← België

Arrest 259182 - Varia (economische zaken) - 19/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.182 Rolnummer: A. 234429/XIV-39044 Zaak: Arrest 259182 - Varia (economische zaken) - 19/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-02 Raadplegingen: 268 - laatst gezien 2026-06-18 17:49 Fiche Arrest nr 259.182 van 19 maart 2024 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ecli_input ECLI:CE:ECHR:2018 ecli_prefixe ECLI ecli_pays CE ecli_cour ECHR ecli_annee 2018 ecli_ordre Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (

  1. en)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:CE:ECHR:2018 invalide Ongeldig ECLI-nummer - 4 element (
  2. en)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.182 van 19 maart 2024 in de zaak A. 234.429/XIV-39.044 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Vanden Berghe en Arne Devriese kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van 28 juni 2021 van de administrateur-generaal van het intern verzelfstandigd agentschap Toerisme Vlaanderen (hierna: het IVA Toerisme Vlaanderen) “houdende niet toekenning van steun wegens het niet aannemen van één van de rechtsvormen zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 betreffende het Vlaams stimulusprogramma (STIM-1627)”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-39.044-1/25 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari 2024. Staatsraad Chantal Bamps heeft verslag uitgebracht. Advocaat Arne Devriese, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoekster is uitbaatster van een vakantiewoning, waarin eveneens kamers individueel als “kamergerelateerde logies” worden aangeboden. 3.2. Verzoekster dient een steunaanvraag in op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 ‘tot vaststelling van de regels voor de toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus’ (hierna: het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021). XIV-39.044-2/25 De aanvraag is gekend onder dossiernummer STIM-1627. De geplande investeringen worden in de aanvraag omschreven als volgt: “Herinrichting kamers: De kamers van het vakantiehuis werden heringericht voor kleinere groepen of koppels, we hebben voor het vakantiehuis de dubbele functie aangevraagd vakantiehuis – guesthouse. Er werd klein meubilair (extra bureau, zetel, …) aangekocht hiervoor, bepaalde zetels gerestaureerd, nieuwe linnen aangekocht en een extra bed. Er werd ook een nieuw digitaal boeking- en reservatiesysteem aangekocht , voor de check-in is een laptop nodig om de nodige documenten en de facturatie in orde te brengen.” 3.3. Bij besluit van 28 juni 2021 van de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen ‘tot toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus’ (hierna: het besluit van 28 juni 2021) worden alle steunaanvragen binnen het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen beoordeeld. Het besluit van 28 juni 2021 luidt: “Rechtsgronden Dit besluit is gebaseerd op: - Het decreet houdende de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2021 van 18 december 2020, artikel 9; - Het decreet tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid ‘Toerisme Vlaanderen’ van 19 maart 2004, gewijzigd bij decreten van 8 juli 2011 en 7 december 2018, artikel 5 § 1, 2° en 3 en § 2, lid 2; - Het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regels voor de toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus van 26 februari 2021, artikel 22. Vormvereiste De volgende vormvereiste is vervuld: - De Inspectie van Financiën heeft advies gegeven op 14 en 18 juni 2021. Motivering Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven: - Bij besluit van 26 februari 2021 besliste de Vlaamse Regering om toeristische ondernemingen met focus op toeristische logies en attracties die zwaar getroffen zijn door de coronacrisis financieel te ondersteunen om via investeringen in hun logies of attractie hun concurrentiepositie te verbeteren en zo het herstel van de sector post-corona te ondersteunen, waarbij de ondersteuning maximaal aansluit bij het bestaande steuninstrumentarium voor de Vlaamse ondernemingen en voor de toeristische ondernemingen in het bijzonder. - In uitvoering van dit besluit organiseerde Toerisme Vlaanderen een oproepprocedure voor het indienen van steunaanvragen door de toeristische ondernemingen via het digitaal loket van het agentschap tegen uiterlijk 31 maart 2021. XIV-39.044-3/25 - Toerisme Vlaanderen ontving 845 aanvragen, die het vervolgens onderzocht en beoordeelde volgens de bepalingen van het besluit van 26 februari 2021 en het ministerieel besluit tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 tot vaststelling van de regels voor de toekenning van het steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus. - Op basis van dit onderzoek en deze beoordeling kunnen de 272 toeristische ondernemingen, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit, een subsidie worden toegekend, waarvan het bedrag eveneens in de bijlage is vermeld. - In totaal betreft het voor alle toeristische ondernemingen samen een subsidiebedrag van 30.000.000 euro. Dit bedrag is voorzien binnen de perken van de kredieten op de begroting van Toerisme Vlaanderen. - Bijlage 2 en 3 bij dit besluit vermeldt de toeristische ondernemingen die een steunaanvraag indienden, maar die geen steun worden toegekend. Juridisch kader Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving: - De wet tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof van 16 mei 2003, het laatst gewijzigd bij de wet van 10 april 2014, artikel 11 tot en met 14; - Het decreet houdende de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, artikel 72 tot en met 76; - Het besluit van de Vlaamse Regering ter uitvoering van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën 17 mei 2019, artikel 71, §§ 1 en 4; - Het besluit van de Vlaamse Regering tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen van 30 oktober 2015, gewijzigd bij besluit van 16 juni 2017, artikel 6 en artikel 17, eerste lid, 2°; - Het ministerieel besluit tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 tot vaststelling van de regels voor de toekenning van het steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus. DE ADMINISTRATEUR-GENERAAL VAN TOERISME VLAANDEREN BESLUIT: Artikel 1. De toeristische ondernemingen, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit, worden een subsidie toegekend als steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus voor de bedragen die in bijlage 1 aan deze toeristische ondernemingen worden toegekend. Art. 2. De subsidies zijn aan te rekenen op begrotingsartikel SFO-ASQE5WJ-WT en basisallocatie ASQI1801 en op begrotingsartikel SFO-ASQE5WJ-PA en basisallocatie ASQP1801 van de uitgavenbegroting 2021 van Toerisme Vlaanderen. Art. 3. Toerisme Vlaanderen betaalt de subsidiebedragen op de rekening van de in bijlage 1 vermelde toeristische ondernemingen. Art. 4. De toeristische ondernemingen, vermeld in bijlage 2 en 3 bij dit besluit, worden geen subsidie toegekend als steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus om de reden vermeld in bijlage 2 en 3. Art. 5. De toeristische ondernemingen, vermeld in de bijlage bij dit besluit, worden op de hoogte gebracht van deze beslissing. Art. 6. Dit besluit treedt in werking op de datum van ondertekening.” XIV-39.044-4/25 Bij besluit van 28 juni 2021 zijn de volgende bijlagen gevoegd: “1. Lijst ontvankelijke steunaanvragen met steuntoekenning 2. Lijst ontvankelijke steunaanvragen zonder steuntoekenning 3. Lijst niet ontvankelijke steunaanvragen zonder steuntoekenning” 3.4. In bijlage 3 bij het besluit van 28 juni 2021 staat over verzoeksters steunaanvraag met dossiernummer STIM-1627 onder punt 46 het volgende motief: “U neemt geen van de rechtsvormen aan zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 betreffende het Vlaams stimulusprogramma.” 