id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.127 Rolnummer: A. 235854/VII-41330 Zaak: Arrest 259127 - Kansspelen - 14/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-26 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Arrest nr 259.127 van 14 maart 2024 Justitie - Kansspelen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.127 no lien 276142 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.127 van 14 maart 2024 in de zaak A. 235.854/VII-41.330 In zake : N.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Francky Verschuere kantoor houdend te 8790 Waregem Oude Desselgemstraat 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
- de KANSSPELCOMMISSIE BIJ DE FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 10 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing dd. 16/02/22 […] van de Kansspelcommissie, waarbij beslist werd tot de schorsing voor een periode van één jaar van de vergunning FD267453 van verzoeker voor het aannemen van weddenschappen bij wijze van nevenactiviteit in een dagbladhandel gelegen te 8790 Waregem, […], waarbij deze schorsing ingaat op 1 april 2022 om 00:00u en eindigt op 31 maart 2023 om 23:59u”. VII-41.330-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 253.287 van 21 maart 2022 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft op 21 september 2022 een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 februari
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Francky Verschuere, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Fien Duymelinck, die loco advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.330-2/13 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is exploitant van een dagbladhandel gelegen te Waregem. Hij beschikt over een kansspelvergunning klasse F2 - vergunning FD267453 - voor het aannemen van weddenschappen bij wijze van nevenactiviteit in een dagbladhandel. 3.
- Naar aanleiding van een klacht door een omwille van gokverslaving uitgesloten speler wordt er begin 2021 een onderzoek uitgevoerd door de controlecel van de Kansspelcommissie naar het aannemen van weddenschappen door verzoeker. In een aanvankelijk proces-verbaal wordt vastgesteld dat zich op 7 januari 2021 de volgende feiten hebben voorgedaan in de dagbladhandel: “[V]oor rekening van [V.J.] [werden in een tijdspanne van 3 uur en 26 minuten] in totaal 79 weddenschappen ingevoerd via de kassaterminal van dagbladhandel [J.] voor een totaalbedrag van 15.040 euro […]. Dit bedrag overschrijdt ruimschoots het bedrag van 200 euro inzet dat in een dagbladhandel waar als nevenactiviteit weddenschappen worden aangenomen is toegelaten per persoon per dag. Het feit dat de afrekening wordt gecommuniceerd via een bericht en het feit dat de weddenschappen zijn aangenomen via de kassaterminal in dagbladhandel [J.] in een tijdspanne van 3 uur en 26 minuten doet vermoeden dat [V.J.] de vraag tot het plaatsen van deze weddenschappen via een bericht heeft doorgegeven aan [verzoeker], waarna [verzoeker] tot het aannemen van de gevraagde weddenschappen is overgegaan via de kassaterminal in de dagbladhandel, zonder dat [V.J.] voor het afsluiten van deze weddenschappen effectief een financiële transactie ter betaling van de inzetten heeft uitgevoerd. Het verlenen van krediet ter betaling van een inzet om aan weddenschappen te kunnen deelnemen is verboden.” 3.
- De zaak wordt verder onderzocht met tussenkomst van de Procureur des Konings, waarbij de kassaterminal van de dagbladhandel en de GSM van verzoeker in beslag worden genomen. Verzoeker geeft tijdens een VII-41.330-3/13 verhoor toe dat hij krediet heeft verleend aan V.J. en hem heeft toegelaten om weddenschappen aan te gaan van meer dan 200 euro per dag, omdat hij door V.J. afgedreigd zou zijn geweest. De Procureur des Konings beslist om de zaak niet strafrechtelijk te vervolgen. 3.
- De Kansspelcommissie start een administratieve sanctieprocedure op grond van de artikelen 15/2 en 15/3 van de wet van 7 mei 1999 ‘op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers’ (hierna: kansspelwet). In het kader van die procedure heeft verzoeker zijn schriftelijke verweermiddelen ingediend. 3.
