id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.058 Rolnummer: A. 240155/XII-9562 Zaak: Arrest 259058 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen - 07/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-19 Raadplegingen: 123 - laatst gezien 2026-06-19 01:31 Fiche Arrest nr 259.058 van 7 maart 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen en paramedische beroepen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.058 van 7 maart 2024 in de zaak A. 240.155/XIV-39.277 In zake:
- de ORDE VAN DIERENARTSEN
- T.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hugo Lamon kantoor houdend te 3500 Hasselt de Schiervellaan 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 181/24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 28 september 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van het Koninklijk besluit van 21 juli 2016 betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen, door de dierenartsen en door de verantwoordelijken voor de dieren’. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-39.277-1/14 Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hugo Lamon, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Caroline Bützler, die loco advocaten Jérôme Sohier en Manoël De Keukelaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De eerste verzoekende partij is de bij artikel 1 van de wet van 19 december 1950 ‘tot instelling van de Orde der Dierenartsen’ ingerichte (gelijknamige) beroepsorde van de dierenartsen. Tweede verzoeker is een dierenarts die enkel niet-voedselproducerende dieren verzorgt. 3.
- Het sub 1 genoemde koninklijk besluit van 21 juli 2023 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 juli 2016 betreffende de voorwaarden voor het gebruik van geneesmiddelen, door de dierenartsen en door de verantwoordelijken voor de dieren’, dat het bestreden besluit is, wijzigt zoals uit de benaming ervan blijkt, het (gelijknamige) koninklijk besluit van 21 juli 2016 XIV-39.277-2/14 (hierna: het besluit van 21 juli 2016) in het kader van de strijd tegen antimicrobiële resistentie. De met het bestreden besluit (dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2023), doorgevoerde wijzigingen betreffen in hoofdzaak (i.) een aanpassing van de in artikel 1 van het besluit van 21 juli 2016 gehanteerde definitie van “geneesmiddelen” en, voorts, (ii.) de bepalingen inzake het gebruik van bepaalde antimicrobiële geneesmiddelen (Afdeling 1 ‘Beperkingen in het gebruik van bepaalde antimicrobiële geneesmiddelen’ van Hoofdstuk VI ‘Bijzondere maatregelen betreffende bepaalde geneesmiddelen’ van het besluit van 21 juli 2016), evenals (iii) de bepalingen inzake de verplichting tot registratie van bepaalde geneesmiddelen (Afdeling 2 ‘Registratie van de voorgeschreven en verschafte geneesmiddelen in SANITEL-MED’ van datzelfde hoofdstuk VI). Deze wijzigingen strekken ertoe uitvoering te geven aan de Verordening 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ‘betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG’ (hierna: de verordening 2019/6) en de Gedelegeerde verordening (EU) 2021/578 van de Commissie van 29 januari 2021 ‘tot aanvulling van Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor het verzamelen van gegevens over het verkoopvolume en het gebruik van antimicrobiële geneesmiddelen bij dieren’ (hierna: de gedelegeerde verordening 2021/578) in de strijd tegen antimicrobiële resistentie. Deze wijzigingen hebben betrekking op het voorschrijven, verschaffen en toedienen van bepaalde kritische antibiotica. Concreet, wordt in artikel 1, 1°, van het besluit van 21 juli 2016 de definitie van het begrip “geneesmiddelen”, gelet op de verordening 2019/6, aangepast waardoor zowel humane antimicrobiële middelen als diergeneesmiddelen worden geviseerd. XIV-39.277-3/14 De wijzigingen aan afdeling 1 van hoofdstuk VI strekken ertoe: (i.) de draagwijdte van het principiële verbod van het voorschrijven, verschaffen en toedienen van bepaalde kritisch belangrijke antibiotica uit te breiden tot alle dieren (en niet langer enkel bij voedselproducerende dieren) en de aanpassing van de uitzondering op dit verbod; (ii.) de vereisten te verfijnen waaraan het labo moet voldoen waar een dierenarts zich op beroept voor de uitvoering van de antibioticumgevoeligheidstest; (iii.) te voorzien in de mogelijkheid om voor de verschillende aspecten van deze test gebruik te maken van meerdere labo’s; (iv.) te voorzien in een vergelijkingscriterium inzake bacteriegevoeligheid voor deze test; en (v.) te voorzien in een bijkomend geval waarbij een dierenarts toch, zonder afdoende antibioticumgevoeligheidstest en mits motivering, een kritisch belangrijk antibioticum mag gebruiken. De wijzigingen aan afdeling 2 van hoofdstuk VI tot slot, betreffen de invoeging van bijkomende door de dierenarts te registreren elementen, met name (i.) de bacteriële aandoening waarvoor het geneesmiddel werd voorgeschreven, verschaft of toegediend en (ii.) de vermelding dat deze bacteriële aandoening is bevestigd door één of meer van de volgende wijzen: 1° een klinisch onderzoek, 2° de identificatie van de bacteriestam na een passende monstername of, 3° een antibioticumgevoeligheidstest uitgevoerd door een labo dat beantwoordt aan bepaalde kwaliteitsnormen. Voorts wordt in een bijlage 5 bij het bestreden besluit nog bepaald op welke dierensoorten en -categorieën de bedoelde registratie op de voorgeschreven, verschafte en toegediende geneesmiddelen in de door het FAGG ingerichte elektronische databank “SANITEL-MED” van toepassing is. Tot slot wordt de datum aangepast waarop de verantwoordelijke van de dieren, met opgave van redenen, aan de dierenarts kan vragen om de door hem geregistreerde gegevens die op zijn beslag betrekking hebben, te verbeteren. XIV-39.277-4/14 3.
