id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.160 Rolnummer: A. 231508/XIV-39293 Zaak: Arrest 259160 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 19/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-20 Raadplegingen: 100 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Arrest nr 259.160 van 19 maart 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.160 van 19 maart 2024 in de zaak A. 231.508/XIV-39.293 In zake : XXXX tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586, bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 10 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 11 juni 2020 houdende de afwijzing van de visumaanvraag van verzoeker voor het beroep van klinisch psycholoog. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 251.445 van 9 september 2021 werd het debat heropend en werd beslist dat de zaak volgens de gewone procedure wordt voortgezet. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend. Verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.293-1/12 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari 2024. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die verschijnt in persoon, en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, werden gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 25 mei 2019 dient verzoeker een aanvraag in om een erkenning (visum) te bekomen om de klinische psychologie uit te mogen oefenen. Als bewijsstukken voegt verzoeker een besluit bij van de Psychologencommissie en e-mailverkeer tussen hem en de beroepsvereniging, met name de Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen (VVKP). 3.2. Op 11 juni 2020 wijst de directeur-generaal Gezondheidszorg de visumaanvraag van verzoeker af op grond van de volgende overwegingen: XIV-39.293-2/12 “Naar aanleiding van uw aanvraag voor het visum van klinische psycholoog en na analyse van de verschillende bewijsstukken die u ons heeft toegestuurd, moeten wij u tot onze spijt meedelen dat uw aanvraag om de hierna vermelde redenen is afgewezen. U voldoet immers niet aan de opleidingsvoorwaarden en/of aan de overgangsmaatregelen vermeld in paragraaf 2 van artikel 68/1 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen. Om in aanmerking te komen voor het verkrijgen van een visum als klinisch psycholoog, dient u overeenkomstig dit artikel in het bezit te zijn van: - hetzij een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische psychologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen; - hetzij een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie (niet klinisch) dat uitgereikt werd voor 01/09/2016 en bovendien een beroepservaring van minimum drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen. Uw diploma van ‘Assistent inzake beroepskeuze’, afgeleverd op 30 september 1976 door het Hoger Instituut voor Bedrijfspsychologie en Beroep oriëntering te Antwerpen is geen diploma van het universitair onderwijs en omvat evenmin minstens vijf jaar studie. U geeft in uw aanvraag aan ingeschreven en erkend te zijn door de Psychologencommissie sinds 8 september 1995. De Psychologencommissie is overeenkomstig de wet van 8 november 1993 tot bescherming van de titel van psycholoog bevoegd om een lijst bij te houden van personen die de titel van psycholoog in België kunnen dragen, met inbegrip van personen met een diploma van industrieel of bedrijfspsycholoog, of bepaalde niet-universitaire diploma's zoals adviseur inzake beroepskeuze. De registratie van een persoon op de lijst van de Psychologencommissie garandeert dan ook geenszins dat de personen in kwestie een diploma hebben dat gelijkwaardig kan beschouwd worden aan dat van een klinisch psycholoog. De voornoemde wet van 8 november 1993 valt onder de bevoegdheid van de Minister van Middenstand en niet onder die van de Minister van Volksgezondheid. In de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen werd daarom niet voorzien in enige overweging van de registratie bij deze Commissie. Om deze reden kan het visum voor de uitoefening van het beroep van klinisch psycholoog u niet toegekend worden.