← België

Arrest 259257 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 Rolnummer: A. 237756/VII-41764 Zaak: Arrest 259257 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 26/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-05 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-12 05:08 Fiche Arrest nr 259.257 van 26 maart 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 no lien 276204 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.257 van 26 maart 2024 in de zaak A. 237.756/VII-41.764 In zake : L.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE VLAAMS-BRABANT, vertegenwoordigd door de deputatie van de provincieraad Tussenkomende partij : S.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk De Greef kantoor houdend te 1700 Dilbeek Eikelenberg 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 25 november 2022, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0177 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 27 oktober 2022 in de zaak 2122-RvVb-0179-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 26 januari
  3. VII-41.764-1/16 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. S.M. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 29 maart
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft op 28 juli 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari
  5. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Dirk De Greef, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. VII-41.764-2/16 III. Regelmatigheid van de rechtspleging
  7. Verzoeker heeft een “laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure” ingediend waarin hij repliceert op het verslag van de auditeur. Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden uitgesproken. De “laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure” van verzoeker wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten. In zoverre het stuk een schriftelijke voorbereiding vormt van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, wordt het beschouwd als een loutere inlichting. IV. Feiten 4.
  8. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Asse verleent aan de tussenkomende partij op 12 april 2021 een omgevingsvergunning voor de oprichting van een woning. 4.
  9. Verzoeker tekent bestuurlijk beroep aan tegen deze omgevingsvergunning. Bij besluit van 26 augustus 2021 verklaart de verwerende partij dit beroep ongegrond, en verleent zij de vergunning aan de tussenkomende partij. 4.
  10. Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tot vernietiging van dit besluit. VII-41.764-3/16 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  11. Verzoeker voert de schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 van de Grondwet, artikel 4.3.1, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO), artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en artikel 88 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges : “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest het in artikel 4.3.1 § 2 VCRO aangegeven wettelijk begrip ‘in de omgeving bestaande toestand’ miskent, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn arrest stelt dat de beoordeling van de in de omgeving bestaande toestand onder de discretionaire beoordelingsruimte van de Deputatie valt en afhankelijk van het voorwerp van de aanvraag al dan niet ruimer zal worden bekeken. En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt dat de ‘in de omgeving bestaande toestand’ begrepen dient te worden als de voor het dossier ‘relevante’ in de omgeving bestaande toestand zonder dat de onmiddellijke omgeving primeert, En terwijl de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt dat artikel 4.3.1 § 2 VCRO het vergunningsverlenend orgaan niet verplicht om zowel de onmiddellijke als de ruimere omgeving op gelijke wijze in haar beoordeling te betrekken, maar uit artikel 4.3.1 § 2 VCRO wel volgt dat het vergunningsverlenend orgaan enkel de ‘relevante’ omgeving in haar beoordeling dient te betrekken, En terwijl de Raad er in het bestreden arrest van uitgaat dat de bebouwing in de ‘ruimere omgeving’ in casu dient te primeren op de bebouwing in de onmiddellijke omgeving en de Raad hiermee een foutieve invulling geeft aan artikel 4.3.1 § 2 VCRO. Zodat vastgesteld dient te worden dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen artikel 4.3.1 § 2 VCRO heeft miskend.” In de “toelichting bij het middel” bekritiseert verzoeker de beoordeling die het bestreden arrest heeft gemaakt van het eerste middel dat hij had voorgelegd tot nietigverklaring van het besluit van de verwerende partij, en waarin ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 VII-41.764-4/16 hij aanvoerde dat de verwerende partij ten onrechte de ruimtelijke ordening in de ruimere omgeving liet primeren op de door residentiële bebouwing gekenmerkte ordening in de onmiddellijke omgeving. Het bestreden arrest zou de foutieve motivering van de verwerende partij over het hoofd hebben gezien. Met het motief in het bestreden arrest dat “het in ieder geval niet zo is dat de onmiddellijke omgeving steeds voorrang heeft op de ruimere omgeving” zou de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet passend hebben geantwoord op zijn middel, zodat het arrest niet regelmatig met redenen omkleed zou zijn in de zin van artikel 149 van de Grondwet. Door in het bestreden arrest ervan uit te gaan dat de bebouwing in de ‘ruimere omgeving’ in deze zaak dient te primeren op de bebouwing in de onmiddellijke omgeving, zou de Raad voor Vergunningsbetwistingen een foutieve invulling hebben gegeven aan artikel 4.3.1, § 2 VCRO. Het bestreden arrest zou ook niet regelmatig met redenen omkleed zijn in de zin van artikel 149 van de Grondwet doordat het onterecht voorbij is gegaan aan de door verzoeker opgeworpen schending van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet. Beoordeling
  12. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.
