id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 Rolnummer: A. 236466/X-18158 Zaak: Arrest 259146 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-18 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Arrest nr 259.146 van 15 maart 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 no lien 276153 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 259.146 van 15 maart 2024 in de zaak A. 236.466/X-18.158 In zake :
- F.V.
- J.A.
- J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Meindert Gees en Hanna Biebauw kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 2F5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE BRECHT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Geens kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AQUAFIN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 mei 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Brecht van 13 januari 2022 houdende de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Sint-Job-in-’t-Goor’. X-18.158-1/48 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 19 oktober
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Meindert Gees, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Vanhaverbeke Gheerkin, die loco advocaat Joris Geens verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Charlotte Dupont, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- X-18.158-2/48 X-18.158-3/48 III. Feiten 3.1.
- De verzoekende partijen wonen allen langs de Kattenhoflaan te Sint-Job-in-’t-Goor, gemeente Brecht. In de omgeving van hun woonplaats, meer bepaald op het perceel kadastraal bekend als afdeling 5, sectie B, nr. 150/b (hierna: het plangebied), wenst de gemeente Brecht, in samenwerking met de nv Aquafin, door middel van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘RWZI Sint-Job-in-’t-Goor’ (hierna: het bestreden gemeentelijk RUP) in een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) te voorzien om de waterkwaliteit van het Klein Schijn te verbeteren. 3.1.
- De noodzaak van een RWZI op deze locatie wordt in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP als volgt toegelicht: “Er vindt frequent overstorting plaats aan de Kattenhoflaan naar het Klein Schijn. Hierbij komt het teveel aan regenwater en ongezuiverd afvalwater terecht in de waterloop. Dit is geen goede zaak voor de kwaliteit van de waterloop. Op basis van klachten over de frequente werking van de overstort aan de Kattenhoflaan naar het Klein Schijn bestudeerde Aquafin in 2015 binnen de hydronautstudie (met referentie 99SD03) de mogelijkheden om de situatie te verbeteren. Deze overstort werkt frequent omdat het debiet vanuit het gemengd rioleringsstelsel dat hier toekomt beperkt wordt door middel van een knijpopening. Het debiet wordt momenteel beperkt tot ‘3Q14’, dit is drie keer de toekomende vuilvracht. Het overtollig (regen)water stort over naar het Klein Schijn. De afwaartse collector heeft een beperkte diameter en loopt doorheen La Garenne tot in Schilde. Ook de zuiveringsinstallatie van Schilde verwerkt 3Q
- Tegenwoordig worden nieuwe installaties ontworpen aan 6Q14 (dus 6 keer de toekomende vuilvracht). De bouw van een nieuwe zuiveringsinstallatie wordt voorzien zodat de overbelasting van de RWZI Schilde kan opgelost worden en een complexe uitbreiding vermeden kan worden.” 3.
- Het plangebied situeert zich ten zuiden van de dorpskern van Sint-Job-in-’t-Goor en grenst in het oosten aan de woonwijk Zandbergen. In de nabijheid van het plangebied bevindt zich voorts het gemeentelijk containerpark, de gemeentelijke werkplaats, het jeugdcentrum ’t Jop en een hippisch centrum. Het natuurgebied La Garenne situeert zich op 375 m van het plangebied. Het X-18.158-4/48 antitankkanaal, dat sinds 1993 als landschap is beschermd, bevindt zich op 380 m van het plangebied. De bestaande toestand van het plangebied (rood omrand) en zijn omgeving wordt in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP als volgt weergegeven: 3.3.
- Het plangebied (rood omrand) wordt overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 25 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen bestemd als ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’: X-18.158-5/48 3.3.
- Verder bevindt het plangebied zich binnen het beheersingsgebied van het bij ministerieel besluit van 15 juli 2004 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg ‘Bergbezinkings- en retentiebekkens I’ (hierna: het BPA). Het beheersingsgebied van het BPA is ruimer dan het plangebied (rood omrand) en wordt ingekleurd als een ‘zone voor wachtbekken’ (blauw) met omringende ‘bufferzone’ (groen): Ten westen van het plangebied, binnen de contouren van het BPA, werd reeds een retentiebekken gerealiseerd. Ten oosten van het plangebied, binnen de contouren van het BPA, geldt het gemeentelijk RUP ‘zonevreemde bedrijven’, deelplan nr. 12 ‘Basislijst Godrie’ (hierna: het gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde bedrijven’), dat dit oostelijk perceel inkleurt als agrarisch gebied met tijdelijke bestemming grondstockage. 3.
- Op 1 oktober 2018 wordt het planningsproces van het bestreden gemeentelijk RUP opgestart, met een startvergadering georganiseerd door de gemeente Brecht en de nv Aquafin, gevolgd door verschillende overlegmomenten met het planteam. 3.
- Op 26 november 2019 keurt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht de start- en procesnota goed, die van 13 januari 2020 tot en met 13 maart 2020 ter inzage wordt gelegd. Op 23 januari 2020 vindt een participatiemoment voor de omwonenden plaats, X-18.158-6/48 waarbij diverse bezwaren worden geuit en naar aanleiding waarvan meerdere adviezen worden ingewonnen. 3.
- Op 12 mei 2020 keurt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht de scopingnota goed, waarbij wordt ingegaan op de geuite bezwaren en de verleende adviezen. 3.
- Op 27 juli 2020 beslist het team Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid (hierna: het team Mer) dat de opmaak van een milieueffectrapport niet nodig is. Nadat de scopingnota werd aangepast, bevestigt het team Mer op 6 april 2021 die beslissing. 3.
- Op 19 januari 2021 keurt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Brecht het voorontwerp van het bestreden gemeentelijk RUP goed. In februari 2021 vindt een plenaire vergadering over dit voorontwerp plaats. 3.
- Op 10 juni 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Brecht het ontwerp van het bestreden gemeentelijk RUP voorlopig vast. 3.10.
- In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt aangaande de natuurlijke structuur gewenst door het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Brecht (hierna: het GRS) – zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Brecht op 10 september 2015 en goedgekeurd door de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen op 19 november 2015 – het volgende gesteld: “Gewenste natuurlijke structuur Een groene gordel rond Sint-Job-in-’t-Goor De dorpskern van Sint-Job-in-’t-Goor bestaat uit een uitgestrekt woonweefsel dat omringd wordt door verschillende natuurlijke waarden. Zo is er in het zuiden het antitankkanaal, in het westen de beekvallei van Klein Schijn, in het noorden de bossen en heiden van de Brechtse heide en het domein de Merel en in het westen ligt het woongebied met recreatief karakter. Als al deze elementen met elkaar in verbinding worden gesteld ontstaat er een groene gordel rond de kern van Sint-Job-in-’t-Goor. Op verschillende ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-7/48 plaatsen kan deze gordel een meer cultuur - landschappelijk karakter hebben, op andere een meer natuurlijk. Het versterken en waar nodig vervolledigen van deze groene gordel staat voorop. Waternetwerk als basis van (gemeentelijke) verbindingsstructuren Het waternetwerk in de gemeente Brecht kan in twee grote delen worden opgesplitst. Er zijn de kunstmatige waterlopen, gevormd door de kanalen en de natuurlijke waterlopen, voornamelijk in het noorden van de gemeente aanwezig. Deze structuren vormen belangrijke verbindende elementen tussen de bovengenoemde bos- en heidestructuren. Door het behoud van de beplanting langs deze beken en kanalen en door het versterken van de groenelementen waar nodig, kunnen deze structuren dienst doen als de belangrijke natte natuurverbindingsstructuren binnen de gemeente. Klein Schijn wordt aangeduid als een verbindingsgebied. Agrarische gebieden als aandachtsgebied voor natuurlijke verweving Een aantal agrarische gebieden binnen de gemeente worden gekenmerkt door hoge natuurwaarden. Deze agrarische gebieden kunnen belangrijke natuurgebieden binnen de gemeente met elkaar in verbinding stellen. Een verweving van natuur en landbouw wordt hier nagestreefd Recreatief medegebruik is in bepaalde delen mogelijk. De zone tussen Klein Schijn en Sint-Job-in-’t-Goor wordt aangeduid als een aandachtsgebied. .” In de voormelde grafische weergave is het plangebied door de plannende overheid in rood omcirkeld. 3.10.
- Met betrekking tot de landbouw in de openruimtecorridor stelt het GRS: X-18.158-8/48 “Landbouw in open-ruimte corridor Het betreft het landbouwgebied tussen de groene gordel rond Sint-Job-in’t-Goor en het dorpennetwerk. Om te vermijden dat de twee bebouwde zones meer naar elkaar toegroeien wordt ervoor geopteerd om dit gebied te behouden als een open ruimtegebied. Dit heeft op [zich] geen invloed op het landbouwgebruik in deze omgeving, maar wel op de landbouwbedrijfsgebouwen. Bestaande landbouwbedrijfsgebouwen kunnen hier steeds verder ontwikkeld worden. Nieuwe landbouwbedrijven kunnen zich enkel in dit gebied vestigen op basis van strikte voorwaarden die in een RUP worden vastgelegd. Nieuwe landbouwbedrijven kunnen zich steeds vestigen in vrijkomende landbouwbedrijven. Serrebedrijven en para-agrarische bedrijven worden in deze omgeving niet toegelaten.” 3.
- Van 5 juli 2021 tot en met 2 september 2021 vindt over het ontwerp van het bestreden gemeentelijk RUP een openbaar onderzoek plaats. Er worden meerdere adviezen verleend en onder anderen de verzoekende partijen dienen bezwaren in. 3.
- Op 8 november 2021 verleent de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Brecht (hierna: de Gecoro) een gunstig advies over het ontwerp van het bestreden gemeentelijk RUP. 3.
- Met het bestreden besluit van 13 januari 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Brecht het bestreden gemeentelijk RUP definitief vast. 3.14.
- Het grafische plan is het volgende: X-18.158-9/48 De legende erbij luidt: 3.14.
- Artikel 3.1 bestemt de ‘zone voor openbaar nut en waterzuivering’ tot “infrastructuur van openbaar nut voor zuivering van huishoudelijk afvalwater”. Volgens de toelichting bij dit artikel betreft dit onder ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-10/48 meer “een dienstgebouw, nabezinktank, slibbuffer, slibindikker, influentput, selectortank”. 3.14.
- De inrichtingsvoorschriften van de ‘zone voor openbaar nut en waterzuivering’ luiden: “3.
- Inrichting 3.2.
- Bebouwing en constructies Algemeen - alle werken, handelingen, voorzieningen en inrichtingen die nodig of nuttig zijn voor het realiseren van de zuivering van afvalwater zijn toegelaten; - afvalverwerking, andere dan de waterzuivering zelf, is binnen het plangebied uitgesloten; - het aanleggen, inrichten of uitrusten van wegen of paden voor de bediening van de zuiveringsinfrastructuur van afvalwater is toegelaten voor zover de afwatering gebeurt naar de niet verharde delen, of naar een eigen opvang, of dat er gebruik gemaakt wordt van waterdoorlatende materialen; - het aanleggen van nutsleidingen, collectoren, overstorten, pompstations, bufferbekkens en effluentleidingen is toegelaten; - het overkappen van de slibbuffer en de slibindikker is verplicht; - het gedeeltelijk of volledig ingraven van constructies is toegelaten; - bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient een nota te worden toegevoegd waarin expliciet wordt aangetoond dat er voortschrijdende Best Beschikbare Technologie (BBT) maatregelen, zoals beschreven in de Sectorale Code van Goede Geurpraktijk SCvGGP ‘Voorkomen, beoordelen en beheersen van geurhinder veroorzaakt door een rioolwaterzuiveringsinstallatie’, worden meegenomen in het ontwerp; - de gebouwen en constructies dienen in het kader van zuinig ruimtegebruik zo efficiënt mogelijk ingeplant te worden. Dakvorm - verplicht plat dak. Bouwhoogte - dienstgebouw: ▪ max. 4 m; - overige constructies: ▪ max. 6 m (exclusief veiligheidsleuningen en verlichting). Ontsluiting - max. breedte 6 m; - max. één toegangsweg. Materiaalkeuze - de gebruikte materialen, het volume en de vormgeving van de gebouwen en constructies moeten op een kwalitatieve en contextuele wijze ingepast worden in de omgeving. 3.2.