3.5. Bij e-mail van 29 juni 2021 wordt aan verzoekster overeenkomstig artikel 5 van het besluit van 28 juni 2021 de beslissing van de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen meegedeeld, waarbij de steunaanvraag met dossiernummer STIM-1627 wordt geweigerd op grond van de volgende overwegingen: “Na nader onderzoek ervan moet ik beslissen dat wij u geen steun kunnen toekennen en dit om de volgende reden(en): U neemt geen van de rechtsvormen aan zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 betreffende het Vlaams stimulusprogramma (Artikel 4 van het besluit van 26 februari 2021 van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de regels voor de toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus geeft volgende rechtsvormen op: ‘1° een natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent; 2° een vennootschap met rechtspersoonlijkheid van privaat recht; 3° een vereniging zonder winstoogmerk; 4° een buitenlandse onderneming met een statuut dat gelijkwaardig is aan het statuut vermeld in punt 1° tot en met 3°’).” Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.044-5/25 IV. Rechtsmacht van de Raad van State Uiteenzetting van de exceptie 4. In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij de rechtsmacht van de Raad van State. De verwerende partij laat gelden dat de ontvankelijk bevonden aanvraag overeenkomstig artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 wordt getoetst aan de voorwaarden bepaald in artikel 9 van dat besluit en punt 3.2.3. van de Handleiding, waarna zij krachtens artikel 4 van het ministerieel besluit van 26 februari 2021 ‘tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 tot vaststelling van de regels voor de toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus’ (hierna: het ministerieel besluit van 26 februari 2021) en punt 3.2.3. worden gerangschikt, teneinde de beschikbare steunenveloppe van 30 miljoen euro toe te wijzen op grond van artikel 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 en punt 3.3. van de Handleiding. Uit de bewoordingen van de voormelde bepalingen kan volgens de verwerende partij worden opgemaakt dat wie aan de voorwaarden voldoet voor de toekenning van de steun, nl. de aanvrager wiens aanvraag ontvankelijk is en nuttig wordt gerangschikt, een subjectief recht heeft op deze steun en dat het IVA Toerisme Vlaanderen ter zake geen discretionaire bevoegdheid meer heeft en ertoe gehouden is de steun toe te kennen. Gelet op het besluit van 28 juni 2021 van de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen, waarvan de regelmatigheid niet wordt betwist door verzoekster, minstens niet wat betreft artikel 1 en de bijlage 1 van dit besluit, blijkt dat er op grond van het voornoemde besluit een subjectief recht bestaat op steun wanneer de overheid tot de principiële steuntoekenning heeft beslist, hetgeen te dezen gebeurd is bij besluit van 28 juni 2021. Ingevolge die beslissing heeft de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen ter zake geen discretionaire bevoegdheid meer en is hij ertoe gehouden de steun toe te kennen. De bevoegde overheid die in de individuele gevallen de steun al dan niet verleent, oefent een gebonden bevoegdheid uit. Zelfs indien men met al te grote welwillendheid het voorwerp van het voorliggende beroep kan uitbreiden tot de XIV-39.044-6/25 beslissing begrepen in de kennisgevingsbrief van 29 juni 2021, quod non, dan nog houdt deze beslissing volgens de verwerende partij “niet meer in dan de toepassing op een concreet geval van hetgeen vervat is in” artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021. In zoverre deze beslissing inhoudt dat aan verzoekster geen steun wordt toegekend, “vormt zij een negatieve toepassing van” artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021, “aangezien de steun niet (meer) kan worden toegekend indien niet voldaan is aan de voorwaarden”. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat verzoekster niet betwist dat de subsidie-enveloppe volledig is uitgeput en het IVA Toerisme Vlaanderen geen enkele discretionaire beoordelingsvrijheid meer rest en dat verzoekster minstens ook de regelmatigheid van de nuttig gerangschikte aanvragers op goede gronden had moeten betwisten, om een ontvankelijk beroep in te dienen. Te dezen is de mogelijkheid van verzoekster om te worden opgenomen in de lijst van nuttig gerangschikte aanvragers “niet meer binnen bereik” van verzoekster, wat een louter gevolg is van zijn keuze om het voorwerp van haar beroep te beperken tot de beslissing die enkel betrekking heeft op haar eigen situatie, maar zonder het nodige te doen om “de weg vrij te houden” van een eventueel rechtsherstel. Anders gesteld, verzoekster heeft nooit de kans benut om het eindresultaat van de toewijzing van de subsidie te betwisten, met name de beslissing waarmee de integrale subsidie-enveloppe is toegewezen aan de nuttig geplaatste aanvrager. Beoordeling 5. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van de exceptie op grond van de volgende overwegingen: “1. Uit de artikelen 144 en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten - altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft - tot de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook niet bevoegd om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. Dat is het XIV-39.044-7/25 geval wanneer het annulatieberoep gericht is op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur geen discretionaire, maar slechts een gebonden bevoegdheid bezit. Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van de onbevoegdheid van de Raad van State, is vereist dat de verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan de verzoekende partij belang heeft. Om zich ten aanzien van de bestuurlijke overheid op een subjectief recht te kunnen beroepen is het, zoals gezegd, noodzakelijk dat de bevoegdheid van de overheid volledig gebonden is.