id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.233 Rolnummer: A. 241373/X-18604 Zaak: Arrest 259233 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 22/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-03-22 Raadplegingen: 148 - laatst gezien 2026-06-14 03:24 Fiche Arrest nr 259.233 van 22 maart 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 259.é van 22 maart 2024 in de zaak A. 241.373/X-18.604 In zake:
- T.D.
- A.B. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Konstantijn Roelandt en Jens Joossens kantoor houdend te 2600 Antwerpen Koninklijkelaan 16/000 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE LEDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9620 Zottegem Genste Steenweg 323 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: R.C. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan De Groote en Aala Abdulhaliq kantoor houdend te 9300 Aalst Leopoldlaan 48 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 29 februari 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede van 20 februari 2024 waarbij toelating wordt verleend voor de uitbating van de pop-up bar “Spoor 3” van 10 mei 2024 tot 6 september 2024 in de Kloosterstraat te Lede. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Met een verzoekschrift van 6 maart 2024 heeft R.C. gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 maart 2024, om 11 uur. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jens Joossens en Wienke Ceulemans, die verschijnen voor de verzoekende partijen, advocaat Lindsay Dedrie, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Jan De Groote, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Recht tegenover verzoekers’ woonperceel in de Kloosterstraat te Lede ligt langs de oever van de Molenbeek een met bomen omzoomd perceel (hierna: het beboste terrein). Schuin tegenover verzoekers’ woonperceel bevindt zich een weide (hierna: de betrokken weide) die ongeveer dubbel zo groot is als het beboste terrein. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-2/15 Zowel het beboste terrein als de betrokken weide zijn krachtens het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst - Ninove - Geraardsbergen - Zottegem grotendeels gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en voor een klein deel – aan de oever van de Molenbeek – in natuurgebied. Dit natuurgebied is opgenomen in het gebied “De Valleien van de Molenbeken (Lede)” van het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN).
- Met een beslissing van 8 juni 2021 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan de tussenkomende partij de toelating om op het beboste terrein de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op veertien specifieke dagen in juni, juli en augustus
- Met een beslissing van 21 juni 2022 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan de tussenkomende partij de toelating om de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op zestien specifieke dagen in juni, juli en augustus
- Uit een bij de aanvraag gevoegd “situatieplan” blijkt dat de betrokken weide gebruikt wordt als parking voor de auto’s van de klanten van de bar.
- Met een beslissing van 4 april 2023 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan de tussenkomende partij de toelating om de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op 120 dagen, waarvan dertig aaneengesloten dagen in de lente, zestig aaneengesloten dagen in de zomer en dertig aaneengesloten dagen in de winter. 7.
- Met het bestreden besluit verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede aan de tussenkomende partij de toelating om de pop-up bar “Spoor 3” uit te baten op 120 aaneengesloten dagen, meer bepaald tussen 10 mei en 6 september
- ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-3/15 7.