- Onbebouwde ruimte Algemeen X-18.158-11/48 - de niet bebouwde ruimte dient te worden voorzien van groenaanleg met streekeigen plantensoorten. Reliëf - beperkte reliëfwijzigingen die nodig of nuttig zijn voor de goede werking van de waterzuiveringsinstallatie zijn toegestaan.” In de toelichting bij dit artikel wordt vermeld: “In de sectorale code voor goede geurpraktijk, opgemaakt door departement Omgeving, is opgenomen dat voor de neutrale geuren een overschrijding van de richtwaarde niet toegestaan is ter hoogte van het toetsingsobject, maar wel ter hoogte van de perceelsgrens waarop het toetsingsobject zich bevindt. Bij een overschrijding ter hoogte van de perceelsgrens is het de bedoeling dat naar de richtwaarde wordt toegewerkt in functie van voortschrijdende BBT. De RWZI dient bijgevolg te worden ontworpen en opgericht met de best beschikbare techniek. Deze techniek kadert integraal in het voorkomen van mogelijke hinder. Door de gebouwen en constructies maximaal te bundelen, wordt de visuele impact op de omgeving beperkt. Enkele constructies hebben een hoogte van 6-7 m nodig. Om de impact op het landschap echter te beperken wordt er voorop gesteld dat deze constructies minimaal 1 m dienen ingegraven te worden. Volgende constructies zijn volledig in beton opgetrokken: - Influentput - Beluchting - Nabezinktanks - Slibindikker - Slibbuffer - Selectortank Bovenop de constructies zullen er vaak nog aluminiumleuningen en -trappen geplaatst worden. De gevels van het dienstgebouw worden opgetrokken in metselwerk met grijze betongevelsteen en aluminium buitenschrijnwerk. Alles kleiner dan een wijziging van een halve meter valt onder een beperkte reliëfwijziging.” 3.15.
- De zone voor ‘buffer’ bevat het bestemmingsvoorschrift “groenbuffer” (artikel 4.1). De toelichting bij dit artikel vermeldt dat “[d]e buffer rondom de zone voor waterzuivering dient te worden aangelegd ifv het visueel afschermen van de infrastructuur”. 3.15.
- Verder bevat deze zone de volgende inrichtingsvoorschriften: X-18.158-12/48 “4.
- Inrichting Bebouwing en constructies - bebouwing en constructies in de bufferzone zijn niet toegelaten; - afsluitingen zijn toegelaten gecombineerd met de groenbuffering indien: ▪ de afsluitingen langsheen de binnenzijde van de buffer worden voorzien; ▪ de afsluitingen worden voorzien van een vrije ruimte van minimaal 0,10 m ter hoogte van het maaiveld; ▪ de afsluitingen hebben een maximale hoogte van 2,5 m gemeten vanaf het maaiveld - ondergrondse leidingen en constructies zijn toegelaten voor zover dit het uitzicht van de buffer niet hypothekeert. Aanleg buffer - minimale breedte van 5 m; - doorbreking van de buffer is enkel toegelaten in functie van: ▪ toegang tot de zone voor waterzuivering langsheen de Kattenhoflaan, dit over een maximale breedte van 6 m; ▪ onderhoudsstrook langs het Klein Schijn. - de buffer dient als volwaardig groenscherm gerealiseerd te worden met een afwisselend plantverband bestaande uit struiken of hagen met een minimale hoogte van 2 m, aangevuld met laag- en hoogstammige bomen. De hoogte wordt afgestemd op de vereiste voor een effectief visuele buffer en dient minimaal de hoogte van de afsluiting te overstijgen; - er dient gebruikt te worden gemaakt van een gemengde haag van streekeigen plantensoorten; - de bestaande bomenrij langsheen de Kattenhoflaan dient maximaal behouden te worden en in de groenbuffer geïntegreerd te worden; - de buffer dient gerealiseerd te worden in het eerstvolgende plantseizoen na het beëindigen van de werken voor de aanleg van de RWZI.” In de toelichting bij dit artikel wordt vermeld: “De omheining moet het perceel volledig omsluiten, maar kan wel geplaatst worden aan de binnenzijde van de groenbufferzone. Standaard worden er metalen palen van 2m hoog voorzien met daartussen draadgaas, in zwarte of groene kleur. Onderaan wordt er een strook van 10 cm vrijgehouden (tussen maaiveld en laagste punt van de draadgaas). Door het hekwerk aan de binnenzijde van de buffer te plaatsen wordt de landschappelijke integratie van de zone voor waterzuivering bevorderd. De buffer dient voldoende gevarieerd en dens te zijn zodat de constructies en gebouwen uit het zicht verwijderd worden vanuit het natuurgebied. Het laaneffect van de bestaande bomenrij zal niet aangetast worden. Uitsluitend de bomen noodzakelijk voor de creatie van een veilige en voldoende ruime toegang tot het plangebied mogen gerooid worden.” X-18.158-13/48 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen nemen een eerste middel uit de “onwettigheid van het BPA - afwijking van de gewestplanbestemming: schending van artikel 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen juncto schending van artikel 14, vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 [hierna: het coördinatiedecreet] juncto artikel 159 van de Grondwet, schending van de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij zetten uiteen dat het BPA zich op grond van artikel 14, vierde lid, van het coördinatiedecreet, zoals van toepassing bij de goedkeuring van het BPA, diende te richten naar de aanwijzingen en bepalingen van het gewestplan. Om ervan af te wijken diende de plannende overheid een beroep te doen op uitzonderlijke omstandigheden. Zo moest, in het licht van de “Heylen-doctrine”, worden aangetoond dat de bestemming van het gewestplan achterhaald is of niet meer verwezenlijkt kan worden, dat de voorgestelde bestemming beantwoordt aan de op dat ogenblik bestaande planologische noden en mogelijkheden en dat er een dwingende behoefte bestaat aan een daaraan aangepaste nieuwe, afwijkende ordening. Het vervuld zijn van deze voorwaarden moet uit de formele motivering van het afwijkende plan, of minstens uit het dossier, blijken. Het BPA voldoet niet aan deze vereisten en is dan ook manifest onwettig. Het dient op basis van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten te worden. Dit heeft belangrijke gevolgen voor het bestreden gemeentelijk RUP dat stelt een loutere “verfijning” te beogen van het BPA en dat voor de beoordeling van de milieueffecten en de behandeling van de bezwaren en de adviezen naar het BPA teruggrijpt. X-18.158-14/48 Beoordeling 5.
- Het ten tijde van de opmaak en de goedkeuring van het BPA geldende artikel 14, vierde en vijfde lid, van het coördinatiedecreet luidt: “[…] Wanneer een streek-, gewest- of algemeen plan bestaat, richt het bijzonder plan zich naar de aanwijzingen en bepalingen ervan, en vult ze aan. Het kan er desnoods van afwijken. Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei
- […].” 5.
- In het goedkeuringsbesluit van het BPA wordt overwogen: “Overwegende dat de voorzieningen passen binnen de inrichtingsprincipes voor het buitengebied en voor het integraal waterbeheer zoals vervat in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen en in het provinciaal ruimtelijk structuurplan; Overwegende dat de locaties kaderen binnen de visie van het voorontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat de afwijkingen van het gewestplan beperkt zijn en door een bijzonder plan van aanleg kunnen doorgevoerd worden; Overwegende dat de adviezen gunstig zijn;” 5.
- Het goedkeuringsbesluit verwijst zodoende uitdrukkelijk naar het in opmaak zijnde GRS en naar de principes van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Opgemerkt zij voorts dat het BPA voorlopig werd aangenomen vóór 1 mei 2005, zoals eveneens vereist door artikel 14, vijfde lid, van het coördinatiedecreet. Anders dan de verzoekende partijen dit zien, moet gelet op het voormelde aangenomen worden dat het BPA steunt op de in artikel 14, vijfde lid, van het coördinatiedecreet vermelde afwijkingsmogelijkheid, en niet op het door de verzoekende partijen geschonden geachte vierde lid van dat artikel
- X-18.158-15/48 5.
- In zoverre de verzoekende partijen eerst in hun memorie van wederantwoord en vervolgens in hun laatste memorie de schending aanvoeren van artikel 14, vijfde lid, van het coördinatiedecreet is dit laattijdig en is het middel onontvankelijk. De desbetreffende ontvankelijkheidsexceptie van de tussenkomende partij is gegrond. 5.
- Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen nemen een derde middel uit “diverse strijdigheden met het GRS, gebrek aan verantwoording - schending van artikel 2.1.1 [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO)], artikel 2.1.2, §3 VCRO, artikel 1.1.4 VCRO juncto schending van het beginsel van de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij zetten uiteen dat het bindend gedeelte van het GRS de vallei van het Klein Schijn selecteert als natuurverbindingsgebied, meer bepaald als “natte en droge natuurverbindingsstructuren tussen grotere natuurgebieden in de gemeente”. De planlocatie grenst onmiddellijk aan het Klein Schijn. Verder wordt de bosstructuur tussen Schoten en Sint-Job-in-’t-Goor aangemerkt als te behouden en te versterken bos- en parkstructuur. Het plangebied situeert zich hiertussen. Nog wordt de open ruimte tussen de noordelijke dorpen en de groene gordel rond Sint-Job-in-’t-Goor aangemerkt als openruimteverbinding. Het plangebied is volgens het richtinggevend gedeelte van het GRS gelegen in een openruimtecorridor en maakt deel uit van de groene gordel rond Sint-Job-in-’t-Goor, waarbinnen geen bedrijven toegelaten zijn. Als flankerende maatregel wordt vooropgesteld om de percelen in de groene gordel systematisch aan te kopen, bebouwing, verharde wegen en omheiningen te weren en ook aanplantingen op niet-beboste percelen te stimuleren. Uit de vermeldingen in het GRS blijkt dat het behoud en het versterken van de groene structuur in het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-16/48 plangebied van het allergrootste belang zijn. Het vooropgestelde gemeentelijk RUP ‘Afwerking Zuidelijke rand Sint-Job-in-’t-Goor’, dat een globaal plan voor de toekomstige ontwikkeling voor de zuidelijke rand zou vastleggen, werd nog niet aangenomen. Ook wijzen de verzoekende partijen op het gemeentelijk RUP ‘Zonevreemde bedrijven’ dat gebiedt om het oostelijk deel van het plangebied van het BPA vanaf 2 januari 2035 als agrarisch gebied te herstellen, hetgeen aansluit bij de door het GRS vooropgestelde versterking van het agrarisch en/of natuurlijk karakter van het gebied. Het bestreden gemeentelijk RUP bestemt het plangebied evenwel als een zone voor de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinstallatie, met bijhorende constructies en verhardingen. Het hypothekeert volkomen de doelstelling tot het realiseren van natuur en landbouw in dit gebied. De verzoekende partijen zien niet in waarom de Gecoro van mening is dat het gemeentelijk RUP getuigt van zuinig ruimtegebruik. De site zal volledig worden ingenomen door allerlei constructies die horen bij een RWZI met een capaciteit van liefst 13.500 IE (inwonersequivalent). Het bestreden gemeentelijk RUP houdt geen rekening met de strijdigheid met de planinstrumenten en met het minst schadelijke alternatief. Het bevat voorts geen motivering overeenkomstig artikel 2.1.2, § 3, eerste lid, VCRO om af te wijken van het richtinggevend gedeelte van het GRS. De stelling dat met het bestreden gemeentelijk RUP invulling wordt gegeven aan het richtinggevend gedeelte van het GRS, is niet ernstig. Beoordeling 7.
- Uit de richtinggevende bepalingen van het GRS en meer bepaald uit de kaart 32 ‘gewenste natuurlijke structuur’ bij het richtinggevend gedeelte van het GRS, zoals overgenomen in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP (zie de afbeelding onder randnummer 3.10.1), blijkt dat het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP niet tot de groene gordel rond Brecht behoort. Dit is anders voor het Klein Schijn, dat blijkens de voormelde kaart als een natuurlijke verbinding binnen de groene gordel geldt. Het Klein Schijn geldt aldus als een natte natuurverbindingsstructuur in de zin van het bindend gedeelte van het GRS. Het richtinggevend gedeelte van het GRS duidt het Klein Schijn expliciet aan als ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-17/48 een dergelijk verbindend element tussen de bos- en heidestructuren, waarbij wordt aangegeven dat “[d]oor het behoud van de beplanting langs deze beken en kanalen en door het versterken van de groenelementen waar nodig” deze structuren “dienst [kunnen] doen als de belangrijke natte natuurverbindingsstructuren binnen de gemeente”. Het bestreden gemeentelijk RUP strekt er precies toe de natuurverbindingsstructuur van het Klein Schijn te vrijwaren door voor de toekomst te vermijden dat “[h]et teveel aan regenwater en ongezuiverd afvalwater terecht[komt] in de waterloop”, hetgeen “geen goede zaak [is] voor de kwaliteit van de waterloop” (zie randnummer 3.1.2). Verder maakt het plangebied geen deel uit van de te versterken bosstructuur tussen Schoten en Sint-Job-in-’t-Goor zoals de verzoekende partijen voorhouden. Het betoog in hun laatste memorie dat de realisatie van de RWZI een impact zal hebben op “dit bosgebied” wordt niet aannemelijk gemaakt. 7.
