id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.277 Rolnummer: A. 235881/IX-10020 Zaak: Arrest 259277 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 27/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-04 Raadplegingen: 329 - laatst gezien 2026-06-18 18:57 Fiche Arrest nr 259.277 van 27 maart 2024 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.277 van 27 maart 2024 in de zaak A. 235.881/IX-10.020 In zake: K.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Inke Dedecker kantoor houdend te 3500 Hasselt Spoorwegstraat 105 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 maart 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de minister van Financiën van 11 januari 2022 waarbij aan verzoekster, adviseur bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, de verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het centrum Particulieren Leuven – afdeling Expertise – wordt opgelegd en haar administratieve standplaats wordt vastgesteld in Leuven. II. Verloop van de rechtspleging IX-10.020-1/64
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 december
- Staatsraad Wouter Pas heeft verslag uitgebracht. Advocaat Inke Dedecker, die verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster werkt als adviseur (klasse A3) bij het centrum Particulieren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit van de FOD Financiën te Mechelen. Daar is zij teamchef Team Controle 1 P centrum Mechelen. Een deel van haar taak bestaat uit het verrichten van controles, in het bijzonder bij artsen en kinesisten. IX-10.020-2/64 3.
- Verzoekster verricht een controle van de aangifte van de jaren 2017 en 2018 bij de belastingplichtige huisarts JC. Op 6 juni 2019 brengt verzoekster samen met een collega een controlebezoek aan diens boekhouder, JV. Het gesprek met de boekhouder verloopt moeizaam en volgens verzoekster weigert de boekhouder mee te werken. Een aantal facturen wordt meegenomen. Diezelfde dag neemt verzoekster contact op met de belastingplichtige huisarts en vraagt ze om een persoonlijk onderhoud zonder de boekhouder. Het gesprek tussen verzoekster en de huisarts vindt plaats op 28 juni 2019 in het kantoor van verzoekster en wordt beëindigd zonder akkoord. Later blijkt dat de huisarts een opname maakte van dit gesprek, zonder medeweten van verzoekster. Op 10 oktober 2019 zendt verzoekster aan de betrokken huisarts een bericht van wijziging van de aangifte in de personenbelasting, voor wat betreft de aanslagjaren 2017 en
- Op 28 oktober 2019 dient huisarts JC klacht in bij de FOD Financiën tegen verzoekster. Daarin klaagt hij de vooringenomenheid aan bij de selectie van zijn dossier, het niet-correcte verloop van de controle en het gebrek aan integriteit van verzoekster. Deze klacht wordt op 10 december 2019 ongegrond bevonden. Op 11 december 2019 dient huisarts JC een bijkomende klacht in en bezorgt hij een door hem uitgeschreven tekst van de geluidsopname van het gesprek van 28 juni
- Op 18 december 2019 wordt dit aangevuld met een video-opname in het postkantoor op het moment van ontvangst van de facturen en de geluidsopname van het gesprek van 28 juni
- IX-10.020-3/64 Gelet op die bijkomende stukken wordt het dossier bezorgd aan de cel Interne Inspectie van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit voor verder onderzoek. 3.
- Op 4 mei 2020 wordt de centrumdirecteur van het centrum Particulieren te Mechelen in kennis gesteld van het inspectieverslag van 29 april 2020 van de cel Interne Inspectie. Dit inspectieverslag stelt het volgende vast in hoofde van verzoekster: “• het niet correct/onvolledig opstellen van het proces-verbaal van retentie d.d. 7 juni 2019; • het maken van diverse opmerkingen tegen [JC] over zijn boekhouder, de heer [JV]; • het ‘onder druk zetten’ van desbetreffende belastingplichtige met een bericht van wijziging: het voorstellen van een akkoord dat dokter [JC] ‘hic et nunc’ diende te ondertekenen; in geval van geen akkoord zou een bericht van wijziging worden opgemaakt, welk ‘zwaarder’ zou zijn.” 3.
- Met een aangetekende brief van 9 juni 2020 nodigt de hiërarchisch overste verzoekster uit voor een tuchtverhoor dat moet plaatsvinden op 2 juli
- In deze brief worden de feiten weergegeven, die als volgt kunnen worden samengevat: het onder druk zetten van JC om een akkoordverklaring te tekenen onder dreiging van een verzending van een zwaarder bericht van wijziging met belastingverhoging, onder voorwaarde dat het akkoord onmiddellijk zou worden getekend en niet zou worden besproken met diens gevolmachtigde; niet-professionele communicatie tegenover de belastingplichtige en in het bericht van wijziging; het niet naleven van de voorschriften opgenomen in de controlerichtlijnen die van toepassing zijn op deze controle en onjuistheden of onnauwkeurigheden in de door verzoekster opgemaakte schriftelijke stukken. Op vraag van verzoekster en om medische redenen wordt het tuchtverhoor uitgesteld tot 19 oktober
- Op 29 september 2020 vraagt IX-10.020-4/64 verzoekster opnieuw om uitstel van het verhoor naar januari 2021, gelet op een waarschijnlijke verlenging van haar ziekteverlof, de korte termijn van werkhervatting vóór het geplande verhoor en het “lijvige dossier” dat zij nog moet doornemen en bespreken met haar raadsman. Op 17 november 2020 deelt de hiërarchisch overste aan verzoekster 5 januari 2021 als nieuwe datum van verhoor mee. Een nieuw uitstel zal niet meer worden toegestaan, om de zaak binnen een redelijke termijn te kunnen afhandelen en aangezien ook een schriftelijk verweer mogelijk is. Verzoekster opteert voor een schriftelijk verweer. Op 4 januari 2021 bezorgt verzoekster de verweernota aan de verwerende partij. 3.
