id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.033 Rolnummer: A. 238640/IX-10224 Zaak: Arrest 259033 - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) - 06/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-18 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-16 01:33 Fiche Arrest nr 259.033 van 6 maart 2024 Justitie - Penitentiair recht (met inbegrip van cassatie) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.033 no lien 276136 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.033 van 6 maart 2024 in de zaak A. 238.640/IX-10.224 In zake : het INRICHTINGSHOOFD VAN DE GEVANGENIS VAN ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : J.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michael Kokoszka kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Brussel Nationaal 1K bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 14 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/22-0200 van de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 12 februari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.370 van 27 april 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.224-1/14 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari
- Staatsraad Jim Deridder heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luna Ghekiere, die loco advocaat Pieter Dewaele verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen (hierna: de Beroepscommissie) heeft in de bestreden beslissing de volgende samenvatting van de feiten gegeven: “Naar aanleiding van een observatie op wandeling heeft de directie op 13 juli 2022 om 17u39 bevolen om over te gaan tot een fouille op het lichaam van klager. De fouille heeft plaatsgevonden op hetzelfde tijdstip. De beslissing is vervolgens betekend aan klager om 18u42 diezelfde dag. De beslissing is gemotiveerd als volgt: ‘De toezichter heeft bemerkt dat er van buiten de gevangenis 2 pakketjes werden overgegooid op de wandeling. Vermelde gedetineerde werd herkend als één van de mensen die dit pakket heeft opgeraapt. Gezien gedetineerde in het bezit zou kunnen zijn gekomen van verboden IX-10.224-2/14 goederen en/of substanties, dient een gemotiveerde fouille uit te worden gevoerd.’” 3.
- Op 12 augustus 2022 vernietigt de Klachtencommissie van Antwerpen de beslissing van de directeur van de gevangenis te Antwerpen waarbij aan de verwerende partij een fouillering op het lichaam wordt opgelegd. 3.
- Tegen die beslissing stelt de adviseur-gevangenisdirecteur van de gevangenis te Antwerpen op 17 augustus 2022 een beroep in bij de Beroepscommissie. 3.
- Op 12 februari 2023 verklaart de Beroepscommissie dat beroep ongegrond, op grond van de volgende overwegingen (twee voetnoten zijn weggelaten): “Uit artikel 8, § 1, lid 1, van de Basiswet volgt dat alle beslissingen van de directie van de penitentiaire inrichting formeel worden gemotiveerd. De redenen die aanleiding gaven om een fouillering aan het lichaam voorop te stellen of te overwegen moeten door de directie verantwoord worden. Uit de samenlezing van artikel 108, § 1 en § 2, tweede lid, van de Basiswet, volgt dat de directeur slechts kan beslissen tot fouillering op het lichaam indien er individuele aanwijzingen bestaan dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. De strenge voorwaarden die de Basiswet verbindt aan de fouillering op het lichaam komen voort uit het gegeven dat dit een uiterst ingrijpende maatregel betreft. De gedetineerde ervaart dergelijke fouillering over het algemeen als zeer confronterend en intiem. De individuele aanwijzingen om te kunnen overgaan tot een fouille aan het lichaam kunnen onder meer bestaan uit verdachte handelingen/verdacht gedrag van de gedetineerde. In casu is de motivering geïndividualiseerd en concreet, met name dat een personeelslid klager een ‘overgegooid’ pakketje heeft zien oprapen tijdens de wandeling. Er is sprake van een discretionaire bevoegdheid bij het nemen van een beslissing tot fouille aan het lichaam, in die zin dat de directie de ‘individuele aanwijzingen’ invult. De beroepscommissie meent dat aan de directie geen onzorgvuldigheid verweten kan worden door zich te