id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 Rolnummer: A. 236469/XIV-39032 Zaak: Arrest 259138 - Tucht (openbaar ambt) - 14/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-18 Raadplegingen: 143 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Arrest nr 259.138 van 14 maart 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 no lien 276149 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.138 van 14 maart 2024 in de zaak A. 236.469/XIV-39.032 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hogere tuchtoverheid waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-39.032-1/36 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die loco advocaat Rob Trips verschijnt voor verzoeker en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
- Op 20 december 2020 krijgt de gewone tuchtoverheid van verzoeker kennis van mogelijke strafbare feiten gepleegd door verzoeker. Op 28 december 2020 duidt de gewone tuchtoverheid, behorende tot de Franse taalrol, in toepassing van artikel 66bis van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) wegens wettelijke verhindering eerste commissaris P.D.T. aan als gewone tuchtoverheid. Eerste commissaris P.D.T. beslist op 28 december 2020 de zaak aanhangig te maken bij de hogere tuchtoverheid. De mogelijke feiten worden omschreven als “slagen en verwondingen”. XIV-39.032-2/36 3.
- Op 6 januari 2021 ontvangt de dienst Toezicht op de Interne Werking en Kwaliteit (hierna: de dienst TIWK) van de Federale politie twee strafdossiers van het parket, met de toelating om deze te gebruiken met tuchtrechtelijk oogmerk. Met betrekking tot het eerste dossier deelt de procureur des Konings mee dat de zaak (intrafamiliaal geweld) werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijs van strafbare feiten, maar dat uit het dossier evenwel ook blijkt dat verzoeker mogelijk dreigend taalgebruik heeft geuit ten aanzien van de ex-partner. Het tweede dossier betreft een vonnis van 17 november 2020 met kracht van gewijsde waarbij verzoeker werd veroordeeld wegens het rijden onder invloed op 26 januari
- 3.
- Op 30 juni 2021 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In het inleidend verslag worden de volgende feiten in aanmerking genomen:
(1)het rijden onder invloed op 26 januari 2020,
(2)dreigend taalgebruik ten aanzien van de ex-partner op 20 december 2020, en
(3)onrechtmatige raadplegingen van het rijksregister op 15 december
- 3.
- Op 12 augustus 2021 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden op te leggen voor de feiten vermeld sub
(1)en
(3)in het inleidend verslag. De feiten sub
(2)in het inleidend verslag worden niet langer in aanmerking genomen. Tegen dat voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 11 januari 2022 adviseert de Tuchtraad dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet, en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware tuchtstraf van de schorsing gedurende drie maanden een te milde straf is en de terugzetting in weddeschaal een gepaste straf is. XIV-39.032-3/36 3.
- Op 9 februari 2022 formuleert de hogere tuchtoverheid het voornemen om zich aan te sluiten bij het advies van de Tuchtraad en derhalve de door de Tuchtraad voorgestelde zwaardere tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. 3.
- Op 25 maart 2022 beslist de hogere tuchtoverheid aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel 66bis van de tuchtwet. Verzoeker zet uiteen dat indien de gewone tuchtoverheid in toepassing van artikel 66bis van de tuchtwet een vervanger aanduidt, het bestuur het bewijs moet kunnen leveren dat die aanwijzing daadwerkelijk gebeurd is en dat de voorwaarden vervuld zijn om tot die aanwijzing over te gaan. Verzoeker stelt vast dat in het dossier aanvankelijk geen beslissing aanwezig is waaruit blijkt dat de gewone tuchtoverheid commissaris P.D.T heeft aangesteld als vervanger in de zin van artikel 66bis van de tuchtwet. Dit document wordt pas neergelegd voor de Tuchtraad op 5 oktober 2021, hoewel het “schijnbaar” dateert van 28 december
- Het had volgens verzoeker deel moeten uitmaken van het tuchtdossier, daar verzoeker bij gebrek daaraan niet kon nagaan waarop eerste commissaris P.D.T. zich beriep om op te treden namens de gewone tuchtoverheid. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker vooreerst wat hij in het verzoekschrift aanvoerde. Hij voegt daaraan toe dat uit het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-4/36 e-mailverkeer tussen de gewone tuchtoverheid en eerste commissaris P.D.T. niet blijkt dat het de intentie was de gewone tuchtoverheid te vervangen. Volgens verzoeker moeten ook de nodige vraagtekens worden geplaatst bij de chronologie en de documentnummering van de diverse stukken in het dossier. De beslissing van de gewone tuchtoverheid tot aanwijzing van een vervanger heeft als kenmerk 2020/1748, hoewel daarin wordt verwezen naar het dossier met kenmerk 2020/
- De nota waarbij eerste commissaris P.D.T. ter vervanging van de gewone tuchtoverheid de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de hogere tuchtoverheid heeft dan weer als kenmerk 2020/
- Verzoeker leidt hieruit af dat de aanwijzing door de gewone tuchtoverheid van een vervanger dateert van na het aanhangig maken van het dossier bij de hogere tuchtoverheid en dat het document dus moet opgesteld zijn louter om het dossier te vervolledigen. Tot slot voert verzoeker aan dat niet kan worden vastgesteld wanneer het document tot aanwijzing van een vervanger werd opgesteld, daar de gebruikelijke digitale handtekening ontbreekt. In de laatste memorie voegt verzoeker aan zijn uiteenzetting nog toe dat indien het dossier op wettige wijze bij de hogere tuchtoverheid aanhangig zou zijn gemaakt, dit enkel het geval kan zijn voor de feiten van vermeend intrafamiliaal geweld. Uit niets blijkt immers, volgens verzoeker, dat de hogere tuchtoverheid bevoegd was om rechtstreeks kennis te nemen van de feiten waarop de bestreden beslissing gebaseerd is, zonder van die feiten – die zij zelf afleidde uit de strafdossiers – kennis te geven aan de gewone tuchtoverheid. Beoordeling Exceptie wegens gebrek aan belang bij het middel
- Volgens de verwerende partij heeft verzoeker geen belang bij het eerste middel, daar de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten niet via de gewone tuchtoverheid ter kennis werden gebracht van de hogere tuchtoverheid. Zij verwijst ter adstructie van deze exceptie naar het advies van de Tuchtraad die tot dezelfde conclusie komt. XIV-39.032-5/36 Beoordeling van de exceptie
- Luidens artikel 14, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geven de in artikel 14, § 1, eerste lid, van die wetten bedoelde onregelmatigheden slechts aanleiding tot een nietigverklaring als ze, in dit geval, een invloed konden uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de betrokkenen een waarborg hebben ontnomen of als gevolg hebben de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden.