- Op 15 april 2021 stuurt de hiërarchisch overste het tuchtdossier door naar de dienst Integriteit van de stafdienst Personeel en Organisatie van de FOD Financiën. Het dossier wordt bij het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aanhangig gemaakt op 16 april
- Met een aangetekende brief van 10 juni 2021 wordt verzoekster uitgenodigd voor een hoorzitting op 8 juli 2021 bij het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit omtrent de feiten zoals omschreven in de brief van 9 juni
- 3.
- Op 8 juli 2021 wordt verzoekster verhoord en legt zij een verweernota neer. In het proces-verbaal van het verhoor worden de feiten als volgt samengevat: “
- [H]et onder druk zetten van belastingplichtige [JC] in een 1 op 1 onderhoud in het kantoor van [verzoekster];
- zeer onprofessioneel communiceren (zowel mondeling als schriftelijk);
- het niet naleven van de voorschriften opgenomen in de IX-10.020-5/64 controlerichtlijnen waardoor ten onrechte een hoge supplementaire aanslag werd gevestigd;
- onjuistheden of onnauwkeurigheden in de door [verzoekster] opgemaakte schriftelijke stukken.” 3.
- Het beheerscomité stelt vervolgens voor om aan verzoekster de ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ naar het centrum Particulieren Leuven, afdeling Expertise, op te leggen. Met een aangetekende brief met bericht van ontvangst van 16 juli 2021 wordt dit voorstel aan verzoekster ter kennis gebracht. IX-10.020-6/64 Het voorstel vermeldt dat volgende feiten in aanmerking worden genomen: “
- het onder druk zetten van belastingplichtige [JC] in een 1 op 1 onderhoud;
- zeer onprofessioneel communiceren (zowel mondeling als schriftelijk).” De tuchtmaatregel ‘verplaatsing’ wordt als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten, een tuchtstraf met tastbare gevolgen moet worden opgelegd; dat zij immers tegenover een belastingplichtige een volledig fout beeld heeft gecreëerd van de FOD Financiën; dat de FOD Financiën waarden als ‘dienstbaar’, ‘correct’ en ‘integer’ hoog in het vaandel draagt; dat het gedrag van [verzoekster] in dit dossier helemaal niet beantwoordt aan deze waarden; Overwegende dat, rekening houdende met de verzachtende omstandigheden, de oplegging van de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel het best beantwoordt aan de betrachtingen van de Administratie en bovendien in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde feiten; Overwegende dat het Beheerscomité bij de bepaling van de mogelijke nieuwe administratieve standplaats van [verzoekster] - en dus niet met de bepaling van de strafmaat - rekening kan en mag houden met de conclusies van een onderzoek, ingesteld door de Interne Dienst voor Bescherming en Preventie op het werk naar het welzijn van de medewerkers van het team waarvan [verzoekster] teamchef is; dat het resultaat van dit onderzoek meerdere ernstige en zwaarwichtige elementen blootlegt met betrekking tot het functioneren van [verzoekster] als teamchef; dat het de bedoeling was van de hiërarchie om dit verslag bespreekbaar te maken met [verzoekster]; dat zij werd uitgenodigd voor een bespreking van dit dossier op 3 mei 2021; dat betrokkene niet op dit verzoek is ingegaan, met als motivering haar afwezigheid wegens ziekte; dat de conclusie van het onderzoek is dat er een vertrouwensbreuk is met de medewerkers; dat deze vertrouwensbreuk een verdere samenwerking onmogelijk maakt; dat ook het vertrouwen met haar hiërarchie is geschonden; dat er wordt voorgesteld om [verzoekster] uit de rol van teamchef te halen en haar in te zetten in een andere takenpakket, met een heroriëntering buiten het centrum Particulieren Mechelen; Overwegende dat de heroriëntering naar een ander centrum Particulieren dan Mechelen mede gebaseerd is op het feit dat de Administratie zoveel mogelijk wil vermijden dat [verzoekster] enerzijds nog in contact komt met een boekhouder waarmee voor haar elke samenwerking uitgesloten is en anderzijds met een boekhouder waarmee ze blijkbaar een bevoorrechte IX-10.020-7/64 relatie heeft; dat de Administratie op die manier wil garanderen dat betrokken ambtenaar haar taken objectief en neutraal uitvoert; Overwegende dat er ook van de kant van [verzoekster] een probleem is naar de hiërarchie toe; dat dit blijkt uit haar voor het Beheerscomité afgelegde verklaring betreffende de in haar ogen niet correcte houding van de hiërarchie, die zelfs dieper zit dan het tuchtdossier op zich; Overwegende dat een verplaatsing naar een ander centrum van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit als gepast voorkomt.” 3.