- In het bestreden besluit wordt het volgende gesteld: “Op vrij- en zaterdagen moet de zomerbar ten laatste om 01 uur sluiten. Op week- en zondagen, uitgezonderd de dag voor een feestdag, moet de zomerbar om 24 uur sluiten. Wanneer een week- of zondag gevolgd wordt door een feestdag geldt hetzelfde sluitingsuur als op vrij- en zaterdag, nl. 01 uur. Tijdens de openingsdagen van de pop-up bar is achtergrondmuziek met een geluidsniveau van maximaal 85 dB(A)LAeq, 15min toegelaten tot 2 uur voor het toegelaten sluitingsuur en maximaal 80 dB(A)LAeq, 15min tot 1 uur voor het sluitingsuur op voorwaarde dat de omgevingsnormen zoals omschreven [in] hoofdstuk 6.7 van VLAREM II niet overschreden worden. De pop-up bar mag in geen geval ontaarden in een fuif.” IV. Tussenkomst
- De vergunninghouder blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet zijn verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De verwerende partij plaatst kanttekeningen bij het belang van verzoekers. Hun woonperceel ligt immers naast een druk gebruikte spoorweg- verbinding. Telkenmale er een trein langskomt, kan het geluid dicht bij het spoor oplopen tot 80 à 90 dB. Bovendien bevindt er zich aan de overzijde van de spoor- weg een recyclagepark, wat ook de nodige geluidsoverlast met zich meebrengt. Voorts worden er ter plaatse reeds sinds 2021 pop-up evenementen georganiseerd. Het is pas dit vierde jaar dat er enige vorm van procedurele stappen worden gezet. De verwerende partij meent dat het ten onrechte is dat verzoekers gewagen van mobiliteitsdruk. Er is immers parkeergelegenheid voorzien op de betrokken weide en het totale aantal verwachte bezoekers is 50 mensen per dag, met piekmomenten tot 150 mensen. Dat staat niet gelijk aan 50 tot 150 auto’s, nu mensen bij verplaatsingen naar en van dergelijke evenementen meestal samen rijden. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-4/15
- Volgens de tussenkomende partij deinzen verzoekers er niet voor terug om bij de uiteenzetting van hun belang de feiten schromelijk te overdrijven of anders voor te stellen dan ze zijn. Zij benadrukt het kleinschalig en familiaal karakter van de vorige edities van “Spoor 3”. Van de beweringen van verzoekers ligt voor voorgaande edities geen bewijs voor – doch eerder het tegendeel. In zoverre zij anticiperen op overlast, is hun belang hypothetisch en betreft het eerder een handhavingsproblematiek. Beoordeling
- Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat het gebruik van het beboste perceel als pop-up bar en het gebruik van de betrokken weide als autoparking gedurende 120 aaneengesloten dagen een ernstig risico op verstoring van verzoekers’ woonomgeving inhoudt. Voorshands volstaat dit om hun belang te staven. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat er andere bronnen van hinder bestaan in de leefomgeving van verzoekers. Hetzelfde geldt voor de overige omstandigheden en elementen die de verwerende partij en de tussenkomende partij inroepen. VI. Voorwaarden van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van een gewone vordering tot schorsing. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-5/15 VII. Onderzoek van het eerste en het tweede middel Standpunt van de partijen 13.
- In het eerste middel voeren verzoekers onder meer de schending aan van artikel 4.4.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In het tweede middel voeren verzoekers onder meer de schending aan van het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 13.
- In verband met het eerste middel, lichten verzoekers toe dat nergens in het bestreden besluit wordt verduidelijkt waarom een bar/café verenigbaar zou zijn met de agrarische bestemming, laat staan dat de verwerende partij rekening zou hebben gehouden met het landschappelijk waardevol karakter van het betrokken landbouwgebied. Volgens verzoekers hoort een maandenlange horeca-exploitatie – zoals de pop-up bar er één is – niet thuis in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, zodat het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (hierna: het inrichtingsbesluit) wordt geschonden. Verzoekers vervolgen dat er te dezen geen sprake is van het in artikel 4.4.4 VCRO bedoelde “sociaal-culturele of recreatieve medegebruik”. Hierover valt geen enkele overweging in het bestreden besluit terug te vinden. Verzoekers citeren de parlementaire voorbereiding van dit artikel en besluiten dat er geen bezwaar zou zijn tegen een eenmalig gebeuren, maar dat het de uitbating gedurende vier maanden met 85 dB aan geluidsoverlast, parkeerproblematiek en algehele overlast door het aantal bezoekers is die manifest de draagkracht van de omgeving overschrijdt. 13.
- In verband met het tweede middel, lichten verzoekers toe dat de verwerende partij nagelaten heeft een aantal essentiële zaken te onderzoeken. Zo ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-6/15 wordt in het bestreden besluit met geen woord gerept over de mobiliteitsproblematiek.