steunen op een vaststelling van een personeelslid. In de beslissing is evenwel niet gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan om na te gaan of klager in het bezit was van het pakketje. Een onderzoek aan het lichaam heeft nochtans een subsidiair karakter en moet beschouwd worden als ultimum remedium. IX-10.224-3/14 Er moet immers voor ogen gehouden worden dat een fouille op het lichaam steeds subsidiair is. Wanneer er andere minder ingrijpende methoden zijn om het doel te bereiken (bijvoorbeeld voor het vinden van bepaalde goederen), moet men eerst deze uitputten. De wet bepaalt niet dat men voor de fouille op het lichaam eerst een fouille op de kledij doet. Wanneer een minder ingrijpende methode, zoals bijvoorbeeld een fouille op de kledij, niet volstaat, moet men echter wel motiveren waarom dat zo is. De motivering voldoet niet aan dit aspect. Het louter theoretische betoog dat het inrichtingshoofd uiteenzet in het voorliggende beroepschrift kan de beroepscommissie niet overtuigen. De redenering dat er een standaard motivering zou moeten worden toegevoegd aan eender welke beslissing tot fouillering op het lichaam, gaat lijnrecht in tegen de concrete en precieze formele motiveringsverplichting in het kader van een individuele bestuurshandeling. De motivering moet evenredig zijn aan het belang van de beslissing en met de omvang van de beleidsvrijheid waarover het bestuur beschikt. Een beslissing tot fouillering op het lichaam is per definitie een ingrijpende beslissing, zodat zij des te uitvoeriger moet worden gemotiveerd. Er is bovendien sprake van een discretionaire bevoegdheid (cf. supra) bij het nemen van een dergelijke beslissing, waarbij de directie de ‘individuele aanwijzingen’ invult. Gedetineerden genieten aldus wel degelijk de gepaste rechtsbescherming doordat zij kennis moeten kunnen nemen van de concrete motieven waarom een onderzoek aan de kledij niet voldoende is. De klachtencommissie kan dan ook geen te extensieve lezing van de betrokken paragrafen uit artikel 108 van de Basiswet worden verweten. Het beroep is ongegrond. In deze zaak acht de beroepscommissie een tegemoetkoming niet aangewezen gezien de morele genoegdoening dat de bestreden fouillebeschikking vernietigd wordt lijkt te volstaan.” Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- In een eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechterlijke motiveringsplicht. IX-10.224-4/14 4.
- Verzoekster betoogt dat artikel 149 van de Grondwet ertoe strekt dat de rechter ertoe is gehouden om te antwoorden op elk middel en elk verweer en dat het “in algemene bewoordingen en zonder nadere uitleg tegenspreken van een stelling, niet voldoet aan de vereisten van de motiveringsplicht”. De eerste rechter miskent dit voorschrift, volgens verzoekster, doordat ten onrechte wordt overwogen dat slechts een “standaardmotivering” werd gegeven voor de uitgevoerde fouillering, terwijl verzoekster in haar beslissing heeft aangegeven dat een fouillering op het lichaam nodig is en dus een onderzoek van de kledij niet kon volstaan. 5.
- In haar memorie van wederantwoord wijst verzoekster vooreerst erop dat de Beroepscommissie optreedt als administratief rechtscollege, zodat artikel 149 van de Grondwet van toepassing is. 5.
- Voorts betwist verzoekster dat uit het louter (kunnen) ontwikkelen van cassatiemiddelen volgt dat de bestreden beslissing ipso facto afdoende en begrijpelijk is gemotiveerd. 5.
- Met betrekking tot de formulering van het door haar bij de Beroepscommissie ingestelde beroep, betoogt verzoekster dat op haar geen verplichting rust om beroepsgrieven onder te verdelen in afzonderlijke middelen, dat het gemis daaraan de eerste rechter niet van zijn grondwettelijke motiveringsplicht ontslaat en dat zij hoe dan ook wel degelijk als middel heeft aangevoerd dat in haar beslissing de beoordeling ligt besloten dat een onderzoek aan de kledij niet volstaat. Beoordeling
- Wat de hoedanigheid van de Klachtencommissie en de Beroepscommissie betreft, heeft het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 150/2018 van 8 november 2018 het volgende overwogen: IX-10.224-5/14 “B.