[…] Er dient dan ook te worden onderzocht of de verwerende partij bij het nemen van de thans bestreden beslissing over enige discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikte, dan wel slechts over een gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. De Raad van State is zonder rechtsmacht als het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt dat de betrokkene niet (langer) voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij dat subjectief recht verliest.[…] 2. De beoordeling van een steunaanvraag over het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen houdt een discretionaire beoordelingsbevoegdheid in voor de verwerende partij. Dit blijkt uit zowel het besluit van 26 februari 2021 van de Vlaamse Regering ‘tot vaststelling van de regels voor de toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus’ (hierna: BVR 26 februari 2021), als het ministerieel besluit van 26 februari 2021 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 februari 2021 tot vaststelling van de regels voor de toekenning van steun van het Vlaams stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen in het kader van het coronavirus’ (hierna: MB 26 februari 2021). Artikel 9 BVR 26 februari 2021 bevat verschillende kwalitatieve en kwantitatieve beoordelingscriteria om de aanvragen te beoordelen. Deze criteria worden verder uitgewerkt in de artikelen 5 t.e.m. 9 MB 26 februari 2021. Het komt aan Toerisme Vlaanderen toe om een eigen beoordeling te maken over de mate waarin de geplande investeringen bijdragen aan de volgende maatregelen en doelstellingen: gezondheidsmaatregelen, ecologische duurzaamheid, digitalisering, professionalisering. Ook dient Toerisme Vlaanderen te kijken naar de meerwaarde van het voorstel voor de plek, de bezoekers en/of bewoners; de financiële draagkracht en terugbetalingscapaciteit van de steunaanvrager; en de haalbaarheid van het project. Overeenkomstig artikel 21 BVR 26 februari 2021 maakt Toerisme Vlaanderen een inschatting van de ontvankelijke steunaanvragen op basis van de beoordelingscriteria vermeld in artikel 9. Er wordt een score toegekend aan de beoordelingscriteria en op basis daarvan worden de steunaanvragen gerangschikt. Artikel 4 MB 26 februari 2021 verleent aan de beoordelingscriteria van voormeld artikel 9 BVR 26 februari 2021 een gewicht toe om zo tot een scoretoekenning te komen. 3. Een steunaanvrager heeft bij de indiening van zijn aanvraag geen subjectief recht op steun. De beslissing om steun te geven aan ontvankelijke aanvragen zal afhangen van de waardering van de geplande investeringen van de aanvrager en de rangschikking van de scores van de aanvragen. Dit is een bij uitstek discretionaire beoordeling. 4. De verwerende partij beoogt op kunstmatige wijze een onderscheid te maken tussen het besluit van 28 juni 2021 waarbij over alle steunaanvragen een beslissing wordt genomen en de beslissing zoals meegedeeld aan de verzoekende partij over haar steunaanvraag met dossiernummer STIM-1642. Zoals bij de XIV-39.044-8/25 bespreking van de vorige exceptie is gesteld, gaat het immers niet om onderscheiden besluiten. Het besluit zoals meegedeeld aan de verzoekende partij vormt maakt dus geen uitoefening uit van een volledig gebonden bevoegdheid. 5. De beoordeling of de steunaanvrager de vereiste rechtsvorm heeft, zoals bepaald in artikel 4 BVR 26 februari 2021, behelst geen vrije beoordelingsmarge. Dit gebonden aspect van de beoordelingsbevoegdheid weerlegt niet dat de bevoegdheid van de verwerende partij om over steunaanvragen inzake het Vlaams Stimulusprogramma voor toeristische ondernemingen te oordelen, een vrije beoordelingsmarge inhoudt. Er is in deze geen sprake van een volledig gebonden bevoegdheid. Het is niet duidelijk in welke mate een negatieve toepassing van artikel 2 BVR 26 februari 2021, naar luid waarvan [a]lle steun die toegekend wordt met toepassing van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan, wordt verleend binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling, een volledig gebonden bevoegdheid zou inhouden. De verwerende partij verschaft hieromtrent geen bijkomende uitleg. 6. Er moet dan ook worden vastgesteld dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het voorliggende beroep niet een geschil over een subjectief recht betreft. Bijgevolg heeft de Raad van State de vereiste rechtsmacht om over het huidige beroep te oordelen.” 6. In zoverre de verwerende partij in haar laatste memorie nog laat gelden dat verzoekster niet betwist dat de subsidie-enveloppe volledig is uitgeput en het IVA Toerisme Vlaanderen geen enkele discretionaire beoordelingsvrijheid meer rest en dat verzoekster minstens ook de regelmatigheid van de nuttig gerangschikte aanvragers op goede gronden had moeten betwisten, om een ontvankelijk beroep in te dienen, volstaat de vaststelling dat dit verweer betrekking heeft op het belang van verzoekster bij het door haar ingediende annulatieberoep en bijgevolg niet ter zake doende is nu dit verweer geen antwoord biedt op het ongegrond bevinden van de exceptie om de redenen zoals die zijn uiteengezet in het auditoraatsverslag. 7. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, de exceptie ongegrond. XIV-39.044-9/25 V. Ontvankelijkheid van het beroep – gebrek aan actueel belang Standpunt van de partijen 8. In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij het belang van verzoekster bij een vernietigingsberoep. De verwerende partij benadrukt vooreerst dat verzoekster haar belang koppelt aan de bewering dat zij de steunaanvraag heeft ingediend, terwijl het de onderneming is die de steunaanvraag heeft ingediend en bijgevolg verzoekster om deze reden geen belang heeft. Het is enkel de onderneming of de personen die rechtsgeldig namens haar in rechte kunnen treden, die volgens de verwerende partij derhalve belang (en de hoedanigheid) hiertoe heeft. Minstens toont verzoekster niet aan dat zij namens de onderneming - naar eigen zeggen een vennootschap of vereniging zonder rechtspersoonlijkheid -, in rechte een beslissing omtrent een steunaanvraag kan betwisten, temeer nu verzoekster geen enkel stuk aan haar dossier toevoegt dat toelaat om tot dit besluit te komen. Daarnaast wijst de verwerende partij erop dat de steunmaatregelen passen binnen een stelsel van een maximum beschikbare steunenveloppe en dat de steunmaatregelen worden toegekend aan individuele aanvraagdossiers, die ontvankelijk zijn bevonden en waaraan een bepaalde score is toegekend. Eens de steunmaatregelenveloppe (te dezen ten bedrage van 30 miljoen euro) is uitgeput, kan aan de lager gerangschikte aanvragen geen steun worden toegekend. De verwerende partij laat gelden dat verzoekster in ieder geval niet de rechtsgeldigheid houdende de steuntoekenning aan de begunstigden op grond van artikel 1 en bijlage 1 bij het besluit van 28 juni 2021 van de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen betwist. Een vernietiging van de beslissing die de steunaanvraag van verzoekster afwijst, kan hieraan geen verandering brengen. Volgens de verwerende partij kan verzoekster dus geen enkel voordeel halen uit een eventuele nietigverklaring, waardoor het beroep niet-ontvankelijk is. Nu verzoekster enkel een vernietigingsberoep heeft ingediend, heeft zijzelf, volgens de verwerende partij, procedureel de weg afgesloten naar een beoordeling, weze het voorlopig, op korte termijn. In ieder geval is het gevolg van haar procedurele houding dat een eventueel rechtsherstel in natura is uitgesloten, zodat verzoekster principieel het rechtens vereiste belang bij XIV-39.044-10/25 haar vordering ontbeert. Er valt immers niet in te zien dat de Raad van State ertoe kan komen om vóór 31 december 2021 uitspraak te doen over het vernietigingsberoep, rekening houdende met de na te leven termijnen die gelden voor de nog te doorlopen procedurestappen. