id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.037 Rolnummer: A. 237666/IX-10157 Zaak: Arrest 259037 - Wegverkeer van mensen (bussen) - 06/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-18 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-19 01:34 Fiche Arrest nr 259.037 van 6 maart 2024 Economische zaken - Wegverkeer van mensen (bussen) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.037 no lien 276039 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.037 van 6 maart 2024 in de zaak A. 237.666/IX-10.157 In zake : J.V. woonplaats kiezend te tegen : de VLAAMSE VERVOERMAATSCHAPPIJ DE LIJN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Vanhemelrijck kantoor houdend te 1910 Kampenhout Bergstraat 54 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 14 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 15 september 2022 waarbij aan J.V. een administratieve boete van 107 euro wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. IX-10.157-1/16 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 februari 2024. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en advocaat Peter Vanhemelrijck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 22 augustus 2022 stelt een controleur van de Vlaamse Vervoermaatschappij (VVM) een proces-verbaal op ten laste van verzoeker naar aanleiding van de vaststelling van de volgende inbreuk: “33 – Parkeren op minder dan 15 meter aan weerszijden van een halte (art. 64.3) Duidelijk niet laden en lossen Voertuig stond geparkeerd tussen de vervangende haltepaal en de vaste haltepaal 211006 ‘Fratersplein’ Vorige PV stond op datum van 20.08.2022.” 3.2. Met een aangetekende brief van 25 augustus 2022 stelt de dienst Administratieve Boetes van de VVM verzoeker in kennis van het voormelde proces-verbaal. Daarbij wordt meegedeeld: “Op 22.08.2022 om 09.59 uur werd door een beëdigd controleur IX-10.157-2/16 (personeelsnummer […]) proces-verbaalnummer 2343700037 opgesteld ten laste van voor volgende inbreuk: ‘code 33 – Parkeren op minder dan 15 meter aan weerszijden van een halte (art. 64.3)’. Bijkomende informatie vindt u in het proces-verbaal in bijlage. U ontvangt deze brief omdat door onze controleur werd vastgesteld dat u uw voertuig parkeerde op minder dan 15 meter van het haltebord. Hierdoor werd onze dienstverlening gehinderd en creëerde u een gevaarlijke situatie voor onze reizigers die hierdoor niet veilig konden in- en uitstappen. Dit is uiteraard niet toegelaten.” De dienst Administratieve Boetes vermeldt tevens het “[v]oorstel van beslissing” om een boete van 107 euro te betalen. 3.3. Op 8 september 2022 bezorgt verzoeker een verweer aan de dienst Administratieve Boetes waarin hij stelt: “Ik haalde vandaag een tweede aangetekend schrijven af waarin gesteld zou worden dat ‘een beëdigd controleur […]’ van de controledienst zou vastgesteld hebben dat mijn wagen zich op minder dan 15 meter van een halte zou bevonden hebben wat een inbreuk zou zijn op art. 64.3 ‘code 33’, en dit op 22 augustus 2022 om 9:59 u aan het [Fratersplein] te Gent (pv 2343700037). Het betreft een soortgelijke/identieke inbreuk als deze van het PV 1186400140, waartegen ik reeds eerder verzocht tot bijkomende informatie en bezwaar indiende. Ik verwijs dan ook naar het bezwaar aldaar geformuleerd, dat ik voor de goede gang van zaken hieronder herneem. 1. Vooreerst deel ik u mee dat ik niet aan het rijden was met die wagen op het kwestige moment. Ik heb die wagen daar ook niet geparkeerd. Ik ben aan het nagaan wie dat wel was – ofwel mijn ex-partner […], ofwel mijn dochter […]. 2. Verder kan ik op basis van uw P.V. niet oordelen over welke inbreuk het gaat, nu u nalaat te vermelden van welke wettelijke bepaling u een schending inroept. De loutere vermelding van art. 64.3 laat mij niet toe de wet te kennen waarop u zich beroept. Voor alle duidelijkheid: ik stel de vraag van welke wet u een schending inroept van art. 64.3? 3. Verder zou ik u dank weten mij te verduidelijken op welke wetsbepaling(
- en)(van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap vlaamse vervoermaatschappij – De Lijn, naar ik aanneem) u zich steunt met betrekking tot
- a)de controlerende bevoegdheid van de inspecteur,
- b)het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.037 IX-10.157-3/16 feit dat zij controlebevoegdheid hebben voor de ingeroepen inbreuk en