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.293-3/12 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van gebrek aan belang 4. De verwerende partij betwist het belang van verzoeker en voert aan dat geenszins door hem concreet wordt aangetoond dat hij nog daadwerkelijk als psycholoog actief is. In die zin meent de verwerende partij dat bij wijze van voorbeeld de meest recente belastingaangiftes van verzoeker uitsluitsel kunnen bieden, doch merkt zij op dat deze niet werden overgemaakt. Gelet op de hoge leeftijd van verzoeker, dient volgens de verwerende partij te worden bewezen dat hij nog een actueel en rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Immers, bij gebrek aan enige daadwerkelijke beroepsactiviteit als (klinisch) psycholoog kan niet redelijk worden staande gehouden dat verzoeker nog over enig belang beschikt om alsnog de beroepstitel klinisch psycholoog te mogen dragen. Beoordeling 5. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van de exceptie besloten op grond van de volgende overweging: “In de memorie van wederantwoord bevestigt verzoeker zijn activiteit als klinisch psycholoog. Er liggen geen tegenindicaties voor. De exceptie wordt verworpen.” 6. De verwerende partij beperkt zich in haar laatste memorie tot een loutere verwijzing naar de memorie van antwoord, zonder nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat te geven. 7. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, na eigen onderzoek, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de exceptie ongegrond XIV-39.293-4/12 V. Onderzoek van de middelen Vooraf 8. Het past het eerste, tweede, derde en vierde middel samen te beoordelen. Uiteenzetting van het eerste, tweede, derde en vierde middel 9. Een eerste middel is genomen uit de schending van de zorgvuldigheidsplicht. Verzoeker laat in essentie gelden dat de bestreden beslissing louter is gebaseerd op het al dan niet hebben van een diploma. Indien de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (hierna: de FOD VVVL) de situatie zorgvuldig had onderzocht, had de FOD VVVL volgens verzoeker de beslissing van de Psychologencommissie gelezen en had men gemerkt dat hij niet zonder meer de erkenning van psycholoog heeft gekregen, maar deze erkenning heeft gekregen op basis van een combinatie van zijn scholing en ervaring. Verzoeker vraagt zich af of het weigeren om een erkenning vanwege de Psychologencommissie in aanmerking te nemen , louter op basis van het feit dat men niet gebonden is aan de besluiten van dit orgaan, an sich geen bewijs is van een onzorgvuldige aanpak vanwege de FOD VVVL. De Psychologencommissie, die volgens verzoeker een vergelijkbaar orgaan is als bijvoorbeeld de Orde van Advocaten, waakt over de deontologie en de bescherming van het beroep en heeft hem op basis van weloverwogen besluitvorming erkend als gecertificeerd psycholoog. Verzoeker benadrukt dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zijn ervaring op geen enkele wijze in aanmerking werd genomen en dat bovendien uitdrukkelijk wordt gesteld dat een registratie op de lijst geenszins een waarborg is voor een diploma dat gelijkwaardig is. Deze zienswijze is volgens verzoeker paradoxaal, nu volgens hem een erkenning net als doel heeft om iemand een titel te XIV-39.293-5/12 geven die niet op reguliere wijze werd behaald, maar die desondanks een gelijke beloning of eer verdient. Verzoeker meent bovendien dat een beroepsvereniging de situatie van zijn leden op dit vlak beter kan inschatten dan een overheid die hier veel verder vanaf staat. Verzoeker concludeert dat door de weigering om zich een grondige kennis omtrent zijn erkenning te verschaffen de bestreden beslissing onzorgvuldig werd genomen. 10. Een tweede middel put verzoeker uit de schending van het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker benadrukt dat te dezen de FOD VVVL zonder twijfel enige discretionaire bevoegdheid heeft, nu hij beslist over de toekenning van een visum van klinisch psycholoog. Volgens verzoeker is er sprake van een kennelijke wanverhouding tussen de bestreden beslissing en de voor zich sprekende feiten, nu hij
- i)de nodige ervaring heeft kunnen opdoen in de laatste 20-30 jaar,
- ii)de nodige dosis scholing heeft gevolgd, iii) zelfs op pedagogisch en academisch vlak heeft bijgedragen,
- iv)erkend werd als psycholoog en klinisch psycholoog en
