id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 Rolnummer: A. 238509/IX-10208 Zaak: Arrest 259051 - Varia (justitie) - 07/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-14 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-16 01:33 Fiche Arrest nr 259.051 van 7 maart 2024 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 no lien 276137 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.051 van 7 maart 2024 in de zaak A. 238.509/IX-10.208 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sven Boullart kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 419 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Rieder kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 39 tegen:
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
- de DIRECTEUR-GENERAAL PENITENTIAIRE INRICHTINGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karine Van Gulck kantoor houdend te 2600 Berchem Deken De Winterstraat 26 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 februari 2023, strekt tot de nietigverklaring van beslissing BC/22-0292 van de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen van 25 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking nr. 15.297 van 20 maart 2023 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. IX-10.208-1/16 De eerste verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 februari
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sven Boullart, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Karine Van Gulck, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met de thans bestreden beslissing BC/22-0291 doet de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen op IX-10.208-2/16 25 januari 2023 uitspraak over een beroep van huidige verzoeker in cassatie tegen een beslissing van de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen van 22 december 2022 tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime (“IBVR”). In de bestreden beslissing schetst de beroepscommissie de nuttige feiten ter beoordeling van het beroep. Dit feitenrelaas leert het volgende. Verzoeker komt op 14 oktober 2022 aan in de penitentiaire instelling (“PI”) te Beveren nadat hij vanuit Zwitserland uitgeleverd was aan België. Diezelfde dag wordt hem een bijzondere veiligheidsmaatregel opgelegd, die tot driemaal toe wordt hernieuwd en waarvan de laatste eindigt op 10 november
- De initiële beslissing tot het opleggen van een bijzondere veiligheidsmaatregel en de eerste verlenging worden gedeeltelijk vernietigd door de klachtencommissie op 25 november
- Op 10 november 2022 neemt de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen een beslissing tot IBVR, die op 13 december 2022 door de beroepscommissie wordt vernietigd bij gebrek aan een medisch advies dat voldoet aan de vereisten van artikel 118, § 2, derde lid, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (“de basiswet”). Op voorstel van de directeur van de PI Beveren en na medisch advies van een geneesheer neemt de directeur-generaal, verzoeker gehoord, op 22 december 2022 een nieuwe beslissing tot IBVR, bestaande uit de volgende maatregelen: - uitsluiting van deelname aan alle gemeenschappelijke activiteiten, - systematische controle van inkomende en uitgaande briefwisseling, - beperking van bezoek in een lokaal dat voorzien is van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, - gedeeltelijke ontzegging van het gebruik van de telefoon, - systematische toepassing van het onderzoek aan de kledij, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 IX-10.208-3/16 - ontnemen of onthouden van scherpe en gevaarlijke voorwerpen, - observatie overdag en tijdens de nacht, om de zestig minuten, - verplicht verblijf in de toegewezen verblijfsruimte. 3.
- Met de thans bestreden uitspraak verwerpt de beroepscommissie het beroep. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, was geen partij in het geschil bij de beroepscommissie. Enkel de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen was betrokken als verwerende partij. Daaruit volgt dat enkel de laatstgenoemde te beschouwen is als verweerder in cassatie. Hierna wordt met “verwerende partij” enkel nog de directeur-generaal van de penitentiaire inrichtingen bedoeld.