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat verzoekster op geen enkel moment aannemelijk maakt dat haar aanvraag eventueel in aanmerking zou komen voor de toekenning van de steun. Aangezien de steunportefeuille integraal is benut, kan er, volgens de verwerende partij onmogelijk nog steun worden toegekend, zodat verzoekster dan ook geen beslissing in haar voordeel kan verkrijgen. De loutere bewering dat verzoekster toch uitzicht zou krijgen op steun, indien steun zou worden teruggevorderd, is volgens de verwerende partij al te hypothetisch (omdat niemand, ook de verwerende partij niet, kennis heeft van zo’n terugvorderingsprocedure), en verantwoordt bovendien geen toekenning van steun. Een zuiver hypothetisch belang voldoet niet. Het is trouwens niet omdat per hypothese steun wordt teruggevorderd, dat de eerste in aanmerking komende partij (en dit is bovendien niet verzoekster) plots in strijd met de termijnregeling toch steun zou toegekend krijgen. Minstens wordt volgens de verwerende partij niet aangetoond dat zo’n teruggevorderd bedrag, lang na de eindtermijn van de toewijzingsprocedure voor de subsidie, plots in de (niet langer bestaande, want uitgeputte) subsidieportefeuille zou moeten worden opgenomen, en het bestuur ertoe noodzaakt om een nieuwe subsidieronde op te starten. En zelfs indien men al wil meegaan in deze hypothese, rijst de vraag of zo’n belang wel een afdoende rechtstreeks verband houdt met het eigenlijke voorwerp van het vernietigingsberoep dat beperkt is tot de weigering van verzoeksters aanvraag. Bovendien kan volgens de verwerende partij het door het auditoraat naar voor geschoven hypothetisch rechtsherstel maar bestaan indien er reden tot terugvordering is, een toewijzingsprocedure wordt opgestart, de gelden effectief worden geïnd en het bestuur beslist om een nieuwe toewijzingsprocedure op te starten. Dit alles houdt onvoldoende verband met de gevraagde vernietiging van de individuele weigeringsbeslissing. De beweerde maar onbestaande hypothese van een terugvordering van subsidies van andere begunstigden staat volgens de verwerende partij volledig los van het voorwerp van het beroep, doch is XIV-39.044-11/25 volgens het auditoraat wel de noodzakelijke voorwaarde om het belang van verzoekster op te steunen. In ieder geval kan de verwerende partij na 30 juni 2022 geen steun meer uitkeren, aangezien zij in dat geval zou handelen in strijd met de Tijdelijke kaderregeling, welke initieel werd vastgesteld bij Mededeling van de Commissie van 19 maart 2020 (C

(2020)1863) ‘betreffende de Tijdelijke Kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak’ (PB C 91 I van 20.3.2020, blz. 1, en dus in strijd met het Europese staatssteunrecht. Het gegeven dat verzoekster op grond van artikel 2, eerste lid, van het ministerieel besluit van 26 februari 2021 aan haar kan vragen om de uiterlijke realisatiedatum van het project uit te stellen tot ten laatste 31 december 2021 doet hieraan geen afbreuk. Immers, dit veronderstelt dat er reeds effectief een beslissing tot toekenning van de steun aan verzoekster werd genomen op uiterlijk 31 december 2021, aangezien het slechts gaat om een uitstel van de realisatie van het project. Dit is te dezen niet het geval. Ook in dat opzicht kan verzoekster geen voordeel halen uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Het gegeven dat de Europese Commissie de Tijdelijke kaderregeling heeft verlengd tot 30 juni 2022 doet volgens de verwerende partij niet anders besluiten. Het ministerieel besluit van 26 februari 2021 stelt als einddatum 31 december 2022 voorop. Het verlengen van de Tijdelijke kaderregeling verandert hier niets aan. Evenmin is volgens de verwerende partij de rechtspraak omtrent tijdelijke toelatingen en de beoordeling van het belang ter zake dienend. Te dezen ligt immers een weigering voor, terwijl de door het auditoraat aangehaalde rechtspraak betrekking heeft op tijdelijke toelatingen die door derde belanghebbenden worden betwist. Het punt is te dezen dat de genomen regeling eenvoudigweg niet langer toelaat om steun uit te keren. Het gegeven dat de verwerende partij kan overgaan tot gehele of gedeeltelijke niet-uitbetaling of terugvordering van de steun, betekent niet dat er voor verzoekster een mogelijkheid tot rechtsherstel bestaat. De terugbetaling door een steunontvanger of de gedeeltelijke uitbetaling aan een steunontvanger maakt niet dat het resterende bedrag zou worden toegekend aan verzoekster. Om in XIV-39.044-12/25 overeenstemming te handelen met de Tijdelijke kaderregeling moet de steun zijn toegekend op uiterlijk 30 juni 2022 - indien rekening wordt gehouden met de verlenging van de Tijdelijke kaderregeling -, het toekennen van rechtsherstel in de vorm van een subsidie, zou volgens de verwerende partij aldus in strijd komen met het Europees staatssteunrecht. Een verzoekster die ernaar streeft om alsnog een vergoeding te verkrijgen voor het beweerdelijk onterecht niet in aanmerking nemen van haar steunaanvraag - al dan niet in de vorm van een schadevergoeding tot herstel overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State -, streeft volgens de verwerende partij aldus een onwettige of rechtens onmogelijke toestand na en beschikt bijgevolg niet over het wettig vereiste belang bij haar vordering. In dat opzicht kan volgens de verwerende partij evenmin de zienswijze van het auditoraat worden gevolgd waar wordt gesteld dat het afwijzen van het beroep op disproportionele wijze afbreuk zou doen aan het recht op toegang tot de rechter, nu het afwijzen van een vordering door de rechter van een voor hem gebrachte zaak die enkel een ongeoorloofd of onmogelijk te begrijpen belang kan dienen, immers allerminst doet blijken van een formalistische of te strikte opvatting van de belangvereiste die op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het recht op toegang tot de rechter.