- v)zich ten slotte tot heden heeft ingespannen voor het Rode Kruis, CAW, enzovoort. De bestreden beslissing en de gevolgen voor verzoeker zijn hiermee radicaal in wanverhouding. Louter op basis van het niet hebben van een universitair diploma wordt hem geweigerd om zijn beroep nog uit te oefenen mét de nodige erkenning. Wanneer alle feiten in aanmerking worden genomen kan men volgens verzoeker enkel besluiten dat er geen enkele reden is om hem een visum te weigeren en dat de gevolgen van de bestreden beslissing buiten proportie staan met hetgeen men wil doen, met name de toegang tot het beroep beschermen. 11. Een derde middel wordt genomen uit de schending van het vertrouwensbeginsel. Verzoeker betoogt dat hem in 1995 de titel van psycholoog werd gegeven, op basis waarvan een carrière als psycholoog werd uitgebouwd en dat hij intussen is erkend als gecertificeerd klinisch psycholoog. Deze erkenningen XIV-39.293-6/12 gebeurden door beroepsgroepen, welke (federale) publieke instellingen zijn. Het is volgens verzoeker een manifeste schending van het vertrouwensbeginsel dat hij meer dan 20 jaar op deze erkenning heeft mogen vertrouwen, maar heden wordt geconfronteerd met een plotse weigering. Op basis van het vertrouwensbeginsel mag verzoeker er vanuit gaan dat hij erop moet kunnen vertrouwen, dat een bepaalde toezegging van een bestuursorgaan, met name de erkenning van de Psychologencommissie, ook wordt nagekomen. Door de weigeringsbeslissing lijkt de overheid terug te komen op haar gegeven toezegging die reeds 20 jaar heeft standgehouden. Volgens verzoeker komt de overheid, zij het via een andere instelling, zonder enige grondige aanleiding terug op haar gegeven woord, waardoor het vertrouwensbeginsel wordt geschonden 12. Een vierde middel put verzoeker uit de schending van het gelijkheidsbeginsel. De schending van het gelijkheidsbeginsel kan volgens verzoeker op twee manieren worden geïnterpreteerd. Ofwel vertrekt men vanuit het gegeven dat de situatie van verzoeker met de erkenning door de Psychologencommissie gelijk werd gesteld met die van een persoon/psycholoog met een universitair diploma, waarbij in deze hypothese kan worden gesteld dat de FOD VVVL het gelijkheidsbeginsel schendt door de situatie van verzoeker op een andere wijze te behandelen dan de situatie van iemand met een universitair diploma, ondanks het gegeven dat hij formeel gelijk werd gesteld met psychologen mét een universitair diploma en dit door een publieke instelling op federaal niveau. Ofwel legt men de nadruk op het hebben van een universitair diploma, waarbij in deze hypothese verzoeker van oordeel is dat de FOD VVVL het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door louter te kijken naar het al dan niet behalen van een universitair diploma. Verzoeker meent in deze hypothese dat zijn persoonlijke situatie een uitzonderingssituatie is, dewelke een andere beoordeling vereist dan diegene die wordt toegepast op de categorie van mensen zonder universitair diploma. Door het feit dat verzoeker werd erkend en bijgevolg de titel van psycholoog mag dragen, leunt zijn statuut immers dichter aan bij dat van een psycholoog. Minstens is de situatie van verzoeker een uitzonderingsgeval dat tussen het gegeven van “een XIV-39.293-7/12 diploma hebben” en het gegeven van “psycholoog zijn” invalt. Volgens verzoeker wordt het gelijkheidsbeginsel geschonden door hem zonder meer te beschouwen als louter een persoon zonder universitair diploma en hem op deze wijze ook te hebben beoordeeld. Overeenstemmend met de bewoordingen van het Grondwettelijk Hof dient te worden gesteld dat te dezen de aangewende middelen door de overheid, zijnde het weigeren aan verzoeker van een visum voor klinisch psycholoog, niet redelijkerwijze evenredig is met het beoogde doel. Het doel van de maatregelen lijkt eenvoudigweg te zijn: de beroepsgroep van klinisch psycholoog en de kwaliteit ervan te beschermen. Verzoeker wil niet stellen dat het criterium van het bezitten van een universitair diploma in dit opzicht niet nuttig kan zijn, maar dit criterium zegt ook niet alles. Verzoeker wijst er tevens op dat hij omwille van zijn militaire carrière “in de materie van de psychologie [is] gerold” en dat hij zich steeds heeft geschoold. Verzoeker benadrukt dat van zodra hij zijn weg had gekozen in de psychologie, hij zich vrijwel voortdurend op allerhande wijzen heeft bijgeschoold om op deze manier zijn kennis over de materie bij te schaven en te verbeteren. Als men met het criterium universitair diploma een zekere scholing bedoelt, kan verzoeker in het totaal meer dan 10 jaar aan voortdurende bijscholing bewijzen. Met de erkenning van 1995 heeft de Psychologencommissie volgens verzoeker simpelweg gesteld dat het voor hem niet noodzakelijk was dat hij een universitair diploma moest hebben om toegelaten te worden tot het psychologenstatuut en werd hij met andere woorden bij deze beslissing door de beroepsvereniging zelf gelijkgesteld met een universitair. Deze redenering