- De wet van 25 december 2016 voorziet niet in een uitdrukkelijke kwalificatie van de Klachtencommissies en de Beroepscommissie als rechtscolleges, en ook haar parlementaire voorbereiding verschaft hieromtrent geen duidelijkheid. B.
- Bijgevolg dient met het oog op hun kwalificatie te worden aangeknoopt met de basiswet en de parlementaire voorbereiding ervan. De basiswet bezigt in artikel 151, §§ 2 en 3 de bewoordingen ‘klachtenrechter’ en ‘alleensprekende’, maar afgezien van die bewoordingen heeft de wetgever nagelaten om de commissies uitdrukkelijk als rechtscolleges aan te duiden. Uit de parlementaire voorbereiding van de basiswet blijkt dat het wetsvoorstel, dat tot die wet heeft geleid, het resultaat is van het voorbereidende werk van de Commissie ‘Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden’, de zogenaamde commissie Dupont (Parl.St. Kamer 2000-2001, 50-1365/001, p. 5; Parl.St. Kamer, BZ 2003, 51-231/001, p. 5). Aldus heeft de wetgever zich de in het eindverslag van die commissie opgenomen algemene memorie van toelichting eigen gemaakt, alsook de artikelsgewijze bespreking, het voorontwerp van wet en de conceptnota betreffende de externe rechtspositie van veroordeelde gedetineerden en de instelling van penitentiaire rechtbanken. B.9.
- Met betrekking tot de verhaalsmogelijkheden van de gedetineerden blijkt uit dat verslag dat, na een rechtsvergelijkende analyse, werd vastgesteld dat in het penitentiair recht behoefte was aan een specifieke, geëigende klachtenprocedure: ‘Wat evenwel ontbreekt is een specifiek op detentiesituaties georiënteerd type van laagdrempelig beklagrecht, voor een onafhankelijke instantie die bijzonder vertrouwd is met de penitentiaire praxis, en die de bevoegdheid heeft, zowel de legitieme aanspraken van de gedetineerde op het respecteren van zijn rechten en vrijheden als zijn legitieme verwachtingen dat de ten opzichte van hem genomen beslissingen beantwoorden aan de eisen van de redelijkheid en de billijkheid, daadwerkelijk te effectueren. Een dergelijk beklagrecht, dat als het ware een vorm van positieve discriminatie inhoudt van gedetineerden op procedureel vlak, kan verantwoord worden vanuit de reeds bij herhaling onder de aandacht gebrachte eigenheid van de detentiesituatie, die haar eigen behoefte aan een geëigende procedure van interne conflictbemiddeling en conflictafhandeling met zich meebrengt’ (Parl.St. Kamer 2000-2001, 50-1076/001, pp. 96-97). B.9.
- Uit het eindverslag blijkt dat, rekening houdend met, enerzijds, de noodzaak van de rechtsbescherming van gedetineerden in rechtsstatelijk perspectief, en, anderzijds, de eisen van laagdrempeligheid, namelijk een snelle en eenvoudige procedure, van een centrale beroepsinstantie, van onafhankelijkheid en van een grote vertrouwdheid met het penitentiair milieu en de penitentiaire praktijk, voor het Nederlandse model inzake klachtenbehandeling, dat in een contradictoire procedure voor een onafhankelijke bestuursrechtelijke detentierechter voorziet, werd gekozen omdat het aan de voormelde vereisten het best tegemoet kwam (Parl.St. Kamer 2000-2001, 50-1076/001, p. 99). IX-10.224-6/14 Aldus blijkt wat de specifieke penitentiaire procedure betreft aansluiting te zijn gezocht bij een model, dat naar Nederlands recht een jurisdictioneel beroep instelt door de klachtenprocedure toe te vertrouwen aan instanties met een rechtsprekende functie.”
- De Raad van State sluit zich bij die beoordeling aan.