- Het bestreden besluit dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 2023, vindt onder meer rechtsgrond in artikel 44 van de wet van 5 mei 2022 ‘betreffende diergeneesmiddelen’ (hierna: de wet van 5 mei 2022) waarin is bepaald dat de Koning, overeenkomstig artikel 107, lid 7, van verordening 2019/6, op voordracht van de minister bevoegd voor volksgezondheid en de minister bevoegd voor landbouw, het gebruik van bepaalde antimicrobiële stoffen bij dieren kan beperken of verbieden indien de toediening van dergelijke antimicrobiële stoffen bij dieren in strijd is met de uitvoering van een nationaal beleid inzake verstandig gebruik van antimicrobiële stoffen. Verder vindt het besluit rechtsgrond in artikel 9, § 2, derde lid, van de wet van 28 augustus 1991‘op de uitoefening van de diergeneeskunde’ (hierna: de wet van 28 augustus 1991) en in artikel 23, derde lid, van de eerdergenoemde wet van 5 mei
- Overeenkomstig eerstgenoemd artikel 9, § 2, derde lid, kan de Koning de nadere regels bepalen van de registratie en validatie en het gebruik van het centraal gegevensbestand bedoeld in het tweede lid van diezelfde bepaling, en kan Hij de voorwaarden en nadere regels bepalen waaronder het gegevensbestand kan worden verwerkt voor de controle op de verschaffing en het voorschrijven aan de verantwoordelijken van de dieren. Artikel 23, derde lid, van de wet van 28 augustus 1991 delegeert aan de Koning de bevoegdheid om de nadere regels te bepalen met het oog op de uitvoering van artikel 57, lid 5, van de verordening 2019/6 en van de gedelegeerde handelingen van de Commissie, bedoeld in artikel 57, lid 3, van diezelfde verordening. 3.
- Het bestreden besluit is in werking getreden op de tiende dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, dit is op 10 augustus
- IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel XIV-39.277-5/14 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting
- Wat de vereiste spoedeisendheid betreft, zetten de verzoekende partijen in het verzoekschrift wat volgt uiteen. De eerste verzoekende partij is het wettelijk orgaan dat instaat voor de goede werking van de dierenartsenij. Het bestreden besluit heeft tot gevolg dat de grote meerderheid van de dierenartsen, die allemaal onderworpen zijn aan het toezicht van de eerste verzoekende partij, materieel niet in staat zijn de nieuwe bepalingen na te leven. Het overgrote deel van de dierenartsen is actief in de behandeling van niet-voedselproducerende dieren en de dierenartsen worden nu voor het eerst geconfronteerd met de nieuwe formaliteiten van voorafgaande labotesten en de registratieplicht. Ze beschikken vaak (nog) niet over de vereiste informaticatoepassingen om de in het bestreden besluit opgelegde verplichtingen op korte termijn uit te voeren. Er is ook nog geen mogelijkheid geweest om het korps van dierenartsen afdoende op te leiden om deze grote omwenteling in de uitoefening van het beroep in de praktijk mogelijk te maken, zeker omdat krachtens de verordening 2019/6 de Europese wetgever die aanpassing pas vereist tegen 22 januari
- De sector dient dan ook de tijd te krijgen zich degelijk voor te bereiden op deze wijzigingen. De eerste verzoekende partij lijdt hierdoor een schade omdat zij als hoeder van de eer en de waardigheid van het beroep van dierenarts niet moet dulden dat een groot deel van de beroepsbeoefenaars niet in staat is om in deze omstandigheden zijn wettelijke verplichtingen na te komen en het ganse beroep daardoor dreigt gedesorganiseerd te worden. Dat is bijzonder nefast voor het dierenwelzijn en ook voor het vertrouwen dat het publiek vermag te hebben in het vrij beroep van dierenarts. De Orde van dierenartsen heeft een wettelijke opdracht om de goede werking van het beroep van dierenarts te organiseren en door de onbesuisde maatregel uit de bestreden beslissing dreigt de therapeutische vrijheid dermate te worden aangetast XIV-39.277-6/14 dat vele zieke dieren niet tijdig zullen worden behandeld en een groot deel van de beroepsgroep in chaos wordt gestort. Die situatie is dermate ernstig en urgent dat niet kan worden gewacht tot aan de behandeling van de procedure in nietigverklaring via de gewone weg. De door de te korte implementatietermijn onuitvoerbare regeling zoals die voortvloeit uit het bestreden besluit zal meebrengen dat het FAGG processen-verbaal zal opstellen bij de dierenartsen. De eerste verzoekende partij zal, zo stelt zij, nadien