- c)de mogelijkheid om een boete uit te schrijven. IX-10.157-4/16 4. Tevens zou ik u dank weten de nuttige ondersteunende foto’s over te maken waaruit zou moeten blijken dat de afstand van 15 m niet zou gerespecteerd is. Dit zou mij ook moeten toelaten om na te gaan of het niet gaat om dezelfde inbreuk als vermeld in het PV 1186400140 – mijn ex-echtgenote denkt immers dat de wagen daar het ganse weekend is blijven staan. De foto’s kunnen hierover uitsluitsel geven. 5. Ook had ik graag begrepen waarom u meent een boete te kunnen uitschrijven van 107 euro, daar waar de Politie hiervoor 55 euro aanrekent. In het P.V. wordt immers enkel melding gemaakt van het parkeren op minder dan 15 meter. […] 6. Uit de overgemaakte informatie blijkt dat het om een tijdelijke halte gaat. Mijn ex-echtgenote laat weten zich heel regelmatig op het plein te zetten (we hebben een bewonerskaart voor de wagen). Om uit te sluiten dat de wagen daar geparkeerd werd voordat de tijdelijke halte werd gecreëerd, zou ik u dank weten mij ook informatie te bezorgen waaruit
- a)de goedkeuring blijkt om een tijdelijke halte te creëren en
- b)het moment van plaatsing te laten kennen. Mijn ex-echtgenote beweert dat zij de halte niet eerder had opgemerkt. Ik kan mij daarover niet uitspreken, doch begrijp wel van haar dat de parkings voor de tijdelijke halte ook op vandaag steeds zijn ingenomen door wagens. 7. Tenslotte zou ik u dank weten mij de identiteitsgegevens van de controlerende inspecteur te laten weten, alsmede het bewijs van zijn accreditatie. 8. Ik maak dan ook alle voorbehoud. U gelieve dit schrijven alvast te willen beschouwen als een betwisting, die ik verder zal aanvullen na ontvangst van de door u overgemaakte stukken.” 3.4. Met een aangetekende brief van 15 september 2022 stelt de dienst Administratieve Boetes van de VVM verzoeker ervan in kennis dat de boete van 107 euro behouden blijft. Deze brief luidt: “Het proces-verbaal werd inderdaad opgesteld op basis van een inbreuk op artikel 64,3° van het Besluit van de Vlaamse Regering d.d. 14.05.2004 betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM. In het bijzonder heeft onze controleur vastgesteld dat het voertuig met nummerplaat […] op IX-10.157-5/16 minder dan 15 meter van het tijdelijk haltebord ‘Gent Fratersplein’ geparkeerd stond. Deze overtreding staat niet letterlijk vermeld in het hierboven aangehaalde besluit hetgeen overigens ook niet vereist is. Om over te gaan tot beboeting is enkel vereist dat de diensten van De Lijn worden belemmerd en dat is zonder meer het geval. Parkeren aan de bushalte hindert de doorstroming en creëert een gevaarlijke situatie voor de reizigers die willen in- of uitstappen. Wij wijzen u er tevens op dat aan een tijdelijke halte dezelfde regelgeving geldt dan aan een vaste halte. Het haltebord was aanwezig van 01 08 2022 tot en met 31 08 2022 en duidelijk zichtbaar. Het haltebord primeert altijd op eventueel geverfde wegmarkeringen. Met betrekking tot uw vraag over de controlerende bevoegdheid van onze Lijncontroleurs, verwijzen wij naar de dubbele sanctionerende bevoegdheid van De Lijn: Ingevolge het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de exploitatie en tarieven van de VVM d.d. 14 mei 2004 zijn onze lijncontroleurs bevoegd om overtredingen van voormeld besluit vast te stellen. Daarnaast hebben onze lijncontroleurs o.a. op basis van artikel 3, 12° van de Wegcode eveneens de hoedanigheid van agent van de gerechtelijke politie met bevoegdheid om toezicht uit te oefenen op de naleving van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen. Of anders gezegd: De Lijn is wel degelijk bevoegd om bepaalde inbreuken op de Wegcode (en dus ‘loutere verkeersovertredingen’) vast te stellen. Verder stelt artikel 44sexies van het Decreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn van 31 juli 1990 uitdrukkelijk dat het proces-verbaal enkel de individuele personeelscode van de lijncontroleur moet vermelden en niet zijn of haar identiteit. Deze personeelscode wordt vermeld op het proces-verbaal en ook op dit punt heeft De Lijn correct gehandeld. De boete werd terecht opgelegd en blijft behouden. Wij zijn bij procedure verplicht om al onze briefwisseling te sturen naar de wettelijke eigenaar