← België

Arrest 259140 - Dierenwelzijn - 14/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.140 Rolnummer: A. 241398/XII-9672 Zaak: Arrest 259140 - Dierenwelzijn - 14/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-15 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-06-17 20:25 Fiche Arrest nr 259.140 van 14 maart 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 259.140 van 14 maart 2024 in de zaak A. 241.398/VII-42.428 In zake: J.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tanja Smit kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 222 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpart 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 maart 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving van de Vlaamse Overheid van 6 februari 2024 waarbij werd besloten tot het in volle eigendom geven van de hond – geïdentificeerd met chip nr. 967000009346052- aan een erkend asiel waar hij op dat ogenblik verbleef, in toepassing van artikel 42, § 2, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’. VII-42.428-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 maart 2024, om 10.30 u. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Margot De Vylder, die loco advocaat Tanja Smit verschijnt voor verzoeker en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  3. Na een telefonische oproep over de mishandeling van een hond op straat begeeft een inspecteur van de lokale politie zich op 27 januari 2024 ter plaatse van het incident, waar hij de hond van de verzoekende partij aantreft met enkele omstaanders. Na het aanhoren van de getuigen en de verzoekende partij beslist de inspecteur de hond in beslag te nemen en te laten overbrengen naar een erkend asiel. 3.
  4. Verzoeker werd op 3 februari 2024 gehoord. VII-42.428-2/7 3.
  5. Op 6 februari 2024 beslist het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving om de hond in volle eigendom te geven aan het erkend asiel waar de hond verblijft. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt wordt gemotiveerd : “De vaststellingen en foto’s geacteerd in pv […] dd. 27/01/2024: - Getuigen zouden gemerkt hebben dat [verzoeker] zijn hond had geslagen. - De hond is zeer mager – de ribben kunnen worden gezien – en heeft een onverzorgde uitstraling. - De hond lijkt angstig doordat hij de staart tussen de achterste poten steekt. - [Verzoeker] zegt dat zijn hond aan het spelen was met de hond van voorbijgangers en dat hij zijn hond heeft willen terugtrekken. Hierdoor heeft hij een duw aan de hond gegeven. Hij ontkent dat hij zijn hond geslagen heeft. - Uit het samenhangende verhaal van getuigen blijkt dat [verzoeker] een stok naar de hond heeft gegooid. De stok kaatste van de grond op de kop van de hond. Zonder enige aanleiding zou [verzoeker] de hond een trap in zijn zij gegeven hebben. Volgens 1 van de getuigen zou [verzoeker] zijn hond regelmatig hard aanpakken wanneer deze niet naar zijn bevelen luistert. Verschillende voorbijgangers getuigen dat [verzoeker] zijn hond vaker mishandelt in het openbaar. Het verhoor van [verzoeker] op 03/02/2024 waarin hij onderstaande verklaart: - Hij heeft zijn hond, Choco, sinds hij een pup is en de hond is nu 13 jaar oud. Zijn hond is zijn beste vriend en hij zou hem nooit iets aandoen. - Als hij met zijn hond gaat wandelen, gooit hij een stok weg met de bedoeling dat Choco hem apporteert. Als hij dit doet, krijgt hij een beloning. - Op een gegeven moment heeft hij tegen de stok gestampt, maar zeker niet tegen zijn hond. De mensen die wat verder stonden hebben misschien gedacht dat hij tegen zijn hond stampte, maar dat is zeker niet gebeurd. - Hij is van mening dat hij zijn hond goed verzorgt. Zijn hond krijgt de nodige inentingen en hij geeft hem goed eten. - Zijn hond is topfit. Hij heeft geen overgewicht, maar is zeker niet te mager. - Hij wil zijn hond zo snel mogelijk terug. Het dierenartsverslag van het asiel waaruit blijkt: - Choco is te mager - Choco heeft cataract Overwegende dat door meerdere onafhankelijke getuigen werd vastgesteld dat [verzoeker] zijn hond heeft gestampt. VII-42.428-3/7 Overwegende dat verschillende getuigen reeds meermaals hebben opgemerkt dat [verzoeker] zijn hond in het openbaar mishandelt. Overwegende dat vanuit het voorzorgsprincipe een teruggave van de hond onverantwoord zou zijn. De hond heeft geen reële verkoopwaarde, minstens geen waarde die in verhouding staat tot de kosten van transport, opvang, huisvesting en verzorging overeenkomstig zijn ethologische en fysiologische behoeften.” IV. Voorwaarden voor de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  6. De Raad van State kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling bevelen onder de dubbele voorwaarde dat minstens één middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte op het eerste gezicht kan verantwoorden, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing (artikel 17, § 1 en § 4, RvS-wet). V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunten van de partijen