- De verwerende partij verklaart dat de memorie van antwoord, ingediend door de Belgische Staat, ook aan haar toegerekend mag worden.1
- Het cassatieprocedurereglement voorziet niet in de mogelijkheid voor partijen om nog een laatste memorie in te dienen. De laatste memorie van de verwerende partij wordt als procedurestuk uit het debat geweerd; ze wordt in aanmerking genomen als een loutere inlichting aan de Raad van State. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- Verzoeker beschikt volgens de verwerende partij niet (meer) over het vereiste belang. Hij kan met een vernietiging niets bereiken. De gevolgen van het ondergane IBVR kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden: de maatregel werd immers al ondergaan en de plaatsingsmaatregel is verstreken 1 Wat volgt vanaf rov 6, gaat uit van die optie. IX-10.208-4/16 sinds 19 februari
- Een eventuele vernietiging van een beslissing tot het opleggen van een IBVR in het verleden zou aan verzoeker geen rechtstreeks voordeel meer opleveren dat is verbonden aan het verdwijnen van de bestreden akte uit de rechtsorde. Die vernietiging zou voor het verleden immers in rechte geen enkel rechtstreeks gevolg meer hebben: voor de betrokken periode kan geen ander regime meer worden georganiseerd. Dit zou dus niets veranderen aan de rechtstoestand van verzoeker. De door hem bestreden beslissing was reeds achterhaald op het ogenblik dat hij het cassatieberoep indiende: het bestreden veiligheidsregime verstreek op 19 februari 2023 en werd vervangen door een nieuwe beslissing IBVR die inging op 20 februari
- Het louter nastreven van een precedentwaarde verleent aan verzoeker geen belang, vermits artikel 6 GerW aan de rechterlijke uitspraken precedentwaarde ontzegt. De eventuele intentie om op grond van een uitspraak van de Raad van State een vordering tot schadevergoeding in te stellen houdt geen voldoende en rechtsreeks belang in. De latere beslissing van de directeur-generaal van 17 februari 2023 inzake de plaatsing IBVR is geen loutere verlenging van de beslissing van 22 december
- Aldus heeft het vernietigen van de voorgaande beslissing niet voor gevolg dat de beslissing tot hernieuwing eveneens nietig wordt. Beoordeling
- Met de exceptie lijkt de verwerende partij ervan uit te gaan dat verzoeker met huidig cassatieberoep de vernietiging vordert van de plaatsing in IBVR, terwijl het voorwerp van zijn vordering de vernietiging is van de beslissing van de beroepscommissie.
- De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om de vermeend onwettige uitspraak van het administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het rechtscollege wordt voorgelegd, zodat de verzoeker in cassatie een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege. IX-10.208-5/16
- Dat verzoeker de hem opgelegde maatregel volledig heeft ondergaan op het ogenblik van de uitspraak over zijn cassatieberoep, ontneemt hem niet het belang bij zijn beroep. De mogelijkheid om na cassatie bij de beroepscommissie een gunstiger beslissing te verkrijgen, bestaat immers nog steeds. Verbreekt de Raad van State de voorliggende beslissing van de beroepscommissie, dan zal deze laatste in functie van de vernietigingsgrond kunnen of moeten vaststellen dat de beslissing van 22 december 2022 onwettig aan verzoeker is opgelegd. Voor zover de gevolgen van de vernietigde beslissing niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden, kan zij in voorkomend geval aan verzoeker een niet-financiële tegemoetkoming toekennen (artikel 158, § 4, iuncto artikel 162, § 3, van de basiswet). De verwerende partij toont niet aan dat de beroepscommissie na een eventuele vernietiging van de bestreden uitspraak noodzakelijk zal moeten besluiten tot verwerping wegens een gebrek aan belang bij het hoger beroep tegen de beslissing van de directeur-generaal, inzonderheid omdat de bestreden maatregel haar volle uitwerking heeft gehad.
- De cassatierechtspraak waaraan de verwerende partij refereert ter adstructie van haar exceptie, ziet op gevallen waarin de verzoeker in cassatie hangende de cassatieprocedure genoegdoening heeft verkregen, dan wel handelingen heeft gesteld die aantonen dat hij vrijwillig verzaakt aan het voordeel dat hij kan putten uit een nieuw onderzoek van de zaak door het administratief rechtscollege. Elke vergelijking met de huidige zaak faalt.
- Verzoeker heeft als partij die in het geding voor de beroepscommissie in het ongelijk is gesteld het vereiste belang bij het instellen van zijn cassatieberoep. De exceptie wordt verworpen. IX-10.208-6/16 VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 118, § 2, derde lid, van de basiswet. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “
- Artikel 118, § 1 [lees: § 2], derde lid van de Basiswet bepaalt dat het voorstel van de directeur tot beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime ‘wordt vergezeld van een medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde’. Blijkens de parlementaire voorbereidingen die hebben geleid tot deze bepaling is de wetgever er zich van bewust dat de gevolgen van een individueel bijzonder veiligheidsregime het sterkst zijn op psychosociaal vlak, alsook dat de wetgever het principe van gelijkwaardigheid van de penitentiaire gezondheidszorg aan de reguliere gezondheidszorg vooropstaat, waarbij die gelijkwaardigheid geldt ‘op het vlak van de geneeskundige verstrekking, de zorgcontinuïteit en alle waarborgen van gezondheidszorg die ook in de vrije samenleving gelden’, wat onder meer tot gevolg heeft ‘dat de algemene basiswetgeving betreffende de zorg ook van toepassing is op de penitentiaire zorgverstrekking’. Uit het voorgaande vloeit dan ook voort dat het medisch advies bedoeld in artikel 118, § 1 [lees: § 2], derde lid van de Basiswet voor elk van de voorgestelde maatregelen binnen het voorgesteld individueel bijzonder veiligheidsregime de verenigbaarheid ervan telkens individueel moet beoordelen ten aanzien van de gezondheidstoestand van de gedetineerde om zodoende de gelijkwaardigheid van de penitentiaire gezondheidszorg aan de reguliere gezondheidszorg te kunnen garanderen voor wat betreft de gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van het voorstel van individueel bijzonder veiligheidsregime.