- De verwerende partij merkt vooreerst op dat er voor het uitbaten van de betrokken pop-up geen omgevingsvergunning nodig is. Zij wijst erop dat artikel 4.4.4, § 1, VCRO toelaat om af te wijken van de bestemmingsvoorschriften uit het inrichtingsbesluit. Verzoekers menen dat “Spoor 3” louter een horecazaak zou zijn. Nochtans bepaalt de bestreden beslissing expliciet dat de organisator indoor evenementen zal organiseren. Als de zaak louter een horecazaak zou zijn, dan zou er geen sprake zijn van dergelijke evenementen. Het feit dat er evenementen indoor kunnen worden georganiseerd, houdt in dat er wel degelijk sprake is van een sociaal-cultureel en recreatief karakter. Er komt geregeld een DJ muziek draaien (jazz, blues, etc.) of er komt bijvoorbeeld een cellokwartet optreden. De verwerende partij benadrukt dat de activiteiten steeds kleinschalig zijn, zodat er geen grote massa volk wordt verwacht en er dus geen sprake is van enige mobiliteitsdruk. De socio-culturele activiteiten zijn bovendien tijdelijk en beperkt van aard, met 50 bezoekers en af en toe een piek tot 150 bezoekers en met respect voor de geluidsnorm. Wat de ligging in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied betreft, voegt de verwerende partij toe dat van het terrein met deze strategische ligging grenzend aan VEN-gebied, niet per se hoeft te worden verwacht dat daar daadwerkelijk landbouw op wordt uitgeoefend. De natuur zijn gang laten gaan en in zeer beperkte mate het erop staande schuurtje tijdelijk in een bepaalde periode in het jaar als pop-up bar inrichten, is evenzeer in overeenstemming met landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Volgens de verwerende partij brengt de pop-up de algemene bestemmingen van het gewestplan niet in het gedrang daar het gaat om een ontmoetingsplaats met respect voor de aanwezige elementen, zijnde het aanwezige landschap. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-7/15
- De tussenkomende partij betwist niet dat de door haar aangevraagde pop-up er niet toe strekt een agrarische activiteit te ontplooien. Het doel is inderdaad het samenbrengen van mensen in de natuur, waarbij er een sociaal-recreatief medegebruik is. Dat er daarbij ook alcoholische dranken worden geschonken, doet daar volgens de tussenkomende partij geen afbreuk aan. De toepassing van horeca-regelgeving betekent daarom nog niet dat het buurtproject “Spoor 3” geen sociaal-recreatief medegebruik beoogt. Uit het feitenrelaas en de stukken blijkt dat het gaat om een tijdelijk en beperkt gebeuren. De tussenkomende partij noemt het eigenaardig dat verzoekers verwijzen naar het in de parlementaire voorbereidingen vermelde popfestival in agrarisch gebied om te beweren dat het door het bestreden besluit toegelaten kleinschalige buurtproject met een geluidsproductie die overeenkomt met het geluid van kwakende kikkers en activiteiten met gemaquilleerde kinderen geen sociaal-recreatief medegebruik zou zijn. Het geheel van de indeling van het beboste terrein integreert zich esthetisch perfect in de omgeving en brengt onder geen beding de bestemming in gevaar. Volgens de tussenkomende partij vergeten verzoekers dat het slechts om zes weekeindes gaat. De argumentatie van de verzoekende partijen komt erop neer dat er op geen enkele manier gebruik kan worden gemaakt van een perceel dat gelegen is in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, behalve dan voor het laten grazen van vee of er in absolute stilte vertoeven. Het is net voor kleinschalige buurtprojecten, waarbij buurtbewoners kunnen genieten van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied in een rustige setting met het hele gezin dat de uitzondering van artikel 4.4.4 VCRO in het leven werd geroepen. Volgens de tussenkomende partij verliezen verzoekers uit het oog dat landschappelijk waardevol agrarisch gebied niet louter agrarisch gebied is. Het is ook “landschappelijk waardevol”, zodat een minimum aan gebruik door de burger verwacht wordt. Anders dan verzoekers laten uitschijnen, is er geen sprake van een ordinair café, maar wel van een ontmoetingsplaats voor buurtmensen. De indeling en het landschappelijk waardevolle karakter van het beboste terrein blijven daarbij gevrijwaard. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-8/15 Beoordeling
