← België

Arrest 259276 - Varia (economische zaken) - 27/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 Rolnummer: A. 232158/IX-9798 Zaak: Arrest 259276 - Varia (economische zaken) - 27/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-11 Raadplegingen: 317 - laatst gezien 2026-06-19 08:40 Fiche Arrest nr 259.276 van 27 maart 2024 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 no lien 276222 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.276 van 27 maart 2024 in de zaak A. 232.158/IX-9798 In zake: Y.T. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debièvre en Matthias Castelein kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c 113b bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: 1. de NV AUTOVEILIGHEID bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laura Thewis kantoor houdend te 2800 Mechelen Schaliënhoevedreef 20T bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Koninckx kantoor houdend te 3500 Hasselt Limburgplein 5 2. het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306a bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp 1. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2020, strekt tot nietigverklaring van de volgende zeven beslissingen: IX-9798-1/39 1° De beslissing van keuringsstation nr. 52 van de nv Autoveiligheid van 27 juli 2020 waarbij aan verzoeker een keuringsbewijs met beperkte geldigheid tot 27 oktober 2020 wordt uitgereikt. 2° De beslissing in beroep van de nv Autoveiligheid van 20 augustus 2020 tot uitbreiding van de beslissing van keuringsstation nr. 52 van de nv Autoveiligheid van 27 juli 2020. 3° De beslissing van keuringsstation nr. 52 van de nv Autoveiligheid van 25 augustus 2020 waarbij aan verzoeker een keuringsbewijs met beperkte geldigheid tot 25 november 2020 wordt uitgereikt. 4° De beslissing in beroep van de nv Autoveiligheid van 8 september 2020 tot bevestiging van de beslissing van 20 augustus 2020. 5° De beslissing van het Vlaamse Gewest van onbekende datum, ontvangen op 5 oktober 2020, tot weigering van inzage in het homologatiedossier in het kader van de openbaarheid van bestuur. 6° De beslissing in beroep van het Vlaamse Gewest van 6 oktober 2020 tot bevestiging van de beslissing van 25 augustus 2020. 7° De impliciete weigeringsbeslissing van de nv Autoveiligheid om een keuringsbewijs voor twee jaar toe te kennen. In zijn laatste memorie dient verzoeker tevens een verzoek tot schadevergoeding tot herstel in. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Frédéric Vanneste heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. IX-9798-2/39 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december 2023. Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jeffrey Roegiers en Brecht Plessers, die loco advocaten Jens Debièvre en Matthias Castelein verschijnen voor de verzoekende partij, advocaat Laura Thewis, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten en regelgeving 3.1. Verzoeker is eigenaar van een auto van het merk Chevrolet, type ‘Corvette’ met een oldtimernummerplaat (een O-kentekenplaat). Het voertuig wordt voor het eerst in dienst gesteld op 15 september 1979. Op 12 november 1997 krijgt de toenmalige eigenaar van het voertuig een proces-verbaal van goedkeuring (PVG) als enig voertuig. Dit PVG wordt opgemaakt naar aanleiding van een aangifte bij de politie van verlies van het originele gelijkvormigheidsattest. Op 15 november 1997 wordt de auto aangekocht door verzoeker. Het voertuig beschikt over een oldtimernummerplaat sedert 21 april 2015. 3.2. Als gevolg van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 april 2018 ‘tot wijziging van diverse besluiten met betrekking tot de technische ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-3/39 keuring’ zijn voertuigen die ingeschreven zijn onder een O-kentekenplaat aan een periodieke keuring onderworpen. Bij dit besluit wordt het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’ (hierna: koninklijk besluit Technische Eisen) gewijzigd. Voortaan geldt niet meer de verplichting om een oldtimer eenmalig, vóór de inschrijving onder een O- kentekenplaat, aan een technische keuring te onderwerpen, maar zijn voertuigen die ingeschreven zijn onder een O-kentekenplaat onderworpen aan een verplichte tweejaarlijkse periodieke keuring. Met toepassing van de overgangsperiode waarin artikel 5 van het besluit van 27 april 2018 voorziet, moet verzoeker naar eigen zeggen uiterlijk op 15 september 2020 zijn voertuig aanbieden voor de periodieke keuring. 3.3. Op 27 juli 2020 biedt verzoeker zijn voertuig aan in keuringsstation nummer 52 van Hechtel-Eksel, dat ressorteert onder de nv Autoveiligheid. Tijdens deze keuring wordt door de inspecteurs getwijfeld aan de originaliteit van de motor omwille van het aanwezige injectiesysteem. Er wordt een keuringsbewijs met beperkte geldigheid tot 27 oktober 2020 uitgereikt. De gebreken worden in dit keuringsbewijs als volgt beschreven: “Gebreken die aanleiding geven tot herkeuring: 6.1.8/1/2 Chassis verbonden delen: bevestiging motor: defecte, duidelijk en ernstig beschadigde bevestigingen (bevestiging motor: gebrekkig) Gebreken nauwlettend in het oog te houden: 6.1.7/3/4 Chassis verbonden delen: versnellingsbak: staat (versnellingsbak: staat) Opmerkingen: […].” Dat is de eerste bestreden beslissing. IX-9798-4/39 3.4. Verzoeker is het niet eens met de uitgevoerde technische keuring. Hij maakt zijn bezwaren duidelijk aan de stationschef en stuurt diezelfde dag een e-mail naar het keuringsstation. Dezelfde bezwaren maakt hij op 3 augustus 2020 bij aangetekende brief aan de nv Autoveiligheid kenbaar: “- De wagen heeft een PVG van enig voertuig dat niets meer met de oorspronkelijke constructeur Chevrolet te maken heeft. Deze wagen werd door mij gekocht van de vorige eigenaar die deze wagen aanbood voor de PVG procedure met dit injectiesysteem erop en ontving daarmee dan ook een PV van enig voertuig. Ik stel mij dan ook de vraag hoe de stationschef kan beweren dat dit niet conform het PVG of niet aanvaardbaar zou zijn. Dit moet dan door jullie aangetoond worden m.i. - De wagen is door mij onder het normale keuringsregime aangeboden geweest in 2013 en 2014 en voor oldtimerkeuring in 2015. Nooit werd hierover enige opmerking gemaakt. - Uw eigen regels van de keuring (zie bijlage) voorzien erin dat een keuring van de gelijkvormigheid van het voertuig geen voorwerp van de keuring uitmaakt. Desondanks gebeurde dit toch.” Op 6 augustus 2020 richt verzoeker een aangetekend schrijven aan de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer met een vraag omtrent het homologatiedossier van het oldtimervoertuig uit 1997: “Dit voertuig [Chevrolet Corvette 1Z8749S437461 & PVG 14/4586] werd ten tijde van de homologatie ervan als enig voertuig in 1997 goedgekeurd met een benzine injectie motor V8, 5700 cc. Dit laatste stond echter niet vermeld op het gelijkvormigheidsattest. Mag ik U vragen mij te bevestigen dat dit voertuig inderdaad gehomologeerd is met injectiesysteem als brandstofvoorziening?” Op 9 augustus 2020 dient verzoeker via het elektronisch formulier een klacht in bij het contactpunt van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaamse Gewest. Op 10 augustus 2020 dient verzoeker via een aangetekende brief nogmaals een klacht in bij dit departement. IX-9798-5/39 Op 19 augustus 2020 stuurt verzoeker een aangetekende brief naar de Vlaamse Ombudsdienst. 3.5. Met een brief van 20 augustus 2020 geeft de nv Autoveiligheid bijkomende toelichting aan verzoeker naar aanleiding van de correspondentie die hij voerde met de nv Autoveiligheid: “Wij verwijzen naar uw e-mail op 27.07.2020 en uw aangetekend schrijven dat wij hebben ontvangen op 04.08.2020. Bovengenoemd voertuig werd voorgereden voor een periodieke oldtimerkeuring op 27.07.2020 in het keuringsstation te Hechtel-Eksel. Hierbij werd een keuringsbewijs met beperkte geldigheid uitgereikt met volgend gebrek, dat aanleiding gaf tot herkeuring: ‘Chassis verbonden delen: bevestiging motor: defecte, duidelijk en ernstig beschadigde bevestigingen.’. Zoals tevens toegelicht door de stationsverantwoordelijke werd er een wijziging aan de motor vastgesteld. Na verder onderzoek en volgens de eenmalige goedkeuring, was de originele motor uitgerust met carburatorvoeding en met een vermogen van 162 kW. Ofwel dient het voertuig terug origineel gemaakt te worden ofwel kan er een dossier opgesteld worden voor verder onderzoek door de bevoegde overheid om deze wijzigingen te aanvaarden. Voor het opstellen van een dossier aan de overheid dienen volgende gegevens aangereikt te worden: motornummer, vermogen (kW) en cilinderinhoud (