tuchtprocedures dienen te initiëren wegens miskenning van een wettelijke verplichting terwijl de eerste verzoekende partij weet dat de regeling zoals voorzien in het bestreden besluit op zeer korte termijn onuitvoerbaar is en zij toch zou worden verplicht om sancties uit te spreken ten aanzien van haar leden op grond van de processen-verbaal van de toezichthoudende overheidsinstantie. Wat tweede verzoeker betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat deze zich “toelegt op de behandeling van wilde dieren (niet-voedselproducerende dieren) zoals apen, kangoeroes en reeën”. Hij wordt geconfronteerd met de praktische onmogelijkheid om de bepalingen van het bestreden besluit toe te passen omdat deze dieren moeilijk te vangen zijn voor het nemen van stalen. Dit maakt het quasi onmogelijk om stalen te nemen, precies omdat de dieren die hij behandelt dergelijke ingrepen niet dulden. Een dergelijk dier zal, bij toepassing van het bestreden besluit, verschillende keren moeten worden verdoofd, wat grote – en onnodige risico’s – inhoudt voor zowel het dier als de dierenarts. Dit is een ernstige schade, doordat de betrokken dierenarts wordt geconfronteerd met het dilemma tussen het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit het bestreden besluit eensdeels en het blijven nastreven van het dierenwelzijn anderdeels (wat dan betekent de wettelijke verplichtingen naast zich neerleggen). Tweede verzoeker beschikt voorts niet over de nodige software om tegemoet te komen aan alle registratieverplichtingen. Er zijn op de markt overigens enkel softwarepakketten ter beschikking die afgestemd zijn op de behandeling van voedselproducerende dieren (omdat daar die verplichting al enige tijd bestaat en er ook een economisch draagvlak is om de daaraan verbonden kosten te kunnen afwentelen op de veehouders, “maar is niet mogelijk bij de eigenaars van de dieren XIV-39.277-7/14 die [tweede verzoeker] behandelt”. De bijkomende laboratoriumproeven hebben ook een kostprijs en tweede verzoeker kan die niet doorrekenen aan de eigenaars van de dieren. Hierdoor komt de goede diergeneeskundige zorg in het gedrang. Tweede verzoeker wordt ook geconfronteerd met de afwezigheid van modellen en er zijn ook geen goedgekeurde antibiogrammen, wat maakt dat het bestreden besluit niet uitvoerbaar is. Tweede verzoeker is dan ook niet in staat de thans opgelegde nieuwe verplichtingen uit te voeren en dreigt door de toezichthoudende tuchtoverheid daarvoor te worden gesanctioneerd waardoor zijn verder functioneren als dierenarts ernstig wordt bedreigd. Die door het bestreden besluit gecreëerde situatie maakt dat niet kan worden gewacht op de behandeling van de procedure tot nietigverklaring. De situatie is immers onhoudbaar. Tweede verzoeker behandelt ook honden en katten. Het bestreden besluit “is bijna onmogelijk toe te passen in de context van het beheer van dieren zoals zwerfkatten, normaal gesproken huiskatten, maar ongeschikt om mee om te gaan en die drager kunnen zijn van bepaalde zoönoseachtige pathologieën (toxoplasmose) waarvoor een antibioticabehandeling nodig is en waarvoor de door het bestreden besluit vereiste voorafgaande analyses bijna onmogelijk toe te passen zijn”. Hetzelfde geldt voor bepaalde ziektepatronen bij honden, bijvoorbeeld mogelijke gevallen van leptospirose bij honden, waardoor het dier binnen 24 tot 48 uur verslechtert en sterft, waardoor een zeer snelle toediening van antibiotica zich opdringt gelet op het risico voor mensen en hun gezinnen. Er kan dan ook niet worden gewacht op een behandeling in afwachting van de testresultaten. Tijdens bijscholing van dierenartsen wijzen specialisten erop dat in dat geval de antibioticakuur zo snel mogelijk moet worden opgestart en wel “zeker vooraleer de diagnose [is] bevestigd” omdat de pathologie zodanig snel evolueert (zowel bij mens als dier) dat geen enkele andere keuze mogelijk is. Tweede verzoeker zal, bij verplichte naleving van het bestreden besluit, niet enkel in gewetensnood komen, (omdat hij handelingen niet kan uitvoeren die hij vanuit therapeutisch oogpunt noodzakelijk vindt) en ook een morele schade ondervinden (omdat hij verplicht wordt in te boeten op de therapeutische mogelijkheden om het dierenwelzijn te realiseren). Dit kan niet hersteld worden door de loutere vernietiging van het bestreden besluit. XIV-39.277-8/14 Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-39.277-9/14