- De bestreden beslissing (pag. 11-12) beslist als volgt over de grief van verzoekende partij in diens beroep van 26 december 2022 gegrond op de schending van artikel 118 van de Basiswet: […] Door aldus te beslissen, beslist de bestreden beslissing dat het medisch advies bedoeld in artikel 118, § 2, derde lid van de Basiswet niet voor elk van de voorgestelde maatregelen binnen het voorgesteld individueel bijzonder veiligheidsregime de verenigbaarheid ervan telkens individueel moet beoordelen ten aanzien van de gezondheidstoestand van de gedetineerde, alsook dat het volstaat dat dergelijk medisch advies er louter moet doen van blijken dat de betrokken arts die auteur is van dat medisch advies, ermee kan volstaan kennis te hebben van de voorgestelde maatregelen binnen het voorgesteld individueel bijzonder ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 IX-10.208-7/16 veiligheidsregime, schendt de bestreden beslissing mitsdien artikel 118, § 2, derde lid van de Basiswet.”
- In de memorie van wederantwoord weerspreekt verzoeker dat hij een voorwaarde toevoegt die de basiswet niet bevat met betrekking tot het medisch advies. Het ontbreken van het woord ‘omstandig’ in de bepaling over het medisch advies betekent niet dat het medisch advies niet voldoende geïndividualiseerd moet zijn om de impact van elke voorgestelde maatregel op de gezondheid van de gedetineerde te verduidelijken. Artikel 118, § 2, derde lid, van de basiswet vereist méér dan alleen kennisname door een arts van de voorgestelde regels; het vereist een individuele beoordeling van elke voorgestelde maatregel ten opzichte van de gezondheidstoestand van de gedetineerde. Artikel 118, § 4, van de basiswet vereist dat de beslissing tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime de nadere regels met een gedetailleerde motivering van elk van de maatregelen vermeldt. Verzoeker betwijfelt hoe deze nadere regels omstandig kunnen worden gemotiveerd als er geen medisch advies is voor elke afzonderlijke maatregel. Anders dan de verwerende partij meent, verwijst verzoeker niet naar artikel 88 van de basiswet om zijn argument te ondersteunen, maar wel naar het principe van de gelijkwaardige gezondheidszorg. Hij benadrukt dat algemene rechtsregels, zoals de wet van 22 augustus 2002 ‘betreffende de rechten van de patiënt’, op gedetineerden kunnen worden toegepast. Deze wet verleent gedetineerden het recht op alle relevante informatie over hun gezondheidstoestand. Verzoeker concludeert dat een niet-geïndividualiseerd medisch advies, zoals het medisch advies in deze zaak, afbreuk doet aan deze principes omdat het niet duidelijk maakt wat de impact is van elke voorgestelde maatregel op de gezondheid van de gedetineerde. Beoordeling
- Artikel 118, §§ 1-4, van de basiswet luidt: IX-10.208-8/16 “§
- De beslissing tot plaatsing in een bijzonder individueel veiligheidsregime wordt genomen door de directeur-generaal van de penitentiaire administratie of zijn gemachtigde, op voorstel van de directeur. §
- Het voorstel vermeldt de concrete omstandigheden of gedragingen van de gedetineerde waaruit blijkt dat hij een voortdurende bedreiging uitmaakt voor de veiligheid. Het voorstel vermeldt de concrete nadere regels van de plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime, met omstandige motivering van elk van de voorgestelde maatregelen. Het voorstel wordt vergezeld van een medisch advies met betrekking tot de verenigbaarheid van de nadere regels van het voorgestelde regime met de gezondheidstoestand van de gedetineerde. §
- Alvorens het voorstel in te dienen, stelt de directeur de gedetineerde in kennis van de inhoud en de motieven van het voorstel en geeft hem de gelegenheid, desgewenst bijgestaan door een raadsman of door een door de directeur daartoe aanvaarde zelf gekozen vertrouwenspersoon, zijn verweermiddelen te laten gelden. Daarvan wordt akte genomen ten behoeve van de door de directeur-generaal te nemen beslissing. §
- De beslissing van de directeur-generaal tot plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime vermeldt de nadere regels betreffende de plaatsing, met omstandige motivering van elk van de maatregelen. De beslissing wordt ter kennis gebracht van de directeur, van de gedetineerde en, wanneer de beslissing betrekking heeft op een verdachte, van de onderzoeksrechter. De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar, ongeacht of er al dan niet hoger beroep wordt ingesteld.”
