id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.139 Rolnummer: A. 241396/VII-42427 Zaak: Arrest 259139 - Milieuvergunningen - 14/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-15 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Arrest nr 259.139 van 14 maart 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 259.139 van 14 maart 2024 in de zaak A. 241.396/VII-42.427 In zake: de BV ECO-KWALITEIT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Mertens kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Scheldestraat 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 5 maart 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) van 23 februari 2024 tot schorsing van de registratie van de verzoekende partij als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-42.427-1/14 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 maart 2024, om 10.30 u. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stefano Geebelen, die loco advocaat Wim Mertens verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Wannes Op De Becq, die loco advocaat Astrid Gelijkens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat afvalstoffen vervoert en behandelt. Zij beschikt over een registratie bij de verwerende partij als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar (hierna : IHM) , die geldig is tot 22 mei
- 3.
- Op 17 januari 2023 stelt de afdeling Handhaving van het departement Omgeving van het Vlaams Gewest proces-verbaal op van de vaststelling dat de verzoekende partij tijdens een ophaalronde op 21 december 2022 restafval vermengde met selectief aangeboden papier en karton. 3.
- Per brief van 12 oktober 2023 stelt de afdeling Handhaving van het departement Omgeving van het Vlaams Gewest aan de verwerende partij voor om de erkenning van de verzoekende partij als IHM te schorsen of in te trekken, VII-42.427-2/14 “gelet op de in het verleden gelopen procedure inzake het schorsen/intrekken van de erkenning als IHM en het feit dat de verklaringen van het bedrijf niet overeenstemmen met de handelingen van het bedrijf”. 3.
- De verwerende partij deelt op 27 oktober 2023 aan de verzoekende partij als volgt haar voornemen mee om over te gaan tot schorsing van de registratie als IHM: “De afdeling Handhaving van het departement Omgeving stelde tijdens een inspectie vast dat uw bedrijf tijdens een ophaalronde van het restafval bij een klant selectief aangeboden afvalstoffen heeft gemengd met restafval. Zo bleek dat de container met selectief aangeboden papier en karton, samen met het restafval geledigd en geperst zou worden in dezelfde vrachtwagen. […] Op basis van de vaststellingen van de afdeling Handhaving is het duidelijk dat uw bedrijf niet voldoet aan de algemene voorwaarden voor het inzamelen, handelen en makelen van afvalstoffen zoals bepaald in artikel 6.1.1.3 van het VLAREMA. Dit artikel stelt letterlijk: “Inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en afvalstoffenproducenten die zelf regelingen treffen voor hun afvalstoffen, moeten de volgende voorwaarden naleven : 1° de afvalstoffen moeten worden vervoerd naar een verwerker die vergund is voor de verwerking van die afvalstoffen. Als verschillende afvalstoffen gescheiden worden aangeboden, moet de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor elke afvalstof een gepaste verwerker kiezen;” Gezien de vaststellingen van afdeling Handhaving is het duidelijk dat voor het selectief aangeboden papier & karton geen gepaste verwerker werd gekozen. Het overtreden van de voorwaarden voor het inzamelen, handelen en makelen van afvalstoffen, is volgens artikel 6.1.3.5 van het VLAREMA reden tot het opstarten van de procedure tot schorsing van de registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. Uw bedrijf ontving in het verleden al een PV voor gelijkaardige feiten in 2018, waarna een procedure tot schorsing van uw registratie als IHM werd opgestart. Ondanks het actieplan dat toen werd opgestart, ontving uw bedrijf in 2019 ook nog een PV wegens het niet naleven van het verbrandingsverbod. Op basis van deze vaststellingen start de OVAM dan ook overeenkomstig artikel 6.1.3.5 van het VLAREMA de procedure tot schorsing van uw registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar opnieuw op. U beschikt over een termijn van 14 dagen na afgifte van de aangetekende brief om uw verweermiddelen bij de OVAM kenbaar te maken. VII-42.427-3/14 Indien u geen verweermiddelen indient, schorst de OVAM binnen 14 dagen uw registratie en mag u geen afvalstoffen van derden meer inzamelen, handelen of makelen. Indien u wenst gehoord te worden en voor bijkomende informatie, kan u steeds contact opnemen met de OVAM […].” 3.5 De verzoekende partij bezorgt op 8 november 2023 haar verweermiddelen aan de verwerende partij. Hierin betwist zij dat de vaststellingen van 21 december 2022 kunnen beschouwd worden als een verboden vermenging van afvalstoffen. Ook wijst de verzoekende partij erop dat het actieplan dat na de vaststellingen van 2018 en 2019 samen met de verwerende partij werd opgestart, volledig werd uitgevoerd en dat strikt wordt toegezien op de gescheiden afvalophaling. Zij vraagt in deze brief ook om te worden gehoord, en de hoorzitting vindt plaats op 19 december
- 3.