- Artikel 149 van de Grondwet, in zoverre het bepaalt dat elk vonnis met redenen is omkleed, vermeldt een regel die onafscheidbaar is van de opdracht tot berechting van een geschil. Die regel moet door alle rechtscolleges worden geëerbiedigd, ook wanneer zij geen deel uitmaken van de rechterlijke macht. Verzoekster kan derhalve op ontvankelijke wijze de schending van artikel 149 van de Grondwet inroepen.
- De bij artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen en de door de partijen aangevoerde middelen te verwerpen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
- In zoverre verzoekster aanvoert dat haar beslissing afdoende is gemotiveerd, is het cassatiemiddel onontvankelijk. Als cassatierechter treedt de Raad van State immers niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hij kan dus niet de motivering van de fouilleringsbeslissing beoordelen. In de mate dat verzoekster de eerste rechter ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.033 IX-10.224-7/14 verwijt dat hij haar motivering “ten onrechte” als een standaardmotivering bestempelt, is het middel vreemd aan artikel 149 van de Grondwet.
- In haar beroep bij de Beroepscommissie heeft verzoekster haar grief inzake de afdoende motivering van de beslissing tot fouillering uiteengezet als volgt: “De directeur heeft een fouillering op het lichaam bevolen en deze beslissing gemotiveerd als volgt: ‘De toezichter heeft bemerkt dat er van buiten de gevangenis 2 pakketjes werden overgegooid op de wandeling. Vermelde gedetineerde werd herkend als één van de mensen die dit pakket heeft opgeraapt. Gezien gedetineerde in het bezit zou kunnen zijn gekomen van verboden goederen en/of substanties, dient een gemotiveerde fouille uit te worden gevoerd.’ De klachtencommissie problematiseert het feit dat in de beslissing niet specifiek werd gemotiveerd waarom een onderzoek aan de kledij in casu niet zou volstaan hebben. De klachtencommissie geeft hiermee een formalistische, extensieve lezing aan art. 108, § 2, van de Basiswet, als zou deze bepaling vereisen dat er, naast de opgave van de individuele aanwijzingen, een aparte motivering wordt gegeven van de precieze redenen waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat om het doel omschreven in artikel 108, § 1, te bereiken. Artikel 108, § 2, bepaalt evenwel enkel dat de gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam ‘wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat’ om het doel te bereiken. Wanneer in de motivering dan de individuele aanwijzingen worden omschreven die doen vermoeden dat de betrokkene in het bezit is van verboden voorwerpen of substanties (zoals i.c. op duidelijke wijze gebeurde), dan zit daar uiteraard de beoordeling in vervat dat een onderzoek aan de kledij niet zal volstaan om die voorwerpen of substanties te vinden. In het sjabloon voor de motivering (bijlage bij de CB nr. 141), is de inleidende zin van de motivering de volgende: ‘Aangezien de volgende individuele aanwijzingen toelaten te oordelen dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn’. Die formulering maakt precies duidelijk dat de directie met haar concrete motivering (van de individuele aanwijzingen) reeds aangeeft dat een onderzoek aan de kledij sowieso niet volstaat. De concrete uitleg die de directie geeft van wat er gebeurd is, vastgesteld/geobserveerd werd,… bevat dus reeds het oordeel dat een onderzoek aan de kledij niet zal volstaan. Die formulering maakt m.a.w. dus net duidelijk dat de beoordeling van de directie dat een fouillering op het lichaam nodig is (beoordeling die gemotiveerd wordt door de opgave van de individuele aanwijzingen), ook reeds de beoordeling inhoudt dat een onderzoek aan de kledij niet volstaat. Dat een dergelijke opgave van individuele aanwijzingen in de motivering voor een fouillering op het lichaam volstaat, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.033 IX-10.224-8/14 wordt ook bevestigd door diverse beslissingen van klachtencommissies (zie bvb. KC33/21-0023 van 7 september 2021; KC33/21-0024 van 1 september 2021; KC20/21-0061 van 9 december 2021). Ook kan verwezen worden naar de beslissing KC05/21-0109 van 2 mei 2022, waarbij de klachtencommissie oordeelde dat de informatie die de directie had verkregen dat klager na zijn UV verboden voorwerpen of goederen zou binnenbrengen, volstaat om een fouillering op het lichaam te rechtvaardigen. Ook werd reeds overwogen dat het vermoeden dat klager in het bezit was van verboden voorwerpen ingevolge een klacht over diefstal, een fouillering op het lichaam rechtvaardigt (KC05/22-0014 van 10 mei 2022). De motivering van de voorliggende beslissing tot fouillering laat aldus duidelijk blijken dat de directie klager ervan verdacht in het bezit te zijn van verboden voorwerpen of substanties Voor de directie is het moeilijk om op voorhand te voorspellen wáár precies klager dergelijk voorwerp zou kunnen verborgen houden. Dit kan op de kledij zijn, of op het lichaam. De directie maakte middels de motivering aldus duidelijk dat zij van oordeel was dat een onderzoek aan de kledij in casu niet kon volstaan en er dus de vrees bestond dat klager mogelijk verboden voorwerpen of substanties ook op het lichaam verborgen kon houden. Een fouillering op het lichaam werd aldus noodzakelijk geacht.” 12.