- Verzoeker betoogt “dat het medisch advies bedoeld in artikel 118, § [2], derde lid van de Basiswet voor elk van de voorgestelde maatregelen binnen het voorgesteld individueel bijzonder veiligheidsregime de verenigbaarheid ervan telkens individueel moet beoordelen ten aanzien van de gezondheidstoestand van de gedetineerde”. De beroepscommissie miskent volgens verzoeker de draagwijdte van artikel 118, § 2, derde lid, van de basiswet door geen medische beoordeling bij elk van de maatregelen te eisen. Met deze grief keert verzoeker zich tegen de volgende beoordeling door de beroepscommissie: “Beroepsindiener meent dat het medisch advies (nog steeds) niet voldoet aan de wettelijke vereisten. IX-10.208-9/16 De beroepscommissie is van oordeel dat er wel degelijk tegemoet gekomen werd aan de onwettigheden die vastgesteld werden met betrekking tot het advies in haar beslissing van 13 december 2022: - De opname van alle nadere regels van het IBVR in het medisch advies en de daaronder handgeschreven tekst van de arts ‘na kennisname van het voorgestelde individuele bijzondere veiligheidsregime’ laten toe te besluiten dat de arts heeft kennis genomen van de ‘nadere regels van het voorgestelde regime’ waarvan hij de verenigbaarheid met de gezondheidstoestand van de gedetineerde moet nagaan zoals artikel 118 § 2, derde lid, van de Basiswet vereist. - Het medisch advies bevat daarnaast de handgeschreven tekst van de arts dat hij beroepsindiener op 21 december 2022 gezien en ondervraagd heeft en dat hij hierbij geen contra-indicaties voor het instellen van het voorgestelde IBVR vastgesteld heeft noch dat de patiënt argumenten aangehaald heeft die een contra-indicatie zouden kunnen vormen hiervoor. Alzo neemt het medisch advies de vorm aan van een geïndividualiseerd advies waaruit blijkt dat de arts de gezondheidstoestand van gedetineerde onderzocht heeft. Beroepsindiener uit in zijn beroepschrift uitvoerig kritiek op hoe de arts tewerk is gegaan. De beroepscommissie stelt vast dat er geen discussie is dat de arts beroepsindiener bezocht en gesproken heeft op 21 december 2022, wel over de tijdsduur en het verloop ervan. De beroepscommissie heeft niet de bevoegdheid om het advies van een arts, gebonden door de eed hij afgelegd heeft, die stelt de patiënt onderzocht te hebben en geen contra-indicaties vast te stellen, inhoudelijk in vraag stellen. De beroepscommissie is van oordeel dat het medisch advies deze keer wel de wettelijke toets doorstaat. Zij beveelt evenwel aan dat er voortaan onder elke specifieke maatregel die deel uitmaakt van de IBVR bijkomend afzonderlijk aangegeven wordt of er al dan niet een medische contra-indicatie bestaat (zonder verplichting hierover verder uit te weiden gelet op het medisch beroepsgeheim van de arts).”
- Artikel 118, § 2, tweede lid, en § 4, van de basiswet vereist een omstandige motivering “van elk van de maatregelen”, zowel in het voorstel van het inrichtingshoofd als in de finale beslissing van de directeur-generaal (of zijn gemachtigde) tot plaatsing in IBVR. Een gelijkaardige eis tot motivering van het medisch advies voor “elk van de maatregelen” is niet opgenomen in artikel 118, § 2, derde lid, van de basiswet. Tijdens de parlementaire voorbereiding van deze bepaling zou de minister van Justitie overigens verklaren dat het verschil in redactie geen “vergetelheid” is, omdat het derde lid “betrekking [heeft] op het medisch advies IX-10.208-10/16 terwijl het tweede lid gaat over het voorstel tot plaatsing in een bijzonder individueel veiligheidsregime” (Parl.St. Kamer 2004-2005, 0231/015, 135).