  1. Verzoekster beschouwt in het verzoekschrift haar belang als “evident” nu de door haar als uitbaatster van een toeristische logies ingediende steunaanvraag werd geweigerd. In de memorie van wederantwoord betwist verzoekster de door de verwerende partij opgeworpen exceptie. Zij benadrukt vooreerst dat het niet ernstig is te stellen dat zij geen belang zou hebben omdat zij in het digitaal steunaanvraagformulier bij het veld “naam”, de naam van haar vakantiewoning heeft ingevuld en niet haar eigen naam en niet kan worden betwist dat zij de uitbaatster is van deze toeristische logies. Bovendien is ook de stelling van de verwerende partij dat de betreffende toeristische logies nergens terug te vinden zouden zijn in de Kruispuntbank der ondernemingen onjuist. Uit het door de verwerende partij neergelegde uittreksel van de Kruispuntbank blijkt volgens verzoekster dat de genoemde vennootschap twee vestigingseenheden heeft, XIV-39.044-13/25 waarvan één door haar wordt uitgebaat. Bijgevolg worden volgens verzoekster de toeristische logies als vestigingseenheid van de vennootschap waarvan zij vennoot is rechtsgeldig door haar vertegenwoordigd. Daarnaast benadrukt verzoekster dat het gegeven dat de steun in uitvoering van de Tijdelijke kaderregeling van de Europese Commissie inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak uiterlijk op 31 december 2021 diende te zijn verleend en de steunenveloppe ondertussen zou zijn uitgeput, volgens haar niet tot gevolg kan hebben dat haar belang bij de huidige procedure zou zijn verdwenen. Het rechtens vereiste belang bij een annulatieberoep gaat immers niet teloor door het enkele feit dat de bestreden beslissing is uitgevoerd en haar volledige effect heeft gehad. Het staat ook niet vast dat de enveloppe definitief is uitgeput. Verzoekster verwijst dienaangaande naar artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 dat uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om reeds toegekende steun terug te vorderen indien na controle blijkt dat bepaalde voorwaarden niet werden vervuld en er ten onrechte steun zou zijn verleend aan bepaalde aanvragers. Het is volgens verzoekster dan ook niet onwaarschijnlijk dat er binnen afzienbare tijd opnieuw geld in de steunenveloppe beschikbaar komt. Anders dan de verwerende partij beweert, is de steun dus nog niet met definitieve zekerheid op uitputtende wijze aan “de rechthebbenden” toegekend. Bovendien valt niet uit te sluiten dat er nieuwe middelen vrijgemaakt worden via een nieuwe (begrotings)beslissing en/of dat de Europese Commissie haar Tijdelijke kaderregeling in de loop van 2022 andermaal bijwerkt en er nogmaals verlenging mogelijk wordt gemaakt, hetgeen eerder al gebeurde met het vijfde amendement op 28 januari
  2. Hoe dan ook weze opgemerkt dat het in geval van vernietiging duidelijk wordt dat er een fout werd begaan en haar dossier foutief onontvankelijk werd verklaard. Zelfs wanneer de “pot” subsidies zou uitgeput zijn, dan nog is verzoekster van oordeel belang te hebben bij de nietigverklaring nu het ten onrechte niet-ontvankelijk verklaren van haar aanvraag tot gevolg heeft gehad dat zij subsidies heeft misgelopen en derhalve schade heeft geleden. Schade die desgevallend vergoed kan worden via een burgerrechtelijke procedure. Anders dan de verwerende partij beweert, is enig rechtsherstel niet per definitie uitgesloten. In ieder geval zou het, gelet op artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voorbarig zijn te stellen dat zij geen XIV-39.044-14/25 belang meer heeft bij haar beroep, nu zij de intentie heeft om een schadevergoeding tot herstel te vorderen op grond van het voornoemde artikel. In haar laatste memorie betoogt verzoekster dat “de auditeur [benadrukt] dat uit niets blijkt dat definitief rechtsherstel niet meer zou kunnen worden verwezenlijkt en bijgevolg geenszins is uitgesloten, zodat verzoekende partij wel degelijk over het vereiste belang beschikt en dat dit belang nog steeds actueel is” en dat “deze beoordeling van de auditeur kan worden bijgetreden”. Beoordeling
  3. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105, punt B.11.