- Te dezen voert verzoeker in essentie aan dat artikel 66bis van de tuchtwet geschonden is, daar uit het dossier niet blijkt dat de aanduiding door de gewone tuchtoverheid van een vervanger wettig is, met name dat vaststaat dat die aanwijzing daadwerkelijk gebeurd is en dat de voorwaarden vervuld zijn om tot die aanwijzing over te gaan. De Tuchtraad heeft in zijn advies hierover het volgende geoordeeld: “Uit de op de zitting van 5 oktober 2021 voorgebrachte kopij van ‘aanwijzing wegens wettelijke verhindering’ blijkt dat de genaamde P.C. op 28 december 2020 de genaamde D.T.P aanduidde teneinde de hem in het dossier 2020/1749 (dossier van feiten van intrafamiliaal geweld) bij de Tuchtwet en uitvoeringsbesluit toegewezen bevoegdheden uit te oefenen en dit wegens wettelijke verhindering (was niet tweetalig). Er werd door deze gemandateerde een nota van adiëring van de hogere tuchtoverheid opgesteld op 28 december 2020 en deze werd op 8 januari 2021 ontvangen door de hogere tuchtoverheid. Naast het strafdossier inzake voormeld dossier maakte de procureur des Konings bij afzonderlijk schrijven van 6 januari 2021 kopij van het vonnis van 17 november 2020 over waarbij de verzoeker veroordeeld werd wegens het rijden onder invloed en het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap op 26 januari
- Dit schrijven werd gericht aan DGR-Intern Toezicht Werking en kwaliteit. Uit het op 6 januari 2021 door de procureur des Konings overgemaakte strafdossier in het kader van de eerste feiten, meer bepaald het navolgend proces-verbaal d.d. 22 december 2020, bleek dat de verzoeker met zijn gsm foto’s had genomen op 15 december 2020 van een uittreksel van het Rijksregister van de ouders van het slachtoffer van het intra-familiaal geweld. In het kader van het voorafgaand onderzoek werd een logincontrole uitgevoerd waaruit bleek dat de verzoeker op 15 december 2020 naast de ouders van het slachtoffer nog drie andere personen opzocht in het Rijksregister, meer bepaald L.R.M., L.M.R en F.A.B. en dit zonder geldige reden. XIV-39.032-6/36 De hogere tuchtoverheid stelt ter zitting van de Tuchtraad van 5 oktober 2021 dat zij kennis kreeg van de hier inzake ten laste gelegde feiten bij ontvangst van het eensluidend afschrift van het strafdossier, verzonden op 6 januari 2021 door de procureur des Konings. De hier ten laste gelegde feiten werden aldus niet aanhangig gemaakt bij de hogere tuchtoverheid via de voormelde nota van adiëring, zodat de bevoegdheid van de gewone tuchtoverheid hier niet relevant is (en ook niet de daarmee gepaard gaande mandatering) en zeker niet tot nietigheid of enige gebrekkigheid van de gevoerde tuchtprocedure kan leiden (…)”. Zoals de Tuchtraad terecht vaststelde, werden de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten niet aanhangig gemaakt bij de hogere tuchtoverheid door de gewone tuchtoverheid zelf, noch door diens vervanger. De feiten waarvan de gewone tuchtoverheid kennis nam op 20 december 2020 en waarvoor zij een vervanger aanduidde in toepassing van artikel 66bis van de tuchtwet, die samenvallen met de feiten die aanhangig worden gemaakt door de vervanger van de gewone tuchtoverheid bij de hogere tuchtoverheid en worden omschreven als “slagen en verwondingen”, werden niet opgenomen in het inleidend verslag van 30 juni
- De in het inleidend verslag vermelde feiten zijn door de hogere tuchtoverheid zelf, na een voorafgaand onderzoek, afgeleid uit de twee strafdossiers die op 6 januari 2021 door de procureur des Konings werden bezorgd aan de dienst TIWK. In het inleidend verslag wordt weliswaar melding gemaakt van het dreigend taalgebruik op 20 december 2020, doch dit werd door de hogere tuchtoverheid eveneens rechtstreeks afgeleid uit het op 6 januari 2021 bezorgde geseponeerde strafdossier inzake intrafamiliaal geweld en werd overigens naderhand niet meer in aanmerking genomen in het voorstel van zware tuchtstraf. Bijgevolg wordt vastgesteld dat van de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, uitsluitend kennis werd genomen door de hogere tuchtoverheid en wel na 6 januari 2021, datum waarop de twee stafdossiers waaruit die feiten zijn afgeleid, door het parket aan de dienst TIWK werden bezorgd. Daar deze feiten andere feiten zijn dan de feiten waarvan de gewone tuchtoverheid kennisnam op 20 december 2020 en die door de vervanger van de gewone tuchtoverheid aanhangig werden gemaakt bij de hogere tuchtoverheid op 28 december 2020, kan de eventuele schending van artikel 66bis van de tuchtwet bij de aanwijzing door de XIV-39.032-7/36 gewone tuchtoverheid van een vervanger geen enkele invloed hebben uitgeoefend op de draagwijdte van de genomen beslissing. Noch kan door die aangevoerde schending van artikel 66bis van de tuchtwet aan verzoeker een waarborg ontnomen zijn of de bevoegdheid van de steller van de bestreden beslissing beïnvloed zijn. Bijgevolg heeft verzoeker geen belang bij de aangevoerde schending van artikel 66bis van de tuchtwet.
- Verzoeker beklemtoont in de laatste memorie dat hij wel degelijk een belang heeft bij het middel. Hij beperkt zich echter, enerzijds tot het herhalen van wat hij reeds uiteenzette, anderzijds tot de bemerking dat uit niets blijkt dat de hogere tuchtoverheid bevoegd was om rechtstreeks kennis te nemen van de feiten waarop de bestreden beslissing gebaseerd is, zonder van die feiten - die zij zelf afleidde uit de strafdossiers - kennis te geven aan de gewone tuchtoverheid. Het louter herhalen van de uiteenzetting van het middel doet niet besluiten dat verzoeker wel over het vereiste belang bij het middel beschikt, daar de gegrondheid van het middel losstaat van de vraag naar het belang bij het middel en die vraag voorafgaat aan het onderzoek van het middel. De uiteenzetting dat uit niets blijkt dat de hogere tuchtoverheid bevoegd was om rechtstreeks kennis te nemen van de feiten waarop de bestreden beslissing gebaseerd is, betreft eveneens de gegrondheid van het middel en niet het belang bij het middel, nog daargelaten dat verzoeker daarmee op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan het eerste middel geeft.
- De exceptie is gegrond. XIV-39.032-8/36 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het tweede middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet. In een eerste middelonderdeel meent verzoeker dat de verjaringstermijn vervat in artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet geschonden is. Verzoeker zet uiteen dat de gewone tuchtoverheid in de “adiëringsnota” de datum van 21 december 2020 in aanmerking neemt om de verjaringstermijn te bepalen. Ook de hogere tuchtoverheid vermeldt die datum bij de aanduiding van de voorafgaand onderzoekers. Daar volgens verzoeker het inleidend verslag hem pas ter kennis is gebracht op 9 juli 2021, zijn de feiten verjaard. Verzoeker beklemtoont nog dat het advies van de Tuchtraad desbetreffend niet kan worden gevolgd, daar de hogere tuchtoverheid steunt op de datum van 20 december 2020, enerzijds om de uiteenzetting van de mogelijke tuchtfeiten te onderbouwen, anderzijds om te steunen op een uitlezing van het gsm-toestel van verzoeker op 21 december
- In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, acht verzoeker ook artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet geschonden, daar uit de motivering niet blijkt dat de tuchtoverheid de feiten niet kon bewijzen op basis van een intern administratief onderzoek. Verzoeker verwijst in dat verband naar de plicht tot waakzaamheid en de gevolgen voor de redelijke termijn. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker zijn uiteenzetting omtrent de verjaring van de feiten. Hij voegt daaraan toe dat de tuchtoverheid niet kan beweren dat de feiten van intrafamiliaal geweld van 20 december 2020 geen aanleiding gaven tot het starten van een tuchtdossier. Verzoeker benadrukt dat de brief van de procureur des Konings van 6 januari 2021 de feiten van intrafamiliaal geweld enkel bevestigt, zoals ze reeds gekend waren op 20 december
- Het “moederdossier” moet volgens verzoeker wel degelijk in aanmerking worden genomen voor de berekening van de verjaringstermijn, daar de tuchtoverheid hem nooit meedeelde dat hij dienaangaande niet tuchtrechtelijk zou ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-9/36 worden gesanctioneerd. Wat de schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet betreft, voert verzoeker aan dat de tuchtoverheid de tuchtprocedure had moeten starten op basis van de door haar gekende elementen van intrafamiliaal geweld. Verzoeker meent dat ook de redelijke termijn geschonden is, daar de hogere tuchtoverheid heeft stilgezeten tot zij op 11 juni 2021 de voorafgaand onderzoekers aanstelde. Zelfs vertrekkende van de door de tuchtoverheid gehanteerde datum van 6 januari 2021 kan niet worden verantwoord dat de tuchtoverheid niets deed om klaarheid te brengen in de zaak. In de laatste memorie volhardt verzoeker in zijn uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Hij voegt daaraan nog toe dat het auditoraatsverslag ten onrechte voorbijgaat aan de schending van de redelijke termijn. Er moet immers worden nagegaan welke exacte stappen een tuchtoverheid in een dossier ondernam en wat de complexiteit van die stappen inhoudt. “Men” bleef te dezen meer dan vijf maanden passief toekijken. Beoordeling Eerste grief: de schending van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet
- Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet luidt als volgt: “Art.
- De betekening van het inleidend verslag aan het personeelslid moet geschieden binnen zes maanden na de kennisneming of vaststelling van de feiten door een bevoegde tuchtoverheid. Bij ontstentenis en onder voorbehoud van het tweede lid, kan geen tuchtvordering meer worden ingesteld.” Artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet verplicht de tuchtoverheid om binnen een bepaalde termijn de tuchtprocedure op te starten, hetgeen gebeurt met de kennisgeving van het inleidend verslag aan de betrokkene. Het gaat om een vervaltermijn waarna geen tuchtvordering meer kan worden ingesteld. Deze bepaling garandeert de politieambtenaar dat hij korte tijd nadat de tuchtoverheid op XIV-39.032-10/36 de in de wet bepaalde wijze kennis heeft van de feiten, uitsluitsel krijgt over zijn onzekere situatie. Van een kennisneming of vaststelling van tuchtfeiten in de zin van artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet is slechts sprake op het ogenblik dat de tuchtoverheid met betrekking tot die feiten over voldoende nauwkeurige en bewijskrachtige gegevens beschikt. Het is ook pas dan dat deze verjaringstermijn ingaat. Het is voorts aan verzoeker, die de schending van artikel 56 van de tuchtwet aanvoert, om het bewijs te leveren dat de door die bepaling voorgeschreven verjaringstermijn niet werd nageleefd.
