← België

Arrest 259048 - Bevolkingsregister - 06/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.048 Rolnummer: A. 241313/X-18599 Zaak: Arrest 259048 - Bevolkingsregister - 06/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-08 Raadplegingen: 114 - laatst gezien 2026-06-19 01:33 Fiche Arrest nr 259.048 van 6 maart 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bevolkingsregister Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK WND. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 259.048 van 6 maart 2024 in de zaak A. 241.313/X-18.599 In zake : J.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jordy Hendrikx kantoor houdend te 3700 Tongeren Piepelpoel 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE HEUSDEN-ZOLDER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Vanhaelewyn en Julie Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 26 februari 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder van 7 februari 2024 “op grond waarvan verzoeker ambtshalve wordt afgevoerd uit het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder”. Tevens wordt gevraagd om “de verwerende partij te veroordelen tot het herstel van de administratieve toestand van [v]erzoeker door hem terug in te schrijven in het bevolkingsregister van de gemeente Heusden- Zolder […] en de intrekking van zijn elektronische identiteitskaart ongedaan te maken en dit binnen een termijn van drie

(3)werkdagen na de kennisgeving van het tussen te komen arrest en dit onder verbeurte van een dwangsom van tweehonderdvijftig euro (250 EUR) per dag dat de voorlopige maatregel niet is uitgevoerd”. X-18.599 II. Verloop van de rechtspleging
  1. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart 2024, om 10u
  2. Staatsraad David D’Hooghe heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jordy Hendrikx, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Julie Swerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoeker is sedert 7 november 2022 ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder, en dit op een referentieadres. Deze inschrijving is gesteund op het gegeven dat hij in een mobiele woning verblijft.
  5. Op 24 april 2023 verzoekt de verwerende partij verzoeker om zich “te melden op de dienst bevolking voor inlichtingen omtrent [zijn] referentieadres [en] de nodige bewijzen dat [hij] rondtrekt met de mobilhome, mee te brengen”. X-18.599
  6. Op 31 mei 2023 stuurt de verwerende partij een e-mail aan de verzoeker met onder meer de volgende inhoud : “Ik verwijs naar de bewijsstukken die u ons op 22/05/2023 tijdens uw afspraak op onze dienst hebt overgemaakt omtrent het gebruik van uw mobiele woning. Deze bewijsstukken moeten voldoende aantonen dat u gedurende meer dan 6 maanden per jaar rondtrekt op het Belgisch grondgebied. […] Het is de gemeente die de relevantie van de aangereikte bewijsstukken beoordeelt. Omdat de door u overgemaakte bewijsstukken niet voorzien worden in de […] onderrichting en ook niet objectief gecontroleerd kunnen worden door ons, verzoeken wij u om ons vóór 01/07/2023 nog de nodige extra bewijsstukken over te maken zijnde: l. De aankoopbewijzen van brandstof voor uw mobiele woning en facturen van eventuele herstellingen of aankopen die op andere locaties werden gedaan.
  7. Voldoende schriftelijke getuigenverklaringen van privépersonen (omschrijving van de feiten (bijvoorbeeld toelating tot verblijf op privéterrein), identificatie van de getuige (kopie van de identiteítskaart) en de relevantie van de getuige ten opzichte van de aangehaalde feiten) voorzíen van datum en handtekeníng waaruit blijkt dat u gedurende min. 6 maanden rondtrekt op het Belgisch grondgebied met een mobiele woning. Na ontvangst van deze extra en aanvullende bewijsstukken, zullen wij uw dossier opnieuw bekijken en een beslissing nemen omtrent uw referentie- adres.”