- Met de thans bestreden beslissing van 16 februari 2022 gaat de Kansspelcommissie over tot de schorsing van de kansspelvergunning FD267453 voor een periode van een jaar, met ingang van 1 april
- IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel, inzonderheid het evenredigheidsbeginsel of proportionaliteitsbeginsel”. Verzoeker betoogt dat de schorsing van de kansspelvergunning voor een periode van een jaar kennelijk in wanverhouding staat tot de feiten die zich slechts gedurende enkele uren in een namiddag hebben afgespeeld en dit ingevolge belaging door een persoon die een zware gokverslaafde bleek te zijn. Het gaat dus niet over feiten die zich gedurende meerdere dagen of over een langere periode hebben voorgedaan en het contact met de bewuste speler werd onmiddellijk verbroken. Voorts benadrukt verzoeker dat door de sanctie een belangrijke activiteit van de handelszaak wordt “onthoofd” waardoor de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.127 VII-41.330-4/13 continuïteit ervan in het gedrang komt. De sanctie is zodanig buiten verhouding tot de feiten dat geen enkele in redelijkheid handelende overheid ze zou opleggen. Zijn persoonlijke situatie wordt overmatig bezwaard, terwijl het algemeen belang slechts zeer beperkt werd geschonden. Daarenboven heeft hij nooit eerder sancties opgelopen bij het aanbieden van kansspelen en kan hij zich beroepen op een “onberispelijk verleden”.
- In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat een sanctie in een redelijke verhouding moet staan tot de strafbare feiten. Hij wijst erop dat er geen sprake was van enig opzet in zijnen hoofde, hij zat in een rollercoaster van belaging die namiddag. Beoordeling
- Artikel 43/4, § 5, 1°, van de kansspelwet luidt: “Buiten voormelde kansspelinrichtingen klasse IV mogen tevens worden aangenomen: 1° de weddenschappen op sportevenementen en op paardenwedrennen, bij wijze van strikt omschreven nevenactiviteit door de dagbladhandelaars, natuurlijke personen of rechtspersonen, die als commerciële onderneming zijn ingeschreven in de Kruispuntbank voor ondernemingen, voor zover ze niet worden aangenomen in gelegenheden waar alcoholische dranken worden verkocht voor verbruik ter plaatse. De Koning bepaalt de omschrijving van de nevenactiviteit en de nadere voorwaarden die de dagbladhandelaars moeten naleven voor de aanneming van deze weddenschappen. Zij dienen te beschikken over een vergunning klasse F2;” Artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 2010 ‘tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrichtingen klasse IV’ (hierna: koninklijk besluit van 22 december 2010), bepaalt: “De aanneming van weddenschappen door de dagbladhandelaars is slechts toegestaan voor weddenschappen waarvoor door de speler een inzet werd gedaan die het bedrag of de tegenwaarde van 200 euro niet overschrijdt. Verscheidene inzetten door eenzelfde speler voor eenzelfde of voor verschillende weddenschappen, die per dag gezamenlijk het bedrag of de VII-41.330-5/13 tegenwaarde van 200 euro overschrijden, dienen door de vergunninghouder F2 geweigerd te worden.” Artikel 58, eerste lid, van de kansspelwet, schrijft voor: “Behoudens het gebruik van kredietkaarten en debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I mag niemand aan de spelers en de gokkers enige vorm van lening of krediet toestaan of met hen een geldelijke of materiële transactie aangaan ter betaling van een inzet of een verlies.”