- Verzoeker voert in essentie aan dat de tuchtfeiten verjaard zijn, daar de gewone tuchtoverheid er reeds kennis van nam op 20 december 2020, terwijl hij pas kennisnam van het inleidend verslag op 9 juli
- Dit standpunt faalt in feite. Vooreerst wordt opgemerkt dat zowel uit het inleidend verslag, het voorstel van zware tuchtstraf, als de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid het startpunt van de verjaring situeert bij de kennisneming van de twee brieven van de procureur des Konings van 6 januari
- Daargelaten of de verjaringstermijn start bij de kennisneming van die twee brieven door de dienst TIWK - standpunt dat de Tuchtraad lijkt in te nemen in zijn advies -, dan wel door de hogere tuchtoverheid, wordt vastgesteld dat het inleidend verslag aan verzoeker werd betekend bij twee aangetekende zendingen met ontvangstmelding die aan zijn woonst werden aangeboden op respectievelijk 2 juli 2021 en 5 juli 2021, en dus niet pas op 9 juli 2021 zoals verzoeker beweert. Op 9 juli 2021 blijkt verzoeker de eerste aangetekende zending te hebben afgehaald op het postkantoor, doch dit verandert niets aan de vaststelling dat het inleidend verslag op 2 juli 2021 rechtsgeldig aan verzoeker werd ter kennisgegeven.
- Verzoeker verwijst evenwel naar de nota van 28 december 2020 waarmee de feiten waarvan de gewone tuchtoverheid op 20 december 2020 initieel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-11/36 kennis nam, bij de hogere tuchtoverheid aanhangig werden gemaakt. In die nota wordt het tijdstip van kennisneming van die feiten gesitueerd op 21 december
- Het zijn evenwel niet de feiten vervat in die nota die verzoeker in de bestreden beslissing ten laste worden gelegd. Zoals hiervoor reeds werd vastgesteld (supra, nr. 7), zijn de in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten andere feiten dan de feiten omschreven als “slagen en verwondingen”, waarvan de gewone tuchtoverheid kennis nam op 20 december
- De in de bestreden beslissing ten laste gelegde feiten zijn door de hogere tuchtoverheid zelf, na een voorafgaand onderzoek, afgeleid uit de twee strafdossiers die op 6 januari 2021 door de procureur des Konings werden bezorgd aan de dienst TIWK. Het gaat om het besturen van een voertuig onder invloed (eerste tuchtfeit) en onrechtmatige raadplegingen van het rijksregister (tweede tuchtfeit). De voormelde nota van 28 december 2020 die van deze twee feiten geen enkele melding maakt, doet bijgevolg niet de verjaringstermijn lopen voor deze twee ten laste gelegde feiten. In het inleidend verslag wordt weliswaar ook melding gemaakt van een mogelijk feit van dreigend taalgebruik, afgeleid uit het strafdossier inzake intrafamiliaal geweld, doch zoals hiervoor reeds werd vastgesteld (supra, nr. 7), werd ook dit feit door de hogere tuchtoverheid slechts vastgesteld op basis van het op 6 januari 2021 bezorgde strafdossier en werd het niet meer in aanmerking genomen in het voorstel van zware tuchtstraf en dus ook niet in de bestreden beslissing. Het gegeven dat in de nota van 11 juni 2021 (dit is de nota waarmee de voorafgaand onderzoekers werden aangesteld) bij de uiteenzetting van de feiten wordt verwezen naar de nota van 28 december 2020 waarmee de feiten van “slagen en verwondingen” aanhangig werden gemaakt bij de hogere tuchtoverheid, doet niet anders besluiten. De aanstelling van de voorafgaand onderzoekers situeert zich voorafgaand aan de tuchtvervolging die start met de betekening van het inleidend verslag. Het gegeven dat in de nota waarmee de voorafgaand onderzoekers worden aangesteld nog een ruimere omschrijving aan de mogelijke feiten wordt gegeven is niet relevant om de verjaring van de uiteindelijk in het inleidend verslag ten laste gelegde tuchtfeiten te beoordelen. Om ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-12/36 de verjaring van de ten laste gelegde feiten te beoordelen, is enkel het tijdstip van kennisneming van die ten laste gelegde feiten relevant. Verzoeker kan zich om de verjaring van die feiten aan te tonen, niet steunen op de kennisneming van andere, niet ten laste gelegde feiten vermeld in de nota tot aanstelling van de voorafgaand onderzoekers. Verzoeker verwijst nog naar het uitlezen van zijn gsm-toestel op 21 december 2020 waarop de hogere tuchtoverheid steunt voor het feit betreffende de onrechtmatige raadpleging van het rijksregister. Het uitlezen van het gsm-toestel op 21 december 2020 gebeurde echter niet op vraag van de tuchtoverheid, maar in het kader van het strafonderzoek. De tuchtoverheid nam hiervan maar kennis omdat de informatie bekomen door het uitlezen van het gsm-toestel werd opgenomen in het strafdossier dat met brief van 6 januari 2021 door de procureur des Konings werd bezorgd. Het loutere gegeven dat de tuchtoverheid steunt op de informatie bekomen uit het uitlezen van het gsm-toestel in het kader van het strafonderzoek, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de tuchtoverheid ten vroegste vanaf 6 januari 2021 kennis nam van deze informatie en de ten laste gelegde feiten, zodat deze op het ogenblik dat het inleidend verslag aan verzoeker werd betekend, niet verjaard waren.
- Verzoekers argument dat de tuchtoverheid niet kan ontkennen dat de feiten van intrafamiliaal geweld van 20 december 2020 tot de opstart van een tuchtdossier leidden, is niet ter zake dienend om de verjaring van de ten laste gelegde feiten te beoordelen. Het weze herhaald dat die feiten van intrafamiliaal geweld immers niet ten laste werden gelegd in de bestreden beslissing. Daarenboven is er maar sprake van tuchtvervolging vanaf het ogenblik dat overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet een inleidend verslag wordt betekend. Hoewel verzoeker wijst op een aantal voorbereidende handelingen in dat verband, werd voor de feiten van intrafamiliaal geweld waarvan de gewone tuchtoverheid kennisnam op 20 december 2020 geen inleidend verslag betekend. Verzoekers standpunt dat dit “moederdossier” in aanmerking moet worden genomen om de verjaringstermijn te berekenen, faalt aldus in rechte. Het gegeven dat verzoeker niet in kennis werd gesteld van de beslissing van de tuchtoverheid ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-13/36 dat hij voor die feiten van intrafamiliaal geweld niet tuchtrechtelijk zou worden vervolgd, doet hieraan geen afbreuk.
- Ook verzoekers argument dat de brief van de procureur des Konings van 6 januari 2021 de feiten van intrafamiliaal geweld enkel bevestigt zoals ze reeds gekend waren op 20 december 2020, kan niet tot de conclusie leiden dat de ten laste gelegde feiten verjaard zijn. Zoals hiervoor meermaals werd vastgesteld, zijn de ten laste gelegde feiten immers niet te vereenzelvigen met de op 20 december 2020 aan het licht gekomen feiten van intrafamiliaal geweld. Het betreft andere feiten waarvan de tuchtoverheid pas kennis nam via de brieven van de procureur des Konings van 6 januari
- Het tweede middel is in die mate ongegrond. Tweede grief: de schending van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet
- Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet luidt als volgt: “Art.