- Evenmin overtuigen de verzoekende partijen ervan dat het bestreden gemeentelijk RUP de door het GRS gewenste openruimtecorridor in het plangebied hypothekeert. In deze openruimtecorridor staat het behoud van het landbouwgebied tussen de groene gordel rond Sint-Job-in-’t-Goor en het dorpennetwerk als open ruimte voorop (zie randnummer 3.10.2). Ten tijde van de goedkeuring van het GRS in 2015 en de vaststelling van het bestreden gemeentelijk RUP gold voor het plangebied evenwel niet (langer) de landbouwbestemming van het gewestplan, maar wel de bestemming ‘zone voor wachtbekken’ en ‘bufferzone’ van het BPA (randnummer 3.3.2). Waar het richtinggevend gedeelte van het GRS met betrekking tot de openruimtecorridor bepaalt dat “het landbouwgebied tussen de groene gordel rond Sint-Job-in-’t-Goor en het dorpennetwerk” als een openruimtegebied wordt behouden “[o]m te vermijden dat de twee bebouwde zones meer naar elkaar toegroeien” (zie randnummer 3.10.2), blijkt dit derhalve niet op het plangebied van het bestreden gemeentelijk RUP toepassing te vinden. 7.
- De verzoekende partijen tonen gezien het voormelde niet aan dat het bestreden gemeentelijk RUP in strijd is met het GRS. Evenmin overtuigen zij ervan dat de plannende overheid niet zou uitgaan van het minst schadelijke alternatief. Een schending van de aangevoerde rechtsregels wordt niet aangetoond. X-18.158-18/48 7.
- Het middel wordt verworpen. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen nemen een tweede middel uit de “gebrekkige motivering m.b.t. de adviezen: schending van artikel 2.2.4, §3 VCRO, artikel 2.2.21, §5 en §6 VCRO, artikel 2 en 3 van de Formele Motiveringswet van 29 juli 1991 en schending van het beginsel van de materiële motiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij zetten uiteen dat in het advies dat de provincie Antwerpen naar aanleiding van de startnota heeft verstrekt, bijkomende vragen werden gesteld, meer bepaald
(1)de vraag om de relatie tussen de planinstrumenten die gelden op de nabijgelegen percelen verder te bekijken en om dus de plancontouren van de overlappende/aansluitende planinstrumenten te verduidelijken en
(2)de vraag om verduidelijking inzake de mogelijke strijdigheid met het GRS, in het bijzonder voor wat de prioritaire actie betreft om een groene gordel uit te bouwen rond de dorpskern van Sint-Job-in-’t-Goor. De verzoekende partijen menen dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming nu de vraag omtrent de eventuele strijdigheid met het GRS niet werd beantwoord. De enige repliek die hierop wordt gegeven is een loutere verwijzing naar een zogenaamd gemeentelijk RUP ‘Afwerking zuidelijke rand Sint-Job-in-’t-Goor’ dat de verzoekende partijen onbekend is. Er is voor de verzoekende partijen geen enkele zekerheid dat dit plan überhaupt ontwikkeld zal worden en het bestreden gemeentelijk RUP lijkt in ieder geval de creatie van een groene gordel conform het GRS te hypothekeren. Beoordeling 9.
- De provincie Antwerpen vraagt in haar naar aanleiding van de startnota uitgebrachte advies van 27 februari 2020 “of de naastgelegen percelen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-19/48 (conform de contour van het BPA […]) niet mee bekeken dienen te worden” en vraagt dienvolgens om de relatie tussen de plancontouren van het voorgenomen bestreden gemeentelijk RUP en het BPA te verduidelijken. Daarnaast vraagt zij om “de relatie tot de prioritaire actie ‘RUP zuidelijke rand Sint-Job-in-’t-Goor’ uit het structuurplan van Brecht [te verduidelijken]”. 9.
- In antwoord op de eerste vraag van de provincie Antwerpen wordt er in de scopingnota onder meer op gewezen dat de werking van het ten westen van het plangebied gelegen retentiebekken “mogelijk [is] binnen de huidige bestemming van het BPA […]”. Het blijkt niet dat dit geen afdoende antwoord zou zijn op de vraag van de provincie Antwerpen, die daar in haar latere adviezen ook niet op terugkomt. 9.
- Wat de tweede door de provincie gestelde vraag betreft, zij vooreerst opgemerkt dat reeds bij de beoordeling van het derde middel (randnummer 7.1 en volgende) is gebleken dat het bestreden gemeentelijk RUP niet strijdig is met de in het GRS vooropgestelde uitbouw van een groene gordel rond de dorpskern van Sint-Job-in-’t-Goor en dat het bestreden gemeentelijk RUP de uitbouw van deze groene gordel derhalve niet hypothekeert. In dit verband werd bij de beoordeling van het derde middel gewezen op de in de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP vermelde kaart 32 ‘gewenste natuurlijke structuur’ van het richtinggevend gedeelte van het GRS (afbeelding onder randnummer 3.10.1). Diezelfde kaart is opgenomen onder titel 2.4.3 van de scopingnota, waarnaar de plannende overheid in antwoord op de tweede vraag van de provincie Antwerpen verwijst. Het blijkt een voldoende antwoord op de tweede vraag van de provincie Antwerpen te zijn, temeer nu de provincie in haar latere advies van 11 februari 2021 zelf aangeeft dat het voorgenomen gemeentelijk RUP de realisatie van de in het GRS verwoorde visie aangaande de groene gordel niet lijkt te hypothekeren. Zij herhaalt dit nogmaals in haar recentste advies van 19 augustus 2021 dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt uitgebracht. De provincie Antwerpen geeft daarbij nog uitdrukkelijk aan geen (verdere) opmerkingen te hebben bij het ontwerp van het bestreden gemeentelijk RUP. X-18.158-20/48 9.
- Gelet op wat voorafgaat, tonen de verzoekende partijen geen schending van de aangevoerde rechtsregels aan. 9.
- Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 10.
- De verzoekende partijen voeren in een vierde middel aan dat het “aangevraagde zal aanleiding geven tot onaanvaardbare hinder, foutieve en gebrekkige analyse van de hinderaspecten: schending van de artikelen 2.2.1 VCRO, 2.2.4, §3 VCRO, artikel 2.2.21, §5 en §6 VCRO en 4.3.1, §§ 1 en 2 VCRO iuncto artikel 1.1.4 VCRO, schending van artikel 2 en 3 van de Formele Motiveringswet van 29 juli 1991 en schending van het beginsel van de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur”. 10.
- Zij stellen dat hun tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren niet of gebrekkig door de Gecoro werden besproken. Dit voor wat betreft de door hen aangevoerde hinder, de strijdigheid met het GRS, het onvoldoende alternatievenonderzoek, de onvoldoende doorvertaling van de vooropgestelde maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften, de onduidelijkheid met betrekking tot het aantal voor de ontsluiting te rooien bomen, de onterechte kwalificatie van het bestreden gemeentelijk RUP als een verfijning van het BPA en het voorbijzien van het natuurgebied La Garenne ten zuiden van het plangebied. 10.3.
- Het bestreden gemeentelijk RUP zal aanleiding geven tot onaanvaardbare hinder op verschillende vlakken, onder meer op het vlak van geurhinder, luchtkwaliteit, visuele hinder, geluidshinder, biodiversiteit, mobiliteitshinder. De inschattingen die worden gemaakt zijn zeer rooskleurig en worden niet gestaafd. X-18.158-21/48 10.3.
- Vooreerst werd de geurhinder gebrekkig geanalyseerd en is er op dat vlak een gebrekkige doorvertaling van de vereiste maatregelen in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de RWZI ten zuiden/zuidwesten van de dorpskern wordt voorzien en dat de wind overwegend uit het zuidwesten waait. Aan hun desbetreffende bezwaar wordt geenszins tegemoetgekomen. De verwerende partij negeert dat eerste verzoeker op ongeveer zestig meter ten noordoosten van het plangebied woont. Een geurimpactanalyse die rekening houdt met de feitelijke omgeving ontbreekt. De verzoekende partijen betwisten dat de geurhinder enkel op de site zelf mag worden verwacht en dat met de windrichting rekening zou zijn gehouden. De analyse van de geurimpact in de scopingnota is sowieso weinig geruststellend, waar wordt geoordeeld dat bij onverwachte geurhinder bijkomende maatregelen kunnen genomen worden. De plannende overheid tracht de beoordeling ter zake door te schuiven naar het projectniveau. Bovendien ontbreekt elke duidelijkheid over wat de “onverwachte geurhinder” en “bijkomende maatregelen” inhouden. Voorts werden de hoog geurgevoelige bestemmingen bij de begroting van het geurhinderpotentieel niet in rekening gebracht. Uit de scopingnota blijkt dat er zeker geurhinder zal zijn, maar het is onduidelijk of deze zich tot het plangebied zal beperken. Uit de sectorale code van goede geurpraktijk van het departement Omgeving van de Vlaamse overheid (hierna: SCvGGP) blijkt dat accidentele geurhinder kan worden ervaren bij een RWZI, ook bij moderne installaties. In strijd met de SCvGGP voorziet het bestreden gemeentelijk RUP in een volledig nieuwe RWZI met een capaciteit van 13.500 IE. Niet alle onderdelen die aanleiding kunnen geven tot zeer onaangename geuren worden overkapt. Ook zijn er processen die sterke geurhinder veroorzaken maar waarvoor geen remediërende maatregelen vooropgesteld worden of mogelijk zijn. Het bergbezinkingsbekken net achter de perceelsgrens van eerste verzoeker zal ernstige geurhinder veroorzaken. Dat het bestreden gemeentelijk RUP voorziet in de overkapping van de slibbuffer en de slibindikker betreft een gangbare praktijk en kan niet als een “concessie” worden gezien. Volgens de SCvGGP wordt de locatiekeuze voor een RWZI afhankelijk gemaakt van zowel technische als ruimtelijke voorwaarden, waarbij gestreefd wordt naar een maximale verenigbaarheid van de locatie met de woonfunctie. Dit blijkt te dezen niet het geval te zijn. Bij een evenwichtige beoordeling van de geurhinder moet onder meer ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-22/48 rekening worden gehouden met de geurbelasting, de geurgevoeligheid van de omgeving, de mogelijkheid van cumulatieve effecten en de maatschappelijke schade in de zin van een waardedaling van de woningen. Naast het plangebied bevindt zich reeds een Aquafininstallatie die geurhinder veroorzaakt en een containerpark. Uit de analyse van de geurimpact in de scopingnota blijkt niet dat rekening werd gehouden met de mogelijke cumulatieve effecten van beide installaties. In de scopingnota wordt rekening gehouden met een richtwaarde van 0,5 se/m³ 98P en een grenswaarde van 2 se/m³ voor de zeer onaangename geuren, en een richtwaarde van 1,5 se/m³ en grenswaarde van 3 se/m³ voor de neutraal onaangename geuren. Hieruit zou volgen dat de richtwaarde enkel wordt overschreden in een beperkt deel van de tuin van de nabijgelegen woning. Nochtans blijkt uit de tabel van de te verwachten effecten voor zeer onaangename geuren en de te verwachten effecten voor neutrale geuren dat er sprake is van een sterk tot matig negatief effect. Dit werd onvoldoende in rekening gebracht. In de scopingnota wordt verder gesteld dat de nodige maatregelen zullen getroffen worden om de eventuele uitvoering van curatieve geurmaatregelen in de exploitatiefase te vereenvoudigen. Het is onduidelijk welke remediërende maatregelen men zou nemen om de geurhinder te vermijden en op welke termijn dit zal gebeuren. Er wordt immers in de voorschriften enkel een overkapping voorzien, zonder verdere duiding. De verzoekende partijen hebben geen enkele garantie dat er remediërende maatregelen conform de SCvGGP zullen worden genomen. Het niet gestaafde standpunt dat de grenswaarde niet overschreden wordt, garandeert niet dat er geen geurhinder zal zijn. In de scopingnota blijft het bij algemene stellingen en hypothesen, net als in de bespreking door de Gecoro. Ook wordt verwezen naar een geurstudie van de tussenkomende partij, die evident besluit dat er geen maatregelen nodig zijn. Elke verdere beoordeling wordt doorgeschoven naar het vergunningenniveau. Op de bezwaren met betrekking tot het belang van de SCvGGP en de feitelijke gevolgtrekkingen hieruit, repliceert de Gecoro niet. Met betrekking tot de geurhinder wordt geadviseerd om in het bestreden gemeentelijk RUP expliciet naar de SCvGGP te verwijzen, wat geenszins voldoende is. De scopingnota beperkt zich tot de stelling dat er geen problemen met geuroverlast voor de omwonenden worden verwacht, terwijl er sprake is van een sterk negatief effect gelet op de hoog geurgevoelige bestemming. X-18.158-23/48 10.3.