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker op 7 januari 2021 in totaal 14.760 euro aan weddenschappen heeft aangenomen voor dezelfde speler, waarvan de inzet niet onmiddellijk werd betaald, zodat aan die speler de facto een lening of krediet werd toegestaan. Deze feitelijke gegevens worden door verzoeker op zich niet betwist. Voor deze feiten legt de bestreden beslissing aan verzoeker de sanctie op dat zijn kansspelvergunning F voor een jaar wordt geschorst. Deze beslissing steunt op de volgende motieven: “[…] TEN GRONDE Uit de vaststellingen vervat in het dossier met notitienummer KO.58.RL.102512/2021 is gebleken dat er in de dagbladhandel gelegen te […] via de terminal aan de kassa door betrokkene op 7 januari 2021 verschillende weddenschappen werden aangenomen op 9 wedstrijden, waarbij per wedstrijd achtereenvolgend en op zeer korte tijd meerdere identieke weddenschappen werden aangenomen voor één en dezelfde persoon, en dit voor een totaalbedrag van 14.760 euro, hetgeen ruimschoots de maximale inzet van 200 euro per dag per speler overschreed. Deze weddenschappen werden door de speler telefonisch doorgegeven. De inzetten van deze weddenschappen werden niet onmiddellijk betaald en er was evenmin voldoende winst voorhanden waarmee deze konden verrekend worden, wat maakt dat voor het aannemen van deze weddenschappen door betrokkene krediet aan de speler werd verleend. Deze vaststellingen worden door betrokkene niet betwist in zijn verweer, maar betrokkene stelt dat deze weddenschappen werden aangenomen op vraag van de gokverslaafde speler die zich verbaal zeer agressief opstelde en er mee dreigde de inboedel van krantenwinkel kapot te slaan. Betrokkene benadrukt dat er slechts één dag op deze wijze weddenschappen werden aangenomen en dat hij de volgende dag niet meer is ingegaan op de vraag van deze speler om opnieuw van op afstand en zonder betaling van de inzet weddenschappen aan te nemen, waarna deze speler zich een slachtofferrol heeft aangemeten en klacht heeft ingediend bij de Kansspelcommissie. VII-41.330-6/13 De Kansspelcommissie is van oordeel dat uit de vaststellingen vervat in het dossier met notitienummer KO.58.RL.102512/2021 duidelijk blijkt dat door de dagbladhandelaar weddenschappen werden aangenomen voor een bedrag van meer dan 200 euro per dag per speler, waarbij de inzet door de speler niet werd betaald en waarbij er evenmin voldoende winsten uit eerdere weddenschappen voorhanden waren waarmee deze inzetten konden worden verrekend. De Kansspelcommissie acht de feiten bewezen. Om deze redenen meent de Kansspelcommissie dat de inbreuk op artikel 43/4, § 5, 1° van de Kansspelwet, artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrichtingen klasse IV en artikel 58 van de Kansspelwet ten laste van betrokkene is aangetoond. […] BEPALING VAN DE SANCTIE De betrokkene is als vergunninghouder verantwoordelijk voor het voldoen aan alle voorwaarden om als dagbladhandelaar weddenschappen bij wijze van nevenactiviteit aan te nemen. Er is duidelijk vastgesteld dat betrokkene in zijn dagbladhandel inzetten aanvaardde die het bedrag van 200 euro per dag per speler ruimschoots overschreden en dat betrokkene weddenschappen aannam op krediet. Betrokkene diende schriftelijke verweermiddelen in. Betrokkene deelt in zijn verweer mee dat blijkt dat de speler kampt met een zware gokverslaving en hij bij verschillende dagbladhandels intimiderende technieken gebruikt om te kunnen gokken. Betrokkene wijst erop dat hij niet in de mogelijkheid is de identiteit van de speler en zijn status als uitgesloten speler te controleren. Betrokkene verwijst daarnaast naar rechtspraak van de Correctionele Rechtbank van Dendermonde waarbij gokverslaafde spelers strafrechtelijk werden veroordeeld voor hun praktijken van belaging, bedreiging en oplichting. De Kansspelcommissie meent bij de bepaling van de strafmaat rekening te kunnen houden met het feit dat betrokkene door de speler werd geïntimideerd, en de feiten werden gepleegd onder druk van de speler, maar wenst toch te benadrukken dat betrokkene dit had kunnen en moeten voorkomen door geen weddenschappen via telefoon aan te nemen, door zich te houden aan de limiet van 200 euro inzet per speler per dag en door geen weddenschappen af te sluiten zonder voorafgaande betaling