- […] In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of de strafvervolging is ingesteld voor dezelfde feiten, begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is.” Artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet biedt de tuchtoverheid de mogelijkheid - maar niet de verplichting - om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Het maakt het de tuchtoverheid mogelijk om, wanneer zij twijfels heeft over de wezenlijke elementen die in een tuchtzaak aan de orde zijn - het bewijs van de feiten die de betrokkene heeft gepleegd, de ernst van de feiten en de schuld van de betrokkene, de tuchtrechtelijke kwalificatie en de weerslag van de feiten op de werking van de dienst -, een definitieve uitspraak van de strafrechter af te wachten. De verwijzing naar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet kan evenwel slechts deugdelijk het XIV-39.032-14/36 uitstel van de tuchtvordering verantwoorden wanneer de tuchtoverheid op grond van een eigen onderzoek geen voldoende klaarheid in de zaak heeft kunnen brengen. De tuchtoverheid heeft immers de verplichting om een tuchtzaak binnen een redelijke termijn af te handelen en het bestaan van een strafonderzoek is op zich geen deugdelijke reden om de tuchtvordering niet op te starten. Er is slechts reden om de tuchtvordering uit te stellen wanneer de tuchtoverheid er niet in slaagt om met een eigen onderzoek een duidelijk zicht te krijgen op het bestaan en de ernst van de feiten en om zich aldus een beeld te vormen van de noodzaak van een tuchtrechtelijke vervolging. De mogelijkheid om de tuchtvordering uit te stellen moet derhalve worden opgevat als een uitzondering op de regel, waarvan slechts gebruik mag worden gemaakt wanneer de tuchtoverheid op basis van een eigen onderzoek er niet in slaagt om alle gegevens die van wezenlijk belang kunnen zijn voor het tuchtrechtelijk optreden te achterhalen. Een en ander heeft tot gevolg dat de Raad van State, wanneer een verzoeker aanvoert dat de tuchtvordering ten onrechte gekoppeld is aan de afloop van de gerechtelijke procedure, desgevraagd nagaat of de tuchtoverheid niet op grond van het eigen onderzoek over voldoende gegevens beschikte om op correcte wijze de tuchtvordering in te stellen en of zij wel voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf klaarheid in de zaak te brengen. Bij de beoordeling van de vraag wanneer de gegevens waarover de (hogere) tuchtoverheid beschikt, volstaan om de tuchtvordering op te starten en daartoe een inleidend verslag op te stellen, met andere woorden wanneer de tuchtoverheid zich een duidelijk beeld kan vormen omtrent het bestaan en de ernst van de feiten en de toerekening ervan aan de politieambtenaar, beschikt deze overheid over een ruime beoordelingsbevoegdheid. De Raad van State is bij de beoordeling hiervan enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. XIV-39.032-15/36
- Verzoeker voert in het verzoekschrift in essentie aan dat niet blijkt dat de tuchtoverheid de feiten niet kon bewijzen op grond van een eigen administratief onderzoek. Zoals hiervoor uiteengezet biedt artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet de tuchtoverheid de mogelijkheid om de tuchtrechtelijke vervolging uit te stellen tot de gerechtelijke overheden hun onderzoek hebben beëindigd. Te dezen kreeg de tuchtoverheid van de feiten die in de bestreden beslissing ten laste zijn gelegd kennis via de brieven van de procureur des Konings van 6 januari
- Bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het tweede middel werd vastgesteld dat overeenkomstig artikel 56, eerste lid, van de tuchtwet het inleidend verslag werd betekend binnen de verjaringstermijn van zes maanden na de kennisneming van deze feiten (supra, nr. 12). Hieruit volgt dat de tuchtoverheid geen toepassing heeft gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Verzoeker toont immers niet aan dat de tuchtoverheid vóór de kennisneming van de brieven van de procureur des Konings van 6 januari 2021 op de hoogte was van de ten laste gelegde feiten of van het gegeven dat deze feiten - te onderscheiden van de feiten van intrafamiliaal geweld - het voorwerp vormden van een opsporingsonderzoek of een strafvervolging. Daar artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet niet werd toegepast door de hogere tuchtoverheid, kan deze bepaling ook niet geschonden zijn.
- In de memorie van wederantwoord voert verzoeker voor het eerst aan dat de redelijketermijneis geschonden is, omdat pas op 11 juni 2021 de voorafgaand onderzoekers werden aangesteld en er tussen het tijdstip dat de tuchtoverheid kennis nam van de feiten en die aanstelling niets gebeurde. In de mate verzoeker alzo in de memorie van wederantwoord nieuwe argumenten ter adstructie van zijn in het verzoekschrift ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet-ontvankelijk. XIV-39.032-16/36
- Het tweede middel is in die mate ongegrond. Conclusie
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het derde middel in het verzoekschrift de schending aan van artikel 7, tweede lid van de tuchtwet. Hij verwoordt dit als volgt: “Door in het inleidend verslag zonder meer de koppeling te maken met feiten die de tuchtoverheid ter kennis kwamen na het initiëren van de tuchtprocedure en deze overwegingen op te nemen in het definitieve voorstel van straf, schendt de tuchtoverheid de tuchtprocedure.”. Vervolgens citeert verzoeker artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet. Hij wijst erop dat de tuchtoverheid gebruik maakt van de uitlezing van zijn gsm-toestel en dat daarbij foto’s zijn teruggevonden van uittreksels uit het rijksregister, waarop men “het verdere verloop van de tuchtprocedure” baseerde. Volgens verzoeker kan “[d]e tuchtoverheid […] echter geen gebruik maken van verkregen bewijs waarbij zij in de opbouw van haar argumentatie de indruk geeft door deze gegevens te zijn beïnvloed.” Verzoeker wijst erop dat hij de toestemming tot het uitlezen van zijn gsm-toestel enkel gaf op basis van de vermeende feiten van intrafamiliaal geweld. Dat het bewijs van het tuchtfeit betreffende de raadplegingen van het rijksregister op de uitlezing van het gsm-toestel steunt, schendt volgens verzoeker zijn rechten. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker wat hij reeds in het verzoekschrift aanvoerde en zet hij aanvullend uiteen dat niet kan worden verantwoord dat de tuchtoverheid de feiten van intrafamiliaal geweld niet wou bestraffen. In plaats van de tuchtfeiten af te leiden uit de kennisgevingen van het openbaar ministerie, diende de tuchtoverheid via een voorafgaand onderzoek tot waarheidsvinding te komen. Nu blijkt dat dit voorafgaand onderzoek ettelijke ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-17/36 maanden op zich liet wachten, ziet verzoeker niet in hoe het bestuur plots tot de ingeving zou gekomen zijn om de feiten van intrafamiliaal geweld niet te betrekken op huidig tuchtdossier. Volgens verzoeker is dat niet logisch. Nog volgens verzoeker kan men er niet van uitgaan dat de interpretatie van de feiten sinds 21 december 2020 een andere wending kreeg tijdens de vijf maanden inertie tot aan de aanstelling van de voorafgaand onderzoekers, die vervolgens slechts 12 werkdagen nodig hadden om het voorafgaand onderzoek af te ronden en een inleidend verslag op te stellen dat daags nadien al werd ondertekend door de hogere tuchtoverheid. Voorts wijst verzoeker erop dat de foto’s van de uittreksels uit het rijksregister geen aanleiding gaven tot een nieuw aanvankelijk proces-verbaal, dat ze niet worden vermeld in de brief van de procureur des Konings van 6 januari 2021 en dat de procureur des Konings slechts toelating gaf tot het gebruik van het geseponeerde strafdossier met betrekking tot de “concrete uitlatingen” van verzoeker. Verzoeker voert ook aan dat het bestuur hem steeds heeft doen geloven dat de feiten die hem tuchtrechtelijk ten laste werden gelegd, betrekking hadden op 20 december 2020 en dit op basis van het “moederdossier”. Volgens verzoeker levert de verwerende partij niet het materiële bewijs dat de feiten van 20 december 2020 enkel aanhangig werden gemaakt bij de hogere tuchtoverheid en dat deze besloot geen inleidend verslag te betekenen en geen tuchtprocedure te starten. In de laatste memorie handhaaft verzoeker zijn uiteenzetting. Hij beklemtoont nog dat de informatie uit het strafdossier betreffende het raadplegen van het rijksregister onrechtmatig verkregen bewijs is, daar de toestemming om zijn gsm-toestel uit te lezen enkel sloeg op de feiten van intrafamiliaal geweld. Voorts herhaalt verzoeker dat de toelating van de procureur des Konings om het geseponeerde strafdossier te gebruiken voor tuchtdoeleinden beperkt is tot de kwalificatie van intrafamiliaal geweld. Er anders over oordelen, betekent volgens verzoeker dat hij zichzelf incrimineerde in strijd met artikel 6.1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM). XIV-39.032-18/36 Beoordeling
- Artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet luidt: “Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw tuchtvergrijp wordt toegerekend, wordt wegens dat tuchtvergrijp een nieuwe tuchtprocedure aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit wordt.” Artikel 7 van de tuchtwet bevat een regeling voor de samenloop van tuchtvergrijpen: wanneer meerdere tuchtvergrijpen aan een politieambtenaar worden toegerekend, wordt slechts één tuchtprocedure opgestart. Het gebruik van de term “toerekening” verwijst naar de daadwerkelijke tenlastelegging, hetgeen gebeurt in het inleidend verslag.