  1. cc)en type injectie. U kan deze informatie overmaken per e-mail aan info@autoveiligheid.be. Gelieve hierbij steeds de referentie van het dossier mee te delen […].” Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.6. Op 25 augustus 2020 biedt verzoeker zijn voertuig aan voor herkeuring in hetzelfde keuringsstation van de nv Autoveiligheid. Naar eigen zeggen heeft hij de motorbevestigingen intussen integraal laten vervangen. Dit wordt onder meer gestaafd met de leveringsbon van de nieuwe motorsteunen. Het voertuig krijgt opnieuw een keuringsbewijs met beperkte geldigheid van drie maanden tot 25 november 2020. De gebreken worden als volgt beschreven: IX-9798-6/39 “Gebreken die aanleiding geven tot herkeuring: 6.1.8/1/2 Chassis verbonden delen: bevestiging motor: defecte, duidelijk en ernstig beschadigde bevestigingen. (bevestiging motor: gebrekkig) B.627/1/3 Oldtimer: Dossier in onderzoek (Oldtimer: Dossier in onderzoek) Gebreken nauwlettend in het oog te houden: 6.1.7/3/4 Chassis verbonden delen: versnellingsbak: staat (versnellingsbak: staat).” Dat is de derde bestreden beslissing. 3.7. Diezelfde dag stuurt verzoeker een brief naar het keuringsstation waarin hij bezwaren uit tegen het keuringsbewijs van 25 augustus 2020: “Conform de instructies aan de keuringsinstellingen mag U een voertuig alleen herkeuren voor de gebreken waarvoor het voertuig eerder werd afgekeurd, in casu dus de motorsteunen. Alhoewel de oude steunen niet defect waren werden deze in voorbereiding op de herkeuring vervangen. De steunen waarmee het voertuig werd aangeboden zijn dus volledig nieuwe steunen. De oude steunen waren bij het voertuig aanwezig. Het voertuig werd door uw diensten nog niet eens grondig nagezien. Mijn klacht werd voor het betalen van de keuring kenbaar gemaakt aan de stationschef. Na discussie wilde men het voertuig niet goedkeuren. De ter sprake gebrachte issues betroffen de motor en het injectiesysteem dewelke echter niet op het keuringsdocument van 27-7-2020 als één van de problemen werden opgegeven. Dit staat echter opnieuw niet op het keuringsdocument vermeld. De enige extra toevoeging is dat er een oldtimerdossier werd opgesteld. De afkeuring is dan ook onterecht.” Ook op diezelfde dag bezorgt verzoeker aanvullende informatie aan het departement Mobiliteit en Openbare Werken in het kader van de eerder ingediende klacht. In navolging hiervan vindt in de periode tussen 25 augustus 2020 en 3 oktober 2020 correspondentie plaats tussen verzoeker en het departement omtrent de op 9 augustus 2020 ingediende klacht. IX-9798-7/39 3.8. Met een brief van 8 september 2020 geeft de nv Autoveiligheid bijkomende toelichting aan verzoeker: “Hierbij melden wij u goede ontvangst van uw schrijven van 21.08.2020 en uw e-mail op 25.08.2020. Zoals toegelicht door de stationsverantwoordelijke, en verduidelijkt in ons schrijven van 20.08.2020, werd een verbouwing vastgesteld met betrekking tot de motor. Derhalve behouden wij ons standpunt van ons schrijven van 20.08.2020. Ofwel dient het voertuig terug origineel gemaakt te worden ofwel kan er een dossier opgesteld worden voor verder onderzoek door de bevoegde overheid om deze wijzigingen te aanvaarden. Voor het opstellen van een dossier aan de overheid dienen volgende gegevens aangereikt te worden: motornummer, vermogen (kW) en cilinderinhoud (
  2. cc)en type injectie. U kan deze informatie overmaken per e-mail aan info@autoveiligheid.be.” Dat is de vierde bestreden beslissing. 3.9. Met een brief van 23 september 2020 richt verzoeker zich tot de cel Homologatie en Technische Keuring van het Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaamse Gewest (hierna: cel Homologatie). Daarin stelt hij onder meer: “Wij schreven op 6/8/2020 de federale overheid aan mbt de volgende vraag ‘Dit voertuig werd ten tijde van de homologatie ervan als enig voertuig in 1997 goedgekeurd met een benzine injectiemotor V8, 5700 cc Dit laatste stond echter niet vermeld op het gelijkvormigheidsattest Mag ik U vragen mij te bevestigen dat dit voertuig inderdaad gehomologeerd is met een injectiesysteem als brandstofvoorziening?’ Ik voeg dit schrijven in bijlage toe Mag ik U vragen mij te informeren en mij tevens een afschrift van het homologatiedossier 14/4586 te laten geworden?” Met een niet gedateerde brief, door verzoeker ontvangen op 5 oktober 2020, antwoordt het Vlaams Huis voor de Verkeersveiligheid hierop als volgt (letterlijke weergave): “Geachte heer, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-8/39 Als gevolg op uw schrijven of uw voertuig al dan niet over een injectiesysteem beschikt, wordt bij een homologatieprocedure niet geverifieerd. De enige instantie die u hierbij een antwoord op uw vraag kan bezorgen is de fabrikant of de mandataris van het merk. In dit geval dient u zich hiervoor te wenden tot KnowMotive. […]” Dat is de vijfde bestreden beslissing. 3.10. Op 6 oktober 2020 beantwoordt het contactpunt van het departement Mobiliteit en Openbare Werken (MOW) van het Vlaamse Gewest de klacht van verzoeker als volgt: “Ondertussen heb ik ook de bijlage ontvangen en die voeg ik hier meteen ook bij. Ik lees daar vooral dat Autoveiligheid een oldtimerdossier wil opstarten voor verder onderzoek maar dat ze daar de volgende info voor nodig hebben: - motornummer - vermogen (kW) - cilinderinhoud - type injectie Bij mijn weten is die informatie nog niet overgemaakt aan Autoveiligheid. U kan dat nog altijd doen via info@autoveiligheid.be met referentie […].” Dat is de zesde bestreden beslissing. 3.11. Op 19 oktober 2020 stelt verzoeker huidig vernietigingsberoep in bij de Raad van State. In zijn verzoekschrift vermeldt verzoeker een zevende bestreden beslissing, zijnde “de impliciete weigeringsbeslissing van Autoveiligheid NV om een keuringsbewijs voor twee jaar toe te kennen”. 3.12. Op 20 oktober 2020 dient verzoeker een klacht in bij de beroepsinstantie Openbaarheid van Bestuur met volgende inhoud: “Ik zou graag een klacht willen indienen tegen het Vlaamse departement mobiliteit – afdeling homologatie, wegens het niet willen bezorgen van openbare documenten. IX-9798-9/39 In bijlage bezorg ik U kopie van mijn brieven van 6-8-2020 en 23-9-2020, evenals het antwoord van de homologatiedienst daarop. Gelet op het belang dat de inhoud van het homologatiedossier heeft op een lopende discussie met de autokeuring, verzocht ik de betrokken dienst om een kopie te kunnen krijgen van het volledige homologatiedossier. Echter op mijn verzoek werd niet ingegaan, terwijl dit nochtans ingaat tegen mijn rechten als burger en de verplichtingen van de overheid om dergelijke documenten te bezorgen. Mag ik U vragen deze klacht in behandeling te willen nemen en mij hiervan ontvangst te willen bevestigen?” Deze klacht wordt op 21 oktober 2020 door de beroepsinstantie Openbaarheid van Bestuur bezorgd aan de cel Homologatie. Op 23 oktober 2020 laat de cel Homologatie aan verzoeker weten dat het homologatiedossier waarvan verzoeker inzage vraagt, reeds werd opgehaald bij de bevoegde federale overheidsdienst, maar dat, gelet op de uitzonderlijke Covid-werkomstandigheden, het dossier pas op 29 oktober 2020 gescand en bezorgd kan worden. Op 29 oktober 2020 wordt het homologatiedossier bezorgd aan verzoeker. Op 4 november 2020 stelt de beroepsinstantie Openbaarheid van Bestuur de afstand van beroep door verzoeker vast. Op 30 oktober 2020 maakt verzoeker een aantal bemerkingen omtrent het homologatiedossier. Hierover wordt nadien correspondentie gevoerd tussen verzoeker en de cel Homologatie. 3.13. Op 19 september 2021 verstuurt verzoeker een antwoord op de vraag die op 20 augustus 2020 door de nv Autoveiligheid werd geformuleerd met het oog op het opmaken van een zogenaamd oldtimerdossier. Verzoeker bezorgt daarin aan de nv Autoveiligheid de gegevens inzake het motornummer, het vermogen, de cilinderinhoud en het type injectie. Op 4 oktober 2021 beantwoordt de nv Autoveiligheid dit schrijven van verzoeker als volgt: IX-9798-10/39 “Hierbij melde[n] wij u de goede ontvangst van uw schrijven van 19.09.2021. Wij danken u voor het overmaken van de reeds bij schrijven van 20.08.2020 opgevraagde informatie voor het opstellen van een dossier bij de bevoegde overheid. Op basis van deze opgevraagde en aangereikte informatie kon eindelijk een oldtimerdossier worden opgemaakt dat in de adviesgroep oldtimer van de bevoegde overheid zal worden besproken.” 3.14. Het departement MOW keurt op 13 oktober 2021 het oldtimerdossier van verzoeker goed en beslist dat het betrokken voertuig kan worden aanvaard voor inschrijving als oldtimer. De beslissing luidt: “19. Chevrolet Corvette – VIN: 1Z8749S437461 (AV KL.52.20.975) Eerste inschrijving: 15/9/1979 Vaststellingen: Gewijzigde motor: motornr. 