van het voertuig. U dient zelf een regeling te treffen met de bestuurder op het moment van de overtreding. Bijgevoegd vindt u een kopie van het integrale pv met foto. In het Besluit van 14 mei 2004 van de Vlaamse regering betreffende de exploitatie en de tarieven van de V.V.M., zoals laatst gewijzigd door het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015, worden deze overtredingen en de omvang van de administratieve geldboetes bepaald en is de procedure vastgelegd.” Dat is de bestreden beslissing. IX-10.157-6/16 IV. Onderzoek van het derde middel en het eerste onderdeel van het vierde middel A. Derde middel Standpunt van de partijen 4.1. Het derde middel is genomen uit de schending van “artikel 44septies, laatste paragraaf van het [d]ecreet van 31 juli 1990 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn, minstens art. 86 van het besluit van de Vlaamse regering van 14 mei 2004 betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM, het zorgvuldigheidsbeginsel, de beginselen van behoorlijk bestuur en de rechten van verdediging”. 4.2. Verzoeker voert aan dat hij over een termijn van dertig dagen beschikte om zijn verweer te formuleren – blijkens het schrijven van de dienst Administratieve Boetes van de VVM diende dit te gebeuren voor 24 september 2022. Op 8 september 2022 heeft verzoeker zijn eerste opmerkingen meegedeeld. Onder meer omdat er enkel sprake was van “code 33 – art. 64.3”, zonder verwijzing naar de decretale bepaling waarop de vermeende overtreding steunde, was hij niet in staat om zijn verweer volledig te voeren. Verzoeker heeft dit uitdrukkelijk meegedeeld door in zijn schrijven van 8 september 2022 te stellen dat hij zijn betwisting zal aanvullen na de ontvangst van de gevraagde stukken. Het was voor de verwerende partij dan ook duidelijk dat hij zijn betwisting wilde aanvullen. Dit geldt des te meer omdat hij op dat ogenblik enkel kennis had van het proces-verbaal en niet van de inhoud van het volledige dossier met de bewijsstukken (foto’s). Dit kan geenszins worden beschouwd als een afstand van recht aangezien dit uitdrukkelijk en ondubbelzinnig moet gebeuren. De verwerende partij kon dan ook geen definitieve beslissing nemen alvorens de wettelijke termijn om bezwaar aan te tekenen was verstreken of minstens voor verzoeker zijn aanvullende bezwaren IX-10.157-7/16 had meegedeeld, vooropgesteld dat dit binnen die termijn gebeurde. Door reeds op 15 september 2022 een definitieve beslissing te nemen, heeft de verwerende partij artikel 44septies, derde lid, van het decreet van 31 juli 1990 ‘betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Vervoermaatschappij – De Lijn’ (hierna: het oprichtingsdecreet VVM), minstens artikel 86 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 ‘betreffende de exploitatie en de tarieven van de VVM’ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004), het recht van verdediging, het recht op een eerlijk proces en de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. 4.3. De verwerende partij antwoordt dat verzoeker bij het formuleren van zijn verweer op 8 september 2022 over voldoende stukken beschikte, namelijk het proces-verbaal. Dat verzoeker niet zou weten om welke inbreuk het gaat, wordt tegengesproken door zijn schrijven van 8 september 2022 waarin hij stelt dat de inbreuk betrekking heeft op het parkeren van zijn voertuig op minder dan vijftien meter van een halte op 22 augustus 2022 om 9.59 uur. Het is dan ook ten onrechte dat verzoeker beweert dat hij in de onmogelijkheid was om zijn verweer volledig te voeren. De bestreden beslissing van 15 september 2022 steunt daarenboven op de vaststellingen van de lijncontroleur en die zijn tijdig aan verzoeker meegedeeld. Dat geen definitieve beslissing kon worden genomen alvorens de wettelijke termijn om bezwaar aan te tekenen verstreken is, is volgens de verwerende partij niet correct. Zij heeft een verweer van verzoeker ontvangen en heeft “ingevolge hiervan” een definitieve beslissing genomen. 