  13. Het middel zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en artikel 88 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’en is in zoverre niet ontvankelijk. VII-41.764-5/16
  14. De in artikel 149 van de Grondwet ingeschreven rechterlijke motiveringsverplichting heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak voldoet aan deze motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet - al waren ze verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de rechterlijke motiveringsverplichting werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Verzoeker voert niet aan dat het bestreden arrest niet gemotiveerd is of tegenstrijdige motieven bevat. Hij beperkt zich ertoe aan te voeren dat de motieven van de Raad voor Vergunningsbetwistingen geen “passend antwoord” geven op zijn argumenten. In zoverre hij hieruit de schending afleidt van artikel 149 van de Grondwet, gaat hij uit van een verkeerde opvatting van die bepaling, en faalt het middel naar recht. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het arrest niet zou hebben geantwoord op de opgeworpen schending van de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet, mist deze kritiek feitelijke grondslag. In het bestreden arrest wordt immers uitvoerig ingegaan op de draagwijdte van deze bepalingen, en wordt, na een uitgebreide bespreking van de bekritiseerde beoordeling die de verwerende partij heeft gemaakt van de vergunningsaanvraag, besloten dat “de motivering in de bestreden beslissing […] zorgvuldig en afdoende [is]”.
  15. Artikel 4.3.1, §1, eerste lid, 1°, d) VCRO bepaalt dat een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet geweigerd worden indien het aangevraagde onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van de beginselen die worden vermeld in artikel ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 VII-41.764-6/16 4.3.1, § 2, eerste lid, VCRO, waaronder de onder punt 2° van deze bepaling vermelde “in de omgeving bestaande toestand”. De toetsing aan de in ‘de omgeving’ bestaande toestand kan een ruimer beoordelingsperspectief inhouden dan de in ‘de onmiddellijke omgeving’ bestaande toestand. Het bestreden arrest beoordeelt als volgt de grief van verzoeker dat de verwerende partij de vergunningsaanvraag niet correct heeft getoetst aan de ‘in de omgeving bestaande toestand’ : “Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij, net zoals de provinciale omgevingsambtenaar, de schaal van het project beoordeelt als ruimtelijk aanvaardbaar, en dit wegens de principiële overeenstemming met het woongebied én de in de omgeving bestaande bebouwing. [Verzoeker] meent echter dat niet kan worden voorbijgegaan aan de aanpalende bebouwing, die bestaat uit woningen met één bouwlaag en zadeldak, zodat niet kan worden besloten dat de aangevraagde woning met twee bouwlagen (maximale kroonlijsthoogte 7,5 meter), een plat dak en een terras op de eerste verdieping inpasbaar is. [Hij] meent dat de verwerende partij geen rekening mocht houden met de woningen en gebouwen gelegen op een ruimere afstand (langs de steenweg) van het project. Hoewel [hij] het bestaan en de schaal van deze gebouwen niet betwist, meent [hij] dat deze niet relevant zijn voor de beoordeling. De beoordeling van wat behoort tot de ‘in de omgeving bestaande toestand’ valt onder de discretionaire beoordelingsruimte van de verwerende partij. Met de VCRO werd aan de vergunningverlenende overheid een toetsingskader verschaft om te toetsen of een aanvraag verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening. Artikel 4.3.1, § 2 VCRO voorziet niet alleen een aantal aandachtspunten en criteria die, voor zover relevant, moeten getoetst worden, maar artikel 4.3.1, § 2, 2° voorziet uitdrukkelijk dat bij deze