heeft meer dan 20 jaar standgehouden en volstaan, terwijl nu van een 80-jarige man wordt gevraagd om een universitair diploma te behalen om officieel erkend te blijven voor hetgeen wat hij al die jaren al doet. Sterker nog, de FOD VVVL legt de erkenning van 1995 volledig naast zich neer en doet alsof het vanzelfsprekend is dat niemand zonder een universitair diploma op de lijst van psychologen mag/kan verschijnen. Niets is echter minder waar. Het zijn net de prestaties van verzoeker die hem de titel van psycholoog hebben opgeleverd. Bovendien kan men volgens verzoeker niet ontkennen dat het de logica zelve is dat hij gedurende de afgelopen 20 jaar nét meer XIV-39.293-8/12 praktijkervaring heeft kunnen opdoen (en zelfs overbrengen aan derden) en bijgevolg des te meer gekwalificeerd zal zijn als psycholoog. Het vormt hoe dan ook volgens verzoeker een discriminatie dat hij zonder meer wordt gelijkgesteld met iedereen die niet ervoor heeft gekozen om zich effectief te scholen als psycholoog. Samengevat meent verzoeker dat zijn situatie, gezien zijn beroepservaring, scholing en erkenningen, quasi-gelijk is aan die van een klinisch psycholoog. Dit geldt volgens hem des te meer gezien het feit dat hij de afgelopen 20 jaar hetzelfde werk heeft verricht, hetzelfde beroep heeft uitgeoefend en dezelfde titel heeft gedragen als een psycholoog mét een universitair diploma. Hoewel zijn feitelijke situatie in se amper verschilt met die van psychologen met een universitair diploma, is verzoeker de mening toegedaan dat hij op een radicaal andere wijze wordt behandeld. 13. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat, anders dan de verwerende partij het ziet, hij niet uitgaat van de veronderstelling dat de erkenning door Psychologencommissie automatisch een universitair niveau inhoudt, maar wel dat de erkenning van deze commissie op basis van de aangetoonde scholing, opleiding en vorming alsook op grond van een 20-tal jaren ervaring hem de gelijkstelling geeft. Beoordeling 14. Door het auditoraat wordt tot de ongegrondheid van het eerste, tweede, derde en vierde middel besloten op grond van de volgende overwegingen: “9. De middelen worden samen besproken. 10. In essentie steunt verzoeker alle middelen op, eensdeels, de erkenning door de Psychologencommissie op 8 september 1995, en anderdeels, de aanpassing van zijn statuut naar dat van ‘gecertificeerd klinisch psycholoog’ in het Vlaams Register van Klinische Psychologen, een register dat wordt bijgehouden door het VVPK, een beroepsvereniging voor psychologen. Verzoeker meent, ten eerste, dat de bestreden weigeringsbeslissing is genomen na een onzorgvuldig onderzoek door deze elementen buiten beschouwing te laten. Ten tweede beschikt de beslissende overheid volgens verzoeker over een zekere discretionaire bevoegdheid en staat het motief van het niet beschikken over een universitair diploma in kennelijke wanverhouding tot dezelfde elementen. Ten derde komt de overheid door de genomen beslissing zonder gegronde reden en met miskenning van het vertrouwensbeginsel terug op de eerdere erkenning. Tot slot XIV-39.293-9/12 acht verzoeker het gelijkheidsbeginsel geschonden doordat zijn situatie op een andere wijze is behandeld dan de situatie van iemand met een universitair diploma, ondanks het gegeven dat het Psychologencommissie hem formeel gelijk heeft gesteld met psychologen mét een universitair diploma. Minstens meent verzoeker zich in een uitzonderingssituatie te bevinden gelet op zijn ervaring. 11. Artikel 68/1, §2, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 ‘betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen’ bepaalde ten tijde van de besluitvorming: ‘§ 2. De Koning bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1 bedoelde erkenning, de leerstof die moet zijn verwerkt en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische psychologie te verkrijgen. De erkenning in de klinische psychologie kan enkel worden verleend aan de houder van een diploma van het universitaire onderwijs in het domein van de klinische psychologie behaald ter afsluiting van een opleiding, die in het kader van het voltijds onderwijs, minstens vijf jaar studie of 300 punten in het Europees systeem voor de overdracht en de accumulatie van studiebelastingpunten (ECTS) telt, een stage in het domein van de klinische psychologie inbegrepen. Met de houder van een diploma in het domein van de klinische psychologie worden gelijkgesteld, de personen die houder zijn van een universitair diploma in het vakgebied van de psychologie dat uitgereikt werd voor de inwerkingtreding van dit artikel en die een beroepservaring van minimum drie jaar in het domein van de klinische psychologie kunnen bewijzen’. 