← België

Arrest 259256 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 Rolnummer: A. 237702/VII-41750 Zaak: Arrest 259256 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-02 Raadplegingen: 118 - laatst gezien 2026-06-12 05:08 Fiche Arrest nr 259.256 van 26 maart 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 no lien 276203 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.256 van 26 maart 2024 in de zaak A. 237.702/VII-41.750 In zake : de STAD LEUVEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bert Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de NV DELIA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Igor Rogiers kantoor houdend te 9270 Kalken Kalkendorp 17/A bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 18 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0120 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 13 oktober 2022 in de zaak 2021-RvVb-0831-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 14 december
  3. VII-41.750-1/14 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 21 maart 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Beelen, die loco advocaat Bert Beelen verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Manou Watrin, die loco advocaten Igor Rogiers en Gregory Verhelst verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. VII-41.750-2/14 III. Feiten 3.
  6. De gemeenteraad van de verzoekende partij stelt op 25 januari 2021 een ontwerp van onteigeningsplan voorlopig vast. De verwerende partij is eigenaar van alle op het plan aangeduide innemingen. Over het ontwerp wordt een openbaar onderzoek gehouden, in het kader waarvan de verwerende partij een bezwaarschrift indient. De gemeenteraad van verzoekende partij stelt op 31 mei 2021 het onteigeningsplan definitief vast. 3.2 Na beroep van de verwerende partij vernietigt het bestreden arrest het definitief onteigeningsbesluit. IV. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  7. De verwerende partij werpt op dat de verzoekende partij tot onteigening van haar percelen is overgegaan ter uitvoering van een onwettige verbintenis die de verzoekende partij is aangegaan in een overeenkomst met een private partner. Die overeenkomst zou nietig zijn wegens gebrek aan een geoorloofde oorzaak, zodat de verzoekende partij niet zou beschikken over een legitiem belang om op te komen tegen het arrest dat het onteigeningsbesluit vernietigt.
  8. Uit de enkele omstandigheid dat het bestreden arrest het onteigeningsbesluit van de verzoekende partij vernietigt, volgt dat de verzoekende partij een wettig of legitiem belang heeft om hiertegen in cassatie op te komen. De cassatie heeft enkel tot gevolg dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich opnieuw dient uit te spreken over het vernietigingsberoep van de verwerende partij. Die situatie is niet strijdig met de openbare orde.
  9. De exceptie wordt verworpen. VII-41.750-3/14 V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  10. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EAP EVRM), van artikel 159 van de Grondwet, van de artikelen 3 en 43 van het decreet van 24 februari 2017 ‘betreffende onteigening voor het algemeen nut’ (hierna : onteigeningsdecreet), van de artikelen 2.2.2 en 2.2.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gemeentelijk gebiedsgericht ruimtelijk uitvoeringsplan GGR-L6-Vaartkom Zuid (hierna: RUP Vaartkom Zuid), en van het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur. Zij betoogt in het eerste onderdeel van het middel : “Doordat er in het bestreden arrest onterecht wordt geoordeeld dat er onvoldoende zou onderzocht zijn of er alternatieven zijn voor de ligging van de toegangsstrook en het groen plein ter realisatie waarvan de onteigening wordt beoogd en dat daardoor de onteigeningsnoodzaak niet zou zijn aangetoond. En doordat de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] in het bestreden arrest een opportuniteitsbeoordeling maakt omtrent de ligging van de toegangsweg en het groen plein. Terwijl in de stukken van het administratief [dossier] de keuze van de ligging van de toegangsstrook en het groen plein uitvoerig werd toegelicht aan de hand van concrete en feitelijk correcte gegevens. En terwijl de bevoegdheid van de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] zich beperkt tot een wettigheidstoets en de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] bijgevolg de opportuniteit van de door de onteigende overheid gemaakte keuzes niet mag beoordelen.” Als tweede onderdeel van het middel zet zij uiteen : “Doordat in het bestreden arrest gesteld wordt dat de verordenende stedenbouwkundige voorschriften en […] het verordenend grafisch plan van [het RUP Vaartkom Zuid] niet zouden voldoen aan de vereiste rechtszekerheid en [het RUP Vaartkom Zuid] op grond van die stelling buiten toepassing wordt verklaard. VII-41.750-4/14 Terwijl de verordenende stedenbouwkundige voorschriften en […] het verordenend geografisch plan van [het RUP Vaartkom Zuid] voldoende rechtszekerheid bieden en bijgevolg het rechtszekerheidsbeginsel niet schenden.”