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het derde middel, in de mate daarin de schending van artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet wordt opgeworpen, op grond van de volgende overwegingen: “Het middel wordt geconcipieerd vertrekkende van het uitgangspunt dat in het inleidend verslag een koppeling gemaakt wordt met feiten die de tuchtoverheid ter kennis kwamen na het initiëren van de tuchtprocedure, waarna deze opgenomen werden in het definitieve voorstel van straf, zodat artikel 7, tweede lid van de tuchtwet geschonden werd. Dit argument is inconsistent in zoverre het stelt dat in het inleidend verslag verwezen wordt naar feiten die de tuchtoverheid ter kennis kwamen na het initiëren van de tuchtprocedure. Het is immers vaste rechtspraak van de Raad dat de tuchtprocedure slechts geïnitieerd wordt met de betekening van het inleidend verslag (RvS, 26 september 2011, nr. 215.323; RvS, 16 februari 2012, nr. 218.063; RvS, 17 maart 2015, nr. 230.545). Er kan derhalve geen sprake zijn van een initiëren van de tuchtprocedure vooraleer het inleidend verslag betekend werd. Dit argument mist dan ook grondslag. In het middel zoals in het verzoekschrift uiteengezet kan verder geen andere verduidelijking gevonden worden waarom artikel 7, tweede lid van de tuchtwet geschonden zou zijn (‘Wanneer aan het personeelslid in de loop van een tuchtprocedure een nieuw tuchtvergrijp wordt toegerekend, wordt wegens dat tuchtvergrijp een nieuwe tuchtprocedure aangespannen, zonder dat de lopende procedure daardoor gestuit wordt.’). De verwerende partij merkt hierover in haar memorie van antwoord terecht op dat zij louter toepassing gemaakt heeft van artikel 7, eerste lid van de tuchtwet (‘Wanneer aan een personeelslid meer dan één tuchtvergrijp wordt toegerekend, kan tegen dat personeelslid slechts één tuchtprocedure worden aangespannen die slechts aanleiding kan geven tot één enkele tuchtstraf.’).” XIV-39.032-19/36
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, desbetreffend tot het handhaven van zijn eerdere uiteenzettingen. Hij brengt evenwel geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel, in de mate daarin de schending van artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet wordt opgeworpen, ongegrond.
- In het verzoekschrift, verder uitgewerkt in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie, voert verzoeker ook aan dat de hogere tuchtoverheid geen gebruik kon maken van de uitlezing van zijn gsm-toestel opgenomen in het strafdossier om de feiten betreffende het raadplegen van het rijksregister te bewijzen, omdat zijn toestemming tot het uitlezen van zijn gsm-toestel enkel gold voor het dossier van intrafamiliaal geweld. Verzoeker zet echter niet uiteen hoe door het gebruik van de gegevens bekomen ingevolge het uitlezen van verzoekers gsm-toestel artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet geschonden zou zijn. In die mate kan het middel evenmin tot nietigverklaring leiden.
- Verzoeker werpt nog op dat het gebruik van de gegevens bekomen ingevolge het uitlezen van zijn gsm-toestel “niet correct” is en dat “de rechten van verweerder” worden geschonden. Artikel 2, § 1, 3°, van van besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) zoals het luidde en van toepassing is op het voorliggende beroep, vereist dat het verzoekschrift tot nietigverklaring “een uiteenzetting van de feiten en de middelen” bevat. De uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-20/36 wordt aangeduid die volgens verzoeker werd geschonden, als de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Opdat een middel ontvankelijk zou zijn, is minstens vereist dat summier doch duidelijk de beweerde onregelmatigheid van de bestreden beslissing wordt aangegeven. De vereiste om een middel voldoende duidelijk en nauwkeurig te formuleren strekt er toe het tegensprekelijke karakter van de schriftelijke procedure en het recht van verdediging van de verwerende partij te waarborgen. Het komt overigens niet aan de Raad van State toe om uit een juridisch niet-onderbouwde uiteenzetting zelf middelen te construeren die voldoen aan de vereiste van de algemene procedureregeling. Verzoeker zet niet uiteen welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel - ander dan artikel 7, tweede lid, van de tuchtwet - wordt geschonden. Hij beperkt zich tot de vage omschrijving dat de handelswijze van de hogere tuchtoverheid “niet correct” is en zijn “rechten” schendt. Deze vage omschrijving beantwoordt niet aan de vereisten van artikel 2, § 1, 3°, van de algemene procedureregeling. Het middel is in die mate niet-ontvankelijk.
- In de mate verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie nieuwe argumenten ter adstructie van zijn in het verzoekschrift ontwikkelde middel aanvoert, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet-ontvankelijk.
- Het derde middel is ongegrond. XIV-39.032-21/36 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- In het vierde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht en het recht van verdediging. Hij toetst achtereenvolgens de tuchtprocedure, het tuchtdossier en de strafmaat hieraan. Met betrekking tot de procedure zet verzoeker uiteen dat de hogere tuchtoverheid heeft stilgezeten tussen 28 december 2020, tijdstip waarop het dossier bij haar aanhangig werd gemaakt, en 11 juni 2021, tijdstip waarop zij de voorafgaand onderzoekers aanstelde. Uit titel 6 van het voorstel van zware tuchtstraf blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich enkel beroept op elementen die reeds in december 2020 bekend waren. Zij heeft vervolgens nagelaten een gedegen intern administratief onderzoek te voeren. In de aanduiding van de voorafgaand onderzoekers vermeldt de hogere tuchtoverheid dat zij op 8 januari 2021 kennis nam van de feiten. Verzoeker leidt hieruit af dat de hogere tuchtoverheid voldoende op de hoogte was om een tuchtvervolging te kunnen instellen. Er werd overigens geen toepassing gemaakt van artikel 56, tweede lid, van de tuchtwet. Voorts voert verzoeker aan dat er een probleem bestaat met het mandaat van de dienst TIWK die reeds op 6 januari 2021 werd aangeschreven door het parket zonder daartoe gemandateerd te zijn. Daar de voorafgaand onderzoekers behoren tot de dienst TIWK mag volgens verzoeker worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid voldoende kennis had of moest hebben over de wezenlijke elementen die in de zaak aan de orde zijn. Met betrekking tot het tuchtdossier en de schending van het recht van verdediging voert verzoeker aan dat het tuchtdossier onzorgvuldig is samengesteld. Verzoeker voert aan dat zijn recht van verdediging op verschillende vlakken werd geschonden. Ten eerste ontbreekt de verklaring van zijn ex-partner in het dossier betreffende het intrafamiliaal geweld. Ten tweede werd hij gehoord in een kopielokaal/opslagruimte waar iedereen binnen en buiten liep, werden een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-22/36 aantal van zijn opmerkingen niet genoteerd en werden essentiële documenten zoals door hem gevraagd niet bij het dossier gevoegd. Ten derde werd hij enkel gehoord over de feiten van intrafamiliaal geweld. Hij kreeg niet de gelegenheid te worden gehoord over de andere ten laste gelegde feiten. Ten vierde wordt verwezen naar een vonnis waarbij hij bij verstek werd veroordeeld, terwijl de politierechtbank op 2 maart 2021 na verzet opnieuw uitspraak heeft gedaan. Ten vijfde moesten volgens verzoeker vraagtekens worden geplaatst bij het onrechtmatig verkregen bewijs inzake de feiten van raadpleging van het rijksregister. Met betrekking tot de motivering en de strafmaat zet verzoeker uiteen wat volgens hem de draagwijdte is van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Hij verwijst naar het deskundigenverslag van de inspecteur-generaal in de procedure voor de Tuchtraad dat het standpunt huldigt dat het begrip “een tekortkoming aan de integriteitsplicht” te vaag is als omschrijving van een tuchtrechtelijke tekortkoming. De hogere tuchtoverheid doet volgens verzoeker geen moeite om dit gebrek te verhelpen. Verzoeker besluit dat gelet op al die omstandigheden de hogere tuchtoverheid niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd om tot een correcte beoordeling van de feiten te komen. In de memorie van wederantwoord zet verzoeker, aanvullend op zijn uiteenzetting met betrekking tot de procedure, uiteen dat de hogere tuchtoverheid de redelijke termijn heeft geschonden. Verzoeker gaat ook dieper in op het mandaat van de dienst TIWK. Hij erkent dat de tuchtoverheid in toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 2001) een coördinatiedienst kan aanduiden, doch dergelijk