- Op 15 december 2023 sluit de afdeling Handhaving van het departement Omgeving een proces-verbaal af, waarin vaststellingen worden gedaan van overtredingen die begaan werden bij een ophaalronde van de verzoekende partij op 8 november 2023, en bij een verdere inspectie van het bedrijf van de verzoekende partij in de loop van november
- Een kopie van dit proces-verbaal wordt naar de verzoekende partij verstuurd op 18 december
- Op 31 januari 2024 volgt nog een proces-verbaal waarin verschillende inbreuken van de verzoekende partij worden vastgesteld, die begaan werden tijdens een ophaalronde op 24 januari
- 3.
- Met een aangetekende brief van 23 februari 2024 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat haar registratie als IHM vanaf 1 maart 2024 wordt geschorst. Dit is de bestreden beslissing, waarin het volgende wordt uiteengezet: “De OVAM schorst vanaf 1 maart 2024 de registratie van uw bedrijf […] als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. VII-42.427-4/14 U moet bijgevolg al uw activiteiten als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar (IHM) onmiddellijk stopzetten, zowel voor gevaarlijke als niet-gevaarlijke afvalstoffen. U wordt opgenomen in het register van geschorste inzamelaars, afvalstoffenhandelaars- of makelaars. Reden schorsing De OVAM heeft u via aangetekend schrijven op 27 oktober 2023 op de hoogte gebracht van een voornemen tot registratie als IHM. We ontvingen uw schriftelijke verweermiddelen op 8 november 2023 en u werd vervolgens door de OVAM gehoord op 19 december
- Er werd een schorsingsprocedure opgestart naar aanleiding van een vaststelling door afdeling Handhaving op 21 december
- Tijdens een terreincontrole merkte een toezichthouder van de afdeling Handhaving op dat [uw bedrijf] een container met selectief aangeboden papier en karton, samen met het restafval ledigde en perste in eenzelfde vrachtwagen. Tijdens de hoorzitting kwamen we tot de conclusie dat de chauffeur een non-conformiteit had moeten opmaken en de container met papier en karton had moeten weigeren. U gaf aan dat de chauffeur toen niet correct heeft gehandeld volgens de interne procedures en in gebreke werd gesteld. In 2019 startte de OVAM ook al een schorsingsprocedure op voor [uw bedrijf] omwille van gelijkaardige feiten. [U] heeft toen in opdracht van de OVAM een actieplan opgesteld, waarna de schorsingsprocedure werd stopgezet. Tijdens de hoorzitting wees u op het feit dat [uw bedrijf] dit actieplan nog steeds opvolgt. U gaf aan dat de chauffeurs opgeleid worden om visuele controles uit te voeren en er een systeem bestaat om non-conformiteiten te registreren en terug te koppelen naar de klant. Desondanks werd tijdens een ophaalronde van bedrijfsrestafval door afdeling Handhaving op 8 november 2023 en 24 januari 2024 vastgesteld dat: de werknemer van [uw bedrijf] de oppervlakte van de rolcontainer niet consequent heeft gecontroleerd op sorteerfouten en; er geen non-conformiteiten werden geregistreerd. Als gevolg werd de afvalstoffenproducent ook niet op de hoogte gebracht van de gemaakte sorteerfouten. Wetgevend kader Artikel 6.1.3.5 van het VLAREMA stelt dat een ontoereikend kwaliteitsborgingssysteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem, elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het inzamelen, handelen of makelen van afvalstoffen, kunnen leiden tot het schorsen van de registratie als IHM. Zoals vastgelegd in artikel 5.5.3.1 en 5.5.3.2 van het VLAREMA moeten inzamelaars, afvalstoffenhandelaars- en makelaars tijdens een ophaalronde van bedrijfsrestafval de oppervlakte van het recipiënt visueel inspecteren op sorteerfouten vooraleer het in het voertuig wordt geladen. Elke sorteerfout moet als een non-conformiteit bijgehouden worden in een register en teruggekoppeld worden naar de afvalproducent (zie artikel 5.3.3.4 van het VLAREMA). Dit zijn voorwaarden waaraan voldaan moet worden voor het VII-42.427-5/14 inzamelen, handelen of makelen van bedrijfsrestafval (art. 6.1.1.4.1°/1 en artikel 5.5.1.1 van het VLAREMA). De OVAM besluit op basis van de vaststellingen van afdeling Handhaving op 8 november 2023 en 24 januari 2024 dat [uw bedrijf] deze voorwaarden heeft overtreden. Het is op basis daarvan dat de OVAM uw registratie als IHM schorst. Tijdens de periode van de schorsing kan u geen nieuwe registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verkrijgen. […]” IV. Vertrouwelijkheid stukken