  7. Met betrekking tot de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid, zet verzoeker in het verzoekschrift uiteen: “Verzoeker lijdt enorm onder deze beslissing aangezien dit tot gevolg heeft dat het gezelschap van zijn hond waaraan hij zeer gehecht is, hem voor onbepaalde tijd wordt ontzegd. ‘Zonder de kwaliteit van de behandeling die de dieren thans krijgen op de plaats waar ze zijn ondergebracht in vraag te stellen, kan worden geacht dat het feit dat het gezelschap van de honden en katten waaraan hun eigenares zegt zeer gehecht te zijn, haar voor onbeperkte tijd wordt ontzegd, een rechtstreekse en aanzienlijke invloed heeft op haar persoonlijke levensvoorwaarden en voor haar een onmiskenbaar ernstig nadeel vormt.’ [RvS (6e k.) nr.251.341, 4 augustus 2021] Voor zover als nodig wenst verzoeker erop te wijzen dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid VII-42.428-4/7 van de bestreden beslissing hoe dan ook gerechtvaardigd is, door het feit dat schorsing in het kader van een gewoon administratief kort geding onherroepelijk te laat zou komen, alsook een onmiskenbaar onherstelbaar ernstig nadeel zou vormen.”
  8. Volgens de verwerende partij is niet voldaan aan de vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid omdat verzoeker niet diligent is opgetreden. Zij wijst erop dat verzoeker bijna een maand heeft gewacht alvorens zijn vordering in te stellen. Hij zou ook niet aantonen dat er bijzondere omstandigheden zijn die verantwoorden dat de schorsing onmiddellijk wordt uitgesproken om aan zijn moreel nadeel een halt toe te roepen. Beoordeling
  9. De partij die de Raad van State verzoekt om ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een bestuurshandeling, dient zich ervan bewust te zijn dat beroep wordt gedaan op een uitzonderingsprocedure waarbij de rechten van verdediging tot een minimum worden herleid en het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State wordt verstoord. De uiteenzetting van de verzoekende partij van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid volgens hem rechtvaardigen, moet dan ook de concrete gegevens bevatten die aannemelijk maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging na het volgen van de gewone procedure onherroepelijk te laat zou komen om het ernstig nadeel dat verzoeker met zijn vordering wenst af te wenden, te voorkomen. Die uiteenzetting moet gebeuren in het verzoekschrift. De Raad van State kan geen rekening houden met de gegevens die de verzoekende partij hierover nog op de zitting zou bijbrengen wanneer die elementen al in het verzoekschrift hadden kunnen worden vermeld.
  10. Volgens de uiteenzetting van verzoeker in het verzoekschrift bestaat zijn nadeel uit het gemis, voor onbepaalde tijd, van het gezelschap van zijn hond. Hiermee duidt verzoeker niet aan waarom de gewone schorsingsprocedure onherroepelijk te laat zou komen om dit nadeel te voorkomen. Het volstaat niet VII-42.428-5/7 om dit te beweren, de verzoekende partij moet precies aanduiden waarom het door hem aangehaalde nadeel niet met de gewone vordering tot schorsing kan worden afgewend. Verzoeker laat na om dit te doen. In zoverre verzoeker zou aanvoeren dat het gemis aan gezelschap van het dier geleidelijk aan verergert, en op onherstelbare wijze ondraaglijk zou worden indien de afloop van een gewone schorsingsprocedure zou moeten worden afgewacht, stelt de Raad van State vast dat de houding van verzoeker hiermee moeilijk te rijmen valt. Verzoeker heeft immers na de kennisname van de bestreden bestemmingsbeslissing op 12 februari 2024 nog gewacht tot 5 maart 2024, hetzij 22 dagen, alvorens de vordering bij de Raad van State in te stellen. In het verzoekschrift geeft hij voor deze afwachtende houding geen enkele verklaring. In deze omstandigheden maakt verzoeker onvoldoende aannemelijk dat er zich omstandigheden voordoen die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen. Deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt de vordering.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.428-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op veertien maart tweeduizend vierentwintig door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Francis Van Nuffel VII-42.428-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.140 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.361 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.883 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.