mandaat moet in die zin worden begrepen dat de gemandateerde na elke stap een terugkoppeling maakt naar de tuchtoverheid, waarna pas de volgende stap kan worden gezet. Indien de tuchtoverheid een algemeen mandaat geeft moet daarin uitdrukkelijk worden vermeld welke bevoegdheden exact worden toevertrouwd aan de dienst TIWK. Er is volgens verzoeker geen reden waarom de procureur des Konings zijn brieven ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-23/36 van 6 januari 2021 zou richten aan de dienst TIWK, tenzij op basis van een mandaat. Dan nog moet de dienst TIWK de tuchtoverheid onverwijld inlichten. De creatie van een coördinatiedienst kan volgens verzoeker niet tot doel hebben een buffer in de tijd te creëren zodat de tuchtoverheid niet in personam kennis krijgt van de tuchtdossier om zo tijd te kopen voor de tuchtoverheid. Het ontvangen van het strafdossier door de dienst TIWK moet worden beschouwd als een handeling waardoor de tuchtoverheid zelf meteen ook kennis krijgt van de feiten. Met betrekking tot het tuchtdossier en de schending van het recht van verdediging beperkt verzoeker zich in de memorie van wederantwoord tot het herhalen van wat hij in zijn verzoekschrift aanvoerde. Wat de motivering en de strafmaat betreft herhaalt verzoeker in de memorie van wederantwoord vooreest wat hij in het verzoekschrift uiteenzette. Aanvullend voert verzoeker nog aan dat de gehanteerde strafmaat disproportioneel is en niet afdoende wordt gemotiveerd. Er is geen eenduidige motivering waarom, rekening houdend met het blanco tuchtverleden, de goede evaluatie en felicitaties, alsook twee bijkomende verzachtende omstandigheden, in het voorstel van zware tuchtsanctie een zwaardere strafmaat wordt gehanteerd enkel en alleen op basis van het advies van de Tuchtraad. In de laatste memorie handhaaft verzoeker zijn standpunten “minstens wat betreft het derde middelenonderdeel”. Verzoeker bekritiseert daarbij de strafverzwaring na het advies van de Tuchtraad, wat hij “niet logisch” acht wanneer blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich zonder grond steunt op “nieuwe feiten die zij uit het strafdossier haalt”. Beoordeling Eerste grief: met betrekking tot de procedure
- In een eerste middelonderdeel klaagt verzoeker het stilzitten van de hogere tuchtoverheid aan in de periode tussen 28 december 2020, tijdstip ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-24/36 waarop het dossier bij haar aanhangig werd gemaakt, en 11 juni 2021, tijdstip waarop zij de voorafgaand onderzoekers aanstelde, alsook het gegeven dat in die periode geen gedegen intern administratief onderzoek werd gevoerd. Voorts werpt verzoeker op dat er een probleem bestaat met het mandaat van de dienst TIWK. Hij ontwaart hierin een schending van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het eerste onderdeel van het vierde middel op grond van de volgende overwegingen: “Voor zover te begrijpen – vermits er nogal wat zonder duidelijk verband wordt aangevoerd – wordt vastgesteld dat het onderdeel grondslag mist in zoverre het steunt op het uitgangspunt dat de hogere tuchtoverheid reeds kennis had van de feiten via de adiëringsnota van 28 december
- Zoals uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken blijken de feiten die tot de hier bestreden tuchtstraf hebben geleid niet uit die adiëringsnota van 28 december 2020, maar heeft de hogere tuchtoverheid hiervan slechts kennis [kunnen] nemen bij ontvangst van de schrijvens van het parket van 6 januari 2021 waarbij de strafdossiers werden overgemaakt. In zoverre de verzoeker stelt dat uit punt 6 van het voorstel van zware tuchtstraf blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich beroept op feiten die haar reeds in december 2020 bekend waren, wordt vastgesteld dat punt 6 van het voorstel van zware tuchtstraf deze conclusie niet kan verantwoorden: ‘
- Bewijs en toerekening van de mogelijke feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier: • Gelet dat u bij vonnis van de politierechtbank van Antwerpen, afdeling Mechelen d.d. 17 november 2020 schuldig bevonden werd aan het op 26 januari 2020 bestuurd hebben van een motorvoertuig onder invloed van een hoeveelheid alcohol die de wettelijke toegelaten limiet overschrijdt; • Gelet uw veroordeling hiervoor tot een geldboete van 1600,00 EURO en tot het verval van het recht alle motorvoertuigen te besturen voor een termijn van 1 maand; gelet dat de geldigheid van uw rijbewijs bovendien voor een termijn van 1 jaar beperkt werd tot motorvoertuigen die uitgerust zijn met een alcoholslot; gelet dat dit vonnis in kracht van gewijsde is getreden; • Gelet dat u op 15 december 2020 de ouders van L.M., zijnde L.J.J en C.E.M., evenals L.R.M., L.M.R en F.A.B. buiten elke opdracht van bestuurlijke of gerechtelijke politie zou hebben opgezocht in het Rijksregister; • Gelet op uw verweerelementen en mijn antwoorden daarop; Meen ik dat het mogelijk tuchtfeit van het op 26 januari 2020 bestuurd hebben van een motorvoertuig onder invloed van een hoeveelheid alcohol die de wettelijk toegelaten limiet overschrijdt, vaststaat en aan u toegerekend werd en dat het mogelijk tuchtfeit van de onrechtmatige opzoekingen in het RRN kan vastgesteld en toegerekend worden.’ Deze passage verduidelijkt slechts wanneer de feiten plaatsvonden, maar laat niet toe op enige wijze af te leiden dat de hogere tuchtoverheid reeds in december 2020 kennis had van de feiten. XIV-39.032-25/36 In zoverre in het onderdeel aangevoerd wordt dat de hogere tuchtoverheid tussen de kennisname van de feiten en het aanstellen van de voorafgaand onderzoekers een hele periode stil gezeten heeft, waarin zij nagelaten heeft een eigen administratief onderzoek te voeren en de tuchtprocedure in te leiden, wordt vastgesteld dat de vroegst mogelijke datum van kennisneming van de feiten de datum van ontvangst van de schrijvens van het parket (8 januari 2021 door DGR/TIWK) is, en dat het inleidend verslag betekend werd bij ter post aangetekende zendingen van respectievelijk 1 en 2 juli 2021, en derhalve binnen de vervaltermijn bedoeld in artikel 56, eerste lid van de tuchtwet (zoals ook reeds gebleken is uit de beoordeling van het tweede middel).Volgens de rechtspraak van de Raad kan het volledig of quasi volledig benutten van de wettelijke toegekende termijn op zich niet aantonen dat de tuchtoverheid onzorgvuldig gehandeld heeft en al te lang getalmd heeft. Dit zou slechts het geval kunnen zijn indien de tuchtoverheid ook in de andere fasen van de tuchtprocedure niet met de nodige voortvarendheid gehandeld zou hebben (RvS, 24 maart 2021, nr. 250.211). De verzoeker voert dit hier niet aan en het blijkt ook niet dat de tuchtoverheid tijdens de volgende fasen van de tuchtprocedure niet met de nodige voortvarendheid gehandeld heeft. In zoverre de verzoeker in het onderdeel ook aanvoert dat geen toepassing gemaakt werd van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet, wordt vastgesteld dat dit niet mogelijk was vermits de tuchtoverheid slechts van de feiten kennis heeft gekregen door het meedelen van de strafdossiers door het parket, met de mededeling dat er in het ene dossier een vonnis met kracht van gewijsde was en dat de andere zaak geseponeerd was. Er kon bijgevolg geen toepassing meer gemaakt worden van artikel 56, tweede lid van de tuchtwet. In zoverre de verzoeker in het onderdeel tenslotte ook nog te berde brengt dat DGR/TIWK, aan wie de feiten door het parket ter kennis werden gebracht, daartoe niet gemandateerd was, is dit argument moeilijk te begrijpen nu verzoeker hierover zelf besluit dat mag aangenomen worden dat de hogere tuchtoverheid voldoende kennis had of moest hebben. Hoe dan ook, zo er al een probleem van mandatering is, wordt vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag betekend heeft binnen de wettelijke termijn van zes maanden, die ten vroegste een aanvang genomen heeft bij ontvangst van de strafdossiers, met toelating om deze aan te wenden voor tuchtdoeleinden (8 januari 2021). Het eventueel gebrek aan mandatering heeft de verzoeker dan ook niet in zijn rechten geschaad. Het eerste onderdeel is ongegrond.”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het handhaven van zijn eerdere uiteenzettingen. Hij brengt evenwel geen argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste onderdeel van het vierde middel ongegrond. XIV-39.032-26/36
- Het vierde middel is in die mate ongegrond. Tweede grief: met betrekking tot het tuchtdossier en de schending van het recht van verdediging
- In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat het tuchtdossier onzorgvuldig is samengesteld en dat zijn recht van verdediging op verschillende vlakken werd geschonden.