  11. In de toelichting bij het eerste onderdeel van het middel herneemt de verzoekende partij vooreerst het onteigeningsdoel zoals het wordt toegelicht in het door het bestreden arrest vernietigde definitieve onteigeningsbesluit, en meent zij dat uit deze motivering duidelijk blijkt dat met de onteigening niet de realisatie van het RUP Vaartkom Zuid wordt beoogd, doch wel de realisatie van een voor het publiek toegankelijke toegangsstrook en groen plein dat het binnengebied ontsluit vanaf de Jan-Pieter Minckelersstraat. Het RUP Vaartkom Zuid is volgens haar wel relevant aangezien de realisatie van de doelstellingen van algemeen nut die zij met de onteigening nastreeft enkel mogelijk is indien de stedenbouwkundige voorschriften die het RUP Vaartkom Zuid voor deze zone oplegt, worden nageleefd. De verzoekende partij vervolgt haar toelichting bij het eerste onderdeel van het middel met enkele citaten uit de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid en de stelling dat, rekening houdend met deze voorschriften, werd gezocht naar de ligging van de toegangsweg en het formeel groen plein die het meest tegemoet komt aan de voorschriften en aan de verwezenlijking van de ambities inzake ontharding en kwalitatieve open ruimte, wat leidde tot het masterplan. De te onteigenen percelen zijn volledig gelegen binnen de zone met de toegangsweg en het formeel groen plein zoals aangeduid op het masterplan. De ligging van de toegangsstrook wordt verder in de projectnota gemotiveerd en het bezwaar van de verwerende partij betreffende de ligging van de toegangsstrook en het formeel groen plein werd bovendien uitvoerig beantwoord in het verslag over het openbaar onderzoek. Hieruit blijkt volgens de verzoekende partij dat er wel degelijk een alternatievenonderzoek is gebeurd, doch dat er geen alternatieven zijn die voldoen aan principes die tot uiting komen in de stedenbouwkundige voorschriften, die niet als onredelijk kunnen worden beschouwd. De verzoekende partij benadrukt dat het behoort tot de discretionaire ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 VII-41.750-5/14 bevoegdheid van de gemeenteraad om deze uitgangspunten -binnen de contouren die de stedenbouwkundige voorschriften bieden- te bepalen. Zij is van mening dat de ligging van de toegangsweg en het formeel groen plein voldoende werd onderzocht en dat er geen goede alternatieven zijn en dat dit blijkt uit het administratief dossier, zodat de keuze van de ligging niet gebaseerd is op loutere beweringen van de verzoekende partij, zoals in het bestreden arrest wordt gesteld. Door op die wijze te oordelen zou het bestreden arrest artikel 1 EAP EVRM en artikel 3 van het onteigeningsdecreet schenden. In het bestreden arrest zou immers op basis van het verkeerde standpunt dat er geen alternatievenonderzoek zou zijn uitgevoerd, en het verkeerde standpunt dat de inplanting van de toegangsweg en het formeel groen plein op loutere beweringen van de verzoekende partij berust, worden besloten dat er geen onteigeningsnoodzaak wordt aangetoond zoals bepaald in artikel 1 EAP EVRM en artikel 3 van het onteigeningsdecreet. Het bestreden arrest zou ook het gegeven miskennen dat er, mede ingevolge de stedenbouwkundige voorschriften van de artikelen 2.2.2 en 2.2.4 van het RUP Vaartkom, geen aanvaardbare alternatieven zijn voor de ligging van de toegangsweg en het formeel groen plein. Het zou tot de discretionaire bevoegdheid van de verzoekende partij behoren om op grond van alle gegevens van het dossier de ligging van de toegangsweg en het formeel groen plein te bepalen. De kritiek van de Raad voor Vergunningsbetwistingen op de ligging van de toegangsweg en het groen plein zou dan ook als loutere opportuniteitskritiek moeten beschouwd worden, waarover hij volgens zijn eigen rechtspraak geen uitspraak kan doen. Het bestreden arrest zou geenszins aannemelijk maken dat de keuze van de ligging van de toegangsweg en het formeel groen plein kennelijk onredelijk zou zijn, zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de marginale toetsingsbevoegdheid zou miskennen die hem door artikel 43 van het onteigeningsdecreet werd toegekend.