- De beroepscommissie mocht bijgevolg, na te hebben vastgesteld dat “alle nadere regels van het IBVR in het medisch advies [zijn opgenomen] en de daaronder handgeschreven tekst van de arts ‘na kennisname van het voorgestelde individuele bijzondere veiligheidsregime’” besluiten “dat de arts heeft kennis genomen van de ‘nadere regels van het voorgestelde regime’ waarvan hij de verenigbaarheid met de gezondheidstoestand van de gedetineerde moet nagaan zoals artikel 118 § 2, derde lid, van de Basiswet vereist”.
- De aangevoerde gelijkwaardigheid van de penitentiaire gezondheidszorg aan de reguliere gezondheidszorg op vlak van informatie van de patiënt houdt geen verband met de medische adviesverlening in artikel 118, § 2, van de basiswet en kan dan ook niet tot de gegrondheid van het cassatiemiddel leiden.
- Het middel faalt naar recht. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker vat het middel als volgt samen: “
- Artikel 149 van de Grondwet bepaalt dat elk vonnis met redenen omkleed is. Deze verplichting geldt ook voor de Beroepscommissie gezien deze een administratief rechtscollege uitmaakt.
- Deze motiveringsverplichting houdt in dat de bodemrechter moet antwoorden op de middelen of de argumentatie van de betrokkene.
- Verzoekende partij heeft in zijn beroep van 26 december 2022 een schending ingeroepen van de artikelen 3 en 13 EVRM tegen de beslissing van 22 december
- IX-10.208-11/16 De bestreden beslissing beantwoordt dit zelfstandig middel uit het beroep niet, terwijl dit middel een afzonderlijke juridische betwisting voert in vergelijking met de overige middelen uit het beroep. Door het middel gegrond op de aangevoerde schending van de artikelen 3 en 13 EVRM niet te beantwoorden, schendt de bestreden beslissing artikel 149 van de Grondwet.”
- Verzoeker betoogt in de memorie van wederantwoord dat de beroepscommissie enkel reageerde op het aspect van proportionaliteit en oordeelde dat sinds zijn aankomst enkele versoepelingen waren doorgevoerd, zoals langere observatie-intervallen, extra voorwerpen op cel en individuele sportmogelijkheden. De beroepscommissie concludeert dat er geen reden was om de billijkheid en proportionaliteit van de maatregelen in twijfel te trekken. Opvallend is dat de beroepscommissie niet heeft onderzocht of de opgelegde maatregelen als onmenselijke en vernederende behandeling werden beschouwd. Er is geen motivering te vinden in de bestreden beslissing met betrekking tot dit aspect. De verwerende partij kan niet beweren dat de beroepscommissie de maatregelen heeft geëvalueerd in het licht van de artikelen 3 en 13 van het Europees verdrag over de rechten van de mens (EVRM), omdat de commissie zich alleen heeft gericht op de geleidelijke versoepeling van de maatregelen. Dit is geen evaluatie met betrekking tot de artikelen 3 en 13 EVRM, ondanks dat artikel 3 EVRM absoluut is en geen uitzonderingen kent, ongeacht de omstandigheden of het gedrag van het slachtoffer. Beoordeling
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Hij is niet IX-10.208-12/16 gehouden te antwoorden op de argumenten die een verzoekende partij ter staving van haar middel heeft aangevoerd, maar die geen afzonderlijk middel uitmaken.
- Verzoeker heeft in zijn hoger beroep bij de beroepscommissie de schending ingeroepen van artikel 3 EVRM (verbod op foltering) en artikel 13 EVRM (recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel). Daarbij verwijst hij naar “een lijden dat enig onvermijdbaar malaise van de hechtenis ernstig overschrijdt. De plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime is in strijd met de minimumvereisten van een menswaardige detentie”. Zo verwijst hij naar de slaaponthouding, langdurige eenzame opsluiting, minimaal contact met medegedetineerden, gevangenispersoneel en buitenwereld, een gebrek aan natuurlijk licht en een ernstige afwezigheid van fysieke activiteit en recreatiemogelijkheden. De opgelegde maatregelen moeten “actueel verantwoord en proportioneel” zijn. Er is daarbij een “ernstige inhoudelijke motivering” vereist. Toegepast op zijn situatie stelt verzoeker dat de bestreden maatregel “dan ook in strijd is met artikel 3 van het EVRM, nu deze verzoeker blootstelt aan ontberingen die het onvermijdelijke lijden (dat inherent is aan detentie) te boven gaat en neerkomen op een onmenselijke en vernederende behandeling”. Hij concludeert dat de maatregel “in strijd is met de wet” en “niet voldoet aan de motiveringsplicht, het proportionaliteitsbeginsel en de vereisten van redelijkheid en billijkheid”. Uit deze uiteenzetting mocht de beroepscommissie afleiden dat verzoeker doelt op de proportionaliteit van de hem opgelegde maatregel.