- Behoudens uitdrukkelijk andersluidende bepaling, wordt de spoedeisendheid van de zaak niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. Een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing beoogt te verkrijgen, is er dan ook toe gehouden in haar verzoekschrift een op de omstandigheden van haar zaak betrokken uiteenzetting op te nemen die ziet op de voorwaarde van de spoedeisendheid en waarin zij duidelijk aantoont dat de vernietigingsprocedure te laat zou komen om het onomkeerbare nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. Daarbij mag in beginsel alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing en de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. De voorwaarde van de spoedeisendheid, tot slot, is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de spoedeisendheid te aanvaarden.
- Te dezen voeren de verzoekende partijen in essentie aan dat de eerste verzoekende partij schade lijdt omdat de beroepsbeoefenaars niet in staat zullen zijn om de wettelijke verplichtingen na te komen en het hele beroep gedesorganiseerd dreigt te worden. Dit is nefast voor het dierenwelzijn en het vertrouwen van het publiek. Verder heeft zij, als beroepsorde, de wettelijke opdracht om de goede werking van het beroep van dierenarts te organiseren en XIV-39.277-10/14 door de “onbesuisde” maatregel dreigt de therapeutische vrijheid dermate te worden aangetast dat vele zieke dieren niet tijdig zullen worden behandeld. Opnieuw wordt verwezen naar chaos. Er zullen immers processen-verbaal door het FAGG worden opgesteld en de eerste verzoekende partij “zal sancties moeten uitspreken in tuchtprocedures”. De uiteenzettingen door de verzoekende partijen bevatten slechts hypotheses cq. veronderstellingen waarbij zij uiting geven aan hun bekommernissen die de toepassing van een nieuwe regelgeving zou kunnen veroorzaken. Zij staven deze beweringen echter geenszins met concrete gegevens waaruit zou blijken dat de “grote meerderheid” van de dierenartsen materieel niet in staat is om het besluit na te leven. Er wordt niet uiteengezet waarom het niet mogelijk zou zijn om de vereiste informatietoepassing te implementeren of een labotest aan te vragen of te voldoen aan een registratieverplichting in een overigens reeds bestaande informaticatool/gegevensbank die reeds nu, zoals blijkt uit het wetgevingsdossier dat de verwerende partij met het administratief dossier heeft bijgebracht, “geschikt [is] voor het registreren en het rapporteren van de gegevens in uitvoering van artikel 57 van verordening (EU) 2019/6 en de gedelegeerde verordening (EU) 2021/578”. Bovendien is de gegevensregistratie door de dierenarts in “Sanitel-Med” niet voor alle diersoorten verplicht doch (vooralsnog) enkel voor de diersoorten die zijn vervat in de bijlage 5 die is gevoegd bij het besluit van 21 juli 2016 zoals deze bijlage is aangepast bij het bestreden besluit (art. 70/3, § 2, van het besluit van 21 juli 2016). Niet blijkt, minstens wordt niet inzichtelijk gemaakt, waarom dit – anders dan de verwerende partij aangeeft –, niet het geval zou zijn. In de mate de verzoekende partijen verwijzen naar een eventuele beperking van de therapeutische vrijheid van de dierenarts cq. gewetensnood, maken zij niet aannemelijk dat de bijkomende verplichtingen bij het gebruik van bepaalde kritische antibiotica in het kader van de steeds urgenter wordende problematiek van antimicrobiële resistentie tegen bepaalde geneesmiddelen die een overdadig of niet verantwoord gebruik van antimicrobiële stoffen meebrengt, XIV-39.277-11/14 een dusdanige inperking van de therapeutische vrijheid inhoudt dat deze inperking van therapeutische vrijheid niet kan worden verdragen gedurende de periode die een beroep tot nietigverklaring met zich meebrengt. Wat de verwijzing naar bepaalde dringende situaties betreft, maken de verzoekende partijen geenszins in concreto aannemelijk of inzichtelijk waarom artikel 69 van het besluit van 21 juli 2016 dat nochtans de mogelijkheid biedt om, in uitzonderlijke gevallen, op gemotiveerde wijze, toch een kritisch belangrijk antibioticum toe te dienen aan een dier om het leven van dat dier te redden of om onherstelbare schade te voorkomen, niet volstaat om te vermijden dat zieke dieren niet tijdig zullen worden behandeld. In die omstandigheden zijn de beweringen in verband met eventuele via tuchtprocedures op te leggen sancties op dit ogenblik louter hypothetisch. Er wordt geen enkel concreet gegeven voorgelegd.