- Met betrekking tot de luchtkwaliteit stellen de verzoekende partijen dat een RWZI zorgt voor de uitstoot van een variëteit aan stoffen. Uit de scopingnota blijkt dat archimedesschroeven grote hoeveelheden zuurstof in het mengsel zullen brengen, waardoor de bacteriën in het slib het organisch materiaal in het rioolwater kunnen afbreken tot koolstofdioxide, stikstofgas en water. Gelet op het bestaan van meerdere RWZI’s in België, kan de impact op de luchtkwaliteit van dergelijke installaties gekend zijn, en zou een en ander concreet moeten onderzocht worden. Er wordt evenmin een impactanalyse gemaakt, noch worden beperkende maatregelen opgelegd met betrekking tot zwavelwaterstof en methaan. De Gecoro beperkt zich tot de vaststelling dat de Vlaremwetgeving geen luchtmetingen oplegt omdat de uitstoot van fijnstof en NOx ver onder de luchtkwaliteitsnorm blijft. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat een in concreto-analyse van de luchtkwaliteit als onderdeel van de te verwachten milieueffecten van het bestreden gemeentelijk RUP moet doorgevoerd worden. De stelling van de Gecoro bewijst enkel het gebrek aan concrete analyse van de te verwachten effecten op de luchtkwaliteit. 10.3.
- Met betrekking tot de geluidshinder wijzen de verzoekende partijen erop dat een RWZI hinder genereert door het geluid van motoren. Uit de scopingnota blijkt dat de RWZI continu in bedrijf zal zijn. Een gedegen onderzoek van deze hinder voor de omwonenden is dan zeker aan de orde. In casu wordt echter louter verwezen naar de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht van hinderlijke ingedeelde inrichtingen uit Vlarem II, bijlage 4.5.
- Het is onduidelijk of de kritieke procesonderdelen ertoe zullen leiden dat de Vlarem-richtwaarden overschreden worden. In de scopingnota wordt ervan uitgegaan dat de installatie aan de akoestische randvoorwaarden zal voldoen. Dit is al te eenvoudig en houdt geen rekening met het scala aan geluidsgenererende elementen van een RWZI. De inschatting is niet toereikend en berust bovendien niet op een beoordeling in concreto. Opnieuw wordt de beoordeling doorgeschoven naar het projectniveau. Bovendien rijst de vraag of de clustering van gebouwen en het “richten van de inplanting” de conformiteit met de Vlarem-geluidsnormen kan garanderen. Het is onduidelijk of de maximale bundeling van de installatie elk mogelijk onaanvaardbaar negatief effect op de aanwezige fauna en flora kan vermijden. Een concrete toetsing van de te ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-24/48 verwachten geluidshinder ontbreekt. De Gecoro geeft op de bezwaren geen afdoende antwoord, nu zij in essentie stelt dat voldaan is aan de Vlarem-geluidsnormen en dat er bijkomende maatregelen zullen genomen worden indien daar nood aan is. 10.3.
- Verder is er ook sprake van een onaanvaardbare visuele hinder doordat in het plangebied talrijke gebouwen en constructies worden voorzien waarvan de maximale bouwhoogte vier of zes meter bedraagt. Om de impact op het landschap te beperken wordt weliswaar voorzien dat deze constructies minimaal een meter dienen ingegraven te worden. Bovendien dienen de gebruikte materialen op kwalitatieve en contextuele wijze te worden ingepast in de omgeving, terwijl toegelicht wordt dat alsnog alle constructies volledig in beton worden opgetrokken. Additioneel wordt een toegangsweg voorzien van zes meter breed, waarvan de verhardingswijze evenwel niet wordt toegelicht. In haar advies stelt de Gecoro dat de gebruikte materialen worden afgestemd op de functie die ze moeten vervullen en de technische kenmerken die ze hebben. Er wordt niet ingegaan op de geuite bezwaren met betrekking tot de visuele impact. De verzoekende partijen hebben aangekaart dat niet duidelijk is hoe de omheining in overeenstemming is met de groenbuffer. In haar advies stelt de Gecoro dat in de stedenbouwkundige voorschriften zal moeten worden verduidelijkt hoe deze omheining wordt vormgegeven. De verordenende bepalingen schrijven voor dat “de afsluitingen […] een maximale hoogte [hebben] van 2,5 m gemeten vanaf het maaiveld”, maar de combinatie met het groenscherm blijft nog steeds onduidelijk. De verzoekende partijen betwisten dat de visuele impact van de RWZI op de omgeving beperkt is. De visuele hinder zal nog versterkt worden indien bomen moeten worden gerooid om de ontsluiting van de site te verwezenlijken. De Gecoro besluit dat in de stedenbouwkundige voorschriften opgenomen moet worden dat het laaneffect van de bestaande bomenrij niet zal worden aangetast. Er zal evenwel nog steeds visuele hinder zijn. Het streven naar landschappelijke en visuele integratie in de omgeving vindt geen doorvertaling in de stedenbouwkundige voorschriften, gelet op de betonnen uitvoering van de constructies. Het contrast met de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA, waarin tot maximaal een meter boven het maaiveld kon worden gebouwd, is opvallend. De groenbuffer zal niet maken dat het plangebied “groen oogt” X-18.158-25/48 aangezien men voorbijgaat aan de constructies die erboven zullen uitsteken. Bovendien wordt in de scopingnota een beschermd landschap op nauwelijks 345 meter afstand van het plangebied genegeerd. De schaal van de RWZI sluit geenszins aan bij de schaal van het landschap en de omvang van de RWZI tast de structuur en functie van het buitengebied aan. 10.3.
- Met betrekking tot de biodiversiteit zien de verzoekende partijen niet in hoe de toename van de verhardingsgraad van het perceel zal leiden tot een betere ecologische kwaliteit van de plangebied. De buffer tussen het woongebied en het bos- en natuurgebied gaat volkomen verloren. De impact op de biodiversiteit werd onvoldoende onderzocht. Er werd geen rekening gehouden met het nabijgelegen natuurgebied La Garenne, noch met de bestaande biodiversiteit in de omgeving van het plangebied. Bij de beschrijving van de bestaande toestand gaat de toelichtingsnota voorbij aan de ligging van het plangebied nabij bosrijk en biologisch zeer waardevol gebied. 10.3.
- Met betrekking tot de mobiliteit wijzen de verzoekende partijen erop dat het plangebied zich situeert nabij de drukke dorpskern van Sint-Job-in-’t-Goor. De toegangsweg naar het plangebied, waarvan de draagkracht nu reeds wordt overschreden, is niet geschikt voor zware transporten. In de impactanalyse wordt gesteld dat de verkeersimpact zeer beperkt zal zijn, maar wordt geen rekening gehouden met de concrete ligging van het plangebied. De Gecoro stelt dat de toegangsweg naar het plangebied geschikt is voor het noodzakelijke transport maar staaft dit niet. Dit gaat voorbij aan de vaststelling dat de hoofdas van de Kattenhoflaan niet de ontsluitingsweg zal zijn voor de projectsite, maar dat de ontsluiting zal gebeuren via de nauwe zijstraat die tevens de toegang vormt naar het containerpark. De mobiliteitsimpact blijft onduidelijk. Uit de scopingnota blijkt dat er een aanvoer is van slib middels een tankwagen (één of enkele malen per week), een periodieke groendienst, een interne onderhoudsdienst, een schoonmaakdienst voor het dienstgebouw, een maandelijkse lediging van de rolcontainers voor het roostergoed, een aanvoer van chemicaliën, wat wordt beschouwd als een “beperkte verkeersgeneratie”. Deze verkeersbewegingen maken evenwel geen deel uit van de analyse van de mobiliteitsimpact. Bovendien verloopt dit verkeer door de reeds verzadigde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-26/48 centrumas, waar zwaar verkeer geweerd wordt. Het is niet duidelijk hoe hieraan tegemoet wordt gekomen. Bovendien wordt in het bestreden gemeentelijk RUP onvoldoende rekening gehouden met het onderscheid tussen de planologische toets en de feitelijke toets. De screeningsnota lijkt er onder meer vanuit te gaan dat het plan geen bijkomend verkeer zou veroorzaken, waarbij getoetst wordt aan de gewenste feitelijke toestand en niet aan de bestaande planologische bestemming. 10.3.
- Voorts betogen de verzoekende partijen dat de locatiealternatieven niet voldoende werden onderzocht. De RWZI wordt ingeplant naast een woongebied, terwijl tijdens het participatiemoment op een alternatieve locatie werd gewezen waaraan geen gehoor werd gegeven. Dit klemt des te meer nu aan het gebied eerder een andere bestemming werd gegeven in het kader van een gemeentelijk RUP ‘Afwerking zuidelijke rand Sint-Job-In-’t-Goor’. In de toelichtingsnota wordt verduidelijking geboden bij de keuze van de locatie doch nergens wordt een gedegen alternatievenonderzoek gevoerd. Bovendien wordt verkeerdelijk geponeerd dat de planoptie de principes van het RSV vervult, nu het RSV de versnippering van het buitengebied wil tegengaan. In het advies van de Gecoro wordt gesteld – daarbij het GRS negerend – dat geen open ruimte wordt aangesneden omdat het plangebied gesitueerd is tussen een bestaand retentiebekken en “het terrein van Godrie”. Het alternatievenonderzoek werd niet ernstig gevoerd. Er worden drie voorwaarden gesteld: de locatie moet gelegen zijn nabij de collector die langs het Klein Schijn loopt, mag niet in natuurgebied gelegen zijn, en de maatschappelijk te verwachten hinder dient “het minste” te zijn. Voor de selectie van deze voorwaarden wordt evenwel geen redelijke verantwoording gegeven. Bovendien rijst de vraag wat het laatste criterium praktisch gezien inhoudt. In de evaluatie van het plangebied wordt overwogen dat het perceel voldoende groot is waardoor een aantasting van het zuidelijk gelegen bosgebied kan worden vermeden. Dit wordt niet gestaafd. Nochtans blijkt uit het preliminaire inplantingsplan in de toelichtingsnota dat het plangebied vol zal staan met constructies, waardoor het plangebied in essentie niet geschikt is voor de vooropgestelde RWZI. Met de mogelijke negatieve gevolgen van de inplanting op het plangebied wordt bij de locatiekeuze geen rekening gehouden. Het plangebied bevindt zich conform het gewestplan naast natuurgebied. Het natuurdomein La Garenne is 450 ha groot en bevindt zich op 375 m van het plangebied. Alle ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-27/48 onderzochte locaties bevinden zich ten zuiden van de kern van Sint-Job-in-’t-Goor. Uit niets blijkt waarom niet buiten dit gebied werd gezocht. De locatie 3 werd afgewezen om reden van de ligging ervan in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, terwijl het huidige plangebied eenzelfde bestemming heeft, gelet op het onwettige BPA. Voorts wordt nergens gemotiveerd waarom de collector langs de Kattenhoflaan moet worden gebruikt. De verzoekende partijen bekritiseren dat de dichtstbijzijnde woning op 75 m van het plangebied is gelegen. De criteria zijn opgesteld om sowieso de huidige site te verkiezen. Het onderzoek is op een onvoldoende, onzorgvuldige en ongestaafde wijze gebeurd. Het gekozen alternatief wordt evenmin gekaderd in de recente herziening van het GRS. Beoordeling 11.
- In de mate dat de verzoekende partijen met hun middel aansturen op een opportuniteitsbeoordeling zij erop gewezen dat de Raad van State, wettigheidsrechter zijnde, daarvoor niet bevoegd is. 11.