- Voorshands wordt aangenomen dat het bestreden besluit – zoals iedere individuele overheidsbeslissing – moet kunnen worden ingepast in de bestaande regelgeving, zijnde niet alleen de rechtsregels die zijn uitgewerkt door de overheid die de beslissing heeft genomen, maar ook de verordenende bepalingen die uitgaan van andere bestuurlijke overheden. Zoals vermeld, liggen het beboste terrein en de betrokken weide in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en natuurgebied van het gewestplan. Op het eerste gezicht kwam het aan de verwerende partij toe om na te gaan of de toegelaten pop-up bar ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften voor het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het natuurgebied. Krachtens het inrichtingsbesluit geldt er in het eerstgenoemde gebied – naast het louter planologisch criterium dat het om landbouw moet gaan – een esthetisch criterium in verband met de schoonheidswaarde van het landschap en is het laatstgenoemde gebied bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. Op het eerste gezicht lijkt de exploitatie van een horecazaak volgens de gebruikelijke ruimtelijke-ordeningsterminologie gekwalificeerd te moeten worden als handel en (commerciële) dienstverlening. Horecazaken lijken immers te vallen onder de in artikel 5 van het inrichtingsbesluit genoemde categorie van “handel [en] dienstverlening” en niet onder de – in die bepaling afzonderlijk genoemde – categorie van “sociaal-culturele inrichtingen” waarin schouwburgen, culturele centra, tentoonstellingsruimten, musea en dergelijke begrepen lijken te zijn. Daar niet in te zien valt dat de door het bestreden besluit toegelaten zomerbar de in het gewestplan voorziene bestemmingen zou betreffen, diende de verwerende partij prima facie na te gaan of er wettig toepassing kan worden gemaakt van de als volgt luidende afwijkingsmogelijkheid van artikel 4.4.4, § 1, eerste lid, VCRO: “§
- In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-9/15 voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen.” De beslissende overheid dient dus te onderzoeken of het gaat om sociaal-cultureel of recreatief medegebruik dat door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemmingen van de gebieden niet in het gedrang brengt (hierna: de afwijkingstoets). Op het eerste gezicht dient de afwijkingstoets te bestaan uit twee stappen. Eerst dient de overheid nauwkeurig te inventariseren welk gebruik er van het betrokken terrein zal worden gemaakt om uit te kunnen maken dat dit effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Vervolgens dient de overheid na te gaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. Bij de parlementaire voorbereiding van artikel 4.4.4 VCRO is volgende toelichting gegeven: “De impact kan beperkt zijn door (niet limitatief): […] – de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehouden); […] Een evaluatie geval per geval is nodig. Enkele voorbeelden van zaken die onder het toepassingsgebied vallen, zijn: […] – het organiseren van een eenmalig jaarlijks popfestival in agrarisch gebied, waarbij de periode vanaf de voorbereiding tot aan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand slechts enkele weken duurt; […] – het tijdelijk en occasioneel opzetten van een tentenkamp van een jeugdbeweging in agrarisch gebied; […] – het organiseren van een mountainbikewedstrijd in agrarisch gebied of bosgebied; – het organiseren van een occasionele motorcross in agrarisch gebied na de oogst van de landbouwgewassen […]. Enkele voorbeelden van zaken die niet onder het toepassingsgebied vallen, zijn: – het organiseren van een occasionele motorcross of een popfestival in natuurgebied (dergelijke evenementen hebben weliswaar een occasioneel karakter, maar de impact op het natuurgebied kan niet beperkt worden ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-10/15 genoemd, zodat de realisatie van de algemene bestemming in het gedrang wordt gebracht); […] – het organiseren van activiteiten waarvoor bepaalde gronden op permanente basis gehuurd worden en daardoor aan hun bestemming onttrokken worden, ook al zouden de activiteiten op zich slechts occasioneel plaats hebben; […] Het spreekt voor zich dat voor elk toepassingsgeval een gebiedsgerichte beoordeling essentieel is, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene bestemming van het betrokken gebied maar ook met de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In die zin moeten de decretale bepalingen in kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones) een veel striktere beoordeling krijgen dan in bepaalde andere gebieden. Zelfs binnen eenzelfde categorie van bestemmingsgebieden kan de toelaatbaarheid van de betrokken activiteiten verschillen, bijvoorbeeld wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden […] of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik. Bij de plaatsgebonden beoordeling moeten ook elementen zoals de toegankelijkheid van een gebied en de verkeersimpact van bepaalde activiteiten in rekening worden gebracht” (Parl.St. Vl.Parl. 2004-2005, nr. é/1, 11-12).