  4. en B.12.2). XIV-39.044-15/25 Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, ECLI:CE:ECHR:2018: 0717JUD000547506, punten 42 e.v.). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406). Voorts kan de aard van het belang weliswaar evolueren, maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtscolleges van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, XIV-39.044-16/25 eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen.
  5. Verzoekster betwist de beslissing tot weigering van steuntoekenning gekend onder het dossiernummer STIM-1627, zoals opgenomen in de aan het besluit van 28 juni 2021 van de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen gevoegde bijlage 3 “Lijst niet ontvankelijke steunaanvragen zonder steuntoekenning”. Luidens het verzoekschrift beschouwt verzoekster haar belang als “evident” nu de door haar als uitbaatster van een toeristische logies ingediende steunaanvraag werd geweigerd. Te dezen omschrijft verzoekster in het verzoekschrift tot nietigverklaring haar belang bij de vernietiging van het bestreden besluit. In de memorie van wederantwoord, replicerend op de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van gebrek aan belang, benadrukt verzoekster dat in geval van vernietiging duidelijk wordt dat er een fout werd begaan en haar dossier foutief niet-ontvankelijk werd verklaard. Zelfs wanneer de “pot” subsidies zou uitgeput zijn, dan nog is verzoekster van oordeel belang te hebben bij de nietigverklaring nu het ten onrechte onontvankelijk verklaren van haar steunaanvraag tot gevolg heeft gehad dat zij subsidies heeft misgelopen en derhalve schade heeft geleden.
  6. Verzoekster heeft aldus de grenzen van de rechtsstrijd nauwkeurig afgebakend en heeft haar door de bestreden beslissing vermeende veroorzaakte nadeel in wezen aangeduid.
  7. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat.
  8. De Raad van State stelt vast dat de beslissing van 28 juni 2021 van de administrateur-generaal van het IVA Toerisme Vlaanderen - waarvan de XIV-39.044-17/25 daaraan toegevoegde bijlage 3 dient te worden beschouwd als een bijlage bestaande in een gestructureerd geheel dat in het verlengde ligt van de regels van het dispositief - werd genomen in uitvoering van artikel 22 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021, op grond waarvan de administrateur-generaal beslist over de toekenning van de steun. De Raad van State, afdeling Wetgeving omschreef in zijn advies 68.799/1 van 8 februari 2021 over een ontwerp dat heeft geleid tot het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 de strekking van de ontworpen regeling als volgt: “Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering strekt ertoe een steunregeling uit te werken voor toeristische ondernemingen teneinde deze ondernemingen aan te moedigen te blijven investeren in kwaliteit om hun concurrentiepositie te verbeteren en zo het herstel van de sector post-corona te ondersteunen. Het ontwerp voorziet in een voorfinanciering van 100% van de uitgaven voor projecten waarbij wordt geïnvesteerd in gezondheidsmaatregelen, ecologische duurzaamheid, digitalisering en professionalisering van toeristische logies, verblijf of toeristische attracties. De voorfinanciering bestaat voor 75% uit een renteloze lening, die moet worden terugbetaald op vijf jaar, en voor 25% uit steun die niet moet worden terugbetaald.[…] De steun bedraagt minimaal 5.000 euro en maximaal 200.000 euro. De steun wordt verleend onder de voorwaarden bepaald in de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun van de Europese Commissie.[…] Alleen uitgaven die de steunaanvrager maakt vanaf 15 maart 2020 (eerste lockdown) tot de uiterlijke realisatiedatum van het project, vermeld in de beslissing tot toekenning van de steun, komen voor steun in aanmerking. De reeds gemaakte kosten vanaf 15 maart 2020 kunnen hierbij ingebracht worden.[…] De steun wordt toegekend via een eenmalige oproepprocedure op de website van Toerisme Vlaanderen.” Luidens artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 wordt alle met toepassing van dit besluit en de uitvoeringsbesluiten ervan toegekende steun, verleend binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling. De notie “Tijdelijke kaderregeling” wordt door artikel 1, 2°, van hetzelfde besluit omschreven als zijnde: de “Mededeling van de Commissie van 19 maart 2020 (C
(2020)1863) betreffende de Tijdelijke Kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (hierna: de mededeling van de Commissie van 19 maart 2020 (C
(2020)1863)), zoals XIV-39.044-18/25 gewijzigd op 3 april 2020 (C
(2020)2215), 8 mei 2020 (C
(2020)3156), 29 juni 2020 (C
(2020)4509), 13 oktober 2020 (C
(2020)7127) en alle latere wijzigingen”.
  1. Hoofdstuk 3.
  2. van de mededeling van de Commissie van 19 maart 2020 (C
(2020)1863) (PB C 91 I van 20.3.2020, blz. 1) bepaalt wat volgt: “3.
  1. Steun in de vorm van rechtstreekse subsidies, terugbetaalbare voorschotten of belastingvoordelen
  2. Naast de bestaande mogelijkheden op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU kunnen tijdelijke beperkte steunbedragen voor ondernemingen die plotseling met een tekort aan of zelfs de niet-beschikbaarheid van liquiditeit kampen, in de huidige omstandigheden een geschikte, noodzakelijke en gerichte oplossing zijn.