- De Raad van State herinnert eraan dat in dit eerste middel niet aan de orde is of de feitenrechter artikel 108 van de Basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de Basiswet) heeft miskend, maar enkel of de rechter de op hem rustende motiveringsplicht is nagekomen. 12.
- In de bestreden beslissing overweegt de Beroepscommissie dat de Basiswet weliswaar niet bepaalt dat men voor de fouille op het lichaam eerst een fouille op de kledij moet uitvoeren, maar dat dit niet eraan in de weg staat dat wanneer een fouille op de kledij niet volstaat, concreet en precies moet worden gemotiveerd waarom dat zo is. De Beroepscommissie oordeelt dat de in de beslissing van verzoekster opgenomen standaardmotivering aan die vereiste niet voldoet. 12.
- Hiermee heeft de Beroepscommissie geantwoord op het door verzoekster opgeworpen middel en aangegeven waarom de beslissing tot fouillering voor de Beroepscommissie onvoldoende was gemotiveerd. IX-10.224-9/14 De in artikel 149 van de Grondwet vervatte rechterlijke motiveringsplicht is niet geschonden.
- Het eerste cassatiemiddel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In een tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van de artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek. Verzoekster betoogt dat de bestreden beslissing aan de beslissing tot fouillering op het lichaam een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is en de bewijskracht van die beslissing miskent, doordat de eerste rechter ten onrechte oordeelt dat die beslissing niet motiveert waarom een onderzoek aan de kledij niet zou volstaan. Beoordeling
- De ingeroepen artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek betreffen de bewijskracht van akten.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte wanneer hij aan die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is. De schending van de bewijskracht van een akte betreft niet de juridische of feitelijke gevolgtrekking die de rechter uit de akte maakt zonder miskenning van de draagwijdte ervan.
- De Beroepscommissie erkent in de bestreden beslissing dat de motivering in verzoeksters beslissing geïndividualiseerd en concreet is. Door daarnaast te oordelen dat die motivering evenwel niet de concrete motieven bevat waarom een fouillering op de kledij niet kon volstaan, geeft de Beroepscommissie IX-10.224-10/14 aan die beslissing geen uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is.
- Het tweede cassatiemiddel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 19.
- Verzoekster steunt een derde middel op een schending van artikel 108, § 2, van de Basiswet. 19.
- Verzoekster betoogt dat artikel 108, § 2, tweede lid, van de Basiswet bepaalt dat de gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. Zij stipt aan dat haar beslissing uitdrukkelijk melding maakt van de individuele aanwijzingen op grond waarvan een fouillering op het lichaam nodig werd geacht – wat dus inhoudt dat een fouillering op de kledij niet volstaat – en dat artikel 108, § 2, van de Basiswet niet noopt tot een nóg concretere motivering omdat de gevangenisdirectie moeilijk op voorhand kan voorspellen waar precies (op het lichaam of op de kledij) een gedetineerde een verboden voorwerp of substantie verborgen zou kunnen houden. Verzoekster acht de lezing die in de bestreden beslissing aan het voormelde artikel wordt gegeven niet alleen “formalistisch en extensief”, die lezing voegt volgens haar aan de procedure ook een voorwaarde toe die de wetgever niet heeft ingeschreven.