- Met betrekking tot tweede verzoeker wordt, wat de spoedeisendheid betreft, in essentie aangevoerd dat omwille van het soort dieren dat hij behandelt, m.n. (ook) wilde dieren, het quasi onmogelijk is om een staal te nemen. Er wordt niet uiteengezet noch geconcretiseerd waarom artikel 67, § 2, tweede lid, en/of artikel 69 van het besluit van 21 juli 2016 geen toepassing zouden vinden of niet zouden volstaan om het beweerde nadeel te voorkomen. Evenmin wordt duidelijk gemaakt waarom er geen geschikt softwarepakket zou kunnen worden bekomen. De bewering dat de kostprijs enkel kan worden doorgerekend aan de eigenaar van voedselproducerende dieren maar niet aan eigenaars van andere dieren, wordt niet aannemelijk gemaakt of aangetoond op basis van concrete aantoonbare gegevens, minstens worden die niet bijgebracht. Overigens, daargelaten nog dat het nadeel van de verhoogde kostprijs – nadeel dat zich in de eerste plaats situeert in hoofde van de houder van het dier en niet in hoofde van tweede verzoeker – die niet zou kunnen worden doorgerekend aan de eigenaar van gezelschapsdieren zoals honden en katten, laat het zich begrijpen dat die verhoogde kostprijs voor de verantwoordelijke voor het dier allicht niet aangenaam is doch er niet aan kan worden voorbijgegaan dat het houden van (huis-)dieren XIV-39.277-12/14 impliceert dat deze moeten worden verzorgd, wat ten behoeve van hun gezondheid en welzijn onvermijdelijk kosten met zich meebrengt. Desalniettemin, in zoverre tweede verzoeker zich erom bekommert dat hij de gemaakte kosten niet zal kunnen doorrekenen hetzij aan de verantwoordelijke voor het dier zoals de eigenaar, hetzij omdat het gaat om (onbewaakte) dieren zoals zwerfkatten of andere (in het wild) levende dieren, verzuimt verzoeker op enige wijze inzicht te geven of hij dergelijke dieren daadwerkelijk verzorgt en, zo ja, in welke frequentie wat relevant is om inzicht te krijgen in het beweerde financieel nadeel dat hij door de bestreden beslissing vreest te ondergaan. Een financieel nadeel volstaat immers in beginsel niet om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden aangezien het in beginsel herstelbaar is. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van tweede verzoeker een zodanige impact heeft dat hij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde en die uitspraak onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van die verzoekende partij veilig te stellen. Een financieel verlies kan immers, tenzij het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt, worden hersteld na een annulatiearrest in welk geval een regularisatie van de financiële gevolgen zich opdringt. Tweede verzoeker verzuimt echter zoals hiervoor is uiteengezet, zulks aan te tonen of aannemelijk te maken. In zoverre tot slot de spoedeisendheid nog wordt gebaseerd op de onmogelijkheid om het bestreden besluit toe te passen bij (onder meer) zwerfkatten (“normaal gesproken huiskatten, maar ongeschikt om mee om te gaan”) of, nog, in het geval van bepaalde (zoals snel-evoluerende) ziektes bij honden, wordt opnieuw voorbijgegaan aan de uitzonderingen voorzien in het bestreden besluit in artikel 67, § 2, tweede lid, en artikel 69, minstens wordt niet inzichtelijk gemaakt aan de hand van verifieerbare gegevens waarom die uitzonderingen niet zouden volstaan.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat de verzoekende partijen niet aantonen dat er sprake is van spoedeisendheid. XIV-39.277-13/14 Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeven maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVde kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.277-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.058 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div