- De verzoekende partij vraagt de Raad van State om de stukken 7 en 8 van haar dossier als vertrouwelijk te beschouwen. Uit hetgeen hierna volgt blijkt dat de vordering kan beoordeeld worden zonder kennis te nemen van die stukken. Het is dan ook niet nodig om uitspraak te doen over de vraag om de stukken als vertrouwelijk te beschouwen. V. Voorwaarden voor de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- De Raad van State kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling bevelen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte op het eerste gezicht kan verantwoorden, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing (artikel 17, § 1 en § 4, RvS-wet). VI. Onderzoek van het enige middel Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 6.1.3.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 ‘tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen VII-42.427-6/14 en afvalstoffen’ (VLAREMA). Zij zet uiteen dat de verwerende partij de bestreden beslissing grondt op vaststellingen die niet voorkomen in het voornemen tot schorsing van 27 oktober 2023, en bijgevolg de motieven voor de schorsing pas in de bestreden beslissing kenbaar maakt. Hierdoor zou de verwerende partij aan de verzoekende partij de kans hebben ontnomen om verweermiddelen kenbaar te maken jegens de motieven voor de schorsing of om aan te tonen dat de beweerde tekortkomingen ondertussen in orde zijn gebracht. De bestreden beslissing zou aldus ingaan tegen het voorschrift van artikel 6.1.3.5 VLAREMA dat de verwerende partij de motieven voor de schorsing op voorhand kenbaar maakt en de gelegenheid moet bieden om verweermiddelen te doen gelden of aan te tonen dat de zaken ondertussen in orde zijn gebracht.
- De verwerende partij stelt vast dat de verzoekende partij enkel de inhoud betwist van het voornemen tot schorsing, in vergelijking met de uiteindelijke schorsingsbeslissing. Wat de motieven van het voornemen tot schorsing betreft, stelt de verwerende partij vervolgens vast dat de verzoekende partij zonder twijfel de kans heeft gekregen om zich te verweren, of om aan te tonen dat zij zich intussen in regel heeft gesteld. De verwerende partij vervolgt : “Verzoekende partij doet uitschijnen alsof het wachten op het aantonen dat men zich in regel heeft gesteld, een verplichting is voor verwerende partij, maar dat klopt niet : de IHM kan dat zelf doen (net zoals zich verweren), maar als dat niet gebeurt, dan hoeft de verwerende partij die kans niet te blijven aanbieden. Nadien kwam het PV van 7 december 2023 tussen. Dit PV bevestigde de aanhoudende schending van artikel 6.1.1.3 van het VLAREMA, op basis van andere vaststellingen, en bracht ook enkele andere schendingen aan het licht. Ter gelegenheid van de hoorzitting, die bijna 2 maanden na het versturen van het voornemen plaatsvond, konden ook de elementen uit het PV van 7 december 2023 besproken worden (communicatie op de website, visuele controle, niet-conformiteitsregister, …) Nadien kwam ook nog het PV van 31 januari 2024 tussen, alsook het PV van 20 februari 2024, waarin (op basis van nieuwe vaststellingen) opnieuw de VII-42.427-7/14 aanhoudende schending van artikel 6.1.1.3 van het VLAREMA werd bevestigd. […] Uit de bestreden beslissing in haar geheel blijkt duidelijk dat de schorsingsbeslissing wel degelijk geënt is op motieven zoals meegedeeld in het voornemen, en niet enkel op de vaststellingen in de PV’s van 7 december 2023 en 31 januari