1051184 – vermogen 133 kW – 5733cc – Multi point Advies: De carburatiemotor is vermoedelijk vervangen door een injectiemotor. Het vermogen is gelijkaardig gebleven. Dit is dus aanvaardbaar. Beslissing MOW. MOW volgt het advies van de adviesgroep. Het inschrijvingsbewijs dient aangepast te worden met de juiste motorgegevens.” 3.15. Op 2 november 2021 licht de nv Autoveiligheid verzoeker per e-mail in over de beslissing van het departement MOW: “Het voertuig kan met de huidige motor (cilinderinhoud 5733 cc en vermogen 133 kW) aanvaard worden voor inschrijving als oldtimer. Bijgevolg kan het voertuig voorgereden worden voor een oldtimerkeuring. Indien het voertuig verder technisch in orde is zal een aanvraag tot inschrijving als oldtimer met de gegevens van de huidige motor uitgereikt worden.” IX-9798-11/39 IV. Rechtsmacht van de Raad van State Standpunt van de partijen 4. De verwerende partijen werpen een exceptie van rechtsmacht op voor wat betreft de bestreden beslissingen van de eerste verwerende partij. De tweede verwerende partij werpt op dat de eerste verwerende partij een privaatrechtelijke naamloze vennootschap is. Verzoeker levert niet het bewijs dat deze rechtspersoon de bevoegdheid heeft om, in het algemeen belang, eenzijdige beslissingen te nemen ten aanzien van derden. Daarnaast werpen de verwerende partijen op dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft omdat de eerste verwerende partij bij het nemen van haar beslissingen niet beschikt over een discretionaire bevoegdheid. De eerste verwerende partij moet bij de technische controle van voertuigen zonder enige appreciatiemarge nagaan of het voertuig voldoet aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn. Hierbij dienen de begrippen ‘interpretatie’ en ‘appreciatie’ van elkaar onderscheiden te worden. Bij een gebonden bevoegdheid zal de overheid in voorkomend geval de betrokken norm dienen te interpreteren om uit te maken welke de precieze draagwijdte en betekenis ervan is, maar zulks houdt geen beoordelingsvrijheid in. De Raad van State beschikt niet over de rechtsmacht om zich uit te spreken over geschillen omtrent subjectieve rechten. De hoven en rechtbanken zijn dus in casu bevoegd. 5.1. Verzoeker betoogt dat de Raad van State rechtsmacht heeft. Hij stelt dat hij de Raad van State niet verzoekt om de bevestiging of toekenning van het subjectieve recht op (her)keuring van de oldtimer. Daarentegen verzoekt hij wel om de onwettigheid van de administratieve rechtshandelingen van zowel de eerste als de tweede verwerende partij, beide optredend in de hoedanigheid van administratieve overheid, vast te stellen. Deze onwettigheid bestaat er volgens verzoeker in het bijzonder in dat het Vlaamse Gewest in strijd met hogere normen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-12/39 Vlaamse technische voorschriften voor oldtimers heeft vastgesteld, onder meer in de zogenaamde Oldtimerinstructies 2020 en dat de nv Autoveiligheid, in strijd met hogere normen, deze Vlaamse technische voorschriften onwettig toepast. 5.2. In de memorie van wederantwoord verduidelijkt verzoeker dat in de specifieke omstandigheden van deze zaak het wel degelijk een discretionaire beoordeling vergt van de eerste verwerende partij om te besluiten dat er mogelijk sprake is van een onveilige modificatie. De toepasselijke reglementering bevat geen voorschriften – zeker niet naar aanleiding van een periodieke oldtimerkeuring – over de wijze waarop onveilige modificaties moeten worden vastgesteld. Het gaat dus veel verder dan een loutere interpretatie van een technisch voorschrift, nu er geen technisch voorschrift hieromtrent bestaat, maar het gaat over een appreciatiemarge die aan de keuringsinstanties wordt gelaten om eender welke vaststelling te doen die bij hen “twijfel” doet rijzen of er sprake zou kunnen zijn van een onveilige modificatie buiten de te controleren technische punten om. Ook bij het wegwerken van dergelijke onveilige modificaties gelden er geen specifieke technische voorschriften. De eerste verwerende partij biedt verzoeker de keuze om ofwel de motor te vervangen (zonder aan te geven aan welke specificaties dan wel moeten worden voldaan), ofwel een dossier te bezorgen aan de oldtimercommissie die blijkbaar over de appreciatiebevoegdheid beschikt om modificaties al dan niet als veilig te beschouwen. De verwerende partijen tonen op geen enkele manier aan op basis van welke technische voorschriften de oldtimercommissie een beoordeling zal maken van de vermeende modificaties. De eerste verwerende partij kan onmogelijk optreden binnen een gebonden bevoegdheid door ervan uit te gaan dat zij de niet-originaliteit van een oldtimer mag vaststellen naar aanleiding van de herkeuring na een periodieke oldtimerkeuring. De eerste verwerende partij laat bovendien aan een oldtimercommissie de discretionaire vrijheid om te oordelen over het al dan niet aanvaardbare karakter van vermeende modificaties zonder dat de samenstelling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-13/39 van deze oldtimercommissie decretaal is geregeld, zonder dat er in inspraak- of beroepsmogelijkheden wordt voorzien, zonder dat er een termijn is voorgeschreven en zonder dat er criteria kenbaar zijn op grond waarvan de zogezegd vermoedelijk onveilige modificaties worden beoordeeld. Er is integendeel sprake van een opportuniteitsoordeel om vermoedelijke modificaties al dan niet aan een diepgaander onderzoek te onderwerpen. Op zich bestaan er ook geen richtlijnen omtrent wat wel of niet als een onveilige modificatie moet worden beschouwd. Dit wordt volstrekt aan de discretionaire beoordelingsvrijheid van de keuringscentra overgelaten. In ondergeschikte orde merkt verzoeker op dat, zelfs als er in casu toch sprake is van een gebonden bevoegdheid in hoofde van “de keuringsinstantie/oldtimercommissie”, dit nog niet per definitie de rechtsmacht van de Raad van State uitsluit. Er moet immers steeds naar het rechtstreeks en werkelijk voorwerp van het annulatieberoep worden gekeken om te beoordelen of de Raad over de nodige rechtsmacht beschikt. Verzoeker verwijt de verwerende partijen niet het onderscheid te maken tussen enerzijds het verzoekschrift dat de toekenning van een subjectief recht op een keuringsbewijs beoogt (subjectief contentieux) en anderzijds een verzoekschrift dat de nietigverklaring beoogt van de voorafgaande en discretionaire beslissing van de eerste verwerende partij waarvan het recht op het gunstig keuringsbewijs afhankelijk is (objectief contentieux). De Raad van State blijft immers bevoegd “wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden”. (Cass. 19 februari 2015, AR C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9). Een betwisting omtrent een subjectief recht impliceert steeds een gebonden bevoegdheid in hoofde van de administratieve overheid. Daarentegen kan een subjectief recht op zich afhankelijk zijn van een discretionaire beslissing van een administratieve overheid zelfs al is die bevoegdheid grotendeels gebonden. In casu kan verzoeker geen aanspraak maken op een subjectief recht ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-14/39 op keuring voor de gewone hoven en rechtbanken zolang de voorafgaande discretionaire beslissingen van de eerste verwerende partij, zoals bevestigd door het Vlaamse Gewest, niet worden vernietigd. Derhalve heeft hij een rechtstreeks en actueel belang bij de vernietiging van deze beslissingen, zonder dat daarbij sprake is van het claimen van een subjectief recht. Deze beslissingen werden immers genomen door de eerste verwerende partij als administratieve overheid in strijd met hogere normen en dit op basis van een appreciatie van feiten, namelijk dat er onderdelen niet origineel zijn, zonder dat er daarvoor technische voorschriften bestaan die moeten worden toegepast en geïnterpreteerd. Volgens verzoeker heeft het verzoekschrift als werkelijk en rechtstreeks voorwerp de nietigverklaring van constitutieve beslissingen die een nadelige impact hebben op zijn rechtspositie. De Raad van State beschikt aldus over de nodige rechtsmacht om zich over dit geschil uit te spreken. Het gegeven dat verzoeker, naar eigen zeggen eerder terloops, wijst op andere onwettigheden in de bestreden beslissingen, zoals het blijvend aanmerken van de defecte motorsteunen, terwijl deze integraal vervangen zijn, doet geen afbreuk aan het feit dat het niet-origineel bevinden van de oldtimer in weerwil van het homologatiedossier een constitutieve beslissing