- De beroepscommissie oordeelt over de proportionaliteit van de opgelegde maatregel in de volgende bewoordingen: “De beroepscommissie dient tot slot te beoordelen of de beslissing onredelijk of onbillijk moet worden geacht, bij een afweging van alle in aanmerking komende belangen[…]. De beslissing tot plaatsing in een IBVR vereist een afweging van verschillende belangen, enerzijds het kunnen vrijwaren van de veiligheid binnen de gevangenis en anderzijds de toestand en de belangen van de gedetineerde. Het IBVR moet proportioneel zijn, zowel wat de duur als wat de omvang betreft. IX-10.208-13/16 De beroepscommissie merkt op dat het regime van beroepsindiener sinds zijn aankomst bepaalde versoepelingen heeft ondergaan: - Beroepsindiener is op 6 december 2022 overgeplaatst van een beveiligde de cel naar een aan hem toegewezen verblijfsruimte (waar hij beschikt over stromend water, een frigo, een normaal bed, TV, Prison cloud en telefoon op cel). - Vanaf 18 december 2022 is er geen observatie meer om de 30 minuten, maar om de 60 minuten. - Hij beschikt over een aantal extra toegelaten voorwerpen op cel. - Er wordt individuele sportbeoefening voorzien voor beroepsindiener (fietsen en fitness). De genomen maatregelen zijn telkens gemotiveerd vanuit het vluchtrisico. De beroepscommissie stelt vast dat er, waar mogelijk, geleidelijk aan versoepelingen werden aangebracht en dat er op die manier rekening gehouden wordt met de bezwaren die beroepsindiener uit. De beroepscommissie ziet derhalve geen reden om het redelijk en billijk karakter in vraag te stellen. De beroepscommissie wenst aan het bovenstaande nog toe te voegen dat een observatie om de 60 minuten het voor beroepsindiener moeilijk maakt om gedurende een lange aaneensluitende periode te slapen. Vanuit die optiek werd hem al een slaapmasker ter beschikking gesteld. De beroepscommissie draagt daarnaast op dat de observatie ’s nachts beperkt moet blijven tot het schijnen met een zaklamp in de cel van beroepsindiener en dat er enkel overgegaan mag worden tot het openen van de celdeur of het ontsteken van het licht in de cel wanneer en als daartoe concrete aanwijzingen zouden zijn bij het kijken met de zaklamp. Zo wordt de slaap van beroepsindiener zo weinig mogelijk verstoord.” Hoewel de beroepscommissie in haar beoordeling geen expliciete melding maakt van artikel 3 EVRM kan uit de motivering ook worden achterhaald waarom zij van oordeel is dat er bij het opleggen van de plaatsing IBVR geen sprake is van een onmenselijke of vernederende behandeling. De beroepscommissie verwijst naar de versoepelingen aan het regime sinds de aankomst van verzoeker waarbij in de mate van het mogelijke rekening is gehouden met diens bezwaren en naar het vluchtrisico die het regime rechtvaardigen.
- De schending van artikel 149 van de Grondwet is in zoverre niet aangetoond.
- Verzoeker heeft voor de beroepscommissie nog aangevoerd dat “het chronologisch verloop van de feiten en (vernietigde) beslissingen bovendien ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 IX-10.208-14/16 artikel 13 EVRM in het gedrang brengt”, omdat de directie en de directeur- generaal “steevast de beslissingen van de Klachtencommissie […], de Beroepscommissie […] en de alleensprekend klachtenrechter […] naast zich neerleggen en telkenmale onwettige beslissingen blijven nemen om die te omzeilen”. Die grief is vreemd aan de vraag of de met het beroep bestreden plaatsingsmaatregel wettig is, zodat verzoeker geen belang heeft om aan te voeren dat de beroepscommissie hierop geen antwoord heeft gegeven. In die mate is het middel onontvankelijk.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, wordt buiten de zaak gesteld.
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Jurgen Neuts, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 IX-10.208-15/16 Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.208-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.051 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.