  8. Op 21 september 2023 schrijft de verwerende partij aan verzoeker : “Wij ontvingen de afgelopen periode al bepaalde bewijsstukken doch deze vormen geen voldoende bewijs voor een verblijf in een mobiele woning op het Belgisch grondgebied in de periode 07/11/2022 tot heden. Mogen wij u verzoeken om u voor 15/11/2023 aan te bieden op de dienst bevolking met de (bijkomende) bewijsstukken (o.a. homologatie van het voertuig als camper cfr. Uw mail van 27/07/2022; bewijs dat het GPS- toestel is ingebouwd in uw voertuig, bijkomende bewijsstukken die aantonen dat u in België rondtrekt,…)? Zo niet zijn wij genoodzaakt om de nodige stappen te zetten tot uw afvoering van ambtswege. De afvoering van ambtswege betekent in zekere zin dat u administratief niet meer bestaat. Dit heeft tot gevolg dat we u niet meer in het bezit kunnen stellen van de nodige administratieve stukken. Wij rekenen erop dat u zich voor de vermelde datum bij onze diensten zult aanmelden met de nodige bewijsstukken om zich in orde te stellen”. X-18.599
  9. Op 14 december 2023 schrijft de verwerende partij aan verzoeker: “Op 21/09/2023 stuurden wij u een aangetekende brief met verzoek ons bijkomende bewijsstukken over te maken betreffende uw rondtrekkend verblijf in een mobiele woning op het Belgisch grondgebied. De stukken die u ons binnenbracht op 13/11/2023 zijn onvoldoende en u voldoet hierdoor niet meer aan de voorwaarden om het referentieadres te kunnen behouden. Het college van burgemeester en schepenen zal daardoor een einde stellen aan uw referentieadres en een beslissing tot afvoering nemen”.
  10. Op 20 december 2023 neemt het college van burgemeester en schepenen de volgende beslissing : “Juridische gronden ● decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 56 ● wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteits- kaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (B.S. 3 september 1991) ● koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister (B.S. 15 augustus 1992 - gewijzigd door het KB van 9 maart 2017) Feiten en context Indien een persoon niet meer voldoet aan de voorwaarden die vereist zijn om hun referentieadres betreffende een verblijf in een mobiele woning op het Belgisch grondgebied te behouden zal er een einde gesteld worden aan het referentieadres en overgegaan worden tot een ambtshalve afvoering uit de registers. Argumentatie Naar aanleiding van de binnengebrachte bewijsstukken, die niet voldoende zijn om het referentieadres te kunnen behouden, wordt volgende persoon van ambtswege afgevoerd uit ons bevolkingsregister: - [J. M.], geboren te Koersel op […], […] 3550 Heusden-Zolder BESLUIT UNANIEM Artikel 1: Volgende personen worden van ambtswege afgevoerd uit ons bevolkingsregister: -[J. M.], geboren te Koersel op […], […] 3550 Heusden-Zolder”
  11. Op 21 december 2023 heeft de gemeente deze beslissing ter kennis gebracht van de verzoeker: X-18.599 “Het college van burgemeester en schepenen heeft in de zitting van 20/12/2023 beslist om u van ambtswege af te voeren. Dit betekent een schrapping uit het bevolkingsregister en de annulering van uw elektronische identiteitskaart of verblijfskaart.[…].”
  12. Bij e-mail van 22 december 2023 vraagt verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen om de beslissing van 20 december 2023 in te trekken.
  13. Op 18 januari 2024 wordt een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend tegen de beslissing van 20 december 2023 tot het ambtshalve afvoeren van verzoeker uit het bevolkingsregister.
  14. Bij arrest nr. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.660 van 31 januari 2024 komt de Raad van State tot het besluit dat de verwerende partij prima facie het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Het arrest verwijst daartoe in de eerste plaats naar het gegeven dat de genomen beslissing een verwijzing bevat naar meldingen dat verzoeker over een vast verblijfsadres in de buurgemeente Zonhoven zou beschikken, terwijl die meldingen niet blijken uit het administratief dossier en de verwerende partij ter zake ook geen onderzoek heeft verricht. Het arrest nr. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.660 stelt verder ook vast dat niet blijkt op grond van welke documenten en overwegingen tot het besluit is gekomen dat de documenten die verzoeker had overgemaakt, niet voldoende waren om het referentieadres te kunnen behouden. De vordering tot schorsing wordt niettemin afgewezen wegens gebrek aan het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid.