- Er worden, naast de meegedeelde motieven, twee elementen aangehaald die voortvloeien uit deze PV’s van 7 december 2023 en 31 januari 2024: visuele inspectie en niet-conformiteitsregister. Deze elementen stonden niet expliciet in het voornemen maar werden wel op de hoorzitting besproken. Bovendien maken ze op zich een toepassing uit van de schending van de algemene voorwaarden conform artikel 6.1.1.3 VLAREMA, [d.i.] het motief voor de schorsing van de erkenning. Doordat uit de PV’s van 7 december 2023 en 31 januari 2024 bleek dat de schending van de algemene voorwaarden conform artikel 6.1.13 VLAREMA – motief voor de schorsing van de erkenning als IHM, zoals meegedeeld in het voornemen – bleef aanhouden, was dat voor verwerende partij de reden om toch door te zetten met de schorsingsbeslissing. […] De motieven voor de schorsing zijn dus van meet af aan [dezelfde], en ook meegedeeld. Wat na de mededeling van het voornemen tot schorsen nog tussenkwam, heeft verwerende partij enkel meer overtuigd van de noodzaak tot schorsen, maar het motief waarom geschorst moet worden, is steeds hetzelfde gebleven – er bleken enkel steeds meer bevestigingen van schending van de algemene voorwaarden bij te komen, die verwerende partij dan ook vermeldde in de schorsingsbeslissing. Dat de motieven op voorhand moeten worden meegedeeld, houdt geenszins in dat ook de volledige concrete onderbouwing van de uiteindelijke schorsingsbeslissing al aan de IHM moet worden kenbaar gemaakt. Dat zou ook indruisen tegen de mogelijkheid om zich te verweren, om te worden gehoord, of om zaken in orde te brengen. Maar net zo goed kunnen er zich in tussentijd bevestigende zaken voordoen – [wat hier gebeurd is]. […] Verzoekende partij heeft zich kunnen verweren op basis van de motieven in het kenbaar gemaakte voornemen tot schorsing, die niet gewijzigd zijn: de bestreden schorsingsbeslissing is uiteindelijk ook op basis van die motieven genomen, bevestigd door de eveneens vermelde latere vaststellingen, die de noodzaak tot schorsing op basis van de kenbaar gemaakte motieven extra bevestigden. Er is dan ook geen sprake van een schending van artikel 6.1.3.5 VLAREMA.” VII-42.427-8/14 Beoordeling
- Artikel 6.1.3.5 VLAREMA bepaalt : “Een ontoereikend kwaliteitsborgingssysteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem, elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het inzamelen, handelen of makelen van afvalstoffen, kunnen leiden tot het schorsen van de registratie. Bij een ontoereikend kwaliteitsborgingssysteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem, een vaststelling van misbruik van de registratie of van een overtreding van de voorwaarden voor het inzamelen of handelen of makelen van afvalstoffen wordt de geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, door de OVAM met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daartoe. De geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar beschikt over een termijn van veertien dagen om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde zijn gebracht. Hij kan vragen om gehoord te worden. De schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar meegedeeld, met vermelding van de motieven. Na de schorsing wordt de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar opgenomen in het register van geschorste registraties van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars. Een schorsing van de registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de registratie. Als door de geschorste inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schorsing niet meer bestaat, kan de schorsing ongedaan worden gemaakt. Tijdens de periode van de schorsing kan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar geen nieuwe registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verkrijgen.”