- Met betrekking tot de aangevoerde vrees voor geurhinder, dient vastgesteld te worden dat de scopingnota op de pagina’s 43 tot en met 47 op deze problematiek ingaat en tot het volgende besluit komt: “Uit de berekening van de geurimpact en de toetsing ter hoogte van de dichtstbijzijnde gelegen woningen in het woongebied, blijkt dat er geen problemen met geuroverlast naar omwonenden toe wordt verwacht door de werking van de RWZI. Om eventuele geurhinder evenwel volledig uit te sluiten, wordt ervoor gekozen om zowel de slibbuffer als de slibindikker van de RWZI te overkappen. Bovendien zullen de nodige maatregelen getroffen worden om de eventuele uitvoering van curatieve geurmaatregelen in exploitatiefase te vereenvoudigen (voldoende steunranden voor afdekking, extra controle op verdichting en nabehandeling van het beton, voldoende ruimte voor een luchtbehandelingseenheid). […] Ook zal er naar gestreefd worden om kritieke procesonderdelen (ontvangst, primaire zuivering, sliblijn) zo ver mogelijk van nabijgelegen geurgevoelige objecten te groeperen om het risico op geurhinder te beperken. Verder is het uitermate belangrijk dat turbulentie ter hoogte van de influentzone/primaire zuivering zoveel als mogelijk beperkt wordt om vrijstelling van geurcomponenten en geurhinder te voorkomen. […] X-18.158-28/48 Rekening houdende met het hedonische karakter van geur (= geur heeft een gevoelsmatig aspect) aan de verschillende constructies, de overkapping van zowel de slibbuffer als de slibindikker en het toetsingskader zoals opgenomen in de code van goede geurpraktijk voor RWZI’s, zal er geen geurhinder optreden door de exploitatie van deze installatie t.h.v. de nabijgelegen woningen.” De Gecoro treedt dit standpunt als volgt bij in haar advies: “De geurhinder werd in de mer-screening onderzocht en er wordt geen geurhinder verwacht in de onmiddellijke omgeving van het plangebied (scopingnota p.43). Bovendien zal zowel de slibbuffer als de slibindikker van de RWZI worden overkapt (cf. collegebeslissing dd. 12/05/2020).[…].” De Gecoro stelt verder nog: “[...] Wel dient gesteld dat Aquafin en de overheid een lange traditie hebben in de uitbouw van rioolwaterzuiveringsinstallaties. Decennialange ervaring met dergelijke projecten toont aan dat er geen geur[hinder] voor de nabije woningen zal veroorzaakt worden door de maatregelen die hier reeds worden voorgesteld. […] Wat de geurhinder betreft worden preventief diverse maatregelen genomen bij opbouw en exploitatie van de installatie. Concreet wordt de installatie uitgevoerd volgens de Sectorale Code van Goede Geurpraktijk SCvGGP ‘Voorkomen, beoordelen en beheersen van geurhinder veroorzaakt door een rioolwaterzuiveringsinstallatie’ dat opgemaakt werd door Departement Omgeving (versie 2018). Hieruit blijkt dat de geurcontouren voor zowel de zeer onaangename geuren als de neutrale geuren in het zuiden binnen de perceelsgrenzen vallen (scopingnota p.45 en verder). Wat betreft de neutrale geuren waar er enkel op de perceelsgrens een matig negatief effect mogelijks te verwachten valt zullen er voortschrijdende Best beschikbare technologie (BBT) maatregelen zoals beschreven in SCvGGP, meegenomen worden in het ontwerp. De installatie wordt dus ontworpen en opgericht met de best beschikbare techniek. Deze techniek kadert integraal in het voorkomen van mogelijke hinder. Dit wordt verder uitgebreid behandeld in de vergunningsaanvraag. Concreet wordt daarbij als volgt mee omgegaan volgens de S[C]vGGP. In deze sectorale code voor goede geurpraktijk opgemaakt door departement Omgeving is opgenomen dat voor de neutrale geuren een overschrijding van de richtwaarde niet toegestaan is ter hoogte van het toetsingsobject, maar wel ter hoogte van de perceelsgrens waarop het toetsingsobject zich bevindt (bijv. niet bewoond gedeelte (= tuin) van het woonperceel). Bij een overschrijding ter hoogte van de perceelsgrens is het de bedoeling dat naar de richtwaarde wordt toegewerkt in functie van voortschrijdende BBT. In het ontwerp worden volgende maatregelen voor neutrale geuren meegenomen: X-18.158-29/48 • principes van milieuzonering toepassen, i.e. ernaar streven om kritieke procesonderdelen voor de neutrale geuren zoals de beluchting zo ver mogelijk van nabijgelegen geurgevoelige objecten te groeperen; • beperken van sterke vrijvervallen (overstorten); • beperken van turbulentiepunten zoals haakse bochten, sterke vervallen, knijpconstructies, enz. Er wordt voorgesteld om expliciet naar deze SCvGGP te verwijzen in het RUP.” En tevens: “De geurmodellering berust op de sectorale code van goede geurpraktijk voor rioolwaterzuiveringen. Deze is uitgewerkt door het voormalige departement Leefmilieu (LNE) en toetst het voorkomen, de beoordeling en het beheersen van geurhinder afkomstig van RWZI’s. Bij de beoordeling van de geurimpact van een RWZI wordt ten aanzien van twee verschillende toetsingskaders getoetst; er wordt onderscheid gemaakt tussen de ‘onaangename-neutrale geuren’ en ‘zeer onaangename geuren’ van een RWZI (scopingnota p.43). […] Het slib wordt in een slibbuffer opgeslagen (niet in silo’s of containers). Op basis van de geurstudie die Aquafin heeft opgemaakt zijn er geen extra maatregelen nodig (scopingnota p.43). Desalniettemin is beslist dat zowel de slibbuffer als de slibindikker van de RWZI worden overkapt (cf. collegebeslissing dd. 12/05/2020) (scopingnota p.28). Daarnaast is geurhinder van een selectortank zeer lokaal. Ook het beluchtingsbekken en de nabezinktanks zijn niet de grootste bronnen van geurhinder. Het verpompen van slib naar een vrachtwagen gebeurt via slangen, dus via een gesloten circuit. Er is geen opslag van slib in containers. Met betrekking tot de realisatie van een bergbezinkingsbekken wordt deze niet voorzien in de eerste fase van aanleg. Indien deze in een latere fase alsnog wordt aangelegd wordt er hier weinig geurhinder van verwacht. Bij het bepalen van welke constructieonderdelen waar komen, wordt er zoveel mogelijk rekening gehouden met de omwonenden. Zo worden bijvoorbeeld de slibbuffer en slibindikker, die de meest geurgevoelige constructies betreffen, zo ver als mogelijk van de woningen geplaatst (scopingnota p.26). […] De huidige overstort zou door de bouw van RWZI minder in werking moeten treden (scopingnota p.37). Bijgevolg is er minder overstortwater (gemengd afvalwater) in het retentiebekken, dus minder geurhinder. […] De noodzaak van eventueel bijkomende curatieve maatregelen dient te worden beoordeeld in detailontwerpfase.” In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt dit standpunt van de Gecoro bijgetreden. De verzoekende partijen zijn het er ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-30/48 weliswaar niet mee eens, maar tonen niet aan dat de beoordeling van de geurhinder de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. Voorts dient te worden vastgesteld dat in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP wel degelijk rekening is gehouden met de opmerkingen van de Gecoro. Zo wordt in artikel 3.2.1 ervan uitdrukkelijk verwezen naar de SCvGGP, zoals gevraagd door de Gecoro. De verzoekende partijen overtuigen er niet van dat een en ander niet zou volstaan. 11.
- Met betrekking tot de fijnstof- en stikstofproblematiek stelt de Gecoro: “Deze RWZI zal het huishoudelijk afvalwater van de inwoners van Sint-Job in-’t Goor zuiveren. De bijdrage aan de luchtkwaliteit is hierbij zeer beperkt vermits er op deze RWZI geen afvalverwerking (verbranding, droging of vergisting) plaatsvindt. Op een RWZI zonder afvalverwerking worden volgens de Vlarem-wetgeving geen luchtmetingen opgelegd omdat de uitstoot van fijnstof en NOx ver onder de luchtkwaliteitsnorm blijft. Stikstof en stikstofgas zijn niet hetzelfde. Stikstofgas is kleur- en reukloos en vormt geen gevaar voor mens en milieu. Stikstof wordt niet geproduceerd door het zuiveringsproces. Stikstofproblematiek gaat over NOx en ammoniak. De atmosfeer bestaat uit ca. 79% stikstof onder de vorm van stikstofgas. […] De productie van zwaveldiwaterstof gebeurt voornamelijk in de riolering. Dit wordt mee in de geurmodelering opgenomen door de berekening via het AquaH2S-model. Genoemde wordt verder behandeld in de vergunningsaanvraag. De vigerende Vlarem-normen vereisen geen verdere beperkende maatregelen.” De verzoekende partijen weerleggen de voormelde vaststellingen niet. 11.
- De door de verzoekende partijen aangekaarte geluidsproblematiek wordt in de scopingnota als volgt beoordeeld: “Geluid Referentiesituatie Volgens het gewestplan is het plangebied gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en de omgeving wordt gekenmerkt door natuurgebied, woongebied en woonuitbreidingsgebied, gebied voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-31/48 dagrecreatie en golfterrein en gebied voor gemeenschapsvoorziening en algemeen nut (zie 2.4.
- bestemmingsplannen). Ten noorden van het plangebied is er woongebied en woonuitbreidingsgebied aanwezig dat overwegend effectief bebouwd is. De meest nabijgelegen woning bevindt zich op 45 meter ten noordoosten van de perceelsgrens van het plangebied. Aan de overzijde van de Kattenhoflaan/Sint-Jobsteenweg op 92 meter ten oosten van de perceelsgrens van het plangebied bevindt zich een gebied voor dagrecreatie met een sporthal, een binnenspeeltuin en een hockeyclub. Ten zuidwesten van de perceelsgrens van het plangebied bevindt zich een recyclagepark en het jeugdhuis ’t Jop op resp. 80 meter en 125 meter. Ten noordwesten zijn er paardenweiden. Volgens het BPA is het plangebied gelegen in zone voor wachtbekken bestemd voor de aanleg van een wachtbekken voor regenwater en overstortwater. De strengste milieukwaliteitsnormen voor geluid voor nieuwe ingedeelde inrichting gelden ’s nachts tussen 22u00 - 07u00 volgens Vlarem (Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning) en worden getoetst t.h.v. bewoonde gebouwen of bij ontstentenis ervan op een afstand van 200m van de perceelsgrenzen van de inrichting. De richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht van een inrichting, is afhankelijk van de bestemming van het gebied volgens het gewestplan, BPA of RUP. Zo geldt ’s nachts een richtwaarde van 40 dB(A) in open lucht. Scoping De bestemmingswijziging beoogt de exploitatie van een RWZI, dewelke 24u/24u en 7 dagen op 7 in werking is. Er dient onderzocht te worden of de exploitatie van de RWZI binnen de akoestische randvoorwaarden conform Vlarem kan geëxploiteerd worden zonder hinder naar omwonenden te berokken[en]. Impact Een rioolwaterzuiveringsinstallatie is een continu proces dewelke 7/7 en 24u/24u in werking is. De RWZI Sint-Job-in-’t-Goor betreft een onbemande installatie die door het team uit Deurne opgevolgd wordt. Afhankelijk van de hoeveelheid afvalwater, de fase van het proces (bijvoorbeeld beluchte of onbeluchte fase), e.d. zullen er verschillende onderdelen bijgevolg ook ’s nachts in werking zijn. Reeds bij het voorontwerp van een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt er rekening gehouden met mogelijke hinder naar de omwonenden en recreatieve voorzieningen in de directe omgeving van de site. Zo wordt de inplanting en de oriëntatie van de constructies afgewogen t.o.v. de geluidsgevoelige elementen in haar omgeving. Er wordt getracht om de hydraulische vervallen (vallend water) minimaal te houden en in het bestek worden er akoestische randvoorwaarden opgelegd voor de motoren, surpressoren e.a. De RWZI wordt zodanig ontworpen dat de in Vlarem toegelaten geluidsniveaus niet overschreden zullen worden tijdens de exploitatie van deze inrichting. Na definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan mag het specifieke geluid van de inrichting ’s nachts maximaal 40 dB(A) op 200 m van de perceelsgrens in alle richtingen bedragen conform Vlarem (cfr. gebied op minder dan 500 m gelegen van gebieden voor gemeenschapsvoorziening en openbaar nut). Het geluid van 40dB wordt als ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-32/48 beleving tussen erg stil en rustig ervaren en is te vergelijken met een rustige woonbuurt. Ook naar de omliggende natuurgebieden en biologisch waardevolle en zeer waardevolle zones kan de RWZI een impact veroorzaken onder de vorm van geluidsoverlast. Dit kan mogelijks een negatief effect hebben op de aanwezige fauna en flora. Echter zal het plan een maximale bundeling van de installatie voorop stellen en het transport dat met de exploitatie van de RWZI gepaard gaat, zoveel mogelijk beperken. Bovendien zal te allen tijde moeten worden voldaan aan Vlarem II bijlage 4.5.