  15. Op 7 februari 2024 beslist het college van burgemeester en schepenen op grond van een zes bladzijden tellende motivering: “Artikel 1: X-18.599 Het college van burgemeester en schepenen neemt akte van het arrest nr. 258.660 van 31 januari 2024 van de Raad van State, alsook van het willig beroep vanwege de heer [J. M.] van 22 december 2023 houdende verzoek tot intrekking van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 20 december 2023 (agendanr. 76). Artikel 2: Het college van burgemeester en schepenen bevestigt haar beslissing van 20 december 2024 (agendanr. 76) waarin de heer [J. M.] van ambtswege uit de bevolkingsregisters wordt afgevoerd ingevolge verlies van referentieadres, onder uitdrukkelijke herneming van de hieraan onderliggende en bijkomend toegelichte motieven, en wijst diens verzoek tot intrekking hiervan bij deze af.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Verduidelijking in verband met het voorwerp Standpunt van de partijen
  16. Verzoeker zet in zijn verzoekschrift uiteen dat de bestreden beslissing moet worden beschouwd als een nieuwe bestuurshandeling die impliciet met zich meebrengt dat de beslissing van 20 december 2023 wordt opgeheven. Dit vloeit voort uit het gegeven dat het overwegend gedeelte volledig wordt herzien en dat motieven in overweging worden genomen die niet ten grondslag hebben gelegen van de beslissing van 20 december
  17. Verzoeker verwijst ook naar het gegeven dat de verwerende partij zich in de bestreden beslissing uitdrukkelijk heeft uitgesproken over het verzoek tot intrekking dat verzoeker op 22 december 2023 had ingediend.
  18. De verwerende partij wijst er op dat de bestreden beslissing “in samenhang gelezen [dient] te worden met de eerdere beslissing tot afvoering van ambtswege van 20 december 2023”. Er wordt echter niet ingeroepen dat de bestreden beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling zou uitmaken. De verwerende partij werpt wel op dat verzoeker enkel het besluit houdende de gemotiveerde bevestiging van de afvoering van ambtswege X-18.599 uit de bevolkingsregisters viseert. De (impliciete) beslissing tot bevestiging van de intrekking van de identiteitskaart van verzoeker maakt volgens de verwerende partij geen voorwerp uit van het beroep, zodat de argumenten die daarop zijn gesteund als onontvankelijk moeten worden afgewezen. Beoordeling
  19. De bestreden beslissing werd genomen naar aanleiding van zowel arrest nr. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.660 van de Raad van State als het willig beroep van verzoeker van 22 december
  20. Na een heronderzoek van de zaak wordt op grond van een uitvoerige nieuwe motivering overgegaan “tot een uitdrukkelijke bevestiging en herneming van en toelichting bij de aan de beslissing tot afvoering van ambtswege onderliggende motieven”. De bestreden beslissing is dan ook meer dan een louter bevestigende beslissing, hetgeen door de verwerende partij overigens niet wordt betwist. Ze is een nieuwe, op zichzelf staande wilsuiting van de verwerende partij om verzoeker van ambtswege uit de bevolkingsregisters af te voeren wegens verlies van referentieadres.
  21. Tenminste in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat de thans bestreden beslissing van 7 februari 2024 de eerdere beslissing van 20 december 2023 vervangt en doet verdwijnen, en wel op een dergelijke wijze dat als de bestreden beslissing zou worden geschorst, de eerdere beslissing niét herleeft.