- De bestreden beslissing stelt uitdrukkelijk : “De OVAM besluit op basis van de vaststellingen van afdeling Handhaving op 8 november 2023 en 24 januari 2024 dat [uw bedrijf] deze voorwaarden heeft overtreden. Het is op basis daarvan dat de OVAM uw registratie als IHM schorst.” VII-42.427-9/14 De motieven van de bestreden beslissing lijken op het eerste gezicht te bevestigen dat de vaststellingen van de overtredingen op 8 november 2023 en 24 januari 2024 de doorslaggevende reden waren voor de schorsing van de registratie van de verzoekende partij als IHM. De verwerende partij lijkt immers op basis van de hoorzitting te aanvaarden dat de feiten die op 21 december 2022 werden vastgesteld, niet kwalificeren als een verboden vermenging van afvalstoffen (zoals werd aangevoerd in het voornemen tot schorsing), maar als een nalatigheid van de chauffeur om de aangeboden container te weigeren en de non-conformiteit te melden. Ook neemt de verwerende partij ervan akte dat de verzoekende partij het in 2019 opgestarte actieplan nog steeds opvolgt. Het is “desondanks” deze elementen dat vervolgens de vaststellingen die werden gemaakt op 8 november 2023 en 24 januari 2024 in de bestreden beslissing worden aangehaald. Uit de motieven van de bestreden beslissing lijkt dan ook niet te kunnen worden afgeleid dat ook tot de schorsing van de registratie zou zijn besloten zonder de vaststellingen van 8 november 2023 en 24 januari
- Het lijkt niet te worden betwist dat de verzoekende partij niet de gelegenheid heeft gekregen om ten aanzien van de vaststellingen van overtredingen op 8 november 2023 en 24 januari 2024 verweermiddelen te laten gelden of aan te tonen dat zij haar zaken inmiddels in orde heeft gebracht. Evenmin werd zij hierover gehoord. Hoewel de vaststellingen van 8 november 2023 dateren van enige tijd vóór de hoorzitting van 19 december 2023, lijken zij niet ter sprake zijn gebracht ter gelegenheid van die hoorzitting. Het proces-verbaal met de vaststellingen lijkt overigens maar te zijn afgesloten op 15 december 2023 en pas op 18 december 2023 naar de verzoekende partij te zijn verzonden, zodat lijkt aangenomen te mogen worden dat de verzoekende partij hiervan ten tijde van de hoorzitting van 19 december 2023 nog niet op de hoogte was. De verwerende partij lijkt dan ook niet te kunnen worden gevolgd wanneer zij beweert dat de VII-42.427-10/14 vaststellingen van 8 november 2023 ter sprake konden komen tijdens de hoorzitting.
- Uit artikel 6.1.3.5, tweede en derde lid, VLAREMA lijkt te kunnen worden afgeleid dat de verwerende partij maar tot schorsing van de registratie als IHM mag overgaan nadat aan de betrokkene met betrekking tot de voor de beslissing doorslaggevende vaststellingen van overtredingen de gelegenheid werd gegeven om zijn verweermiddelen te laten gelden of aan te tonen dat hij zijn zaken inmiddels in orde heeft gebracht, en de mogelijkheid werd geboden hierover gehoord te worden. De verwerende partij lijkt die gelegenheid en mogelijkheid niet geboden te hebben aan de verzoekende partij voor wat betreft de vaststellingen van overtredingen die doorslaggevend lijken te zijn geweest voor de bestreden schorsingsbeslissing. De bestreden beslissing lijkt dan ook artikel 6.1.3.5, tweede en derde lid, VLAREMA te miskennen. Het enige middel lijkt de nietigverklaring van de bestreden beslissing op het eerste gezicht te kunnen verantwoorden. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij wijst erop dat de bestreden beslissing in werking is getreden op 1 maart 2024 en geldt voor de resterende duur van de registratie, zijnde tot mei
- Zij heeft op 1 maart 2024 haar activiteiten inzake het inzamelen van afval moeten stopzetten, en kan hieruit geen inkomsten meer verwerven. Deze situatie zou voor de verzoekende partij onherroepelijke schade veroorzaken. De verzoekende partij verwijst naar de verklaring van haar boekhouder die in essentie stelt dat zij zo snel mogelijk haar inzamelactiviteit moet VII-42.427-11/14 kunnen hervatten, en dat zij in het andere geval het faillissement moet aanvragen. Nu de maximale behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing 45 dagen bedraagt, zou de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldoende aannemelijk zijn gemaakt.