- Te dezen kan op het eerste gezicht noch uit de overwegingen van het bestreden besluit, noch uit de stukken van het administratief dossier worden opgemaakt dat de verwerende partij de tweeledige afwijkingstoets heeft uitgevoerd. De activiteiten die op het betrokken terrein mogen plaatsvinden zijn immers enkel omschreven als een zomerbar en er lijkt niet te zijn nagegaan of het gebruik van het terrein slechts een beperkte impact heeft die de verwezenlijking van de algemene bestemmingen landschappelijk waardevol agrarische gebied en natuurgebied niet in het gedrang brengt. Het gegeven dat bij de “algemene voorwaarden” wordt gesteld dat de organisator erop moet toezien dat bij een indoor evenement het maximaal aantal gelijktijdig toegelaten personen in de zaal niet overschreden wordt, lijkt veeleer een standaardvoorwaarde te zijn in verband met de brandveiligheid en niets te zeggen over de aard van de georganiseerde activiteiten. Op het eerste gezicht kan dan ook niet worden aangenomen dat daarmee het sociaal-cultureel of ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-11/15 recreatief medegebruik op afdoende wijze zou worden gemotiveerd in de bestreden beslissing. Dat de toegelaten zomerbar een beperkte impact zou hebben die de verwezenlijking van de in het gewestplan voorziene bestemmingen niet in het gedrang brengt, valt prima facie niet spontaan in te zien, nu er gedurende 120 aaneengesloten dagen van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat geëxploiteerd mag worden met een openluchtinstallatie voor geluidsversterking, waarbij in het bestreden besluit vermeld wordt dat de activiteiten op het beboste terrein “in geen geval [mogen] ontaarden in een fuif”. Bovendien wordt in dit besluit op het eerste gezicht niets gezegd over de mobiliteitsproblematiek en het gebruik van de betrokken weide als parkeerterrein, terwijl dit essentiële onderdelen van de toegelaten pop-up lijken te zijn waarvan voorshands wordt aangenomen dat ze mee onderworpen dienden te worden aan de afwijkingstoets.
- Aan de in het vorige randnummer gedane vaststellingen lijkt geen afbreuk te worden gedaan door de omstandigheden en elementen waarop de verwerende partij en de tussenkomende partij zich beroepen, zoals het feit dat er bij een vorige editie van “Spoor 3” een kleinschalige activiteit van kindermaquillage heeft plaatsgevonden en de – onjuiste – bewering dat de bestreden toelating slechts voor zes weekeindes zou gelden.