  22. De intrekking van verzoekers identiteitskaart vloeit niet voort uit een autonome administratieve beslissing maar is het gevolg van de afvoering van ambtswege uit het bevolkingsregister. Er is in de huidige stand van de procedure dan ook geen reden om de argumenten ter zake als onontvankelijk af te wijzen. X-18.599 V. Voorwaarden voor een schorsing of het opleggen van een andere voorlopige maatregel
  23. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot het bevelen van een schorsing van de tenuitvoerlegging of van een andere voorlopige maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Voorwaarde van een ernstig middel Standpunt van de partijen
  24. In het tweede middel roept verzoeker de schending in van het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker betoogt dat hij is ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder nadat hij heeft bewezen daar over een referentieadres te beschikken en in een mobiele woning te verblijven van waaruit hij een rondtrekkend bestaan leidt. Hij betwist dat de verwerende partij deze voorwaarden voortdurend en systematisch dient te beoordelen. Een dergelijke voorwaarde is ook niet terug te vinden in de regelgeving ter zake. De verwerende partij heeft bovendien geweigerd een aantal bewijsstukken in aanmerking te nemen en ter verantwoording daarvan ten onrechte verwezen naar de omzendbrief van 18 september 2018 en de algemene onderrichtingen, nu deze geen verordenende voorschriften uitmaken. X-18.599 De verwerende partij verwijst ook ten onrechte naar “tegenindicaties” die afgeleid worden uit meldingen dat verzoeker permanent zou verblijven op een locatie op het grondgebied van de gemeente Zonhoven. De verwerende partij heeft ter zake echter op geen enkel moment een concreet onderzoek gevoerd of de opdracht gegeven tot het voeren van een onderzoek naar de hoofdverblijfplaats. Uit de communicatie tussen de gemeente Zonhoven en de gemeente Heusden-Zolder kan geenszins afgeleid worden dat verzoeker op het grondgebied van de gemeente Zonhoven zou verblijven. Verzoeker heeft ook nooit een verklaring bij de gemeente Zonhoven afgelegd, wat ook bevestigd is geworden door de medewerkster van de dienst burgerzaken van de gemeente Zonhoven.
  25. De verwerende partij van haar kant wijst er op dat zij “veel moeite [heeft] gedaan om van verzoekende partij de nodige bewijsstukken te verkrijgen omtrent diens zgn. rondtrekkend bestaan”, maar dat de verwerende partij “de richtlijnen aan haar opgelegd op grond van de Algemene Onderrichtingen redelijkerwijze [diende] te volgen”. Vermits de “aangeleverde GPS-gegevens niet voorzien werden in de Algemene Onderrichtingen [dienden dus] aanvullende bewijsstukken te worden opgevraagd”. De noodzakelijke en aanvullende bewijsstukken om een rondtrekkend bestaan aan te tonen, werden echter niet bijgebracht. Bovendien werd de waarde van de aangeleverde bewijsstukken “afgezwakt” door “tegenindicaties, met name een beweerd vast verblijf van verzoekende partij in buurgemeente Zonhoven”. In dat verband wijst de verwerende partij er op dat verzoeker heeft bevestigd over een eigen stacaravan in het vakantiepark te Zonhoven te beschikken. De verwerende partij wijst er verder op “dat in de thans bestreden beslissing een zeer ruime motivering is opgenomen, welk[e] blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek”. X-18.599 Beklemtoond wordt dat “van bij aanvang twijfel [rees] over de mogelijkheid om [met] de bestelwagen van verzoekende partij ook effectief rond te trekken als zijnde een mobiele woning”. Beoordeling
  26. Artikel 1, §2 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten juncto artikel 20 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister regelen de voorwaarden tot inschrijving in het bevolkingsregister op een referentieadres. De personen die in een mobiele woning verblijven, worden ingeschreven in de bevolkingsregisters hetzij van de gemeente waar zij ten minste zes maanden per jaar verblijven op een vast adres, hetzij van de gemeente waar zij over een referentieadres beschikken. De inschrijving op een referentieadres gebeurt op basis van een schriftelijke toestemming van de betrokkene. 23 Verzoeker heeft sedert februari 2022 te kennen gegeven dat hij in een camper wou gaan leven en een referentieadres bij zijn broer wou nemen. Nadat de nodig geachte bewijsstukken werden overgemaakt, heeft de verwerende partij verzoeker op 7 november 2022 op het gevraagde referentieadres ingeschreven.