beoordeling rekening moet gehouden worden ‘met de in de omgeving bestaande toestand’. Afhankelijk van het voorwerp van de aanvraag zal ‘de omgeving’ al dan niet ruimer worden bekeken. De ‘in de omgeving bestaande toestand’ is immers de voor het dossier ‘relevante’ in de omgeving bestaande toestand, rekening houdende met de specifieke gegevens van het dossier en met de aandachtspunten en criteria uit artikel 4.3.1, § 2, eerste lid, 1° VCRO die voor zover noodzakelijk of relevant, voor het aangevraagde dienen onderzocht te worden. In ieder geval is het niet zo dat de onmiddellijke omgeving steeds voorrang heeft op de ruimere omgeving of omgekeerd. Anders dan wat [verzoeker] voorhoudt, verplicht artikel 4.3.1, § 2 VCRO het vergunningverlenend bestuursorgaan niet om zowel de onmiddellijke als de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 VII-41.764-7/16 ruimere omgeving op gelijke wijze in haar beoordeling te betrekken. De aard van het te onderzoeken aandachtspunt, in relatie met de bestaande omgeving, speelt hierin een belangrijke rol. Uit het dossier blijkt dat bij de beoordeling rekening is gehouden met de aanwezigheid van meerdere woningen en gebouwen in de omgeving (al dan niet) met vergelijkbare schaal als de ontworpen woning. De verwerende partij verwijst hierbij uitdrukkelijk naar de woning links en rechts van het perceel van de aanvraag (beide bestaande uit één bouwlaag met zadeldak) en naar de overige (heterogene) bebouwing langs de steenweg (hoofdzakelijk gekenmerkt door gebouwen met twee bouwlagen en een zadeldak, variërend in kroonlijst- en nokhoogte, mede afhankelijk van de diepte). Ze besluit dat het aangevraagde qua volume, aantal bouwlagen, (variërende) kroonlijsthoogte en concept (teruggetrokken volume(s)) inpasbaar is in de bestaande relevante omgeving. [Verzoeker] toont niet aan waarom de bestaande gebouwen in de omgeving (langsheen de steenweg) niet tot de relevante omgeving zouden behoren en dus niet nuttig als referentiepunt kunnen dienen voor de beoordeling van het aangevraagde. [Hij] stelt hier louter [zijn] eigen (andere) zienswijze tegenover. Het is niet kennelijk onredelijk om in het voorliggende geval zowel rekening te houden met de direct aanpalende woningen links en rechts, als met overige gebouwen in de onmiddellijke omgeving (langsheen de gewestweg) om te besluiten dat de gevraagde woning met twee volwaardige bovengrondse bouwlagen afgedekt met een plat dak aanvaardbaar is. [Verzoeker] toont niet aan dat de aangehaalde motivering op grond waarvan de aanvraag qua schaal in overeenstemming met de relevante omgeving wordt geacht, in het licht van de concrete elementen van het dossier en de concrete kenmerken van de in deze omgeving bestaande toestand, niet afdoende, kennelijk onredelijk of onzorgvuldig is.” De kritiek dat het bestreden arrest de bebouwing in de ruimere omgeving in deze zaak laat primeren op de bebouwing in de onmiddellijke omgeving, mist feitelijke grondslag. De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt immers dat het niet kennelijk onredelijk is om in het voorliggende geval zowel rekening te houden met de direct aanpalende woningen als met overige gebouwen in de onmiddellijke omgeving.
  16. In zoverre verzoeker de Raad van State uitnodigt de beoordeling van de feiten door de Raad voor Vergunningsbetwistingen opnieuw te maken en te beoordelen of de verwerende partij de toets van de vergunningsaanvraag aan de in de omgeving bestaande toestand correct heeft gemaakt, is het middel VII-41.764-8/16 onontvankelijk. Als cassatierechter kan de Raad van State enkel nagaan of de Raad voor Vergunningsbetwistingen de wet heeft overtreden of substantiële vormvereisten heeft geschonden, en treedt hij niet in de beoordeling van de zaak zelf.