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het tweede onderdeel van het vierde middel op grond van de volgende overwegingen: “In dit onderdeel acht de verzoeker zijn rechten van verdediging geschonden. In zoverre hij inroept dat de verklaring van zijn ex-partner inzake de feiten van intrafamiliaal geweld niet in het dossier aanwezig is, wordt vastgesteld dat deze feiten geen deel uitmaken van de tuchtrechtelijke vervolging zodat niet ingezien kan worden hoe het ontbreken van die verklaring verzoeker in zijn rechten van verdediging heeft geschonden. In zoverre verzoeker verschillende aspecten van de hoorzitting van 2 augustus 2021 (na het betekenen van het inleidend verslag) aan kritiek onderwerpt, wordt vooreerst vastgesteld dat verzoeker het proces-verbaal van deze hoorzitting zonder enig voorbehoud of bezwaar ondertekend heeft. Dat er ‘essentiële documenten’ in het dossier ontbreken (welke?), dat bepaalde ‘pertinente opmerkingen’ van verzoeker niet genoteerd werden, dat het verhoor ‘enkel’ de feiten van intra-familiaal betrof en dat verzoeker zich niet nopens de andere feiten heeft kunnen verdedigen, zijn aangelegenheden die verzoeker als opmerking of voorbehoud bij het proces-verbaal van de hoorzitting had kunnen formuleren wanneer het proces-verbaal hem ter ondertekening aangeboden werd, hetgeen hij nagelaten heeft. In die omstandigheden is deze kritiek laattijdig en overigens niet te controleren. De verzoeker wist of kon op grond van het inleidend verslag weten voor welke feiten hij tuchtrechtelijk vervolgd werd, zodat hij in staat was zijn verweer te voeren. Indien dit niet of onvoldoende is gebeurd, is de verzoeker daar minstens mede verantwoordelijk voor. In zoverre de verzoeker inroept dat er nog steeds verwezen wordt naar het verstekvonnis van 17 november 2020, terwijl er een vonnis op verzet van 2 maart 2021 is waarin niet langer een alcoholslot voor de duur van een jaar wordt opgelegd, stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat verzoeker dit vonnis van 2 maart 2021 (dit is vooraleer de tuchtprocedure opgestart werd) noch in de procedure voor de hogere tuchtoverheid, noch in de procedure voor de Tuchtraad, aan het dossier heeft toegevoegd, en dat hij enkel in zijn laatste aanvullend verweerschrift melding gemaakt heeft van dit vonnis, zonder dit vonnis evenwel bij te brengen. De verzoeker spreekt dit in zijn memorie van wederantwoord niet tegen. In die omstandigheden heeft de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing terecht kunnen stellen dat deze kritiek van verzoeker door geen enkel bewijskrachtig element gestaafd werd. XIV-39.032-27/36 De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord ook terecht op dat het vonnis van 2 maart 2021 niets wijzigt aan de materialiteit en de toerekening van de feiten, terwijl de strafmaat van het strafrechtelijke vonnis op geen enkele wijze betrokken werd bij het bepalen van de (tuchtrechtelijke) strafmaat. In zoverre de verzoeker in het onderdeel ook vraagtekens plaatst bij het bewijs van de raadpleging van de databanken blijft hij behoorlijk vaag. In zoverre deze kritiek zo moet begrepen worden dat het feit van de onrechtmatige raadplegingen van het Rijksregister berust op onrechtmatig verkregen bewijs, wordt verwezen naar hetgeen hierover bij de beoordeling van het derde middel (3.3.2) werd gesteld.” Wat het vermeend onrechtmatig verklaren bewijs betreft, verwijst het auditoraatsverslag naar de beoordeling van het derde middel waar het desbetreffend het volgende overweegt: “Uit het middel kan evenwel ook nog begrepen worden dat de verzoeker zijn rechten op manifest grievende wijze geschonden acht doordat hij op 21 december 2020 enkel toestemming verleend heeft om de data van zijn gsm uit te lezen omwille van de feiten van intrafamiliaal geweld, terwijl die data nu aangewend worden om het onrechtmatig raadplegen van het Rijksregister aan te tonen. De verzoeker lijkt aldus te willen stellen dat het onrechtmatig verkregen bewijs betreft. Hierbij rijst vooreerst de vraag of dit bewijs onrechtmatig verkregen is: de verzoeker heeft in het kader van het lopend strafrechtelijk opsporingsonderzoek inzake intrafamiliaal geweld op 21 december 2020 de toestemming gegeven om de data van zijn gsm uit te lezen. De bevoegde tuchtoverheid heeft hiervan slechts kennis kunnen nemen na ontvangst van het strafdossier dat overgemaakt werd door de procureur des Konings, waarna in het kader van het vooronderzoek bij de bevoegde dienst nog om een logincontrole verzocht werd. Het valt niet meteen in te zien wat hieraan onregelmatig of onrechtmatig zou zijn en verzoeker verduidelijkt evenmin op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de toestemming die hij verleend heeft om de gegevens van zijn gsm uit te lezen enkel de feiten van intrafamiliaal geweld betrof. In ieder geval kan de verzoeker niet aanvoeren dat hij door de tuchtoverheid op slinkse wijze zou misleid zijn. Hij heeft de toestemming verleend in het kader van het strafrechtelijk opsporingsonderzoek, en niet aan de bevoegde tuchtoverheid. Deze heeft hiervan kennis gekregen na ontvangst van het strafdossier waarbij de procureur tevens toelating verleend heeft om dit dossier aan te wenden voor tuchtdoeleinden. Ik meen dan ook dat dit geen door de tuchtoverheid onrechtmatig verkregen bewijs betreft. Ondergeschikt, in zoverre geoordeeld zou worden dat het bewijs toch onrechtmatig verkregen werd, moet er op gewezen worden dat deze vaststelling op zich de tuchtprocedure [niet] onwettig maakt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is een onwettig of onregelmatig verkregen bewijs slechts ongeldig en dient het bijgevolg te worden uitgesloten als bewijselement, indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige voormelde voorwaarden, worden niet uit het bewijs geweerd noch maken ze de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-28/36 gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Dat geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of zij een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of (grond)wettelijk gewaarborgd recht (o.a. RvS, 23 januari 2020, nr. 246.835). De verzoeker laat na hierover enige verduidelijking te geven, en het valt ook niet in te zien hoe de betrouwbaarheid van het bewijs aangetast zou zijn en hoe het recht op een eerlijk proces hierdoor miskend zou zijn: verzoeker heeft de mogelijkheid gekregen om verweer te voeren inzake de onrechtmatige raadplegingen van het Rijksregister.”
- Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het handhaven van zijn eerdere uiteenzettingen. Hij brengt evenwel geen argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede onderdeel van het vierde middel ongegrond.
- Het vierde middel is in die mate ongegrond. Derde grief: met betrekking tot de motivering en de strafmaat
- In het derde onderdeel van het vierde middel voert verzoeker aan dat de strafmaat het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel schendt en niet afdoende is gemotiveerd in het licht van de feiten en de context, alsook de persoonlijkheid en de loopbaan van verzoeker. Een toets aan het evenredigheidsbeginsel is pas aan de orde wanneer de motieven deugdelijk zijn en vaststaan. Het is daarom aangewezen om eerst de aangevoerde schending van de formelemotiveringsplicht te onderzoeken vooraleer de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel te onderzoeken.