van de inzet. Zowel de maatregel inzake beperking van de inzet per dag per speler als het verbod op kredietverlening zijn ingegeven vanuit de optiek dat de kwetsbare speler moet worden beschermd. Door in te gaan op de vraag van de speler, die is gekend voor problematisch gokgedrag, heeft betrokkene aangetoond onvoldoende belang te hechten aan de bescherming van de speler. Met betrekking tot de verwijzing naar een strafrechtelijke veroordeling van gokverslaafde spelers inzake feiten van belaging, bedreiging en oplichting, wenst de Kansspelcommissie te vermelden dat een strafrechtelijk onderzoek en eventuele vervolging van de speler enkel mogelijk is indien betrokkene hiervoor klacht neerlegt. […] Artikel 15/2, § 1 van de Kansspelwet bepaalt dat de commissie aan iedere natuurlijke of rechtspersoon, die een inbreuk pleegt op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten, een waarschuwing richt, de vergunning schorst of VII-41.330-7/13 intrekt voor een bepaalde tijd of een voorlopig of definitief verbod van exploitatie van een of meer kansspelen oplegt. Zowel de inbreuk op artikel 43/4, § 5, 1° van de Kansspelwet, op artikel 1 van het Koninklijk Besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrichtingen klasse IV en op artikel 58 van de Kansspelwet kunnen aanleiding geven tot een sanctie in de procedure S2021/
- Het staat vast dat betrokkene weddenschappen voor meer dan 200 euro per dag per speler heeft aangenomen en hiervoor aan de speler krediet heeft verleend. De geviseerde sanctie in de kennisgeving van 23 november 2021 inzake de procedure met volgnummer S2021/115 is de intrekking van de vergunning. Rekening houdend met het feit dat betrokkene door de speler verbaal werd bedreigd, meent de Kansspelcommissie dat de intrekking van de vergunning F2 met referentie FD267453 disproportioneel is, en meent zij dat een schorsing van de vergunning voor een periode van 1 jaar een gepaste maatregel is om betrokkene ervan te weerhouden de strikte voorwaarden opgelegd aan een dagbladhandelaar in de toekomst alsnog te schenden.”
- Van een schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. Over het al dan niet bestaan van deze wanverhouding oefent de Raad van State een marginale controle uit. Bij de beoordeling van het middel moet dan ook uitgegaan worden van het bestaan van een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de Kansspelcommissie.
- Uit de niet-betwiste gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker in zijn dagbladhandel op één namiddag 19 inzetten, voor een totaalbedrag van 14.760 euro, heeft aangenomen van één en dezelfde speler waarbij die inzetten niet onmiddellijk werden betaald. Dergelijke feiten kunnen terecht worden aangemerkt als een bijzonder ernstige inbreuk op artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 2010 dat voor het naleven van de wettelijke limiet van 200 euro inzet(ten) per speler per dag, die precies is ingesteld om spelers te beschermen tegen problematisch gokgedrag, rekent op de integriteit van de dagbladhandelaar VII-41.330-8/13 die houder is van een vergunning F
- Anders dan verzoeker wil doen geloven kunnen die feiten, die in werkelijkheid bijdragen tot de uitbuiting van gokverslaving, niet geminimaliseerd worden. In dit verband moet er trouwens op gewezen worden dat verzoeker, zogenaamd als nevenactiviteit in zijn dagbladhandel, gedurende een tijdspanne van verscheidende uren herhaaldelijk nieuwe weddenschappen in de kassaterminal heeft ingevoerd terwijl hij wist of moest weten dat de opdracht daartoe afkomstig was van dezelfde speler en de verrichte inzetten de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 22 december 2010 vastgestelde limiet ruimschoots overschreden. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat de Kansspelcommissie in eerste instantie aan verzoeker haar voornemen kenbaar heeft gemaakt om de inbreuk te bestraffen met de intrekking van de verleende vergunning F2 en dat zij uiteindelijk op dat voornemen is teruggekomen rekening houdend met de verzachtende omstandigheid dat de feiten zich hebben voorgedaan onder verbale bedreiging van de betrokken speler. Alles in acht genomen kan niet worden besloten dat de Kansspelcommissie met de bestreden beslissing een volstrekt onevenredige sanctie heeft opgelegd.