  17. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  18. Verzoeker voert de schending aan van de hoorplicht en de zorgvuldigheidsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (het Verdrag van Aarhus), inzonderheid de artikelen 2, 3, 6 en 9 ervan, samen genomen met artikel 4.3.1, § 1 VCRO en artikel 64 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’: “Doordat, eerste onderdeel, de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het bestreden arrest stelt dat er [hem] geen ‘algemeen hoorrecht’ bekend is dat aan een vergunningsverlenend orgaan zou opleggen om de beroepsindiener opnieuw te horen wanneer er na de hoorzitting aangepaste bouwplannen (inplantingsplan) worden ingediend, Terwijl vastgesteld dient te worden dat [verzoeker] zich door de afgeleverde vergunning van [de verwerende partij] geconfronteerd heeft gezien met een situatie waarbij bouwplannen werden goedgekeurd waarvan [hij] zelfs nooit kennis van heeft kunnen nemen en waarover [hij] zich zelfs nooit heeft kunnen uitspreken gezien de te volgen procedure een eenvoudige procedure betreft zonder openbaar onderzoek, En terwijl hierdoor het hoorrecht van [verzoeker] werd miskend daar uit de algemene hoorplicht volgt dat een betrokkene gehoord moet worden wanneer zijn rechten of belangen op een negatieve wijze worden geschaad, En terwijl juist de afwezigheid van een specifieke decretale bepaling hierrond, voor gevolg heeft dat de algemene hoorplicht van toepassing is en als dusdanig na het inwilligen van het wijzigingsverzoek op grond van het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 VII-41.764-9/16 gewijzigde inplantingsplan, de [verwerende partij] een nieuwe hoorzitting had moeten organiseren, En terwijl deze verplichting ook in het bestreden arrest door de Raad niet correct werd beoordeeld en de Raad dan ook onder verwijzing naar artikel 64 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] ten onrechte stelt dat de algemene hoorplicht in deze niet van toepassing is op grond van het adagium lex specialis derogat generalis, En doordat, tweede onderdeel, artikel 4.3.1 § 1 VCRO aan de vergunningverlenende overheid toelaat om een aanvraag te vergunnen mits het opleggen van voorwaarden met inbegrip van beperkte aanpassingen van de plannen, Terwijl artikel 64 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] toelaat dat de vergunningsaanvrager planaanpassingen aanbrengt in graad van beroep en dit zelfs na de hoorzitting die niet beperkt zijn, En terwijl door de mogelijkheid om uitvoerige planaanpassingen door te voeren zonder dat in het organiseren van een nieuwe hoorzitting moet worden voorzien in graad van beroep, artikel 64 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] de artikelen 10 en 11 [van de Grondwet] schendt in vergelijking met artikel 4.3.1 § 1 VCRO dat slechts een beperkte planaanpassing toelaat.”
  19. In de “toelichting bij het eerste onderdeel van het cassatiemiddel” vraagt verzoeker, in het geval de Raad van State zou oordelen dat er geen wettelijke verplichting bestaat om de beroepsindiener opnieuw te horen wanneer de plannen na de hoorzitting worden aangepast, om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen : “Schendt artikel 64 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] de artikelen 10 en 11 [van de Grondwet] al dan niet in samenhang gelezen met het Verdrag [van 25 juni 1998 ‘betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (het Verdrag van Aarhus)], inzonderheid de artikelen 2, 3, 6 en 9 ervan, doordat in het raam van een eenvoudige vergunningsaanvraag zonder openbaar onderzoek, uitgebreide planwijzigingen kunnen worden aangebracht na de hoorzitting zonder dat nog in de verplichting wordt voorzien om hierover een nieuwe hoorzitting te organiseren [?]”
  20. In de “toelichting bij het tweede onderdeel van het cassatiemiddel” vraagt verzoeker dat de Raad van State, alvorens over het VII-41.764-10/16 onderdeel te oordelen, de volgende prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof : “Schendt artikel 64 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] de artikelen 10 en 11 [van de Grondwet] doordat het toelaat dat op basis van een ingediend wijzigingsverzoek na hoorzitting uitgebreide planaanpassingen worden uitgevoerd aan een vergunningsaanvraag in graad van beroep zonder dat een hoorzitting dient te worden georganiseerd of zonder dat de aanvraag in openbaar onderzoek wordt gelegd terwijl artikel 4.3.1 VCRO slechts toelaat dat de vergunningverlenende overheid een vergunning verleen[t] onder voorwaarden mits de planaanpassingen die hiermee gepaard zouden gaan, slechts beperkt van aard zijn [?]” Beoordeling
  21. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Het middel zet niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending inhoudt van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en is in zoverre niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  22. De hoorplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur verplicht het bestuur dat zich voorneemt een ernstige maatregel te nemen ten aanzien van een persoon omwille van zijn persoonlijk gedrag dat als een tekortkoming wordt beschouwd, en welke maatregel van aard is om de belangen van die persoon zwaar aan te tasten, om die persoon voorafgaandelijk in de gelegenheid te stellen zijn standpunt hierover op nuttige wijze uiteen te zetten. VII-41.764-11/16 Dit beginsel verplicht de vergunningverlenende instantie niet om de persoon die een bestuurlijk beroep heeft ingesteld tegen een omgevingsvergunning, voorafgaandelijk aan de vergunningsbeslissing in beroep te horen. Uit dit beginsel volgt evenmin dat de beroepsinstantie die een hoorzitting organiseert waarop de beroeper wordt gehoord, die beroeper opnieuw moet horen wanneer de aanvrager van de omgevingsvergunning na deze hoorzitting aangepaste plannen indient. Het eerste onderdeel van het middel gaat uit van een andere rechtsopvatting, en faalt naar recht.