  12. In de toelichting bij het tweede onderdeel van het middel merkt de verzoekende partij op dat het bestreden arrest het RUP Vaartkom op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing laat omdat het grafisch plan en de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 VII-41.750-6/14 stedenbouwkundige voorschriften ervan rechtsonzekerheid zouden creëren nu het niet duidelijk zou zijn of het tracé van de toegangsweg zoals weergegeven op het grafisch plan al dan niet indicatief is. De verzoekende partij stelt daarbij allereerst vast dat in de tekst bij randnummer 3.4.2 van het bestreden arrest wordt gesteld dat het grafisch plan bij het RUP de doorgang helemaal niet “volledig” via de te onteigenen percelen tekent, terwijl het tekstfragment waarnaar verwezen zou worden, niet het woord “volledig” zou bevatten doch enkel zou stellen dat de doorgang “via” de te onteigenen percelen loopt. Zij voert aan dat, ook wanneer de doorgang volgens het grafisch plan gedeeltelijk over de te onteigenen percelen loopt, deze ‘”via” deze percelen loopt, wat wel degelijk het geval zou zijn en door het bestreden arrest zou worden bevestigd. Dit zou volgens de verzoekende partij volstaan om te besluiten dat er geen rechtsonzekerheid wordt gecreëerd door het grafische plan en artikel 2.2.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid. Zelfs indien er twijfel zou kunnen zijn over de vraag of het tracé van de toegangsweg al dan niet indicatief is, zou het grafisch plan immers minstens duidelijk maken dat het tracé over de te onteigenen percelen kan lopen en dat bijgevolg een onteigening voor realisatie daarvan mogelijk is. Indien het tracé als bindend wordt beschouwd, zou volgens de verzoekende partij zonder meer duidelijk zijn dat het tracé minstens deels over de te onteigenen percelen zou lopen. Indien het tracé als indicatief zou beschouwd worden zou dit bovendien niet betekenen dat het tracé niet over de te onteigenen percelen kan lopen en dat de onteigenende overheid de discretionaire bevoegdheid heeft om het tracé te bepalen. In beide gevallen zou aldus een onteigening voor de realisatie van een toegangsweg mogelijk zijn, zodat er daarover geen rechtsonzekerheid zou kunnen zijn. De verzoekende partij merkt daarbij op dat een ruimtelijk uitvoeringsplan nooit de volledige zekerheid zou bieden of er al dan niet onteigend zal worden. Ook wanneer er een openbare doorgang wordt voorzien op het grafisch plan en in de stedenbouwkundige voorschriften, zou de grondeigenaar en/of de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 VII-41.750-7/14 overheid immers kunnen beslissen om geen werken uit te voeren en bijgevolg geen omgevingsvergunning aan te vragen volgens de stedenbouwkundige voorschriften van het plan. In het bestreden arrest zou bijgevolg een te verregaande toepassing gemaakt worden van het rechtszekerheidsbeginsel, zodat dit beginsel geschonden wordt. Tevens zou daardoor een onterechte toepassing gemaakt worden van artikel 159 van de Grondwet aangezien de onwettigheid van het RUP Vaartkom Zuid niet is aangetoond. De verzoekende partij herhaalt verder dat in de voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen bestreden beslissing de ligging van de toegangsstrook en het formeel groen plein ook geenszins gemotiveerd werd op basis van de weergave van het tracé van de trage weg op het grafisch plan van het RUP Vaartkom Zuid. De stedenbouwkundige voorschriften van het plan zouden ook geenszins stellen dat het tracé van de doorgang voor zacht verkeer door zone W10 van het plan exact moet overeenstemmen met het tracé zoals weergegeven op het grafisch plan. De doorgang dient enkel minimaal 4 meter breed en hoog te zijn en mag niet samenvallen met de toegangen tot de ondergrondse parking, zodat zij een discretionaire bevoegdheid zou hebben om de ligging van de toegangsstrook en het formeel groen plan te bepalen binnen de randvoorwaarden die de stedenbouwkundige voorschriften stellen. Uit dit voorschrift blijkt volgens de verzoekende partij voldoende dat het tracé zoals weergegeven op het grafisch plan indicatief is, zodat er geen sprake is van enige rechtsonzekerheid. Het standpunt van de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou dan ook artikel 2.2.