- In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster dat artikel 108, § 2, van de Basiswet niet vereist dat in de beslissing tot fouillering op het lichaam wordt uiteengezet waarom onmiddellijk de meest ingrijpende fouillemaatregel wordt gehanteerd en dat een dergelijke lezing ook niet uit de parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid. IX-10.224-11/14 Verzoekster betoogt nog dat de loutere verplichting om een individuele gemotiveerde beslissing te nemen en deze binnen 24 uur nadat de fouillering heeft plaatsgevonden schriftelijk aan de gedetineerde te bezorgen in lijn ligt met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat oordeelt dat een fouillering op het lichaam in bepaalde omstandigheden noodzakelijk kan zijn teneinde de orde en de veiligheid in de gevangenis te handhaven en het plegen van misdrijven te voorkomen, met name wanneer het gedrag van de gedetineerde daartoe aanleiding geeft. Beoordeling
- Artikel 108, §§ 1 en 2, van de Basiswet luidt als volgt: “§
- De gedetineerde mag wanneer dit in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid noodzakelijk is, aan zijn kledij onderzocht worden door leden van het bewakingspersoneel, overeenkomstig de door de directeur gegeven richtlijnen. Dit onderzoek heeft tot doel na te gaan of de gedetineerde in het bezit is van voorwerpen of substanties die verboden of gevaarlijk kunnen zijn. §
- De gedetineerde wordt gefouilleerd op het lichaam wanneer de directeur van oordeel is dat er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat om het in § 1, tweede lid, omschreven doel te bereiken. De directeur bezorgt zijn beslissing schriftelijk aan de gedetineerde uiterlijk vierentwintig uur nadat de fouillering heeft plaatsgevonden. De fouillering op het lichaam laat toe de gedetineerde te verplichten om zich uit te kleden tot op het lichaam en de openingen en de holten van het lichaam uitwendig te schouwen. De fouillering op het lichaam mag enkel plaatsvinden in een gesloten ruimte bij afwezigheid van andere gedetineerden en moet uitgevoerd worden door minimum twee leden van het bewakingspersoneel van hetzelfde geslacht als de gedetineerde.” 22.
- De bepaling dat “er individuele aanwijzingen zijn dat het onderzoek aan de kledij niet volstaat” houdt in dat de beslissing van de gevangenisdirecteur moet worden gemotiveerd aan de hand van motieven die ten aanzien van de betrokken gedetineerde en de voorliggende omstandigheden concreet uiteenzetten waarom een onderzoek aan de kledij niet volstaat. IX-10.224-12/14 22.
- In haar beslissing voegt de Beroepscommissie dan ook geen voorwaarde toe aan artikel 108, § 2, van de Basiswet.
- Voor zover verzoekster aanvoert dat er in haar beslissing tot fouillering wel degelijk is verwezen naar “individuele aanwijzingen” en naar de moeilijkheid om op voorhand te voorspellen waar precies de betrokkene een verboden voorwerp of substantie verborgen zou kunnen houden, nodigt zij de Raad van State uit om de toetsing van het fouilleringsbesluit aan artikel 108 van de Basiswet over te doen. Overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de Raad van State als cassatierechter evenwel niet in de beoordeling van de zaak zelf. Het komt bijgevolg niet aan de Raad van State toe om in de plaats van de Beroepscommissie te oordelen of de individuele aanwijzingen op grond waarvan de directeur van oordeel was dat een fouillering op het lichaam nodig was, al dan niet volstaan.
- Het derde cassatiemiddel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.224-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.224-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.