12. De bepaling van §2 luidens welke de erkenning in de klinische psychologie enkel kan worden verleend aan houders van een diploma van het universitair onderwijs ontzegt de verwerende partij elke discretionaire beslissingsbevoegdheid dienaangaande. Meteen is niet voldaan aan de premisse voor het tweede middel, afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel. Het tweede middel is niet gegrond. 13. Het staat niet ter discussie dat verzoeker geen houder is van een universitair diploma. De erkenning door de Psychologencommissie van 8 september 1995 waarnaar verzoeker verwijst, vindt haar wettelijke basis in de wet van 8 november 1993 ‘tot bescherming van de titel van psycholoog’. Deze wet van 8 november 1993 valt onder de bevoegdheid van de Minister van Middenstand en niet onder die van de Minister van Volksgezondheid. Artikel 2 van de wet van 8 november 1993 bepaalt dat de Psychologencommissie een lijst bijhoudt van de personen die voldoen aan de voorwaarden om de titel van psycholoog te dragen. Ook bepaalde niet-houders van een universitair diploma, zoals verzoeker, komen daarbij in aanmerking. Het toepasselijke artikel 68/1, §2 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 voorziet niet in een gelijkstelling voor personen die weliswaar zijn geregistreerd op de lijst bijgehouden door de Psychologencommissie maar die geen houder zijn van een universitair diploma. Er kan de verwerende partij bijgevolg geen onzorgvuldigheid worden verweten door de totstandkoming van de registratie door de Psychologencommissie niet in haar besluitvorming te betrekken. Hetzelfde geldt voor wat betreft de inschrijving van verzoeker in het Vlaams Register van Klinische Psychologen. Bijkomend merkt de verwerende partij terecht op dat het een initiatief betreft van een beroepsvereniging, de Vlaamse Vereniging van Klinische Psychologen, die een vereniging zonder winstoogmerk is. Aan deze inschrijving kunnen dan ook geen verdere rechtsgevolgen worden gekoppeld. De ervaring van verzoeker ten spijt, kunnen, in het licht van wat voorafgaat, de registratie door de Psychologencommissie en de inschrijving van verzoeker in het XIV-39.293-10/12 Vlaams Register van Klinische Psychologen, het bestreden besluit niet vitiëren. Het eerste middel, afgeleid uit de zorgvuldigheidsplicht, is niet gegrond. 14. Zulks neemt niet weg - en anders dan verzoeker dat zelf blijkt te zien onder het derde middel - dat het bestreden besluit verzoeker niet verhindert verder de titel van psycholoog te blijven dragen in overeenstemming met de registratie door de Psychologencommissie. Het bestreden besluit strekt zich enkel uit tot de gevraagde erkenning als klinisch psycholoog. Anders gezegd, noch de registratie door de Psychologencommissie, noch de inschrijving in het Vlaams Register van Klinische Psychologen wettigen in hoofde van verzoeker de verwachting dat hij ook zou worden erkend als klinisch psycholoog. Het vertrouwensbeginsel is bijgevolg niet geschonden. Het derde middel is niet gegrond. 15. Het is niet anders voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel. De essentie van het betoog van verzoeker, namelijk dat zijn situatie, gezien zijn beroepservaring, scholing en erkenningen, quasi-gelijk is aan die van een klinisch psycholoog, neemt niet weg dat hij niet voldoet aan de conditio qua non overeenkomstig artikel 68/1, §2 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 om te worden erkend als klinisch psycholoog, namelijk houder zijn van een universitair diploma. Het gelijkheidsbeginsel kan niet worden ingeroepen tegen de reglementaire bepaling in. Het vierde middel, afgeleid uit het gelijkheidsbeginsel, is niet gegrond 16. Het beroep is niet gegrond.” 15. Na kennisneming van het beredeneerd verslag van het auditoraat, heeft verzoeker niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. 16. In die omstandigheid en na eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste, tweede, derde en vierde middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-39.293-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.293-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.160 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.445 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div