inhoudt, waarbij de overheid gebruikgemaakt heeft van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid. De verwerende partijen, aldus verzoeker, verliezen uit het oog dat de rechtsmacht van de Raad van State wordt bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring, zoals het behartigen van de nietigverklaring van een handeling die de administratieve toestand van een rechtsonderhorige wijzigt en die het herstel in de vorige toestand beoogt. Als de betrokkene dat doel niet zou kunnen bereiken door zich te wenden tot de rechtbanken van de rechterlijke orde, zelfs indien de administratieve overheid dienaangaande niet beschikt over enige beoordelingsbevoegdheid, is de rechtsmacht van de Raad van State niet uitgesloten. IX-9798-15/39 Verzoeker benadrukt dat hij niet de vaststelling van een subjectief recht beoogt, maar wel de vaststelling van de onwettigheid van beslissingen van administratieve overheden in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zodat deze uit het rechtsverkeer kunnen worden verwijderd. Verzoeker kan zich ten andere niet op een subjectief recht beroepen nu de bevoegdheid van de eerste verwerende partij te dezen niet volledig gebonden is. In casu doet zich volgens verzoeker de situatie voor dat hij betwist dat de eerste verwerende partij meent gehouden te zijn om te keuren op originaliteit ten nadele van verkeersveiligheid en milieuvriendelijkheid, temeer hij daar enkel nadelen van ondervindt. Verzoeker verwijst in dit verband naar arrest nr. 236.002 van 6 oktober 2016 van de Raad van State, waarin de Raad stelt dat in de betrokken zaak “[o]vereenkomstig de meervermelde arresten van het Hof van Cassatie van 8 september 2016, […] verzoeker zich niet [beroept] op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan de verwerende partij oplegt en bij de nakoming waarvan hij belang heeft. Hij betwist daarentegen wel het bestaan van een verplichting waartoe de verwerende partij beweert gehouden te zijn en bij de uitvoering waarvan hij geen voordeel heeft aangezien deze zijn administratieve stand in ongunstige zin beïnvloedt”. 5.3. Verzoeker blijft in zijn laatste memorie erbij dat het erkende keuringsstation een administratieve overheid is die over een imperiumbevoegdheid beschikt. Daarnaast sluit verzoeker zich aan bij de mening van het auditoraat dat het werkelijke voorwerp van het beroep niet het toekennen van een subjectief recht op (her)keuring is, maar het vaststellen van een onwettige beslissing genomen door een administratieve overheid. Verzoeker suggereert dat het werkelijke voorwerp van het beroep bestaat in “het niet- origineel bevinden van de Oldtimer in weerwil van het homologatiedossier”. Vernietigingsberoepen gericht tegen de weigering van de homologatie van een intussen omgebouwd voertuig of de weigering om een oldtimer als dusdanig te identificeren zijn in het verleden reeds door de Raad van State ten gronde behandeld. IX-9798-16/39 IX-9798-17/39 Beoordeling 6. De eerste, tweede, derde, vierde en zevende bestreden beslissingen gaan uit van de eerste verwerende partij. Het betreft keuringsattesten met een beperkte geldingsduur van drie maanden alsook e-mails waarin geantwoord wordt op bezwaren die verzoeker geuit heeft tegen de keuringsattesten. De zevende bestreden beslissing is de impliciete weigeringsbeslissing om een keuringsbewijs voor twee jaar toe te kennen. 7. Overeenkomstig artikel 14, § 1, van zijn gecoördineerde wetten, mag de Raad van State, indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegewezen, enkel kennisnemen van beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, alsook tegen de akten en reglementen van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. 8. De eerste verwerende partij is een privaatrechtelijke naamloze vennootschap. Het is niet uitgesloten dat instellingen die zijn opgericht door privépersonen, maar die erkend zijn door de federale overheid, de overheid van de gemeenschappen en gewesten, de provincies of gemeenten, en wanneer die instellingen een deel van het openbaar gezag uitoefenen, optreden als administratieve overheden in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. IX-9798-18/39 Voorwaarde daartoe is dat hun werking door de overheid wordt bepaald en gecontroleerd en dat zij beslissingen kunnen nemen die derden binden, meer bepaald door de eigen verplichtingen tegenover anderen eenzijdig te bepalen of door verplichtingen van die anderen eenzijdig vast te stellen. Dergelijke beslissingen kunnen dan het voorwerp zijn van een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing. 9. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 23 december 1994 ‘tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen’ (het koninklijk besluit van 23 december 1994) bepaalt dat de “controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen […] op voorstel van de Minister toevertrouwd [wordt] aan de door Ons erkende instellingen, op basis van de voorwaarden die vastgesteld zijn door dit besluit”. Op grond van artikel 32 van dit koninklijk besluit van 23 december 1994, is de eerste verwerende partij erkend voor het uitvoeren van de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen. De erkende keuringsinstelling reikt aldus de keuringsbewijzen uit die noodzakelijk zijn om een voertuig op de openbare weg te gebruiken. Op grond van artikel 24, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit Technische Eisen mag een aan de autokeuring onderworpen voertuig zich in beginsel niet op de openbare weg bevinden, tenzij het voorzien is van een geldig keuringsbewijs. De keuringsbeslissingen van de erkende keuringsinstelling binden derden en regelen eenzijdig de rechten en verplichtingen van derden. Het erkende keuringsstation kan aldus beschouwd worden als een administratieve overheid die over een imperiumbevoegdheid beschikt wanneer het een keuringsbewijs uitreikt of weigert dit te doen. IX-9798-19/39 10. Uit de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet volgt dat de geschillen over subjectieve rechten – altijd, wat de geschillen over burgerlijke rechten betreft, en in principe, wat de geschillen over politieke rechten betreft – tot de rechtsmacht van de hoven en rechtbanken behoren. Onder voorbehoud van een toewijzing van bevoegdheid inzake politieke rechten, is de Raad van State dan ook zonder rechtsmacht om kennis te nemen van beroepen tot nietigverklaring waarvan het werkelijke en rechtstreekse voorwerp een geschil over subjectieve rechten betreft. De bevoegdheid van de Raad van State wordt aldus bepaald door het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep tot nietigverklaring (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0308.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8). Zoals de Raad van State in de arresten nrs. 257.891, 257.892 en 257.893 van 14 november 2023 in algemene vergadering bevestigd heeft, is hij op grond van de artikelen 144 en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht wanneer de vordering strekt tot de nietigverklaring van een administratieve rechtshandeling waarbij (
  3. i)een administratieve overheid weigert om een verplichting uit te voeren die overeenstemt met een subjectief recht waarover de verzoekende partij meent te beschikken en (
  4. ii)het ingeroepen annulatiemiddel steunt op een regel van materieel recht die deze verplichting in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt (Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 en de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier; zie eveneens Cass. (verenigde kamers) 8 september 2016, C.11.0455.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 en de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin). Hieruit volgt derhalve dat de Raad van State zonder rechtsmacht is wanneer aan twee (connexe) voorwaarden is voldaan waarbij niet alleen acht moet worden geslagen op het voorwerp van de vordering (het petitum) maar ook op het aangevoerde middel (de causa petendi). De eerste voorwaarde houdt verband met het voorwerp van het beroep, met datgene wat wordt gevorderd, namelijk de erkenning of de vaststelling van het bestaan van een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-20/39 subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende, aangezien hij voldoet aan alle voorwaarden waarvan het objectief recht deze aanspraak afhankelijk maakt. De eerste voorwaarde is alleen vervuld wanneer de bevoegdheid van de administratie volledig gebonden is (zie de conclusie van advocaat-generaal Th. Werquin voor Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). De tweede voorwaarde heeft betrekking op de middelen die tot staving van het annulatieverzoek worden aangevoerd. De Raad van State heeft geen rechtsmacht wanneer het aangevoerde annulatiemiddel wordt afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke die verplichting vestigt (zie de conclusie van eerste advocaat-generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). Het is daarbij niet voldoende dat een annulatiemiddel de Raad van State in het raam van het wettigheidstoezicht incidenteel of onrechtstreeks ertoe verplicht om uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van een subjectief recht om te beslissen tot de afwezigheid van rechtsmacht van de Raad van State (zie Cass. (verenigde kamers) 11 juni 2010, AR C.09.0336.