4.4. Verzoeker repliceert dat de administratieve boete tot doel heeft overtredingen inzake het parkeren bij een bushalte te voorkomen en te bestraffen. Hij leidt daaruit af dat de boete een repressief karakter heeft en strafrechtelijk is in de zin van artikel 6 van het Europees verdrag over de rechten van de mens. Volgens verzoeker is een definitieve veroordeling zonder dat hij kennis kon nemen van de volledige inhoud van het dossier in strijd met het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. Dit geldt des te meer daar in het proces-verbaal enkel het wetsartikel wordt vermeld (artikel 64.3 – code 33) IX-10.157-8/16 zonder verwijzing naar de wettekst, zodat het voor verzoeker niet duidelijk was welke bepaling geschonden werd geacht. Voorts onderstreept verzoeker dat de verwerende partij geen definitieve beslissing kon nemen voor de termijn om bezwaar aan te tekenen was verstreken of minstens voor hij zijn aanvullende bezwaren had meegedeeld, voor zover dit binnen die termijn gebeurde. 4.5. In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij dat het feit dat verzoeker bijkomende informatie heeft opgevraagd met betrekking tot bepaalde elementen – die overigens niet pertinent zijn – niet wegneemt dat verzoeker wist om welke inbreuk het ging en zijn verweer volledig kon voeren. De door verzoeker opgevraagde gegevens hebben geen invloed op de beoordeling van het geschil aangezien de bestreden beslissing steunt op de vaststellingen van de controleur die tijdig aan verzoeker zijn meegedeeld. Dat de bestreden beslissing is genomen vóór het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 44septies van het oprichtingsdecreet VVM en artikel 86, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004, heeft hierop geen enkele invloed. Beoordeling 5. De te volgen procedure in geval van een administratieve sanctie is opgenomen in de artikelen 44ter en volgende van het oprichtingsdecreet VVM en in het inmiddels opgeheven artikel 86 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004. 6. Artikel 44septies van het oprichtingsdecreet VVM luidt: “Het sanctionerend personeelslid zendt een afschrift van het proces-verbaal binnen vijftien werkdagen na de vaststelling van de overtreding naar de overtreder. De Vlaamse Regering stelt de wijze van kennisgeving van het proces-verbaal vast. Het proces-verbaal gaat vergezeld van een voorstel van beslissing van het sanctionerend personeelslid om de geldboete op te leggen. Als de overtreder de geldboete onmiddellijk aan de lijncontroleur heeft betaald als vermeld in artikel 44quinquies, § 2, bezorgt het sanctionerend personeelslid alleen een voorstel van beslissing als de overtreder maar een gedeelte van het basisbedrag van de geldboete heeft betaald, of, als hij zich in staat van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.037 IX-10.157-9/16 herhaling bevindt, het basisbedrag van de geldboete, of een gedeelte daarvan, heeft betaald. In dat geval legt het sanctionerend personeelslid een bijkomend boetebedrag op, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag dat al is betaald en het totale verschuldigde boetebedrag. De overtreder beschikt over dertig dagen vanaf de kennisgeving van het proces-verbaal om ofwel de geldboete of het openstaande saldo te betalen, ofwel schriftelijk of met een e-mail zijn verweermiddelen te formuleren tegen het voorstel van beslissing, vermeld in het tweede lid.” Artikel 44octies van het oprichtingsdecreet VVM bepaalt: “§ 1. Als de overtreder binnen de termijn, vermeld in artikel 44septies, derde lid, de geldboete betaalt of geen verweermiddelen formuleert, wordt het voorstel van beslissing van rechtswege omgezet in een definitieve beslissing bij het verstrijken van die termijn. § 2. Als de overtreder tijdig verweermiddelen formuleert tegen het voorstel van beslissing, neemt het sanctionerend personeelslid binnen drie maanden na de ontvangst van het schriftelijk verweer een definitieve beslissing over de administratieve geldboete. Op straffe van onontvankelijkheid kan de overtreder binnen de dertig dagen vanaf de kennisgeving van het proces-verbaal en het voorstel van beslissing in zijn verweer verzoeken om mondeling gehoord te worden. In voorkomend geval hoort het sanctionerend personeelslid de overtreder mondeling, vooraleer een definitieve beslissing te nemen over de administratieve geldboete, waarna binnen drie maanden na de hoorzitting een definitieve beslissing wordt genomen over de administratieve geldboete.” Artikel 86, § 1, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 bepaalt dat de overtreder zijn opmerkingen schriftelijk of per e-mail aan de dienst Administratieve Boetes kan laten kennen. 7. Te dezen is het proces-verbaal op 25 augustus 2022 aan verzoeker betekend. In die betekening wordt vermeld dat verzoeker een verweer kan indienen tegen het voorstel van beslissing en dat dit voor 24 september 2022 moet gebeuren. 8. Op 8 september 2022 heeft verzoeker die verweermogelijkheid benut. Hij vraagt daarbij om te verduidelijken naar welke wet “art. 64.3” verwijst, om “de nuttige ondersteunende foto’s over te maken” en om aan te geven “op welke wetsbepaling(