  27. De inschrijving op een referentieadres is niet beperkt in de tijd. Het is dan ook merkwaardig dat de verwerende partij verzoeker reeds binnen de zes maanden na de inschrijving op het referentieadres, op 24 april 2023, heeft uitgenodigd om zich te melden met “de nodige bewijzen dat [hij] rondtrekt met de mobilhome”. Dat er bij aanvang twijfel bestond “over de mogelijkheid om [met] de bestelwagen van verzoekende partij ook effectief rond te trekken als zijnde een mobiele woning”, lijkt geen afdoende verantwoording om verzoeker X-18.599- reeds binnen de eerste zes maanden te verzoeken om het effectief rondtrekkend bestaan te bewijzen, nu die beweerde twijfel voor de verwerende partij hoe dan ook geen reden was voor een specifiek voorbehoud ter zake.
  28. Ten onrechte verwijst de verwerende partij in dit verband naar het gegeven dat, luidens de Algemene Onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters, uitgaande van de FOD Binnenlandse Zaken (https://www.ibz.rrn.fgov.be/fileadmin/user_upload/nl/bev/onderrichtingen/onder richtingen-bevolking-07072023-aanpassingen-1008-aanpassing-23022024.pdf – hierna ‘onderrichtingen’), de gemeente “op elk moment [kan] controleren of de voorwaarden nog steeds vervuld zijn”. De onderrichtingen bepalen immers ook dat personen die in een mobiele woning verblijven, slechts “gedurende minimaal de helft van de tijd (op jaarbasis bekeken) [dienen] rond te trekken binnen het Belgische grondgebied.”
  29. Het heeft er dan ook alle schijn van dat de handelwijze van de verwerende partij te dezen in belangrijke mate werd ingegeven door – naar eigen zeggen – “verschillende (anonieme) meldingen dat verzoekende partij over een vaste verblijfplaats zou beschikken in de gemeente Zonhoven, meer bepaald in het vakantiepark [H.] te [X]”.
  30. In het administratief dossier blijkt echter geen spoor terug te vinden van dergelijke “verschillende (anonieme) meldingen”. Er blijkt ook niet dat de verwerende partij ter zake enig onderzoek heeft verricht. De enige indicatie ter zake is te vinden in een formulier van de gemeente Zonhoven (“Model 4” – attest van niet-inschrijving) luidens welk verzoeker verklaard zou hebben dat hij zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd te Zonhoven. Verzoeker betwist echter op een geloofwaardige wijze een dergelijke verklaring te hebben afgelegd, terwijl er door de verwerende partij op dit punt geen specifiek verweer wordt gevoerd. De bestreden beslissing stelt ook niet autonoom vast dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats in een andere gemeente heeft gevestigd, noch X-18.599- dat het “onmogelijk blijkt de nieuwe hoofdverblijfplaats op te sporen” (artikel 8 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 ‘betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister’). In de huidige stand van de procedure moet dan ook worden aangenomen dat de beweerde vermoedens dat verzoeker een vaste verblijfplaats in de gemeente Zonhoven heeft, niet uit het administratief dossier blijken.
  31. Deze vermoedens maken weliswaar geen “autonome grondslag” voor de afvoering van ambtswege uit, maar zij lijken wel te hebben gefungeerd als “tegenindicatie, ter ontkrachting van de door [verzoeker] bijgebrachte bewijsstukken van een rondtrekkend bestaan”. Aan de door de verzoeker bijgebrachte stukken werd daardoor niet het normale, volle gewicht toegekend. Deze vaststelling volstaat om tot de ernst van het tweede middel te besluiten. De verwerende partij maakt immers niet aannemelijk dat ook zonder de – ten onrechte ingeroepen – “tegenindicatie” tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De door verzoeker overgemaakte bewijzen zouden dan immers zijn beoordeeld zonder “vermoedens […] ter ontkrachting van de […] bijgebrachte bewijsstukken”.