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6, AC 2010, nr. 418; evenals de conclusie van advocaat-generaal C. Vandewal voor Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 en van eerste advocaat- generaal R. Mortier voor Cass. (verenigde kamers) 27 november 2020, C.17.0114.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2). Opdat er sprake zou zijn van een vordering op grond van een subjectief recht, en dus van een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, is vereist dat een verzoekende partij zich beroept op een welbepaalde juridische verplichting die een regel van objectief recht rechtstreeks aan een derde oplegt en bij de nakoming waarvan die verzoekende partij belang heeft. Opdat een verzoekende partij zich op een dergelijk recht zou kunnen beroepen ten aanzien van de bestuurlijke overheid, dient de bevoegdheid van die overheid volledig ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-21/39 gebonden te zijn. (Cass. (verenigde kamers) 20 december 2007 (2 arresten), C.06.0574.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 en C.06.0596.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11). De Raad van State blijft bevoegd wanneer het ontstaan van het subjectief recht afhangt van een voorafgaande beslissing van de administratieve overheid, die wat die beslissing betreft over een discretionaire bevoegdheid beschikt, ook al is haar bevoegdheid op bepaalde vlakken gebonden (Cass. (verenigde kamers) 19 februari 2015, C.14.0369.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9). Het gegeven dat de administratieve overheid de wettelijke en reglementaire criteria die aan haar bestuurshandelen ten grondslag liggen moet interpreteren, noch het gegeven dat zij ertoe wordt verplicht feiten juridisch te kwalificeren, leidt ertoe dat zij een discretionaire bevoegdheid uitoefent of dat er niet langer sprake zou zijn van een op haar rustende juridische verplichting en een daarmee overeenstemmend subjectief recht in hoofde van de rechtzoekende. 11. Er moet in de eerste plaats worden onderzocht of de eerste verwerende partij bij het nemen van haar bestreden beslissingen over enige discretionaire bevoegdheid of beleidsruimte beschikt, dan wel slechts over een gebonden bevoegdheid en in dat opzicht slechts heeft moeten vaststellen of de reglementair vastgestelde voorwaarden, zoals zij die als overheid interpreteert, vervuld waren. Indien de bestreden beslissing een constitutieve beslissing is waarbij de overheid gebruik heeft gemaakt van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft de Raad van State rechtsmacht. Indien het gaat om een beslissing waarbij de overheid vaststelt of had moeten vaststellen dat de betrokkene al dan niet voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden waardoor hij zich kan beroepen op een welbepaald recht, moet de tweede voorwaarde, die betrekking heeft op de middelen tot staving van het annulatieberoep, worden onderzocht. 12. Artikel 23, § 1, van het koninklijk besluit Technische Eisen bepaalt dat de in het verkeer gebrachte voertuigen onderworpen zijn aan ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-22/39 keuringen, teneinde na te gaan of ze voldoen aan de reglementaire bepalingen die erop van toepassing zijn. Deze keuringen worden uitgevoerd door instellingen die daartoe erkend zijn op grond van het koninklijk besluit van 23 december 1994. 13. De technische keuring van voertuigen betreft aldus de controle waarbij nagegaan wordt of een voertuig voldoet aan de reglementaire bepalingen, in het bijzonder de in het koninklijk besluit Technische Eisen opgenomen technische voorschriften die erop van toepassing zijn. De technische voorschriften die gecontroleerd worden bij een technische controle van een voertuig door een autokeuringscentrum bepalen of een keuringsbewijs uitgereikt wordt of niet. De beslissing waarbij een keuringsbewijs (al dan niet onder voorwaarden) toegekend of geweigerd wordt, is een louter declaratieve beslissing waarbij vastgesteld wordt of de in de regelgeving opgenomen voorschriften en voorwaarden zijn nageleefd. Indien het voertuig voldoet aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden, kan de gebruiker van het voertuig zich beroepen op een welbepaald recht, in casu het recht om het voertuig op de openbare weg te brengen. De keuringsinstelling vermag niet méér te doen dan vast te stellen of het voertuig al dan niet voldoet aan de technische eisen en, in overeenstemming daarmee, een keuringsbewijs al dan niet uit te reiken. Dat de keuringsinstelling de wettelijke en reglementaire bepalingen verkeerd zou interpreteren, toont niet aan dat zij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. De noodzaak tot interpreteren alvorens tot toepassing van de wettelijke bepalingen kan worden overgegaan, brengt niet met zich mee dat het om een discretionaire beoordelingsbevoegdheid zou gaan. Dat deze keuringsbevoegdheid een gebonden bevoegdheid is, wordt overigens bevestigd door het feit dat de verplichting tot het naleven van de technische voorschriften ook geldt indien een voertuig over een geldig keuringsbewijs beschikt. Artikel 26 van het koninklijk besluit Technische Eisen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-23/39 bepaalt dat geen voertuig op de openbare weg gebruikt mag worden indien het inzake onderhoud en werking in een staat verkeert waarbij de verkeersveiligheid in het gedrang komt of wanneer het niet voldoet aan de bepalingen van dit besluit en dit, ongeacht de keuringen uitgevoerd door de erkende instellingen. 14. Verzoeker voert evenwel aan dat het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het annulatieberoep niet bestaat in een subjectief recht, zijnde het recht om een keuringsbewijs te bekomen. Volgens verzoeker vraagt hij de Raad van State niet “om de bevestiging of toekenning van het subjectieve recht op (her)keuring van de oldtimer”, maar wel “om de onwettigheid van de administratieve rechtshandeling van zowel Autoveiligheid NV als het Vlaams Gewest” vast te stellen. Verzoeker voert aan dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen “enerzijds het verzoekschrift dat de toekenning van een subjectief recht op een keuringsbewijs beoogt (= subjectief contentieux) en anderzijds een verzoekschrift dat de nietigverklaring beoogt van de voorafgaande en discretionaire beslissing van verwerende partij waarvan het recht op het gunstig keuringsbewijs afhankelijk is”. In het specifieke geval van een vermoeden van niet-originaliteit van de oldtimer zou er immers in hoofde van de erkende keuringscentra geen gebonden bevoegdheid bestaan. Zo is verzoeker in hoofdzaak van mening dat de beslissing van de eerste verwerende partij dat de oldtimer niet-origineel is, en dit in weerwil van het homologatiedossier, een “constitutieve beslissing” vormt, genomen op basis van een discretionaire bevoegdheid. Naar eigen zeggen viseert verzoeker daarbij niet het gegeven dat de oldtimer niet had mogen worden afgekeurd, maar wel “de ‘werkelijke’ motieven voor herkeuring vanwege Autoveiligheid NV, m.n. het niet-origineel verklaren van de motor en de motorvoeding, die verzoekende partij een nadeel teweegbrengen dat enkel met de nietigverklaring kan worden hersteld”. Hij wenst met het verzoekschrift tot nietigverklaring teruggeplaatst te worden in de situatie waarin hij zich bevond vóór het nemen van de reeks bestreden beslissingen die onmiskenbaar in zijn nadeel zijn genomen. Deze retroactieve nietigverklaring houdt in dat alle voor verzoeker nadelige vaststellingen met betrekking tot de zogezegde niet-originele onderdelen van de oldtimer die in de computersystemen van de eerste verwerende partij opgeslagen zijn, dienen te worden verwijderd, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-24/39 zodat in de toekomst de oldtimer op een objectieve manier kan worden gekeurd door een erkend keuringsstation. 