- wat op 200m van de perceelsgrens in natuurgebied overeenkomt met een rustige woonbuurt, nl. 40 dB(A). Het verwachte transport i.f.v. de exploitatie van de installatie is uiterst beperkt en verloopt via de Kattenhoflaan naar de Brugstraat N29 en via de N117 naar de A
- Technisch medewerkers bezoeken enkele malen per week de installatie voor een goede procesopvolging. Een tankwagen zal het vloeibare slib 1 tot enkele malen per week ophalen voor verdere ontwatering op een grotere RWZI. Overig transport beperkt zich tot de groenaannemer i.k.v. het periodieke groenonderhoud, de interne onderhoudsdienst bij grotere onderhoudswerken, de schoonmaakdienst voor het dienstgebouw, maandelijkse lediging van de rolcontainers voor het roostergoed, aanvoer van chemicaliën enkele malen per jaar, e.d. Deze beperkte verkeersgeneratie verloopt overdag tijdens de diensturen. Via het goede ontwerp van de installatie en het relatief beperkte transport dat met de exploitatie van de RWZI gepaard gaat, zal de installatie aan de akoestische randvoorwaarden van Vlarem voldoen en geen geluidshinder naar haar omgeving genereren.” De Gecoro beantwoordt de desbetreffende geluidsbezwaren als volgt: “Eventuele geluidsoverlast werd ook onderzocht in de mer-screening (scopingnota p.41). Om het risico op geluidshinder te beperken wordt er steeds naar gestreefd om de kritieke procesonderdelen (vijzelgemalen, beluchtingsbekkens en overstorten) zo ver mogelijk van de nabije bewoning te plaatsen, dus zoveel als mogelijk op het zuidwestelijk deel van het plangebied, en de vijzels, blowers van beluchtingsbekken, ventilatieroosters van een gebouw... niet in de noordoostelijke zone in te planten. De noodzaak van eventueel bijkomende curatieve maatregelen dient te worden beoordeeld in detailontwerpfase. Verder zal de RWZI zodanig ontworpen worden dat de wettelijke geluidsnormen (Vlarem II) gerespecteerd blijven. Hierdoor worden er inzake geluid geen significant negatieve effecten verwacht. Bovendien wordt er binnen het plan een kwalitatieve groenbuffer voorzien die in het eerstvolgende plantseizoen zal worden aangelegd (scopingnota p.35). Tot slot hebben de termen 6Q14 en 3Q14 betrekking op dimensionering en brengt een grote dimensionering juist een positief milieueffect gezien er een kleinere kans op overstort is. Tevens heeft een dergelijke verdubbeling betrekking op het debiet dat een RWZI kan verwerken en betekent dit niet dat het toekomend debiet ook ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-33/48 direct verdubbelt. De mogelijkheid tot bezoeken van een gelijkaardige installatie / installatie in gelijkaardige omstandigheden heeft op 24/10/2020 plaatsgevonden. Hierbij werd de RWZI te Essen bezocht. […] Decennialange ervaring met dergelijke projecten toont aan dat er geen geur- en geluidshinder voor de nabije woningen zal veroorzaakt worden door de maatregelen die hier reeds worden voorgesteld. Om het risico op geluidshinder te beperken wordt er steeds naar gestreefd om de kritieke procesonderdelen (vijzelgemalen, beluchtingsbekkens en overstorten) zo ver mogelijk van de nabije bewoning te plaatsen, dus zoveel als mogelijk op het zuidwestelijk deel van het plangebied, en de vijzels, blowers van beluchtingsbekken, ventilatieroosters van een gebouw... niet in de noordoostelijke zone in te planten. De noodzaak van eventueel bijkomende curatieve maatregelen dient te worden beoordeeld in detailontwerpfase. Verder zal de RWZI zodanig ontworpen worden dat de wettelijke geluidsnormen (Vlarem II) gerespecteerd blijven. Hierdoor worden er inzake geluid geen significant negatieve effecten verwacht. Bovendien wordt er binnen het plan een kwalitatieve groenbuffer voorzien die in het eerstvolgende plantseizoen zal worden aangelegd (scopingnota p.35). […] De geluidsnormen die ons worden opgelegd zullen in het ontwerp worden meegenomen om te bepalen welke onderdelen overkapt moeten worden, in een gebouw dienen te staan,… Tijdens het ontwerp kan er een geluidsmodellering worden opgemaakt, die zal beoordelen of de installatie zal voldoen. Indien uit deze modelering blijkt dat hieraan niet voldaan wordt, dient er in het ontwerp bijkomende geluidsmaatregelen genomen te worden. Dit wordt verder behandeld in de milieuvergunning. RWZI’s zijn nooit precies gelijkwaardig aan elkaar, maar het ontwerp wordt op Vlarem afgestemd die stelt dat het geluidsvolume onder de 40 dBA dient te blijven. Indien het geluidsvolume wel boven 40 dBA uitkomt worden er bijkomende maatregelen genomen zodat er alsnog aan Vlarem normering wordt voldaan (scopingnota p.42).” In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt expliciet gewezen op bijlage 4.5.4 van Vlarem II – toegepast ten aanzien van de dichtstbijzijnde woning in de Kattenhoflaan – wat de richtwaarden voor specifiek geluid in open lucht betreft. Daaromtrent wordt het volgende gesteld: “ Om het risico op geluidshinder te beperken wordt er steeds naar gestreefd om de kritieke procesonderdelen (vijzelgemalen, beluchtingsbekkens en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-34/48 overstorten) zo ver mogelijk van de nabije bewoning te plaatsen, dus zoveel als mogelijk op het zuid-westelijk deel van het plangebied, en de vijzels, blowers van beluchtingsbekken, ventilatieroosters van een gebouw... niet in de noord-oostelijke in te planten. De noodzaak van eventueel bijkomende curatieve maatregelen dient te worden beoordeeld in detailontwerpfase. Hierdoor worden er inzake geluid geen significant negatieve effecten verwacht.” Op basis van de gegevens van het dossier blijkt zodoende niet dat er sprake is van significante negatieve geluidseffecten. De verzoekende partijen tonen het tegendeel niet aan, noch maken zij dit aannemelijk. 11.
- Op de door de verzoekende partijen geuite bezwaren inzake visuele hinder antwoordt de Gecoro: “De hoogte van het groenscherm wordt bepaald door aan te planten heesters en hoog-/laagstammige bomen. Wanneer deze zijn volgroeid worden de afsluiting (omheining) en de installatieonderdelen maximaal onttrokken aan het zicht van de omgeving. De combinatie met een omheining wordt voorzien om niet bevoegde personen van de site te weren. Ter verduidelijking zal aan de voorschriften worden toegevoegd hoe de omheining wordt vormgegeven. […] Er wordt een streekeigen en dens groenscherm van 5m breed voorzien rondom de installatie (scopingnota p.35). Op die manier worden de installatieonderdelen onttrokken aan het zicht van de omgeving. Enkel ter hoogte van de toegangspoort wordt het groenscherm onderbroken en is er inkijk op de installatie. Momenteel laten de voorschriften uit het BPA de bouw van een RWZI niet toe, wat de opmaak van dit RUP verklaar[t]. […] De zone van het plangebied is reeds een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut (scopingnota p.20). Gezien het feit dat het zuiveren van afvalwater een werk is van algemeen belang en openbaar nut, gaat het hier wel degelijk om een verfijning van de bestaande bestemming. Door een voldoende breed en hoog groenscherm aan te planten, wordt quasi de volledige installatie aan het zicht onttrokken (scopingnota p.35). Enkel ter hoogte van de toegangspoort wordt het groenscherm onderbroken en is er inkijk op de installatie. […] De RWZI wordt zoveel als mogelijk van het zicht onttrokken door het voorziene groenscherm (scopingnota p.35). Doordat het plangebied aansluit bij de reeds aanwezige infrastructuur (containerpark, jeugdhuis) zal er geen bijkomende visuele hinder ontstaan. De RWZI wordt zo goed als mogelijk ingepast in het landschap d.m.v. een volwaardig groenscherm. Het betreft bovendien een kleinschalig gegeven ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-35/48 op de schaal van het omringende landschap. Het gebied situeert zich ook aan de rand van dit landschap.” In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP wordt een en ander als volgt beoordeeld: “Visuele impact Er wordt een groenbuffer van 5 meter breed voorzien langs de randen van het plangebied. De omheining wordt aan de binnenzijde van het plangebied voorzien, achter de groenbuffer. Zo zal het plangebied groen ogen vanaf de omgeving en springt de omheining niet in het oog. Er wordt een toegangspoort langs de Kattenhoflaan voorzien met een maximale breedte van 6 meter.” Aldus wordt op afdoende wijze stilgestaan bij de te verwachten visuele hinder van de met het bestreden gemeentelijk RUP beoogde RWZI. Uit de beoordeling blijkt dat de verhoogde bouwhoogte ten opzichte van het BPA zal worden gecamoufleerd door een groenscherm, behalve bij de ingang van de site. De verzoekende partijen tonen niet aan dat ingevolge het bestreden gemeentelijk RUP een onaanvaardbare visuele hinder zal ontstaan. Zij overtuigen er evenmin van dat de vragen van de Gecoro om het laaneffect van de bestaande bomenrij niet aan te tasten en om in de voorschriften te vermelden hoe de omheining wordt vormgegeven, geen voldoende doorvertaling in de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden gemeentelijk RUP zouden hebben gekregen. Artikel 4.2 bepaalt dat “de bestaande bomenrij langsheen de Kattenhoflaan […] maximaal [dient] behouden te worden en in de groenbuffer geïntegreerd [dient] te worden”, waarbij wordt toegelicht dat het laaneffect van de bestaande bomenrij niet zal worden aangetast en dat uitsluitend de bomen noodzakelijk voor de creatie van een veilige en voldoende ruime toegang tot het plangebied mogen gerooid worden (randnummer 3.15.2). 11.