  32. De vraag rijst overigens of een ambtshalve afvoering uit het bevolkingsregister, op grond dat niet langer in een mobiele woning maar op een nieuwe hoofdverblijfplaats wordt verbleven, wel mogelijk is zonder dat de betrokken persoon tegelijkertijd in het bevolkingsregister van de nieuwe hoofdverblijfplaats wordt ingeschreven. De onderrichtingen vermelden in dat verband immers dat, als de mobiele woning “niet of niet meer als dusdanig wordt gebruikt, [de betrokkene moet] ingeschreven worden op het adres van de permanente standplaats (of ligplaats)”.
  33. Ten overvloede is nog op te merken dat het de verwerende partij op het eerste gezicht niet toekomt om a priori te bepalen welke X-18.599- bewijsstukken wel of niet aanvaardbaar zijn, en dat de vermeldingen in de onderrichtingen ter zake louter indicatief zijn. Ook de overweging dat verzoeker “nalaat om uitdrukkelijk gevraagde bewijsstukken bij te brengen” kan de bestreden beslissing bijgevolg niet verantwoorden.
  34. Het tweede middel is in de besproken mate ernstig. VII. Voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van verzoeker
  35. Verzoeker voert aan dat hij door de bestreden beslissing zijn “administratieve band met het bestuur in meest ruime zin, de sociale diensten en derden” verliest. Hij betoogt verschillende directe en persoonlijke nadelen te ondergaan die het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen: - Het is voor verzoeker niet mogelijk om briefwisseling te ontvangen doordat hij niet langer over een adres beschikt; - Verzoeker zal onherstelbaar ontwricht worden in zijn vermogenstoestand door verlies van ziekte-uitkering bij zijn mutualiteit; verzoeker is invalide erkend door het RSVZ en zijn handicap is erkend door het VAPH; - Verzoeker zal zijn stemrecht bij de nakende verkiezingen (federaal, Vlaams, Europees, gemeenteraad) de facto niet kunnen uitoefenen.; - Verzoeker riskeert zijn belang te verliezen in de zaak die aanhangig is bij de Raad van State ; - Verzoeker heeft een erkende handicap ASS type 1 (autisme spectrum stoornis, graad 1, waarbij ondersteuning nodig is) waarvoor hij de nodige ondersteuning en begeleiding zal ontberen waardoor zijn psychische gezondheidstoestand en welbevinden zal destabiliseren; - Verzoeker kan zich niet meer aanmelden bij online overheidsdiensten met een elektronische identiteitskaart; - Verzoeker is niet meer in de mogelijkheid om een aangetekende zending te ontvangen op zijn naam; - Verzoeker kan zijn MOBIB-kaart van de Lijn niet meer geldig gebruiken omdat hij ook in het bezit moet zijn van zijn identiteitskaart wanneer hij op een bus van de Lijn stapt. X-18.599- - De onzekere administratieve toestand waarin verzoeker is gebracht door het bestreden besluit alsook door de onwettige intrekking van zijn identiteitskaart, heeft een zeer negatieve invloed op het psychisch welbevinden van verzoeker. Beoordeling
  36. De bestreden beslissing betreft de afvoering uit het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder zonder dat verzoeker elders in het bevolkingsregister ingeschreven wordt. Een inschrijving in het bevolkingsregister is een cruciaal gegeven voor de communicatie met en de legitimatie ten aanzien van officiële instanties. Verzoeker maakt ook aannemelijk dat er een groot risico bestaat dat hij bij gebrek aan inschrijving in het bevolkingsregister niet langer aanspraak zal kunnen maken op de inkomensvervangende uitkering waarop hij blijkens de overgemaakte stukken gerechtigd is. Het is dan ook niet zonder reden dat de verwerende partij in een schrijven van 21 september 2023 heeft erkend dat de afvoering van ambtswege “in zekere zin betekent dat [verzoeker] administratief niet meer bestaat” en dat het dan ook niet meer mogelijk zal zijn om verzoeker in het bezit te stellen van “de nodige administratieve stukken”. Verzoeker maakt verder aannemelijk dat hij, bij gebrek aan inschrijving in het bevolkingsregister, zijn kiesrecht in juni 2024 niet zal kunnen uitoefenen. Aangenomen wordt dat deze nadelen in het kader van een gewone schorsingsprocedure onvoldoende tijdig kunnen worden afgewend.