  3. De Commissie zal dergelijke staatssteun als verenigbaar met de interne markt beschouwen op basis van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan (de specifieke bepalingen voor de sectoren primaire landbouw en visserij en aquacultuur worden vastgesteld in punt 23): a. de steun bedraagt niet meer dan 800 000 EUR per onderneming in de vorm van rechtstreekse subsidies, terugbetaalbare voorschotten of belasting- of betalingsvoordelen; alle bedragen moeten brutobedragen zijn, d.w.z. de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen; b. de steun wordt verleend op grond van een regeling met een geraamd budget; c. de steun mag worden verleend aan ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden (in de zin van de algemene groepsvrijstellingsverordening [...]); de steun mag worden verleend aan ondernemingen die niet in moeilijkheden verkeren en/of aan ondernemingen die op 31 december 2019 niet in moeilijkheden verkeerden maar vervolgens met moeilijkheden te kampen hadden of in moeilijkheden kwamen als gevolg van de uitbraak van COVID-19; d. de steun wordt uiterlijk op 31 december 2020 verleend […]; e. steun aan ondernemingen die zich toeleggen op de verwerking en de afzet van landbouwproducten […], wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat deze steun niet geheel of ten dele aan primaire producenten wordt doorgegeven en niet wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de producten die de betrokken ondernemingen bij de primaire producenten aankopen of in de handel brengen.” Hoofdstuk 5 “Slotbepalingen”, punt 39, van de voornoemde mededeling bepaalt wat volgt: “
  4. De Commissie past deze mededeling toe met ingang van 19 maart 2020, gelet op de economische gevolgen van de COVID-19-uitbraak, die onmiddellijke actie vereisten. Deze mededeling wordt gerechtvaardigd door de huidige uitzonderlijke omstandigheden en zal niet worden toegepast na 31 december
  5. De Commissie kan de mededeling vóór die datum herzien op basis van belangrijke overwegingen op economisch gebied of op het gebied van het mededingingsbeleid. Waar nodig en nuttig kan de Commissie tevens specifieke aspecten van haar benadering verder verduidelijken.” XIV-39.044-19/25
  6. Op 3 april 2020 heeft de Commissie een eerste wijziging van de Tijdelijke kaderregeling vastgesteld om onderzoek, tests en productie van voor COVID-19 relevante producten te versnellen, banen te beschermen en de economie tijdens de huidige crisis verder te stutten (C
(2020)2215 (PB C 112 I van 4.4.2020, 1)). Op 8 mei 2020 werd door de Commissie een tweede wijziging vastgesteld om de toegang tot kapitaal en liquiditeit voor door de crisis getroffen ondernemingen verder te vergemakkelijken (C
(2020)3156 (PB C 164 van 13.5.2020, blz. 3)). Een derde wijziging werd op 29 juni 2020 door de Commissie vastgesteld om micro- en kleine ondernemingen en start-ups verder te ondersteunen en particuliere investeringen te stimuleren (C
(2020)4509 (PB C 218 van 2.7.2020, 3)). Op 13 oktober 2020 volgde een vierde wijziging om de Tijdelijke kaderregeling te verlengen en te voorzien in steun ter compensatie van een deel van de niet-gedekte vaste kosten van door de crisis getroffen ondernemingen (C
(2020)7127 (PB C 340 I van 13.10.2020, 1)). Op 28 januari 2021 werd door de Commissie een vijfde wijziging vastgesteld om de tijdelijke kaderregeling verder te verlengen, de daarin vastgestelde steunplafonds aan te passen en de omzetting van terugbetaalbare instrumenten in rechtstreekse subsidies onder bepaalde voorwaarden mogelijk te maken (C
(2021)564 (PB C 34 van 1.2.2021, 6)). Bij mededeling van de Commissie van 18 november 2021 werd tot slot de zesde en laatste wijziging van de Tijdelijke kaderregeling (C/2021/8442 ((PB C 473/ I van 24.
  1. 2021, 1)) vastgesteld. Als motivering voor deze zesde wijziging staat onder punt 3 van de voornoemde mededeling het volgende te lezen: “
  2. Het is noodzakelijk de in de tijdelijke kaderregeling vervatte maatregelen te verlengen tot en met 30 juni 2022, de steunplafonds van de maatregel inzake niet-gedekte vaste kosten aan te passen om de aanhoudende economische gevolgen van de huidige crisis aan te pakken, investeringssteun met het oog op een duurzaam herstel en solvabiliteitssteun mogelijk te maken en de voorwaarden te verduidelijken en te wijzigen voor bepaalde tijdelijke staatssteunmaatregelen die de Commissie in het licht van de door de COVID-19-pandemie veroorzaakte ernstige verstoring van de economieën van alle lidstaten als verenigbaar op grond van artikel 107, lid 3, punt b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) beschouwt. Daarnaast moet worden voorzien in de verlenging van de schrapping van de lijst van landen met verhandelbare risico’s die is opgenomen in de bijlage bij de mededeling van de Commissie aan de lidstaten inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag XIV-39.044-20/25 betreffende de werking van de Europese Unie op kortlopende exportkredietverzekering. PB C 392 van 19.12.2012, blz. 1.” Relevante wijzigingen te deze zijn de vervanging in de punten 22 en 39 van de mededeling van de Commissie van 19 maart 2020 (C
(2020)1863) van de uiterlijke datum van steunverlening, waardoor, gelet op het gegeven dat de zesde wijziging tevens de laatste wijziging betrof van de Tijdelijke kaderregeling, definitief werd bepaald dat “de steun […] uiterlijk op 30 juni 2022 [wordt] verleend”.
  1. Gelet op het voorgaande stelt de Raad van State vast, dat de op grond van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 verleende steun, toegekend zijnde onder de voorwaarden bepaald in de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun van de Europese Commissie, ten gevolge van de zesde en laatste wijziging van de Tijdelijke kaderregeling, uiterlijk op 30 juni 2022 kon worden toegekend in de vorm van rechtstreekse subsidies, terugbetaalbare voorschotten of belastingvoordelen. De mogelijkheid om na het verstrijken van de voornoemde datum nog steun op grond van de Tijdelijke kaderregeling toegekend te krijgen, werd bijgevolg uitgesloten. Bezien vanuit dat oogpunt kan een vernietiging van de bestreden beslissing verzoekster niet tot voordeel strekken.