- Uit de scopingnota blijkt het volgende aangaande de volgens de verzoekende partijen ingevolge het bestreden gemeentelijk RUP aangetaste biodiversiteit: “Biodiversiteit Referentiesituatie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-36/48 De vallei van het Klein Schijn wordt als valleilandschap aangeduid. Volgens het gewestplan grenst het plangebied ten zuiden aan natuurgebied. Verder is het plangebied niet gelegen in of langs VEN-gebied en is het niet opgenomen binnen Europees Natura 2000-gebied. Volgens de geactualiseerde biologische waarderingskaart, bestaat het plangebied overwegend uit minder waardevol gebied met een minder waardevol soortenarm permanent cultuurlandschap (figuur 11). De omgeving wordt gekenmerkt door minder dichte bebouwing (ua), houtkant met dominantie van Zomereik (khq), zeer soortenarme, ingezaaide graslanden (hx), industriële bebouwing (ui) en een eiken-berkenbos (qb) (Figuur 11). In praktijk bestaat het grootste deel van het plangebied uit een weide. Volgens het Vis-informatie-systeem van het INBO, blijkt dat er in 2014 een rivierdonderpad werd aangetroffen in het Klein Schijn ter hoogte van het Albertkanaal in Wijnegem op ca. 6,8 km (in vogelvlucht) stroomafwaarts van de planlocatie. Scoping De bestemmingswijziging beoogt terreininname, de aanleg van constructies en de exploitatie van een RWZI binnen het plangebied. De impact van het plan op de fauna en flora zal daarom ingeschat worden voor volgende potentiële wijzigingen: • ecotoopinname • versnippering en barrièrewerking • vernatting en/of verdroging • ecotoopwijziging door verstoring • doelstellingen van het VEN-gebied […] (Figuur 11: Geactualiseerde biologische waarderingskaart) Impact Door het planningsinitiatief zal het weiland verdwijnen, worden er op het terrein constructies opgericht en zal een groenbuffer rondom de installatie aangeplant worden. De bestaande bomenrij langs de straatkant zal maximaal behouden blijven en mee geïntegreerd worden in de groenbuffer. Mogelijk dient één enkele eik gerooid te worden voor de aanleg van de toegangspoort (max 5-6 meter). De groenbuffer die wordt voorzien langs de randen van het plangebied is minstens 5 meter. Deze groenbuffer wordt gedifferentieerd aangelegd en zal uit inheemse, streekeigen bomen, heesters en struiken bestaan. De draadafsluiting wordt aan de binnenzijde van de groenbuffer voorzien. Deze draadafsluiting kan mogelijks zorgen voor barrièrevorming voor aanwezige fauna en flora. Het planvoornemen zal echter een afwisselend plantverband opleggen zodanig dat een gevarieerde visuele afscherming van de constructies wordt bekomen. Op dergelijke wijze wordt de integratie van de RWZI met haar omgeving gerealiseerd en dit komt ook de in de omgeving aanwezige (avi)fauna rechtstreeks ten goede. Extra nestlocaties en foerageergebied wordt hiermee gecreëerd. De draadafsluiting zal onderaan pas op een hoogte van 10 - 15 cm aanvangen waardoor de migratie van kleine zoogdieren niet zal gehinderd worden. Hierdoor is versnippering van waardevol leefgebied of barrièrevorming op deze locatie niet aan de orde. X-18.158-37/48 Door het opvangen en zuiveren van het huishoudelijke afvalwater uit het zuiveringsgebied Sint-Job-in-‘t-Goor en af te voeren naar de nieuwe RWZI op de planlocatie wordt een aanzienlijke vuilvracht via (on)rechtstreekse lozing van huishoudelijk afvalwater uit het Klein Schijn geweerd. Dit komt de waterkwaliteit rechtstreeks ten goede inclusief de watergebonden fauna en flora in het aanliggende natuurgebied. De waterkwaliteit kan mogelijks een invloed hebben op de aanwezigheid van de rivierdonderpad. Gezien het om een algemene verbetering gaat van de waterkwaliteit, worden er geen negatieve effecten verwacht op het voorkomen van deze volgens de rode lijst kwetsbare vissoort. Het planningsinitiatief veroorzaakt geen aanleiding tot vernatting of verdroging van percelen in de omgeving en heeft tijdens de exploitatie van de installatie een aanzienlijk positieve impact op de overstromingsgevoeligheid langs zowel het Klein Schijn (t.h.v. planlocatie) alsook een positieve impact op de overstromingsgevoeligheid van de Zwanebeek te RWZI Schilde. Hemelwater dat op verharde oppervlakken op het terrein terecht komt, dat niet verontreinigd kan zijn door slib e.a., kan slechts beperkt infiltreren in de nat zandige bodem maar zal d.m.v. poelen of grachten vertraagd richting Klein Schijn geloosd worden bij hevige neerslag. Het ontwerp wordt afgestemd op de bindende voorwaarden van de verordening hemelwater. Het planningsinitiatief resulteert in een verbetering van de ecologische kwaliteit van het plangebied en omgeving door de gedifferentieerde groenbuffer en de zuivering van het afvalwater van circa 13.500 inwoners uit het zuiveringsgebied.” Zoals de Gecoro heeft opgemerkt, blijkt uit het advies van het agentschap voor Natuur en Bos dat mits een aantal voorwaarden in acht genomen worden geen aanzienlijke milieueffecten van het bestreden gemeentelijk RUP worden verwacht. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de beoordeling van de plannende overheid inzake de effecten van het plan op de biodiversiteit de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. De kritiek van de verzoekende partijen dat het bestreden gemeentelijk RUP niet als een “verfijning” van het BPA kan worden gezien, kan evenmin bijval vinden, in het licht van het antwoord van de Gecoro dat “[d]e zone van het plangebied […] reeds een zone voor gemeenschapsvoorzieningen en openbaar nut [is]” en dat evenzeer “het zuiveren van afvalwater een werk is van algemeen belang en openbaar nut”. Tenslotte is bij de beoordeling van het derde middel reeds gebleken dat het bestreden gemeentelijk RUP in overeenstemming is met het GRS (zie randnummer 7.1 en volgende). X-18.158-38/48 11.
- De scopingnota vermeldt het volgende in verband met het aspect mobiliteit: “Het verwachte transport i.f.v. de exploitatie van de installatie is uiterst beperkt. De RWZI is een onbemande installatie waar technische medewerkers enkele malen per week deze installatie bezoeken voor een goede procesopvolging. Een tankwagen zal het vloeibare slib één tot enkele malen per week ophalen voor verdere ontwatering op een grotere RWZI. Overig transport beperkt zich tot de groenaannemer i.k.v. het periodieke groenonderhoud, de interne onderhoudsdienst bij grotere onderhoudswerken, schoonmaakdienst voor het dienstgebouw, maandelijkse lediging van de rolcontainers voor het roostergoed, aanvoer van chemicaliën enkele malen per jaar, e.d. Deze beperkte verkeersgeneratie hindert recreanten (wandelaars of fietsers) of het openbaar vervoer niet. Het transport verloopt via de Kattenhoflaan, Brugstraat, Handelslei naar de N117 en E
- […] Deze beperkte verkeersgeneratie verloopt overdag tijdens de diensturen. Via het goede ontwerp van de installatie en het relatief beperkte transport dat met de exploitatie van de RWZI gepaard gaat, zal de installatie aan de akoestische randvoorwaarden van Vlarem voldoen en geen geluidshinder naar haar omgeving genereren.” Inzake de mobiliteitsproblematiek stelt de Gecoro: “De toegangsweg naar het plangebied is geschikt voor het transport dat noodzakelijk is voor de werking van de RWZI. De diensten die periodiek langskomen op de RWZI zijn verwaarloosbaar en ook het ophalen van het slib 2 à 3 keer per week (ofwel één tot enkele malen per week) is een fractie van het verkeer dat door het containerpark wordt gegenereerd. Bovendien wordt dit verkeer onmiddellijk naar het eigen terrein van de RWZI geleid en zorgt het dus niet voor bijkomende hinder of opstopping in de Kattenhoflaan. Vrachtwagens moeten ook niet draaien of keren in de Kattenhoflaan. Zij rijden vooruit op het terrein en komen er ook vooruit weer afgereden. […] Transport dat noodzakelijk is voor de werking van de RWZI zal altijd voldoen aan vigerende verkeersregels. Bovendien is het aantal vrachtwagens zeer beperkt zoals hoger reeds aangehaald. In de mer-screening staat dat het planvoornemen een beperkte verkeersgeneratie teweegbrengt (scopingnota p.42 en verder).” In de toelichtingsnota bij het bestreden gemeentelijk RUP luidt het: X-18.158-39/48 “Verkeersimpact De verkeersimpact zal zeer beperkt zijn. Het betreft een onbemande installatie. Volgende vervoersbewegingen worden voorzien: • 2 à 3 keer per week een vrachtwagen voor het ophalen van slib voor verdere verwerking; • 2 à 3 keer per week een auto of lichte bestelwagen voor visuele controle van de installatie.” Eens te meer zien de verzoekende partijen het anders dan de plannende overheid, maar tonen zij niet aan dat het oordeel van de plannende overheid in deze de grenzen van de redelijkheid zou te buiten gaan of anderszins onwettig zou zijn. 11.
- Met betrekking tot het locatieonderzoek wordt in de scopingnota het volgende vermeld: “Inplanting van RWZI op deze locatie Noodzaak RWZI Er vindt frequent overstorting plaats aan de Kattenhoflaan naar het Klein Schijn. Hierbij komt het teveel aan regenwater en ongezuiverd afvalwater terecht in de waterloop. Dit is geen goede zaak voor de kwaliteit van de waterloop. Op basis van klachten over de frequente werking van de overstort aan de Kattenhoflaan naar het Klein Schijn bestudeerde Aquafin in 2015 binnen de hydronautstudie (met referentie 99SD03) de mogelijkheden om de situatie te verbeteren. Deze overstort werkt frequent omdat het debiet vanuit het gemengd rioleringsstelsel dat hier toekomt beperkt wordt door middel van een knijpopening. Het debiet wordt momenteel beperkt tot ‘3Q14’, dit is drie keer de toekomende vuilvracht. Het overtollig (regen)water stort over naar het Klein Schijn. De afwaartse collector heeft een beperkte diameter en loopt doorheen La Garenne tot in Schilde. Ook de zuiveringsinstallatie van Schilde verwerkt 3Q
- Tegenwoordig worden nieuwe installaties ontworpen aan 6Q14 (dus 6 keer de toekomende vuilvracht). De bouw van een nieuwe zuiveringsinstallatie wordt voorzien zodat de overbelasting van de RWZI Schilde kan opgelost worden en een complexe uitbreiding vermeden kan worden. Locatie-onderzoek om overbelasting van het zuiveringsgebied van Schilde op te vangen Aquafin onderzocht verschillende scenario’s om de overbelasting van het zuiveringsgebied van Schilde op te lossen. Hiervoor maakte Aquafin een scenario-analyse op. Voor het onderzoek naar locatie-alternatieven wordt tevens verwezen naar 4.1.
- Er is een vergelijking gemaakt tussen enerzijds de doorvoer naar Schilde aanpassen (met nieuwe leidingen doorheen La Garenne of doorheen de Sint-Jobsesteenweg) en de zuiveringsinstallatie van Schilde vergroten of anderzijds een aparte RWZI te voorzien in Sint-Job-in-'t-Goor waar 6Q14 X-18.158-40/48 verwerkt kon worden. Hier worden volgende scenario’s en locaties hydraulisch, financieel en technisch afgewogen tegen elkaar: • scenario 1: RWZI Sint-Job Kattenhoflaan + bergbezinkbekken (BBB) • scenario 2: leiding door La Garenne + BBB + lokale aanpassingen aan overstorten • scenario 3: leiding door Sint-Jobsesteenweg + BBB + lokale aanpassingen overstorten • scenario 4: leiding door Sint-Jobsesteenweg + Moerstraat + BBB + lokale aanpassingen overstorten Uit de ruimtelijke, milieu-technische en financiële analyse wordt er besloten dat scenario 1 de beste optie is. Scenario 1 heeft volgende voordelen: • qua investeringskost en qua jaarlijks equivalenten kost voordeliger dan de andere scenario’s • niet gelegen in een natuurgebied • geen kruising met het Antitankkanaal • opwaarts gesitueerd binnen het aandachtsgebied Groot Schijn Wel dient er voor deze locatie een RUP opgemaakt te worden voor de wijziging van de zone voor openbaar nut. Locatie-onderzoek langs de Kattenhoflaan Om te komen tot de precieze locatie van de nieuwe zuiveringsinstallatie worden volgende voorwaarden gesteld: • locatie moet gelegen zijn nabij de collector die langs het Klein Schijn loopt • niet gelegen in natuurgebied • minst maatschappelijke hinder te verwachten Het meest interessante perceel is het perceel van het plangebied, gezien dit gelegen is tussen de Kattenhoflaan en het Klein Schijn, het een onbebouwd perceel betreft en voldoende groot is voor de inplanting van een RWZI. Bovendien is dit perceel reeds bestemd als zone voor wachtbekken conform het BPA ‘Bergbezinkings- en retentiebekkens I - deelplan IIb Kattenhoflaan’. 