- De besproken middelen zijn in de aangegeven mate ernstig. VIII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
- In het verzoekschrift wordt uiteengezet dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een gewone procedure tot schorsing, daar deze procedure onvermijdelijk te laat zou komen om verdere schadelijke gevolgen voor verzoekers te voorkomen. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-12/15 Volgens verzoekers zal de zomerbar die wordt opgestart op 10 mei 2024 een bijzonder negatief effect hebben op hun leefomgeving, gelet op de mobiliteits- en geluidsimpact.
- De verwerende partij stelt dat verzoekers overdrijven. De zomerbar moet immers ten laatste om middernacht sluiten op week- en zondagen en om 1u op vrij- en zaterdagen. Volgens de verwerende partij maken verzoekers niet aannemelijk dat er hinder wordt veroorzaakt, nu de begrenzing in de toelating wordt voorzien onder de 85 dB. Bovendien is het pop-up evenement zodanig kleinschalig dat de leefomgeving ook niet in die mate verstoord kan zijn dat een gewone schorsingsprocedure niet kon worden afgewacht, laat staan dat het aannemelijk is dat verzoekers hinder ondervinden. Het is ook niet aangetoond dat de geluidshinder van de pop-up bovenmatig zou zijn in vergelijking met de in de nabije omgeving reeds aanwezige elementen zoals het recyclagepark en de spoorwegverbinding. De verwerende partij werpt op dat verzoekers niet uiteenzetten waarom de opgelegde geluidsbegrenzer niet zou volstaan om hinder te beperken, zodat zij geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel aannemelijk maken. Er kan ook geen mobiliteitshinder zijn daar de betrokken weide wordt gebruikt als parking. Tot slot moet volgens de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoekers niet zeer diligent hebben gehandeld, aangezien het reeds het vierde jaar op rij is dat het pop-up evenement wordt georganiseerd en zij pas dit jaar in rechte opkomen.
- Volgens de tussenkomende partij herhalen verzoekers weliswaar steeds opnieuw dat dat er geluidshinder en mobiliteitsimpact zal zijn, doch bewijzen zij niets aan de hand van concrete gegevens. Bij de editie van 2023 hebben zij met klachten en een petitie van de omwonenden getracht de bestuurlijke overheden te overtuigen. Bij gebrek aan antwoord hierop hadden zij de vrederechter kunnen vatten die de beweerde hinder (preventief) had kunnen remediëren. Zij hebben dit niet gedaan omdat ze ongetwijfeld weten dat een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-13/15 grondige bodemprocedure hun onjuiste voorstellingen zal doorprikken. De tussenkomende partij besluit dat verzoekers geenszins diligent zijn geweest. Beoordeling
- Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor ernstige nadelen ten gevolge van de bestreden beslissing, of minstens voor schade van enig belang, een onmiddellijke uitspraak wenselijk maakt.
- Niet zonder overtuigingskracht wijzen verzoekers op de betekenisvolle verstoring van hun leefomgeving door de voor een periode van 120 aaneengesloten dagen toegestane zomerbar met een openluchtinstallatie voor geluidsversterking en pieken van 150 klanten, waarvan een deel zich met de auto verplaatst. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat er andere bronnen van hinder bestaan in de leefomgeving van verzoekers. Er blijken voorts geen tekortkomingen wat betreft de plicht om diligent op te treden tegen de bestreden toelating. De houding die verzoekers hebben aangenomen bij de vorige edities van “Spoor 3” doet niet anders besluiten.
- Terecht merken verzoekers op dat de behandeling van hun zaak in een gewone procedure tot schorsing te laat zou komen om de door hen gevreesde schadelijke gevolgen te voorkomen.
- De conclusie is dat er voldaan is aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. BESLISSING
- Het verzoek van R.C. tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-14/15
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lede van 20 februari 2024 waarbij toelating wordt verleend voor de uitbating van de pop-up bar “Spoor 3” van 10 mei 2024 tot 6 september 2024 in de Kloosterstraat te Lede. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op tweeëntwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Jan Clement, waarnemend voorzitter, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Jan Clement ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.é X-18.604-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.233 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.740 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div