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid schenden en een verkeerde toepassing maken van het rechtszekerheidsbeginsel. De verzoekende partij bekritiseert vervolgens de beoordeling van het bestreden arrest dat uit artikel 2.6.4, a) van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid wordt afgeleid dat artikel 2.2.4 van deze stedenbouwkundige voorschriften onduidelijk is omdat artikel 2.6.4, a) uitdrukkelijk bepaalt dat de ligging indicatief is. Volgens de verzoekende partij heeft artikel 2.6.4, a) betrekking op de zone voor publiek groen (PG3c) en niet op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 VII-41.750-8/14 zone W10, zodat dit voor de beoordeling van de stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn in zone W10 irrelevant is. De weergave op het grafisch plan en de aanwezigheid van een harpoenpijl waarnaar in het bestreden arrest wordt verwezen, toont volgens de verzoekende partij enkel aan dat de ligging van de betreffende doorgang enkel binnen de weergegeven marge mag verschuiven, doch niet dat de ligging van andere doorgangen niet kan verschuiven en dus bindend zou bepaald zijn op het grafisch plan. Het ontbreken van een harpoenpijl zou integendeel net impliceren dat er geen beperkte marge is waarbinnen de ligging van de doorgang kan variëren zolang deze aan de stedenbouwkundige voorschriften voldoet, die voor de doorgang in casu bepaald zijn in artikel 2.2.4, c). Er zou dan ook geen sprake zijn van enige rechtsonzekerheid, zodat het bestreden arrest artikel 159 van de Grondwet onrechtmatig zou hebben toegepast. Ten slotte bekritiseert de verzoekende partij het feit dat in het bestreden arrest niet zou worden verantwoord waarom het volledige RUP Vaartkom Zuid buiten toepassing wordt verklaard terwijl de enige zogenaamde rechtsonzekerheid zou gelegen zijn in de formulering van artikel 2.2.4, c) van de stedenbouwkundige voorschriften en de weergave van de doorgang waarop dat voorschrift betrekking heeft op het grafisch plan. Zelfs indien deze rechtsonzekerheid aanvaard zou worden, zou de toepassing van artikel 159 van de Grondwet volgens de verzoekende partij enkel betrekking kunnen hebben op artikel 2.2.4, c) van de stedenbouwkundige voorschriften. Tevens merkt zij op dat ook zonder die laatste bepaling de overige stedenbouwkundige voorschriften de aanleg van een toegangsweg en formeel groen plein toelaten, alsook dat de keuze van de ligging van die toegangsweg voldoende gemotiveerd werd in het administratief dossier. Er zou dan ook geen sprake zijn van enige rechtsonzekerheid, zodat er in het bestreden arrest een onrechtmatige toepassing zou zijn gemaakt van artikel 159 van de Grondwet. Beoordeling VII-41.750-9/14
  13. Het bestreden arrest oordeelt dat uit de beslissing van de verzoekende partij en haar bijlagen niet blijkt dat de onteigening van de percelen van de verwerende partij noodzakelijk is, minstens niet volgens de inneming die is aangegeven op het onteigeningsplan, en bijgevolg artikel 1 EAP EVRM en artikel 3, § 3 van het onteigeningsdecreet schendt.
  14. Artikel 3, § 3, van het onteigeningsdecreet luidt als volgt : “Onteigening is, overeenkomstig artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, slechts mogelijk als dit noodzakelijk is. Deze onteigeningsnoodzaak heeft op cumulatieve wijze betrekking op de volgende drie elementen: 1° het doel van de onteigening; 2° de onteigening als middel; 3° het voorwerp van de onteigening.” Uit gezamenlijke lezing van deze bepaling en artikel 1 EAP EVRM en artikel 16 van de Grondwet volgt dat een onteigening slechts kan plaatsvinden indien zij noodzakelijk is. Er kan aldus slechts tot onteigening van een bepaald onroerend goed worden overgegaan: - ter verwezenlijking van een doel dat een dwingende reden van algemeen belang uitmaakt, - wanneer er geen redelijk alternatief bestaat voor de verwezenlijking van dat doel dan het aanwenden van het middel van de onteigening, en - wanneer het betrokken onroerend goed redelijkerwijze het meest aangewezen is om door de overheid verworven te worden ter verwezenlijking van dat doel. Uit het onteigeningsbesluit en het administratief dossier moet blijken dat die onteigeningsnoodzaak steun vindt in juiste feitelijke gegevens en het resultaat is van een concrete afweging van de overwogen alternatieve mogelijkheden.