2.5 Evaluatie plangebied 2.5.1 Knelpunten • het plangebied is volgens het BPA ‘Bergbezinkings- en retentiebekkens I - deelplan IIb Kattenhoflaan’ gelegen in een zone voor wachtbekken bestemd voor de aanleg van een wachtbekken voor regenwater en overstortwater • de overstort aan de Kattenhoflaan schiet regelmatig in werking omdat het debiet vanuit het gemengd rioleringsstel[s]el dat hier toekomt beperkt wordt door een te kleine knijpopening 2.5.2 Potenties • het perceel is reeds gelegen in zone voor wachtbekken volgens het BPA ‘Bergbezinkings- en retentiebekkens I - deelplan IIb Kattenhoflaan’. Deze bestemming kan verder verfijnd worden binnen de opmaak van dit RUP • gelegen langs de waterloop Klein Schijn • gelegen langs een voldoende uitgeruste weg X-18.158-41/48 • aansluiting op bestaande infrastructuur mogelijk: de collector die het afvalwater verzamelt is gesitueerd in het zuiden van het perceel, vlakbij de waterloop Klein Schijn • het perceel is voldoende groot waardoor aantasting van het zuidelijk gelegen bosgebied vermeden kan worden.” Tevens worden andere alternatieven onderzocht: “4.1.3 Alternatieven Nulalternatief Als alternatief voor de uitvoering van het RUP zal hier kort aandacht worden besteed aan het nulalternatief. In het nulalternatief zou de bestemming volgens het BPA ‘Bergbezinkings- en retentiebekkens I - deelplan IIb Kattenhoflaan’ en de ermee gerelateerde bepalingen en voorschriften behouden blijven. De belangrijkste plus- en minpunten worden hieronder aangehaald. Het plangebied is conform het BPA ‘Bergbezinkings- en retentiebekkens I - deelplan IIb Kattenhoflaan’ geselecteerd als zone voor wachtbekken. Pluspunten van het nulalternatief: • het plangebied is bestemd als zone voor wachtbekken Minpunten van het nulalternatief: • de huidige bestemming maakt de noodzakelijke realisatie van de waterzuiveringsinstallatie onmogelijk, waardoor de overstort aan de Kattenhoflaan naar het Klein Schijn regelmatig in werking moet treden Locatie- en inrichtings- en/of uitvoeringsalternatieven Naast het nulalternatief kan er eveneens gekeken worden naar de locatie- en inrichtings-en/of uitvoeringsalternatieven. De inrichtings- en uitvoeringsalternatieven zijn echter beperkt. Het programma en de bepalingen in de stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot de inrichting zijn immers afgestemd op de actuele situatie, het gewenste beleid en de ontwikkelingswensen van de overheid. Abstractie maken van de actuele situatie is niet wenselijk gezien dit zou resulteren in een onwerkbaar RUP. Een bespreking van de inrichtings- en uitvoeringsalternatieven is hier dan ook niet aan de orde. Er werd een locatieonderzoek uitgevoerd waarbij werd gezocht naar percelen met als voorwaarde dat ze in de buurt van de collector aan het Klein Schijn gelegen zijn. Locatie 1 ten noorden van de collector en het Klein Schijn is volgens BPA reeds bestemd als ‘zone voor wachtbekken’. Het is momenteel een weide en biologisch weinig waardevol volgens de BWK-kaart. Bovendien paalt dit perceel rechtstreeks aan […] de waterloop Klein Schijn en het bestaande retentiebekken van Aquafin. Het perceel sluit daarnaast aan bij het bestaande recylagepark. Omwille van deze redenen is het op deze locatie mogelijk om verschillende (gemeenschaps)functies ruimtelijk te bundelen. Dit zorgt voor een optimaal ruimtegebruik en voorkomt ruimtelijke spreiding en versnippering. Locatie 2 ten zuiden van de collector en het Klein Schijn is natuurgebied met een biologisch zeer waardevol eiken-berkenbos. X-18.158-42/48 Locatie 3 ten westen van het jeugdhuis en containerpark is dicht bij de collector en het Klein Schijn gelegen. Het is momenteel een weide en biologisch weinig waardevol. Dit perceel is echter ruimtelijk minder interessant gezien het gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied (cf. gewestplan). Bovendien zou het aansnijden van dit perceel leiden tot een ruimtelijke versnippering van de aaneengesloten open ruimte in het zuidwesten. Om het ruimtebeslag maximaal te beperken is het weerhouden van deze locatie niet wenselijk. Het ruimtelijk bundelen van verschillende activiteiten en functies verdient te allen tijde de voorkeur ten opzichte van een ruimtelijke spreiding ervan. Bovendien is op dit perceel nog geen wegenis aanwezig waardoor deze locatie een slechte bereikbaarheid kent. Locatie 4 ten oosten van de Kattenhoflaan is recreatie- en woongebied waar momenteel een biologisch zeer waardevol eiken-berkenbos aanwezig is. Deze percelen zijn verder van de collector verwijderd. […] Op basis van de pro’s en contra’s van de verschillende locaties werd er besloten dat locatie 1 het meest geschikt is voor de inrichting van deze waterzuiveringsinstallatie.” De Gecoro treedt de keuze voor het aangenomen alternatief als volgt bij: “Het onderzoek naar alternatieve locaties werd reeds uitgevoerd. Hieruit bleek dat de eerste locatie (de locatie die binnen het RUP naar voren wordt geschoven) het meest aangewezen is om een nieuwe RWZI te voorzien (scopingnota p.30). Dit gezien
(1)deze zone planologisch reeds bestemd is als zone voor gemeenschapsvoorzieningen,
(2)dit perceel vlak bij de waterloop Klein Schijn en het bestaande retentiebekken van Aquafin gesitueerd is,
(3)dit perceel voldoende groot is,
(4)dit perceel gelegen is aan uitgeruste wegenis en
(5)dit perceel goed gelegen is t.o.v. bestaande rioleringsinfrastructuur (aanwezigheid van een collector). Het afvalwater dient bijgevolg op deze locatie gezuiverd te worden. Bovendien is deze zone weinig biologisch waardevol en op voldoende afstand van de woningen gesitueerd. Om de scenariokeuze te staven worden de nadelen van scenario’s 2,3 en 4 hier kort gesommeerd: Scenario 2 Aanpassen RWZI Schilde en lokale aanpassingen aan het netwerk Aanpassen afwaartse leiding (grotere diameter nodig) door natuurgebied La Garenne De nieuwe leiding afwaarts de knijpconstructie ligt dwars door natuurgebied La Garenne en kruist een reservatiezone. M.b.t. ecosysteemkwetsbaarheidskaarten komt de nieuwe leiding afwaarts de knijpconstructie in licht gevoelig en gevoelig gebied te liggen. De kruising met het antitankkanaal gebeurt in zeer gevoelig gebied. Het antitankkanaal, dat door de leiding wordt gekruist, betreft een beschermd landschap. X-18.158-43/48 Scenario 3 Aanpassen RWZI Schilde en lokale aanpassingen aan het netwerk Nieuwe leiding via Sint-Jobsesteenweg De leiding langs de Sint-Jobsesteenweg ligt in wegenis met aan weerskanten natuurgebied. Indien… - de werkzone beperkt wordt tot de wegenis, is geen MER-ontheffing nodig. Hiervoor moet de steenweg echter volledig afgesloten worden wat voor de omwonenden en het lange afstandsverkeer sterke hinder meebrengt. - het verkeer moet blijven doorrijden en de werkzone dus buiten wegenis moet komen, moet een MER-ontheffing opgemaakt worden. De leiding in de Sint-Jobsesteenweg ligt in minder waardevol gebied met waardevolle elementen. De leiding in de Sint-Jobsesteenweg ligt op de grens van gevoelig en licht gevoelig gebied. De kruising met het antitankkanaal gebeurt in zeer gevoelig gebied. De leiding loopt door de Sint-Jobsesteenweg. Deze maakt deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Het antitankkanaal, dat door de leiding wordt gekruist, betreft een beschermd landschap. Scenario 4 Aanpassen RWZI Schilde en lokale aanpassingen aan het netwerk Nieuwe leiding via Sint-Jobsesteenweg en Moerstraat De nieuwe leiding in de Moerstraat ligt dwars door natuurgebied en kruist een reservatiezone. De leiding langs de Sint-Jobsesteenweg ligt in wegenis met aan weerskanten natuurgebied. Indien… - de werkzone beperkt wordt tot de wegenis, is geen MER-ontheffing nodig. Hiervoor moet de steenweg echter volledig afgesloten worden wat voor de omwonenden en het lange afstandsverkeer sterke hinder meebrengt. - het verkeer moet blijven doorrijden en de werkzone dus buiten wegenis moet komen, moet een MER-ontheffing opgemaakt worden. De nieuwe leiding in de Moerstraat ligt in waardevol en zeer waardevol gebied. De leiding in de Sint-Jobsesteenweg ligt in minder waardevol gebied met waardevolle elementen. De leiding in de Sint-Jobsesteenweg ligt op de grens van gevoelig en licht gevoelig gebied. De kruising met het antitankkanaal gebeurt in zeer gevoelig gebied. De nieuwe leiding in de Moerstraat ligt in licht gevoelig en gevoelig gebied. De kruising met het antitankkanaal gebeurt in zeer gevoelig gebied. De leiding loopt door de Sint-Jobsesteenweg. Deze maakt deel uit van een beschermd dorpsgezicht. Het antitankkanaal, dat door de leiding wordt gekruist, betreft een beschermd landschap.” X-18.158-44/48 11.
- Gezien het voormelde overtuigen de verzoekende partijen niet van hun standpunt dat geen afdoende alternatievenonderzoek zou hebben plaatsgevonden. 11.
- Het middel wordt verworpen. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partijen nemen een vijfde middel uit de schending van “artikel 2.2.18, §1 VCRO juncto de beginselen van zorgvuldigheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid als beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij betogen dat er sprake is van belangenvermenging, minstens van een schijn van partijdigheid bij de totstandkoming van het bestreden gemeentelijk RUP. Reeds vanaf het voorblad van de scopingnota wordt de tussenkomende partij vermeld in het planproces. Voorts blijkt een lid van de tussenkomende partij deel uit te maken van het planteam. De startvergadering werd medegeorganiseerd door de tussenkomende partij. Tijdens de plenaire adviesronde werd zij om advies gevraagd en heeft zij geantwoord op de adviezen van de provincie Antwerpen. Ook was de tussenkomende partij aanwezig op de plenaire vergadering en heeft zij de algemene richtlijnen aangeleverd in verband met de materiaalkeuze. Het is de tussenkomende partij die met de betrokken adviesinstanties over het aanpassen van de MER-screening heeft afgestemd en die toelichting heeft verschaft over het voorontwerp van het bestreden gemeentelijk RUP aan de Gecoro, waarna deze heeft besloten dat de tussenkomende partij een RWZI wenst te realiseren waarvoor de opmaak van een RUP noodzakelijk is. De belangen van de tussenkomende partij en haar vergaande betrokkenheid bij het totstandkomingsproces van het bestreden gemeentelijk RUP zijn duidelijk. Het plan zou ongeacht de bezwaren van de verzoekende partijen en de adviezen van de adviesinstanties goedgekeurd worden. Het bestreden gemeentelijk RUP is op maat van de tussenkomende partij gemaakt. Zij nam zelfs een gedeelte van de beoordeling van de milieueffecten, meer bepaald inzake het aspect geur, op zich. X-18.158-45/48 Het is bijgevolg evident dat werd besloten dat er geen bijkomende maatregelen noodzakelijk zijn en dat er geen hinderlijke effecten zijn. De effectbeoordeling is dan ook gebrekkig. De tussenkomende partij heeft in strijd met artikel 2.2.18, § 1, VCRO de pen bij de totstandkoming van het bestreden gemeentelijk RUP vastgehouden. Beoordeling 13.
- De tussenkomende partij heeft volgens haar statuten meerdere taken van algemeen belang tot voorwerp die betrekking hebben op waterzuiverings- en watervoorzieningsactiviteiten in het Vlaamse Gewest, waaronder “het opmaken of laten opmaken van de technische plannen voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur” en het “exploiteren of laten exploiteren” van deze installaties. Het bestreden gemeentelijk RUP beoogt de oprichting van een RWZI, nodig voor de verbetering van de waterkwaliteit van het Klein Schijn. Deze plandoelstelling kadert derhalve volledig binnen het maatschappelijk doel van de tussenkomende partij. Het maakt het bestreden gemeentelijk RUP nog niet onwettig. 13.
- De tussenkomende partij beschikt inzake waterzuivering in Vlaanderen over een monopoliepositie en aangenomen kan worden dat zij kan bogen op een navenante deskundigheid ter zake. De statuten van de tussenkomende partij bepalen overigens uitdrukkelijk dat zij “[t]eneinde de uitvoering van [haar] taken te bevorderen en te coördineren […] met de gemeenten [kan] samenwerken met betrekking tot de planning, aanleg en/of exploitatie van niet-prioritaire gemeentelijke rioleringen met inbegrip van werken met betrekking tot scheiden, opvangen, verzamelen en behandelen van afval- en hemelwater”. In het licht van het voorgaande was het in hoofde van de plannende partij zorgvuldig, indien al niet noodzakelijk, om de tussenkomende partij bij de planopmaak te betrekken. 13.
- De door de verzoekende partijen onder randnummer 12 aangevoerde omstandigheden, waaronder het feit dat de tussenkomende partij aan de screeningsnota heeft meegewerkt, tonen nog geen schending van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 X-18.158-46/48 aangevoerde rechtsregels aan. Het staat aan het team Mer, een dienst van de Vlaamse overheid, om in alle onafhankelijkheid en onpartijdigheid over de toereikendheid van de screeningsnota te oordelen. De verzoekende partijen tonen niet aan dat het team Mer te dezen met miskenning van deze beginselen zou hebben beslist. Meer algemeen tonen zij geen “ongeoorloofde druk van buitenaf” vanwege de tussenkomende partij op de plannende overheid aan. Zulks blijkt evenmin uit de stukken van het dossier. 13.
- Het middel wordt verworpen.
- De middelen zijn ongegrond gebleken. Het beroep moet hoe dan ook verworpen worden. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden, elk voor een derde, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, op een bijdrage van 22 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-18.158-47/48 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijftien maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.158-48/48 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.146 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div