- en)[…] u zich steunt met betrekking tot
- a)de controlerende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.037 IX-10.157-10/16 bevoegdheid van de inspecteur,
- b)het feit dat zij controlebevoegdheid hebben voor de ingeroepen inbreuk en
- c)de mogelijkheid om een boete uit te schrijven”. Voorts vraagt verzoeker om “de identiteitsgegevens van de controlerende inspecteur te laten weten, alsmede het bewijs van zijn accreditatie”. Verzoeker besluit: “U gelieve dit schrijven alvast te willen beschouwen als een betwisting, die ik verder zal aanvullen na ontvangst van de door u overgemaakte stukken.” 9. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat verzoeker zijn verweer nog wil aanvullen nadat de verwerende partij hem een antwoord op zijn vragen heeft verstrekt. Deze vragen zijn niet van elke pertinentie ontdaan. In die omstandigheden kan van een zorgvuldig handelende overheid worden verwacht dat zij, alvorens een definitieve beslissing te nemen, verzoeker een antwoord verstrekt waarbij de gevraagde uitleg en stukken zijn gevoegd of waarbij wordt gemotiveerd waarom een bepaalde uitleg niet wordt gegeven of bepaalde stukken niet worden bezorgd. In tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar laatste memorie beweert, kon verzoeker bovendien aan de hand van de hem eventueel meegedeelde inlichtingen en stukken wel nog aanvullende verweermiddelen ontwikkelen, bijvoorbeeld met betrekking tot de machtiging van de lijncontroleur en diens bevoegdheid. In de gegeven omstandigheden mocht verzoeker ervan uitgaan dat hij de in artikel 44septies, derde lid, van het oprichtingsdecreet VVM bepaalde termijn van dertig dagen volledig kon benutten om zijn verweer nog aan te vullen. 10. De verwerende partij heeft op 15 september 2022 een definitieve beslissing genomen, terwijl verzoeker ervan mocht uitgaan dat hij tot 24 september 2022 de tijd had om zijn verweer aan te vullen. IX-10.157-11/16 Aldus heeft de verwerende partij artikel 44septies, derde lid, van het oprichtingsdecreet VVM miskend. 11. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Eerste onderdeel van het vierde middel Standpunt van de partijen 12.1. Het vierde middel is genomen uit de schending van “artikel 44quater, 44sexies en 44octies, 2, 1e par van het [oprichtingsdecreet VVM] en artikel 66bis van het decreet van 20 april 2001 betreffende de organisatie van het personenvervoer over de weg, en de onbevoegdheid van de lijncontroleur en de sanctionerende ambtenaar, het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van verdediging”. 12.2. Verzoeker voert in het eerste middelonderdeel aan dat de verwerende partij op zijn vraag om de identiteitsgegevens van de controlerende inspecteur en het bewijs van diens accreditatie mee te delen, heeft geantwoord dat artikel 44sexies van het oprichtingsdecreet VVM stelt dat het proces-verbaal enkel de individuele personeelscode van de lijncontroleur moet vermelden en niet diens identiteit. Nochtans bepaalt artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM dat indien de overtreder de geldboete met verweermiddelen betwist en in dat kader vraagt om de bekendmaking van de identiteit van de lijncontroleur, de naam en het kantooradres van de lijncontroleur aan de overtreder worden bekendgemaakt. Volgens verzoeker ontneemt de weigering om de identiteit van de lijncontroleur bekend te maken hem de mogelijkheid om de wettigheid en de rechtmatigheid van de gedane vaststellingen te toetsen. 12.3. De verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel van het vierde middel dat verzoeker beschikte over het identificatienummer van de IX-10.157-12/16 desbetreffende lijncontroleur. Omwille van de privacy en om “agressieredenen” wordt de naam van de controleur niet vrijgegeven. Volgens de verwerende partij nemen agressiegevallen ten aanzien van lijncontroleurs toe, waarbij hun identiteit te grabbel wordt gegooid op sociale media, met nefaste gevolgen. Naar het oordeel van de verwerende partij is het recht van verdediging geenszins geschonden. 