15. In de eerste plaats moet worden vastgesteld dat de stelling van verzoeker dat het werkelijke voorwerp van zijn annulatieberoep niet gelegen is in het recht om een keuringsbewijs te verkrijgen, niet volledig lijkt te stroken met de inhoud van zijn verzoekschrift. Door als zevende bestreden beslissing de impliciete weigeringsbeslissing aan te vechten van de eerste verwerende partij “om een keuringsbewijs voor twee jaar toe te kennen”, beoogt verzoeker wel degelijk de vaststelling van zijn recht om een keuringsbewijs voor twee jaar te verkrijgen. Daarnaast blijkt ook, wanneer de vraag rijst of hij nog over een actueel belang beschikt, gelet op de beslissing van het departement MOW van 13 oktober 2021, na advies van de oldtimercommissie, waarmee het voertuig aanvaard wordt als oldtimer, dat verzoeker zich erop beroept dat de beslissing van de oldtimercommissie niet het gehele voorwerp van het annulatieberoep bestrijkt. De derde bestreden beslissing van de eerste verwerende partij steunt volgens verzoeker immers op twee zelfstandige motieven en de beslissing van 13 oktober 2021 doet geen uitspraak over de “bevestiging motor: defecte, duidelijk en ernstig beschadigde bevestigingen”. Uit zijn antwoorden op de vraag naar het actueel belang blijkt aldus dat verzoeker niet langer van mening is dat slechts “terloops” de defecte en beschadigde bevestigingen worden vermeld, maar dat wel degelijk de beslissing tot het toekennen van een tijdelijk keuringsbewijs, op grond van defecte motorsteunen, het voorwerp van zijn annulatieberoep vormt. 16. Ook indien evenwel aangenomen moet worden dat het annulatieberoep ten aanzien van de eerste verwerende partij enkel en werkelijk de beslissing beoogt om de motor niet-origineel te verklaren, moet worden vastgesteld dat de keuringsinstelling ter zake niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt. IX-9798-25/39 De keuringsinstelling past in casu de regels toe die steunen op het koninklijk besluit Technische Eisen. Uit artikel 23, § 2, D, van het koninklijk besluit Technische Eisen volgt immers dat de minister de “modaliteiten” met betrekking tot de diverse uit te voeren keuringen bepaalt. Het koninklijk besluit van 23 december 1994 bepaalt in artikel 4 dat de keuringsinstellingen zich moeten schikken naar de richtlijnen van de bevoegde Vlaamse minister of zijn gemachtigde. Het kader waarin door de Vlaamse minister ter uitvoering van de voornoemde artikelen wordt voorzien voor de keuring van oldtimervoertuigen is opgenomen in een zogenaamde instructie. Aldus bevat de instructie VO/MOW/INS.TK/2020-01 aan de erkende instellingen voor automobielinspectie richtlijnen voor de keuring van oldtimervoertuigen ingeschreven onder een O-kentekenplaat (“Oldtimerinstructies 2020”). Bijlage 1 bij deze Oldtimerinstructies 2020 bevat de minimale elementen van een oldtimerdossier. Bijlage 2 bevat de te controleren punten, alsook de inhoud van de keuringspunten, de gebreken en de mogelijke sancties. Overeenkomstig artikel 5.2 van de Oldtimerinstructies 2020 wordt de periodieke oldtimerkeuring uitgevoerd conform bijlage 2, die steunt op bijlage 15 bij het koninklijk besluit Technische Eisen en die de inhoud van de keuringspunten, de gebreken en de mogelijke sancties eruit overneemt. Artikel 5.5 van de Oldtimerinstructies 2020 bepaalt dat indien tijdens de periodieke keuring wordt opgemerkt dat er wijzigingen, modificaties of aanpassingen zijn gebeurd aan het voertuig, er moet worden beoordeeld of het gaat om veilige of onveilige wijzingen, modificaties of aanpassingen. In de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-26/39 artikelen 5.5.1 en 5.5.2 worden voorbeelden gegeven van wijzigingen, modificaties en aanpassingen die respectievelijk als onveilig en veilig kunnen worden beschouwd. Als er twijfel bestaat over de vraag of er sprake is van een onveilige wijziging, modificatie of aanpassing van een onderdeel van de oldtimer, kan overeenkomstig artikel 5.5.3 van de Oldtimerinstructies 2020 rekening worden gehouden met een attest van de voertuigconstructeur of zijn mandataris. Indien de voertuigconstructeur of zijn mandataris via een attest stelt akkoord te gaan met of geen bezwaar heeft tegen een wijziging, modificatie of aanpassing van een onderdeel van het voertuig, dan wordt de modificatie als veilig beschouwd. Indien de voertuigconstructeur of zijn mandataris via een attest bevestigt dat de modificatie veilig is én dat de verkeersveiligheid niet in het gedrang wordt gebracht, dan wordt de modificatie eveneens als veilig beschouwd. De Oldtimerinstructies 2020 bepalen daarbij het volgende: “- Vervangingsonderdelen worden als veilig beschouwd indien een origineel attest van de fabrikant van het onderdeel kan worden voorgelegd waarin verklaard wordt dat de kwaliteit van het gewijzigde onderdeel dezelfde veiligheidsgaranties en kwaliteit biedt als het oorspronkelijke onderdeel. Dit attest bevat minstens een verwijzing naar het betreffende vervangingsonderdeel en het type voertuig waarop het is gemonteerd. - Een modificatie die aanvaard werd tijdens een vorige keuring blijft toegestaan, op voorwaarde dat de nodige documenten worden voorgelegd (afwijking van de overheid, attest fabrikant, tuningverslag, validatieverslag verlagingskit ophanging, Belgisch of buitenlands (binnen EER) kentekenbewijs).” Wanneer geen attest van de voertuigconstructeur of zijn mandataris of een ander document kan worden voorgelegd waaruit blijkt dat de wijziging als veilig kan worden beschouwd, wordt door het keuringscentrum overeenkomstig artikel 5.5.4 van de Oldtimerinstructies 2020 een dossier opgemaakt. Dit artikel bepaalt: IX-9798-27/39 “Dit dossier bestaat uit de elementen zoals opgesomd in bijlage 1 en wordt door het keuringscentrum via e-mail naar oldtimerdossier@mow.vlaanderen.be gestuurd. Het keuringscentrum levert een keuringsbewijs af met een geldigheid van 3 maanden met de volgende vermelding: B.627/1/3: OLDTIMER: Dossier in onderzoek (OLDTIMER: Dossier in onderzoek) (627/3). Het departement MOW onderzoekt het dossier en informeert het keuringscentrum van haar beslissing. Het keuringscentrum brengt de klant op de hoogte en levert de nodige documenten af.” 17. Verzoeker lijkt aan te voeren dat in casu de keuringsinstelling over een discretionaire bevoegdheid zou beschikken door te kunnen oordelen of al dan niet een wijziging is aangebracht. De vraag of al dan niet een wijziging of modificatie is aangebracht, veronderstelt een louter feitelijke vaststelling. De door verzoeker aangebrachte argumentatie dat de keuringsinstelling ten onrechte heeft geoordeeld dat de motor niet-origineel is, toont precies aan dat de keuringsinstelling een feitelijke vaststelling moet verrichten, maar geen beleidsruimte heeft om discretionair te bepalen of een motor al dan niet gewijzigd is. De vraag of een keuringsinstelling al dan niet ten onrechte meent dat een motor niet origineel is, is met andere woorden de vraag of de keuringsinstelling haar gebonden bevoegdheid op grond van juiste feitelijke vaststellingen heeft uitgeoefend. Verzoeker wil de Raad van State horen zeggen dat de beslissing onwettig is en vernietigd moet worden, omdat deze feitelijke vaststelling niet juist is (aangezien de motor wel origineel zou zijn) en op grond hiervan ten onrechte tot een tijdelijk keuringsbewijs wordt besloten. Verzoeker zoekt aldus de vaststelling van het subjectieve recht dat voortkomt uit het feit dat zijn voertuig, zoals hij aanvoert, voldoet aan de vereisten om een keuringsbewijs te krijgen. Het werkelijke voorwerp van het beroep is dus het horen vaststellen dat de eerste ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-28/39 verwerende partij het keuringsbewijs had moeten toekennen, omdat het steunen op de motivering dat de oldtimer niet origineel was, ofwel feitelijk onjuist was, ofwel in rechte niet juist was. 18. Daarnaast lijkt uit de argumenten van verzoeker eventueel te kunnen worden afgeleid dat de discretionaire bevoegdheid te situeren is op het ogenblik van de beoordeling of een aan het voertuig aangebrachte wijziging veilig is of niet. Enkel indien er twijfel bestaat over de vraag of er sprake is van een onveilige wijziging en die twijfel niet beslecht kan worden door een attest van de voertuigconstructeur of zijn mandataris, moet door het keuringscentrum een oldtimerdossier worden opgestart. In dat geval neemt het departement MOW een beslissing, na advies van de oldtimercommisie. De beoordeling van de veiligheid gebeurt door de keuringsinstelling volgens de daarvoor opgelegde regels (aan de hand van de voorbeelden en de mogelijke attesten). De omstandigheid dat de betrokken bepalingen zouden verwijzen naar open en niet- gedefinieerde begrippen of naar een te interpreteren begrip, zoals ‘veiligheid’, betekent niet dat de regelgever ter zake aan de overheid een discretionaire beleidsruimte heeft toegekend. 