  2. Verzoekster verliest evenwel in dat geval niet noodzakelijk ingevolge deze gewijzigde (juridische) omstandigheid haar belang bij de nietigverklaring. Zoals hiervoor is aangenomen, kan de aard van het belang immers evolueren, maar dient verzoekster minstens aannemelijk te maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert. Ter zake heeft verzoekster een stelplicht. Verzoekster doet zulks niet. XIV-39.044-21/25
  3. Een eerste argument ziet verzoekster in het gegeven dat artikel 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om reeds toegekende steun terug te vorderen indien na controle blijkt dat bepaalde voorwaarden niet werden vervuld en er ten onrechte steun zou zijn verleend aan bepaalde aanvragers en het bijgevolg volgens haar dan ook niet onwaarschijnlijk is dat er binnen afzienbare tijd opnieuw geld in de steunenveloppe beschikbaar komt. Dit overtuigt niet. Luidens artikel 26, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021 kan de controle, vermeld in het eerste lid, afhankelijk van het feit of de steun al dan niet is toegekend, de gehele of gedeeltelijke niet-uitbetaling of terugvordering van de toegekende steun tot gevolg hebben. Anders dan verzoekster het ziet kan het terugvorderen van de toegekende steun geen aanleiding geven tot een herverdeling van het teruggevorderde bedrag, nu noch in het besluit van de Vlaamse regering van 26 februari 2021, noch binnen de grenzen en de voorwaarden, vermeld in hoofdstuk 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling, op grond waarvan luidens artikel 2 van het voornoemde besluit de door verzoekster beoogde steun wordt toegekend, een regeling tot herverdeling van de teruggevorderde steun wordt uitgewerkt. Gelet op het voorgaande volstaat de vaststelling dat het door verzoekster ter staving van haar actueel belang aangevoerde argument dat zij toch uitzicht zou krijgen op steun, indien steun zou worden teruggevorderd, niet wordt gerechtvaardigd door de van toepassing zijnde regelgeving en haar betoog bijgevolg niet verder gaat dan het poneren van loutere veronderstellingen en aannames zonder enig begin van bewijs gesteund op concrete en verifieerbare gegevens, die op hun merites door de Raad van State kunnen worden onderzocht, zodat zij bijgevolg aan de hand van dit argument niet op overtuigende wijze aantoont dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing nog een voordeel in haar hoofde verschaft en zij nog doet blijken van een actueel belang.
  4. In zoverre verzoekster een tweede argument ontleent aan de mogelijkheid dat het niet valt uit te sluiten dat er nieuwe middelen vrijgemaakt XIV-39.044-22/25 worden via een nieuwe (begrotings)beslissing en/of dat de Europese Commissie haar Tijdelijke kaderregeling in de loop van 2022 andermaal bijwerkt en er nogmaals verlenging mogelijk wordt gemaakt, hetgeen eerder al gebeurde met vijfde amendement op 28 januari 2021, kan haar betoog evenmin worden bijgevallen. Verzoekster toont niet aan in welke mate een vernietiging van het bestreden besluit haar nog tot voordeel kan strekken in het kader van een mogelijke verlenging van de Tijdelijke kaderregeling in de loop van 2022, nu met de zesde en laatste wijziging van voornoemde regeling bij mededeling van de Commissie van 18 november 2021werd bepaald dat steun uiterlijk op 30 juni 2022 kon worden toegekend en na voormelde datum verleende steun desgevallend in strijd zou zijn met de Tijdelijke kaderregeling, en dus met het Europese staatssteunrecht. Evenmin overtuigt verzoeksters argument dat niet valt uit te sluiten dat nieuwe middelen worden vrijgemaakt. Nog daargelaten de vaststelling van het hypothetische karakter ervan, verzuimt zij aan te tonen, gelet op het gegeven dat de door haar beoogde steunmaatregelen werden verleend binnen de grenzen en onder de voorwaarden van de Tijdelijke kaderregeling, in hoeverre dergelijke middelen vallen in te passen binnen de draagwijdte van de voornoemde regeling ingegeven door de uitbraak van COVID-19 en de door de lidstaten genomen inperkingsmaatregelen, die volgens de Commissie staatssteun rechtvaardigen die op grond van artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) voor een beperkte periode verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard om de liquiditeitstekorten waarmee ondernemingen te maken krijgen, te verhelpen en ervoor te zorgen dat de verstoringen ten gevolge van de COVID-19-uitbraak de levensvatbaarheid van deze ondernemingen, met name in het geval van kmo’s, niet ondermijnen. In de hypothese dat haar argument betrekking zou hebben op een mogelijks nieuwe steunregeling, gesteund op een door haar aangegeven “nieuwe (begrotings)beslissing”, nog los van de vraag naar het rechtstreekse verband daarvan met de beoogde nietigverklaring van haar weigeringsbeslissing, toont verzoekster evenmin aan dat zij, nog daargelaten het gegeven dat een nieuwe staatssteunregeling in beginsel bij de Commissie moet worden aangemeld, op XIV-39.044-23/25 grond van artikel 108, lid 3, VWEU en niet evidenter wijze wordt goedgekeurd, desgevallend in aanmerking zou kunnen komen voor nieuwe steunmaatregelen. Met het tweede aangevoerde argument maakt verzoekster evenmin aannemelijk dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet, direct en persoonlijk voordeel oplevert.
  5. Waar verzoekster tot slot als derde argument aanvoert dat anders dan de verwerende partij beweert, enig rechtsherstel niet per definitie is uitgesloten en het in ieder geval, gelet op artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, voorbarig zou zijn te stellen dat zij geen belang meer heeft bij haar beroep, nu zij de intentie heeft om een schadevergoeding tot herstel te vorderen op grond van het voornoemde artikel 11bis - daargelaten de vaststelling dat bij de sluiting van het debat niet blijkt dat zij een vordering tot schadevergoeding tot herstel heeft ingediend overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State - impliceert deze intentie op zich niet dat verzoekster haar actueel belang behoudt. Het gebeurlijk belang bij het voortzetten van de procedure valt in die omstandigheden immers niet te onderscheiden van het belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing om de toekenning van een schadevergoeding te faciliteren. Zoals hiervoor is gesteld (zie supra, punt 6), is een dergelijk belang onvoldoende. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoekster geen nuttige gegevens ter beoordeling aanvoert die kunnen aantonen dat zij in de concrete omstandigheden van de zaak - los van de vraag of de steunaanvraag al dan niet door verzoekster, dan wel door de onderneming diende te worden ingediend - nog een belang bij de nietigverklaring heeft. De exceptie wegens gebrek aan actueel belang is gegrond.
  6. Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk. XIV-39.044-24/25 BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het beroep.
  8. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  9. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-39.044-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.182 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2010:ARR.109 ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.105 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.