aan andersluidende bepalingen, een administratieve sanctie slechts kan worden opgelegd indien zowel de materiële als de morele component bewezen is. Verzoeker was zich naar eigen zeggen van geen kwaad bewust toen hij op 15 juni 2022 gebruik wilde IX-10.148-14/18 maken van het openbaar vervoer van De Lijn. Hij had immers een Omnipas geldig “tot herroeping”. Indien hij had geweten dat hij zijn Omnipas diende in te ruilen voor een MOBIB-kaart, had hij dit gedaan, getuige het feit dat hij daags na de vaststellingen onmiddellijk een MOBIB-kaart heeft opgehaald. Tot op vandaag is verzoeker gerechtigd om gratis gebruik te maken van de diensten van De Lijn. In zoverre de materiële component van de overtreding – het rijden zonder geldig vervoerbewijs – bewezen zou worden geacht, moet dan ook minstens worden geoordeeld dat er in hoofde van verzoeker geen sprake was van opzet, minstens dat de overtreding een gevolg is van een onoverkomelijke dwaling: verzoeker was totaal onwetend omtrent het feit dat hij zijn Omnipas had moeten inruilen voor een MOBIB-kaart en kan derhalve niet worden gestraft. 23.
  39. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat het ontbreken van opzet in zijnen hoofde blijkt uit het spontaan voorleggen van het papieren abonnement. De onoverwinnelijkheid van de dwaling blijkt dan weer uit het eerder door de verwerende partij gevoerde gedoogbeleid. Volgens verzoeker gaat het opleggen van een administratieve boete, aan een persoon die gerechtigd is om gebruik te maken van het openbaar vervoer maar enkel niet beschikt over de juiste drager, de grenzen van de redelijkheid te buiten. Hij voegt daaraan toe dat de sancties zijn bedoeld om zwartrijden tegen te gaan, waaraan hij zich niet heeft bezondigd, gelet op zijn principieel recht om gratis gebruik te maken van het openbaar vervoer. Beoordeling
  40. Als wettigheidsrechter is de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State bevoegd om, binnen de grenzen van het hem ontvankelijk voorgelegde geschil, een onwettig gebleken administratieve handeling te vernietigen. IX-10.148-15/18 In zoverre het derde middel te lezen is als een uitnodiging aan het adres van de Raad van State om de gepastheid van het opleggen van de administratieve boete te beoordelen, moet eraan worden herinnerd dat de Raad van State, als wettigheidsrechter, de beslissing niet kan herzien of zijn eigen oordeel in de plaats van dat van het bestuur kan stellen.
  41. Artikel 86, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 voorziet in een aantal vaste administratieve geldboetes, naargelang de aard van de inbreuk en het al dan niet herhaalde karakter ervan. Een eerste inbreuk op artikel 66, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 binnen een periode van twaalf maanden resulteert overeenkomstig voormeld artikel 86, § 2, in een geldboete van 107 euro.
  42. Het voorgaande sluit echter niet uit dat een dergelijke boete wordt gemilderd in geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Het is immers een algemeen rechtsbeginsel dat de strengheid van de wet wordt verzacht in geval van overmacht of onoverkomelijke dwaling. De begrippen ‘overmacht’ en ‘onoverkomelijke dwaling’ zijn evenwel enge begrippen, die slechts restrictief toepassing kunnen vinden. De bewijslast van het bestaan van overmacht casu quo onoverwinnelijke dwaling komt toe aan diegene die zich erop wil beroepen.
  43. De loutere bewering dat verzoeker “zich van geen kwaad bewust” was omdat op zijn Omnipas de geldigheid “tot herroeping” wordt vermeld, is onvoldoende om overmacht of onoverwinnelijke dwaling redelijkerwijze aannemelijk te maken. Ook het gegeven dat verzoeker spontaan zijn papieren abonnement heeft voorgelegd en dat de verwerende partij een tijdlang een gedoogbeleid heeft gevoerd naar aanleiding van de invoering van de MOBIB-kaart bewijst niet dat er in casu sprake is van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. IX-10.148-16/18 De verwerende partij wijst er in dit verband terecht op dat er eind 2017 en begin 2018 diverse reclame- en informatiecampagnes gevoerd zijn naar aanleiding van de omschakeling van de kartonnen Omnipas naar de elektronische MOBIB-kaart. Daarnaast blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat verzoeker door de verwerende partij zeker tweemaal is gecontacteerd over een ‘offerte’ ten bedrage van vijf euro, wat de prijs is voor het aanschaffen van een MOBIB-kaart. Verzoeker toont niet aan dat er in zijn geval sprake is van overmacht of onoverwinnelijke dwaling waarmee de verwerende partij rekening had moeten houden.
  44. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel, geeft hij aan het middel een nieuwe grondslag, wat hij niet op ontvankelijke wijze pas voor het eerst in zijn laatste memorie kan doen.
  45. Het derde middel is niet gegrond. VII. Rechtsplegingsvergoeding
  46. De verwerende partij vraagt de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Aangezien verzoeker juridische tweedelijnsbijstand geniet, dient overeenkomstig artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gelezen in samenhang met artikel 67, § 1, eerste lid, van het algemeen procedurereglement, de rechtsplegingsvergoeding evenwel te worden herleid tot het minimale bedrag. BESLISSING IX-10.148-17/18
  47. De Raad van State verwerpt het beroep.
  48. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 154 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  49. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.148-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.032 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.