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-29/36 1991) verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten, noch moet elk argument van verzoeker uitdrukkelijk worden weerlegd. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht moet voorts worden rekening gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere - door verzoeker bekritiseerde - onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. XIV-39.032-30/36
- De strafmaat wordt in de bestreden beslissing als volgt formeel gemotiveerd: “Gelet dat een personeelslid van de politie te allen tijde een voorbeeldfunctie heeft, dat de tuchtfeiten bedoeld in punt 3 dan ook niet kunnen worden getolereerd en dat tuchtrechtelijke gevolgen zich opdringen; Gelet dat de tuchtfeiten van het op 26 januari 2020 bestuurd hebben van een motorvoertuig onder invloed van alcohol die de wettelijk toegelaten limiet overschrijdt alsook de onrechtmatige opzoekingen in het RRN ernstige schendingen inhouden van de fundamentele waarden en principes van de Federale politie, in casu van de integriteitsplicht, de voorbeeldfunctie, de beschikbaarheidsplicht alsook de voorwaarden voor het consulteren van persoonsgegevens en de verplichting om te allen tijde en onder alle omstandigheden bij te dragen tot de bescherming van de medeburgers; dat deze beroepsplichten te allen tijde en in alle omstandigheden dienen te worden nageleefd; Gelet dat de tuchtfeiten niet van die aard zijn dat ze kunnen worden bestraft met enkel een aanmaning of een formele afkeuring in de zin van de Tuchtwet; dat de tuchtfeiten immers een schending uitmaken van de beroeps[p]lichten, waaronder de voorbeeldfunctie, de beschikbaarheidsplicht en de integriteitsplicht en tevens van aard zijn om de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen; dat een zware tuchtsanctie zich dan ook opdringt; Gelet dat ik, als hogere tuchtoverheid, niet van oordeel ben dat uw opgeworpen verweerelementen een aanvaardbare verschoningsgrond vormen, noch kunnen leiden tot de nietigheid van het tuchtdossier; dat ik in dat verband verwijs naar de antwoordelementen vervat in punt 5; Gelet dat de zware tuchtstraf van ‘ontslag van ambtswege’ te verantwoorden is voor het tuchtfeit; Gelet dat het hebben van een blanco tuchtblad en van twee felicitaties in casu als verzachtende omstandigheid in aanmerking dienen te worden genomen; Gelet dat de zware tuchtstraf van terugzetting in de weddeschaal aan het betrokken personeelslid de kans biedt om zich te bezinnen over de deontologische verplichtingen en verantwoordelijkheden ten opzichte van de organisatie; gelet dat het personeelslid hierdoor de kans krijgt om zichzelf opnieuw te bewijzen in het raam van het naleven van de deontologische principes, waarden en normen van de Geïntegreerde Politie; Gelet dat de Tuchtraad in [zijn] definitief advies van oordeel is dat de u ten laste gelegde feiten bewezen zijn en u dienen te worden toegerekend, dat deze feiten zoals omschreven in punt 3 een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van art. 3 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten; Gelet dat de Tuchtraad in [zijn] definitief advies van oordeel is dat de door mijn ambt voorgestelde zware tuchtstraf van schorsing bij tuchtmaatregel gedurende drie maanden te mild is; gelet dat ik de Tuchtraad in [zijn] advies volg;” Verzoeker brengt tegen deze formele motivering enkel in dat een tuchtbeslissing moet aantonen dat de straftoemeting rekening houdt met de ernst van de feiten, de context, alsook de persoonlijkheid en loopbaan van het personeelslid. Verzoeker zet evenwel niet in concreto uiteen in welke mate de XIV-39.032-31/36 hiervoor weergegeven formele motivering van de strafmaat zou tekortschieten op deze vlakken, noch dat deze formele motivering hem geen afdoende zicht zou bieden in de redenen waarom de betrokken straf werd opgelegd, opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Verzoeker maakt evenmin aannemelijk dat de formele motivering inzake de strafmaat niet voldoende concreet of precies is. De enkele omstandigheid dat verzoeker een ander standpunt heeft en zich niet kan vinden in het geheel van de gegeven formele motivering, maakt die alvast daarom niet onwettig.
- Het middelonderdeel, in de mate dat het steunt op de schending van de formelemotiveringsplicht, is ongegrond.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel (of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is) als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel (en van het proportionaliteits- beginsel) kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het komt de Raad van State evenwel niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid of de proportionaliteit van de bestreden beslissingen uit van de feiten zoals ze blijken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 XIV-39.032-32/36 uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissingen het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskennen. Daar het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten, die volgens hem doen blijken dat de bestreden beslissing het evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoeker rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door hem aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur door de hogere tuchtoverheid is geschonden.
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid de straftoemeting enerzijds specifiek heeft gesteund op de ernst van de feiten waaraan zij zeer zwaar tilt en de tekortkomingen aan diverse beroepsplichten die hieruit blijken, doch anderzijds ook rekening houdt met verzachtende omstandigheden. Verzoekers eigen opvatting - die zich zonder meer beperkt tot de stelling dat het evenredigheidsbeginsel geschonden is-, getoetst aan deze beoordeling door de hogere tuchtoverheid, maakt niet aannemelijk dat de opgelegde tuchtstraf niet in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten en dat derhalve de hogere tuchtoverheid een beslissing heeft genomen die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. In de mate verzoeker in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie de schending van het evenredigheidsbeginsel betrekt op de strafverzwaring na het advies van de Tuchtraad in die zin, bemerkt de Raad van State dat verzoeker die argumenten reeds had kunnen aanvoeren en ontwikkelen in het verzoekschrift. In die mate geeft verzoeker aldus in wezen op laattijdige en XIV-39.032-33/36 niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze zijn derhalve laattijdig en niet-ontvankelijk.
- Het middelonderdeel, in de mate het steunt op de schending van het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel, is ongegrond.
- Onder dit middelonderdeel voert verzoeker ook aan dat de inspecteur-generaal in de procedure voor de Tuchtraad oordeelde dat het begrip “een tekortkoming aan de integriteitsplicht” te vaag is als omschrijving van een tuchtrechtelijke tekortkoming en dat de hogere tuchtoverheid dit gebrek niet heeft verholpen. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van dit middelonderdeel op grond van de volgende overwegingen: “Het enige concreet element waar de verzoeker naar verwijst betreft de vaststelling dat in het deskundigenverslag (van de Algemene Inspectie) gesteld wordt dat het begrip “een tekortkoming aan de integriteitsplicht” een te vage omschrijving is en een ‘containerbegrip’ is. Naast de vaststelling dat niet meteen ingezien kan worden hoe een te vage omschrijving van een ambtsplicht op zich de onredelijkheid en onzorgvuldigheid van een strafmaat zou kunnen aantonen, wijst de verwerende partij er in haar memorie van antwoord op dat verzoeker nogal selectief uit het deskundigenverslag citeert. In dat verslag wordt immers het volgende gesteld: “De verdediging kan gevolgd worden als zij stelt dat ‘een tekortkoming aan de integriteitsplicht’ te vaag is als omschrijving van een tuchtrechtelijke tekortkoming. Het begrip integriteit is immers een containerbegrip dat slechts verwijst naar het al dan niet respecteren van de geldende waarden en normen. Besluiten dat hierdoor het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden is, is echter te kort door de bocht. De tuchtoverheid heeft dit begrip in het tuchtdossier en in het voorstel van zware tuchtstraf immers zeer duidelijk geconcretiseerd. Onder punt
- van het voorstel van zware tuchtstraf geeft de tuchtoverheid onder de ‘algemene’ omschrijving immers in concreto aan welke punten van de reglementaire bepalingen volgens haar geschonden zijn. Onder punt
- van het voorstel van zware tuchtstraf vermeldt de tuchtoverheid welke feiten zij als tuchtfeit beoordeelt. De heer […] weet bijgevolg zeer goed tegen welke ten laste gelegde elementen hij zich dient te verdedigen. Er is geen sprake van vaagheid in de tenlastelegging of schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.” Aldus wordt in het deskundigenverslag het tegengestelde van hetgeen verzoeker beweert gesteld.” Verzoeker betwist deze conclusie maar beperkt zich, na kennisneming van het verslag van het auditoraat, tot het handhaven van zijn XIV-39.032-34/36 eerdere uiteenzettingen. Hij brengt evenwel geen argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dit onderdeel van het vierde middel ongegrond.
- Het vierde middel is in die mate ongegrond. Conclusie
- Gelet op wat voorafgaat faalt verzoekers besluit dat gelet op al de door hem aangevoerde omstandigheden de hogere tuchtoverheid niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd om tot een correcte beoordeling van de feiten te komen. Het vierde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-39.032-35/36 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Ann Coolsaet, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.032-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div