  15. Als cassatierechter treedt de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf. De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt VII-41.750-10/14 op onaantastbare wijze of het voor hem bestreden onteigeningsbesluit en het voorgelegde administratief dossier toelaten om te besluiten dat de onteigeningsnoodzaak voldoende werd aangetoond. In zoverre de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel de Raad van State uitnodigt om de feitelijke beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen over te doen, is het onderdeel niet ontvankelijk.
  16. Wel kan de Raad van State nagaan of de Raad voor Vergunningsbetwistingen het wettelijk begrip van de onteigeningsnoodzaak heeft miskend. Het bestreden arrest stelt vast en oordeelt dat : - de onteigening tot doel heeft een voor het publiek toegankelijke toegangsstrook en groen plein te realiseren dat het binnengebied waarop een nieuwe woonwijk wordt ontwikkeld, ontsluit vanaf de Jan-Pieter Minckelersstraat; - de verzoekende partij de onteigeningsnoodzaak mede steunt op de bepalingen van het RUP Vaartkom Zuid; - artikel 2.2.4, c) van de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid bepaalt dat een doorgang moet worden voorzien van de J.P. Minckelersstraat naar de Strijdersstraat via zone W/PG3, zonder de exacte locatie ervan te bepalen; - de bewering van de verzoekende partij dat de ligging van de toegangsstrook en het groen plein op het masterplan gevoegd bij de projectnota die bij het onteigeningsbesluit wordt gevoegd, het meest tegemoet komt aan de voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid en aan de verwezenlijking van de ambities voor de aanleg van het openbaar domein, niet wordt aangetoond of aannemelijk gemaakt aan de hand van de stukken van het administratief dossier; noch de bestreden beslissing, noch de bijlagen daarbij, bevatten enig onderzoek naar alternatieven die ook maximaal aan de voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid zouden beantwoorden maar waarvoor geen onteigening noodzakelijk zou zijn; de verwerende partij maakt voldoende aannemelijk dat VII-41.750-11/14 naar aanleiding van gesprekken in het verleden ook plannen waren opgemaakt waarin de percelen van de verwerende partij niet werden geviseerd. Op grond van deze vaststellingen en beoordelingen kon de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder miskenning van het wettelijk begrip van de onteigeningsnoodzaak beslissen dat die noodzaak niet door het onteigeningsbesluit en het administratief dossier werd aangetoond. In zoverre de schending wordt aangevoerd van artikel 3 van het onteigeningsdecreet en artikel 1 EAP EVRM kan het eerste onderdeel van het middel niet slagen.
  17. Het onteigenend bestuur beschikt over een discretionaire bevoegdheid om de vraag te beoordelen of het betrokken onroerend goed redelijkerwijze het meest aangewezen is om verworven te worden ter verwezenlijking van het onteigeningsdoel. Uit het algemeen beginsel van de schending der machten volgt dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen als bestuursrechter die afweging maar kan sanctioneren wanneer zij berust op een kennelijke beoordelingsfout. Dit principe volgt als zodanig slechts onrechtstreeks uit artikel 43 van het onteigeningsdecreet, dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen aanduidt als de bestuursrechter die kennis neemt van beroepen die tegen het definitieve onteigeningsbesluit worden gericht. De kritiek dat het bestreden arrest in de plaats van de verzoekende partij de opportuniteit heeft onderzocht van de keuze van de te onteigenen goederen, mist hoe dan ook, voor zover zij op ontvankelijke wijze wordt geformuleerd, feitelijke grondslag. De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt immers niet dat het meer aangewezen zou zijn om de toegangsweg en het groen plein te realiseren op andere percelen dan de gronden die het voorwerp uitmaken van het onteigeningsbesluit, maar beperkt zich ertoe te oordelen dat uit het onteigeningsbesluit en het administratief dossier niet VII-41.750-12/14 blijkt dat de alternatieven voor de verwezenlijking van het onteigeningsdoel werden onderzocht.
  18. Het bestreden arrest wordt voldoende verantwoord door de beoordeling dat noch de bestreden beslissing, noch de bijlagen daarbij, enig onderzoek bevatten naar alternatieven die ook maximaal aan de voorschriften van het RUP Vaartkom Zuid zouden beantwoorden maar waarvoor geen onteigening noodzakelijk zou zijn. Het tweede onderdeel van het middel komt dan ook op tegen overtollige motieven van het bestreden arrest. Het onderdeel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden, en is niet ontvankelijk.
  19. Het enige middel wordt verworpen. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  21. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.750-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.750-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.256 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.