- Aan deze conclusie wordt geen afbreuk gedaan doordat de maatregel die de Kansspelcommissie genomen heeft ter sanctionering van een bijzonder zware inbreuk op de kansspelwetgeving, aanzienlijke financiële gevolgen meebrengt voor de betrokkene. Evenmin kan aangenomen worden dat de met de bestreden beslissing opgelegde schorsing van de vergunning onredelijk is omdat geen rekening zou zijn gehouden met het beweerd “onberispelijk verleden” van verzoeker en/of de beweerde afwezigheid van opzet in zijnen hoofde, nog daargelaten de vraag of deze ‘verzachtende omstandigheden’ op ontvankelijke wijze voor het eerst in een vernietigingsprocedure bij de Raad van State kunnen worden aangevoerd. VII-41.330-9/13
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert als tweede middel de schending aan van “art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de materiële motiveringsplicht, inzonderheid de afwezigheid van de rechtens feitelijke grondslag”. In essentie doet hij gelden dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd is omdat: - er geen rekening werd gehouden met het in de tijd “beperkt” karakter van de feiten en met de omstandigheid dat hij daarna elk contact met de betrokken speler heeft verbroken; - er geen rekening werd gehouden met zijn “onberispelijk verleden” als vergunninghouder; - in de bestreden beslissing ten onrechte wordt gesteld dat hij kennis zou hebben gehad van het problematisch gokgedrag van de betrokken speler; - het een raadsel is waarom het wangedrag van de betrokken speler niet bij het bepalen van de strafmaat werd betrokken.
- In de laatste memorie benadrukt verzoeker het “stuitend” problematisch gokgedrag van de betrokken speler dat onder meer bestaat uit het “dubieus opereren in diverse regio’s”, alsook diens “intimiderende en belagende houding”. VII-41.330-10/13 Beoordeling
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dit op een afdoende wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen in rechte. De materiëlemotiveringsverplichting houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte aanvaardbaar zijn als verantwoording voor het nemen van die rechtshandeling.
- In randnummer 7 worden de motieven vermeld op grond waarvan de bestreden beslissing werd genomen. Verzoeker toont niet aan dat de opgegeven motieven, die aan duidelijkheid niet te wensen overlaten, in feite of in rechte ondeugdelijk zijn. Ook volstaan die motieven op zich om de schorsing van de kansspelvergunning gedurende 1 jaar naar recht te verantwoorden, zonder dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk moest worden ingegaan op de motiveringsgebreken die verzoeker meent te kunnen ontwaren.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Standpunt van verzoeker
- Verzoeker roept de schending in van de “algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel”. VII-41.330-11/13 Hij betoogt in substantie het volgende: “In de bestreden beslissing wordt onvoldoende rekening gehouden met de wederrechtelijke gedragingen van het zogenaamde ‘slachtoffer’ en ‘getuige’ [V.J.], die na het bizarre bekomen van de schrapping van zijn statuut als ‘problematisch speler’ compleet losgeslagen meerdere krantenhandelaars en ook verzoeker begon te stalken en te belagen met het oog om opname van weddenschappen te bekomen met aanwending van alle mogelijke middelen; Door dit te negeren werd bij de totstandkoming van de bestreden beslissing niet aan correcte feitenvinding gedaan en aldus onzorgvuldig te werk gegaan.” Beoordeling
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De zorgvuldigheid verplicht de overheid er onder meer toe om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzocht worden, zodat de overheid met kennis van zaken kan beslissen.
- Verzoeker heeft in zijn schriftelijk verweer tegen het voornemen van de Kansspelcommissie om een sanctie op te leggen wegens inbreuken op de kansspelwetgeving het gedrag van de betrokken speler uitvoerig belicht. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing dat de Kansspelcommissie bij het bepalen van de sanctie rekening heeft gehouden met het feit dat verzoeker door de betrokken speler werd geïntimideerd en onder druk gezet. In zoverre verzoeker meent dat de Kansspelcommissie geen rekening heeft gehouden met het gedrag van de betrokken speler, mist het middel feitelijke grondslag. Voor het overige wordt het zorgvuldigheidsbeginsel niet geschonden doordat de Kansspelcommissie bij het bepalen van de sanctie “onvoldoende” rekening zou hebben gehouden met de “wederrechtelijke gedragingen” van de betrokken speler. VII-41.330-12/13
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.330-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.127 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.