19. In een poging, in zijn laatste memorie, om zijn actueel belang aan te tonen, maakt verzoeker duidelijk dat het voorwerp van zijn beroep erin bestaat de “onwettige afkeuring” te bestrijden, waarbij de onwettigheid zowel zou schuilen in het onterecht vermelden van de defecte motorsteunen als het onterecht verwijzen naar een oldtimerdossier in onderzoek. Deze afkeuring is echter, zoals gesteld, geen constitutieve beslissing, maar een declaratieve beslissing, waarbij de keuringsinstelling op grond van de toepasselijke technische normen vaststelt of deze normen al dan niet zijn nageleefd. Dat de keuringsinstelling bij het nagaan van de naleving van de IX-9798-29/39 technische normen toepassing maakt van de oldtimerinstructies, neemt het gebonden karakter van haar bevoegdheid niet weg. 20. Ten aanzien van de tweede, sub 10 besproken voorwaarde dient vervolgens bij de beoordeling van het werkelijke en rechtstreekse voorwerp van het beroep onderzocht te worden welke de door de verzoekende partij ingeroepen middelen en aangevoerde onwettigheden zijn. Zoals vermeld heeft de Raad van State geen rechtsmacht wanneer de aangevoerde annulatiemiddelen worden afgeleid uit de schending van de rechtsregel welke de gebonden bevoegdheid van het bestuur vestigt, wanneer het ingeroepen annulatiemiddel gesteund is op een regel van materieel recht die de verplichting die overeenstemt met een subjectief recht in het leven roept en het geschil inhoudelijk bepaalt, of wanneer het annulatiemiddel rechtstreeks verplicht uitspraak te doen over het bestaan of over de draagwijdte van het subjectief recht. 21.1. Verzoeker voert in zijn verzoekschrift zes middelen aan. Hij maakt daarbij niet steeds een onderscheid al naargelang de middelen betrekking hebben op de beslissingen van de eerste of de tweede verwerende partij. 21.2. In het raam van de beoordeling van de rechtsmacht van de Raad van State voor het beroep voor zover het de beslissingen van de eerste verwerende partij betreft, moeten deze middelen enkel geanalyseerd worden in zoverre ze zich richten tegen intrinsiek aanvechtbare beslissingen van de eerste verwerende partij. In dit verband moet worden vastgesteld dat de eerste, de tweede en de vierde bestreden beslissing in elk geval niet als aanvechtbare administratieve rechtshandelingen kunnen worden beschouwd. De eerste bestreden beslissing betreft het keuringsbewijs met beperkte geldigheid van 27 juli 2020. Dit keuringsbewijs is zonder voorwerp geworden ingevolge de herkeuring die geleid heeft tot het keuringsattest van 25 IX-9798-30/39 augustus 2020. Zoals verzoeker in zijn verzoekschrift zelf erkent, vervangt de herkeuringsbeslissing van 25 augustus 2020, zijnde de derde bestreden beslissing, de initiële keuringsbeslissing van 27 juli 2020. De tweede bestreden beslissing betreft een brief van 20 augustus 2020 van de eerste verwerende partij met bijkomende toelichtingen en een verzoek om gegevens te bezorgen. Deze brief beoogt niet om nieuwe rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand zouden komen. Hoogstens kan de brief beschouwd worden als een louter bevestigende beslissing van de eerste bestreden beslissing. De vierde bestreden beslissing betreft een brief van 8 september 2020 van de eerste verwerende partij. Deze brief stelt expliciet dat “wij ons standpunt [behouden] van ons schrijven van 20.08.2020” en verzoekt opnieuw om bepaalde gegevens te bezorgen. Ook deze brief beoogt niet om nieuwe rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand zouden komen en kan hoogstens worden beschouwd als een louter bevestigende beslissing van de derde bestreden beslissing. 21.3. Het eerste middel roept de schending in van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en de beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Verzoeker voert de schending aan van “de formele motiveringsplicht, voortvloeiend uit art. 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; de materiële motiveringsplicht; artikel 17 van het KB van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de in het verkeer gebrachte voertuigen”. In het tweede middel wordt de eerste verwerende partij een schending verweten van de verplichting om technische herkeuringen als gedeeltelijke keuringen te beschouwen. Verzoeker voert de schending aan van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-31/39 “art. 23 [koninklijk besluit Technische Eisen] (Vlaams Gewest); art. 23bis § 1, 2° [koninklijk besluit Technische Eisen]”. Het derde middel steunt op een schending “van de verplichting om de Oldtimer enkel op verkeersveiligheid en niet op originaliteit te keuren n.a.v. een periodieke technische keuring en dit bovendien doen op basis van een niet aan [v]erzoekende partij overgemaakt homologatiedossier, terwijl later wordt bevestigd dat dit homologatiedossier deze gegevens niet eens bevat”. Verzoeker voert de schending aan van “artikel 2 § 2, 7° KB 15 maart 2018 (Vlaams Gewest); artikel 23bis § 3 [koninklijk besluit Technische Eisen]; artikel 23sexies § 1, 2°,
  5. b)[koninklijk besluit Technische Eisen] (Vlaams Gewest); artikel 26 [koninklijk besluit Technische Eisen]; Oldtimerinstructies 2020 en het patere legem quam ipse fecisti-beginsel; de regels inzake openbaarheid van bestuur, inzonderheid art. II.3 Bestuursdecreet van 7 december 2018”. Het vierde middel beroept zich op de schending “van de bevoegdheidsverdelende regels en de Grondwet door de Oldtimer niet te keuren op basis van de federale technische voorschriften”. Verzoeker voert hiervoor de schending aan van “art. 2, § 2, 7° [koninklijk besluit Technische Eisen]; art. 23 [koninklijk besluit Technische Eisen] (Vlaams Gewest); Oldtimerinstructies 2020; de bevoegdheidsverdelende regels, meer in het bijzonder art. 6 § 1, XII, 4° BWHI; artikel 10 en 11 van de Grondwet en het [sic] erin vervatte beginselen van gelijkheid en non-discriminatie; Richtlijn 2014/45/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 ‘betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens en tot intrekking van Richtlijn 2009/40/EG’]”. Het vijfde middel steunt verzoeker op de schending “van de verplichting om een keuringsbewijs van twee jaar af te leveren voor een Oldtimer met kleine gebreken”. Dit middel voert de schending aan van “Bijlage 1 bij het BVR van 27 april 2018, dat Bijlage 15 bij het [koninklijk besluit Technische Eisen] integraal vervangt; artikel 23 [koninklijk besluit Technische Eisen] IX-9798-32/39 (Vlaams Gewest); artikel 23ter [koninklijk besluit Technische Eisen]; artikel 23decies §§ 1-5 [koninklijk besluit Technische Eisen]; artikel 9 Europese Richtlijn 2014/45”. Een zesde middel tot slot ziet verzoeker in de schending “van het recht op vrij verkeer van goederen door voertuigen van historisch belang aan ongerechtvaardigd en onevenredig strenge keuringseisen te [onderwerpen], wat ongetwijfeld een negatieve impact heeft op de vermogenswaarde van de Oldtimer van [v]erzoekende partij”. Voor dit middel voert verzoeker de schending aan van “[h]et vrij verkeer van goederen (o.a. art. 28 VWEU)); [d]e verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer (o.a. art. 24 en 26 VWEU); [a]rtikel 3 Richtlijn 2014/45/EU; [a]rtikel 6, lid 5 en artikel 8, lid 9 van Europese Verordening 2018/858; [a]rtikel 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM)”. 22. Het eerste, het tweede, het derde en het vijfde middel hebben elk rechtstreeks betrekking op of worden rechtstreeks afgeleid uit de schending van de rechtsregels die de gebonden bevoegdheid van de eerste verwerende partij, en dus de daarmee overeenstemmende subjectieve rechten van verzoeker, vestigen. In het zesde middel wil verzoeker de Raad van State doen vaststellen dat de beslissingen van de eerste verwerende partij, genomen op grond van een gebonden bevoegdheid, in strijd zijn met de vermelde Europese regels. Aldus vraagt verzoeker de Raad van State andermaal uitspraak te doen over een beslissing die steunt op een gebonden bevoegdheid, zonder zelfs maar de regels die deze gebonden bevoegdheid vestigen ter sprake te brengen. Met het vierde middel, dat erop gericht is te doen vaststellen dat de Vlaamse Regering, in strijd met de bevoegdheidverdelende regels, bijkomende technische voorschriften heeft opgelegd aan de keuringsinstanties, beoogt verzoeker te bereiken dat de keuringsstations enkel de federale technische voorschriften moeten toepassen, met weglating van beweerdelijk toegevoegde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-33/39 Vlaamse regels. De toepassing door de autokeuringsinstellingen van deze federale voorschriften zou evenwel nog steeds een gebonden bevoegdheid betreffen, zodat de vraag of de Vlaamse voorschriften buiten toepassing zouden moeten worden gelaten, de Raad ertoe zou verplichten rechtstreeks uitspraak te doen over de rechtsregels die het subjectief recht en de gebonden bevoegdheid vestigen en aldus over het bestaan en de draagwijdte van het in het geding zijnde subjectief recht. 