  23. De Raad van State is niet gehouden tot het stellen van de opgeworpen prejudiciële vraag wanneer de zaak niet kan worden behandeld om redenen van onontvankelijkheid (artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’). Verzoeker heeft de in het eerste middelonderdeel aangevoerde schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel niet opgeworpen voor de Raad voor Vergunningenbetwistingen, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had. Het gaat dan ook om kritiek die niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd. Het middelonderdeel is dan ook niet ontvankelijk in zoverre hierin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met bepalingen van het Verdrag van Aarhus, zodat de opgeworpen prejudiciële vraag niet moet worden gesteld. Tweede onderdeel
  24. Artikel 64 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ laat toe dat de aanvrager van een omgevingsvergunning waartegen bestuurlijk beroep werd ingesteld, wijzigingen kan aanbrengen aan de aanvraag in de loop van de beroepsprocedure, en bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden opdat het niet vereist is de gewijzigde vergunningsaanvraag aan een openbaar onderzoek te onderwerpen. VII-41.764-12/16 Artikel 4.3.1, §1, tweede en derde lid, VCRO bepaalt : “In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, kan het vergunningverlenende bestuursorgaan de vergunning toch afleveren, wanneer het van oordeel is dat de overeenstemming van het aangevraagde met het recht en de goede ruimtelijke ordening gewaarborgd kan worden door het opleggen van voorwaarden, met inbegrip van het opleggen van een beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen. Die voorwaarden kunnen niet dienen om de leemten van een onvolledige of vage aanvraag op te vangen. Een aanpassing van de plannen, zoals vermeld in het tweede lid, is slechts mogelijk overeenkomstig artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.” Uit de door het derde lid van artikel 4.3.1, §1 VCRO verplichte toepassing van artikel 30 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ volgt dat de in het tweede lid van deze bepaling bedoelde “beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen” niet ambtshalve als voorwaarde kan worden opgelegd, maar slechts op verzoek van de aanvrager, en dat deze aanpassing bovendien aan een openbaar onderzoek wordt onderworpen tenzij voldaan wordt aan de in voormeld artikel 30 vermelde voorwaarden. Deze bepaling vindt echter slechts toepassing wanneer het verzoek ertoe strekt de planaanpassing op te leggen als voorwaarde van de vergunning. Wanneer een aanvrager in graad van beroep zelf wijzigingen aanbrengt aan de plannen van de vergunningsaanvraag, dient de wijzigingsaanvraag enkel beoordeeld te worden aan de hand van artikel 64 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, en moet aldus niet nagegaan worden of het slechts gaat om een “beperkte aanpassing” in de zin van artikel 4.3.1, § 1, tweede lid VCRO. Het bestreden arrest dat vaststelt dat: VII-41.764-13/16 “‘In het voorliggend dossier is er sprake van een vrijwillig door de aanvrager ingediend wijzigingsverzoek, dat voorziet in een gewijzigde inplanting van de aangevraagde woning. De verwerende partij beslist met toepassing van artikel 64 [van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’] het wijzigingsverzoek van de aanvrager te aanvaarden en verleent vervolgens de omgevingsvergunning volgens ‘de gewijzigde inplanting’ en legt hieromtrent geen voorwaarde op. De verzoekende partij betwist dit ook niet.’, is dan ook naar recht verantwoord wanneer het vervolgens oordeelt dat verzoeker ‘[ten onrechte] de toepassing(svoorwaarden) van artikel 4.3.1, § 1, tweede lid VCRO […] op de bestreden beslissing [betrekt]’”.
  25. Verzoeker bekritiseert in het tweede onderdeel van het middel niet deze beoordeling als zodanig, doch voert aan dat artikel 64 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en vraagt dat de Raad van State hierover een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof. De Raad van State is niet gehouden tot het stellen van de opgeworpen prejudiciële vraag wanneer de zaak niet kan worden behandeld om redenen van onontvankelijkheid (artikel 26, § 2, tweede lid, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’). Verzoeker heeft de beweerde schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel niet aangevoerd voor de Raad voor Vergunningenbetwistingen, hoewel hij daartoe de mogelijkheid had. De aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet maakt aldus kritiek uit die niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd. Het middelonderdeel is dan ook niet ontvankelijk zodat de opgeworpen prejudiciële vraag niet moet worden gesteld.
  26. Het tweede middel wordt verworpen. VII-41.764-14/16 VII-41.764-15/16 BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  28. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zesentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Francis Van Nuffel, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.764-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.257 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.