- De verwerende partij stelt vast dat de verzoekende partij zich beroept op een financieel-economisch nadeel. Dergelijk nadeel zou in de regel de spoedeisendheid niet verantwoorden. Enkel wanneer de verzoekende partij aantoont in zodanige penurie te zitten dat zij de normale afloop van de schorsingsprocedure niet kan afwachten, zou de uiterst dringende noodzakelijkheid kunnen aanvaard worden. De verwerende partij wijst erop dat de omstandigheid dat de schorsing blijft lopen tot mei 2032 niet eraan in de weg staat dat de schorsing op grond van artikel 6.1.3.5, laatste lid, VLAREMA ongedaan kan worden gemaakt indien de verzoekende partij aantoont dat de aanleiding tot de schorsing niet meer bestaat. Het zou volgens de verwerende partij daarenboven wel erg onwaarschijnlijk zijn dat een faillissement zich opdringt binnen de normale behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. De precaire financiële situatie zou evengoed het gevolg kunnen zijn van eigen keuzes en bedrijfsvoering en niet van de bestreden beslissing. Beoordeling
- De verzoekende partij legt een “verklaring op eer” voor van een erkend fiscaal accountant waarin wordt uiteengezet dat de verzoekende partij enkel inkomsten verwerft door het inzamelen van afval, en waarin hij op grond van een analyse van de financiële gegevens van de verzoekende partij besluit : “Indien de vennootschap de activiteit inzake het inzamelen van afval niet zo snel mogelijk kan opstarten, zullen op korte termijn de boeken neergelegd moeten worden. De beschikbare bedragen op de bankrekeningen zijn ruimschoots onvoldoende om de reeds vervallen schulden / lasten te betalen. Het saldo van de vervallen schulden/lasten en de nog te vervallen schulden / lasten van maart en april zullen enkel betaald kunnen worden met de VII-42.427-12/14 inkomsten uit prestaties verricht in februari
- Deze zijn echter eveneens onvoldoende. Een heropstart in april 2024 komt te laat omdat de inkomsten uit de prestaties van april 2024 pas ontvangen zullen worden in mei
- Alzo zal de vennootschap bij gebrek aan heropstart in maart 2024 de volledige maand april zonder inkomsten en zonder reserves zitten.” Er is geen reden om te twijfelen aan de waarachtigheid van deze verklaring die uitgaat van een boekhouder die onderworpen is aan strenge deontologische regels. De verzoekende partij maakt hiermee voldoende aannemelijk dat zij een ernstig risico loopt het faillissement te moeten aanvragen indien zij haar activiteiten niet in de loop van maart 2024 kan heropstarten. Er bestaat aldus een ernstig risico dat de verzoekende partij op een korte tijd, binnen de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, een onherroepelijk nadeel zou ondergaan. Het wordt ook voldoende aannemelijk gemaakt dat de uiterst precaire financiële situatie van de verzoekende partij door de bestreden beslissing wordt veroorzaakt. De eventuele omstandigheid dat de schuldenlast van de verzoekende partij het gevolg zou zijn van keuzes in de bedrijfsvoering van de verzoekende partij, betekent niet dat het nakende risico op het faillissement door die schuldenlast wordt veroorzaakt. Uit de verklaring van de boekhouder blijkt immers dat de verzoekende partij in staat zou moeten zijn haar schulden te betalen indien zij haar activiteiten als IHM op korte termijn kan hervatten. Het is niet aannemelijk dat de verzoekende partij binnen die korte termijn erin zou kunnen slagen de schorsing van de registratie ongedaan te zien maken op grond van artikel 6.1.3.5, laatste lid, VLAREMA. Aan de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid is dan ook eveneens voldaan. VII-42.427-13/14 BESLISSING De Raad van State beveelt bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de OVAM van 23 februari 2024 tot schorsing van de registratie van de verzoekende partij als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien maart tweeduizend vierentwintig door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Francis Van Nuffel VII-42.427-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.139 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.800 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div