23. Het werkelijke voorwerp van het voorliggende beroep betreft bijgevolg een betwisting over een subjectief recht waarvoor de Raad van State op grond van de artikelen 144, eerste lid, en 145 van de Grondwet zonder rechtsmacht is. Op grond van die bepalingen zijn de hoven en rechtbanken bevoegd om kennis te nemen van geschillen over subjectieve rechten. Of de eerste verwerende partij van oordeel mocht zijn dat enkel een tijdelijk keuringsbewijs kon worden toegekend, de juiste feitelijke vaststellingen heeft gedaan en de toepasselijke technische voorschriften correct heeft geïnterpreteerd en toegepast, staat ter beoordeling van de bevoegde justitiële rechter, evenals de vraag of door die toepassing gebeurlijk een schending voorligt van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, het verbod van discriminatie of het beginsel van de rechtszekerheid, daarin begrepen het vertrouwensbeginsel, alsook de vraag of de keuringsinstelling toepassing heeft gemaakt van onwettige technische voorschriften. In het licht van het voorgaande dient te worden besloten dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om het vernietigingsberoep te behandelen voor zover het de beslissingen van de eerste verwerende partij betreft. 24. De door de verwerende partijen opgeworpen exceptie moet worden bijgevallen. IX-9798-34/39 Onverminderd de vaststelling dat niet elk van de bestreden beslissingen van de eerste verwerende partij een administratieve rechtshandeling vormt die rechtsgevolgen teweegbrengt, is het beroep tegen de eerste, de tweede, de derde, de vierde en de zevende bestreden beslissing onontvankelijk. V. Ontvankelijkheid (van de vijfde en de zesde bestreden beslissing) Standpunt van de partijen 25. De verwerende partijen werpen op dat de vijfde en de zesde bestreden beslissing geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen vormen en het beroep ertegen derhalve niet ontvankelijk is. Zij betwisten ook de mogelijkheid om deze beslissingen op ontvankelijke wijze aan te vechten in hetzelfde verzoekschrift waarmee de beslissingen van de eerste verwerende partij worden bestreden. 26. Verzoeker brengt tegen de eerste exceptie in dat de vijfde bestreden beslissing, die uitgaat van het Vlaamse Gewest, meer is dan een “louter informatieve mededeling”. Het departement MOW meent ten onrechte dat de wijze van brandstoftoevoer bij een homologatieprocedure niet moet worden nagegaan. Volgens verzoeker heeft precies dit tot de onderhavige procedure geleid. Indien er hetzij “carburator” hetzij “injectie” was vermeld in het PVG Enig Voertuig 1997 dan had zich geen enkele discussie kunnen ontspinnen over het al dan niet gemodificeerd zijn van de motor van de oldtimer. Volgens verzoeker is ook de zesde bestreden beslissing een aanvechtbare beslissing. Artikel 33/16 van het koninklijk besluit van 23 december 1994 bepaalt dat de door de minister aangewezen personeelsleden van het departement toezicht houden op de naleving van dit besluit. Volgens verzoeker valt het niet uit te leggen waarom de toezichthoudende overheid niet bevoegd zou zijn om beslissingen te hervormen indien zij in die hoedanigheid wordt geadieerd naar aanleiding van een klachtenprocedure die door diezelfde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-35/39 toezichthoudende overheid op haar website wordt voorgeschreven. Het is niet omdat het Vlaamse Gewest weigert zich inhoudelijk uit te spreken over de zaak, dat het Vlaamse Gewest dat niet had kunnen of zelfs moeten doen. In elk geval bestrijdt verzoeker de beslissing dat hij nog gegevens dient te bezorgen, nu hij dat reeds op 31 augustus 2020 had gedaan. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat de vijfde en de zesde bestreden beslissing een verband vertonen met de andere bestreden beslissingen en dat ze in het licht van de goede rechtsbedeling niet als onontvankelijk moeten worden beschouwd. Beoordeling 27. Alleen administratieve rechtshandelingen kunnen krachtens artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State het voorwerp zijn van een beroep tot nietigverklaring. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. Het beroep waarbij een handeling zonder rechtsgevolgen of een handeling die niet belet dat rechtsgevolgen ontstaan, wordt aangevochten, is niet ontvankelijk. 28. De vijfde bestreden beslissing is een brief van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaamse Gewest. Daarbij wordt verduidelijkt dat bij een homologatieprocedure niet wordt geverifieerd of een voertuig al dan niet over een injectiesysteem beschikt. De enige instantie die daarop een antwoord kan geven, is volgens deze brief de fabrikant of de mandataris van het merk. Daarvoor wordt doorverwezen naar KnowMotive. Zo deze brief al beschouwd zou kunnen worden als een beslissing waarbij geweigerd wordt om inzage te verlenen in ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-36/39 bestuursdocumenten, dan nog dient te worden vastgesteld dat het geen eindbeslissing is, aangezien de georganiseerde administratieve beroepsprocedure van artikel II.48 van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 niet was uitgeput op het ogenblik van het instellen van het vernietigingsberoep bij de Raad van State. Verzoeker heeft immers op 20 oktober 2020 een beroep ingesteld bij de beroepsinstantie Openbaarheid van Bestuur. Overigens heeft hij op 3 november 2020 afstand gedaan van dit beroep. 29. De zesde bestreden beslissing betreft een e-mail van het contactpunt van het departement Mobiliteit en Openbare Werken van het Vlaamse Gewest van 6 oktober 2020 met een verzoek om bepaalde informatie te bezorgen aan de eerste verwerende partij. Deze e-mail betreft een louter bijkomende toelichting en beoogt niet om nieuwe rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand zouden komen. 30. Het beroep tegen de vijfde en de zesde bestreden beslissing is niet gericht tegen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen en is alleen al om die reden niet ontvankelijk. VI. Schadevergoeding tot herstel 31. Verzoeker heeft in zijn laatste memorie om een schadevergoeding tot herstel verzocht. Op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de Raad een schadevergoeding toekennen indien de daarom verzoekende partij “een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing”. Artikel 25/3, § 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement) bepaalt dat “[i]ndien ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 IX-9798-37/39 geen onwettigheid wordt vastgesteld, […] het arrest dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af[wijst]”. Tot een vaststelling van een onwettigheid is de Raad van State in dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, niet gekomen. Die vaststelling alleen reeds volstaat om het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen. 32. Gelet op artikel 70, § 1, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, dienen het rolrecht en de bijdrage die verband houden met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel aan verzoeker te worden terugbetaald. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De Raad van State verwerpt het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel. 3. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 1540 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen, elk voor de helft. De onverschuldigde kosten inzake het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro, dienen aan de verzoekende partij te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: IX-9798-38/39 Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9798-39/39 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.276 Gerelateerde publicatie(
  6. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071220.11 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100611.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150219.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160908.8 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201127.REUN.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.