12.4. Verzoeker repliceert dat de weigering om de identiteit van de lijncontroleur bekend te maken in strijd is met artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM. Het kenbaar maken van het identificatienummer volstaat niet. De door de verwerende partij ingeroepen uitzondering die verband houdt met “privacy/agressie” is naar het oordeel van verzoeker geen gegronde reden om zich te onttrekken aan de toepassing van artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM. Hij merkt op dat de verwerende partij niet bewijst dat agressie ook voorkomt in het kader van de toepassing van voornoemd artikel 44sexies, waarbij de identiteit van de lijncontroleur naderhand wordt bekendgemaakt en niet alleen bij feiten op heterdaad. Volgens verzoeker kan dit verweer dan ook niet standhouden, aangezien het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces in regel niet toelaten de identiteit van een vaststeller te verbergen. De verwerende partij gaat volledig voorbij aan het feit dat hij niet de mogelijkheid heeft om na te gaan of de betrokken persoon door de Vlaamse Regering rechtsgeldig is gemachtigd en of er geen onverenigbaarheid bestaat. 12.5. In haar laatste memorie onderstreept de verwerende partij dat de naam van de controleur niet is vrijgegeven omwille van privacy- en agressieredenen. Zij blijft van oordeel dat artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM niet is miskend. Beoordeling 13. Artikel 44sexies van het oprichtingsdecreet VVM bepaalt met betrekking tot de bekendmaking van de identiteit van de lijncontroleur: IX-10.157-13/16 “Op het proces-verbaal, vermeld in artikel 44quinquies, § 1, wordt de identiteit van de lijncontroleur niet vermeld. Dat proces-verbaal vermeldt wel de individuele personeelscode van de lijncontroleur. Als de overtreder de geldboete met verweermiddelen betwist en in dat kader vraagt om de bekendmaking van de identiteit van de lijncontroleur, worden de naam en het kantooradres van de lijncontroleur aan de overtreder bekendgemaakt. De overtreder bewaart de vertrouwelijkheid van die gegevens ten aanzien van derden.” 14. Aldus blijkt dat indien om de bekendmaking van de identiteit van de lijncontroleur wordt gevraagd, de naam en het kantooradres van de lijncontroleur aan de overtreder bekendgemaakt moeten worden. Artikel 44sexies van het oprichtingsdecreet VVM voorziet niet in uitzonderingen op die bekendmakingsplicht, ook niet omwille van de door de verwerende partij aangehaalde privacy- of agressieredenen. Overigens waarborgt artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM het recht op privacy van de lijncontroleur doordat wordt bepaald dat de overtreder die de identiteitsgegevens van de controleur verkrijgt, de vertrouwelijkheid van die gegevens moet bewaren ten aanzien van derden. 15. In casu heeft verzoeker in zijn verweer van 8 september 2022 uitdrukkelijk verzocht om hem de identiteitsgegevens van de controlerende inspecteur mee te delen. De verwerende partij is daar in de bestreden beslissing niet op ingegaan met verwijzing naar artikel 44sexies van het oprichtingsdecreet VVM. Zoals hiervóór is uiteengezet, bepaalt artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM evenwel dat de naam en het kantooradres van de lijncontroleur aan de overtreder bekendgemaakt moeten worden als hij daar om vraagt. 16. Wat voorafgaat noopt tot het besluit dat de verwerende partij artikel 44sexies, tweede lid, van het oprichtingsdecreet VVM en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft miskend. IX-10.157-14/16 17. Het eerste onderdeel van het vierde middel is gegrond. IX-10.157-15/16 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de dienst Administratieve Boetes van de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn van 15 september 2022 waarbij aan J.V. een administratieve boete van 107 euro wordt opgelegd. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.157-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.037 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div