  37. Ten onrechte werpt de verwerende partij op dat verzoeker zelf aan de door hem ingeroepen nadelen kan verhelpen, vermits hij een inschrijving in het bevolkingsregister te Zonhoven kan aanvragen. Verzoeker gaat er immers X-18.599- van uit dat hij in een mobiele woning verblijft, en betwist dat hij zijn hoofdverblijfplaats te Zonhoven heeft.
  38. Een verzoeker die claimt dat er met zijn vordering tot schorsing een uiterst dringende noodzakelijkheid gemoeid is, moet zich daar ook naar gedragen op gevaar af de beweerde urgentie zelf te ontkrachten. Dit vergt een beoordeling in concreto, waarbij ook de specifieke context eigen aan de verzoeker in aanmerking is te nemen. Te dezen noopt het gegeven dat verzoeker het verzoekschrift achttien dagen na de kennisgeving van het bestreden besluit heeft ingediend, niet tot het besluit dat de ingeroepen urgentie ontkracht is. Anders dan de verwerende partij in haar nota betoogt is de bestreden bladzijdenlange beslissing overigens geenszins identiek aan de beslissing van 20 december 2023, die quasi geen motieven bevatte. Het standpunt van verwerende partij dat de bestreden beslissing niet onverwacht komt, kan evenmin worden bijgetreden. Verzoeker had na het arrest van de Raad van State overigens om de intrekking van de bestreden beslissing verzocht, niet om een nieuwe beslissing.
  39. Ook de tweede en laatste grondvoorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VIII. Onderzoek van de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel
  40. Zoals sub randnummer 17 overwogen, heeft de hierna uit te spreken schorsing niet tot gevolg dat de initiële beslissing van 20 december 2023, die door de bestreden beslissing vervangen wordt, herleeft. De schorsing van de bestreden beslissing brengt met zich mee dat de ambtshalve afvoering van verzoeker uit het bevolkingsregister onwerkzaam wordt. Hierdoor wordt de inschrijving van verzoeker in het bevolkingsregister van de verwerende partij, X-18.599- gesteund op diens referentieadres als persoon die in een mobiele woning verblijft, hersteld. Tevens brengt de schorsing mee dat, bij gebrek aan een werkzame juridische basis voor de intrekking van verzoekers elektronische identiteitskaart, de verwerende partij onverwijld het nodige zal moeten doen om verzoeker in staat te stellen terug gebruik te kunnen maken van zijn elektronische identiteitskaart. In die omstandigheden ziet de Raad van State geen redenen om de gevraagde voorlopige maatregelen op te leggen.
  41. De Raad van State beschikt niet over indicaties dat de verwerende partij niet vrijwillig passend gevolg zou geven aan het uit te spreken schorsingsarrest. De nota van de verwerende partij bevestigt bovendien dat zij “als overheidsinstelling spontaan zal overgaan tot de uitvoering van een vanwege [de] Raad afkomstig tussen te komen arrest”. In die omstandigheden ziet de Raad van State geen redenen om een dwangsom op te leggen BESLISSING
  42. De Raad van State beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Heusden-Zolder van 7 februari 2024 om J.M. ambtshalve af te voeren uit het bevolkingsregister van de gemeente Heusden-Zolder.
  43. De vordering wordt voor het overige verworpen. X-18.599- Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zes maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: David D’Hooghe, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck David D’Hooghe X-18.599- PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.048 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.702 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.660 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.