- Op 3 augustus 2021 deelt verzoekster mee dat zij wenst te worden gehoord door de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren en verzoekt zij om inzage van het dossier. Verzoekster ontvangt met een e-mail van 9 september 2021 een kopie van het tuchtdossier. Op 14 september 2021 deelt zij een beroepsschrift mee. Op 21 oktober 2021 wordt verzoekster gehoord door de raad van beroep. 3.
- Op 21 oktober 2021 acht de raad van beroep de feiten bewezen en adviseert hij om aan verzoekster als tuchtstraf de ‘terechtwijzing’ op te leggen. Het advies luidt als volgt: “Overwegend dat de Raad van oordeel is dat in deze zaak geen nieuwe feiten ten laste worden gelegd van de appellant maar dat enkel als antwoord op het door de verdediging gevoerde verweer inzake de onberispelijke staat van dienst en blanco tuchtverleden van de appellant, door de administratie toelichting wordt gegeven over het functioneren van de betrokkene; Overwegende dat hiermee geen nieuw tuchtfeit wordt toegevoegd en de Raad zich enkel uitspreekt over het onder druk zetten van belastingsplichtige [JC] in een 1 op 1 onderhoud en het zeer onprofessioneel communiceren; Overwegende dat wat het bewijs van de ten laste gelegde feiten betreft, de Raad van oordeel is dat gelet op het arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2015, AR .P. 15.0880.N, AC 2015, nr. 684 met concl. van advocaat-generaal m.o. Winants, noch art. 8.1 EVRM noch art. 314bis,§1 van het Strafwetboek het louter opnemen van een gesprek door een deelnemer aan dit gesprek zonder medeweten van de andere deelnemers beletten; Overwegende dat het hogervermeld arrest tevens stelt dat hij die met het oog op de bewijsvoering in een geschil waarbij de deelnemers aan een gesprek betrokken zijn, gebruik maakt van een door hem gemaakte IX-10.020-8/64 opname van dat gesprek waaraan hij heeft deelgenomen, niet handelt met het door artikel 314bis, § 2, tweede lid, Strafwetboek bedoelde bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden; Overwegende dat deze rechtspraak ook van toepassing is op tuchtvervolgingen zodat derhalve dit bewijs rechtmatig is en de opname dan ook door de tuchtoverheid wel degelijk kon worden gebruikt in het tuchtonderzoek; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat de redelijke termijn niet werd geschonden en moet beoordeeld worden rekening houdende met de omstandigheden van de zaak, de houding van de overheid, de houding van de betrokken ambtenaar, het gevoerde verweer, de complexiteit van het dossier; Overwegende dat de Raad van oordeel is dat rekening houdende met al deze elementen er geen schending van de redelijke termijn voorhanden is; […] Vervolgens gaat de Raad over tot de geheime stemming over de voorgestelde tuchtstraf; Overwegende dat de Raad zich vervolgens bij geheime stemming uitspreekt over de vraag of de voorgestelde tuchtstraf van ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ de meest aangewezen tuchtstraf is voor de ten laste gelegde en als bewezen verklaarde feiten; Overwegende dat de Raad na geheime stemming met 1 stem ja tegenover 6 stemmen neen van oordeel is dat ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ niet de meest aangepaste tuchtstraf is; Overwegende dat de Raad na geheime stemming met 2 stemmen ja tegenover 5 stemmen neen van oordeel is dat ‘inhouding van wedde’ niet de meest aangepaste tuchtstraf is; Overwegende dat de Raad na geheime stemming met 5 stemmen ja tegenover 2 stemmen neen van oordeel is dat ‘terechtwijzing’ de meest aangepaste tuchtstraf is; Om deze redenen, Brengt de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren het advies uit dat het ingestelde beroep ontvankelijk is, en tevens gegrond. Adviseert de Raad van Beroep om het voorstel van tuchtstraf ‘de verplaatsing bij tuchtmaatregel’ te hervormen naar de tuchtstraf ‘terechtwijzing’.” 3.
- Op 9 november 2021 wordt aan de minister van Financiën het advies van de raad van beroep meegedeeld. 3.
- Op 25 november 2021 ontvangt verzoekster vanwege de centrumdirecteur van het Centrum P Mechelen een uitnodiging om een verslag te bespreken van de dienst Interne Bescherming en Preventie op het Werk die een onderzoek heeft gevoerd naar het “Welzijn van [verzoeksters] medewerkers van IX-10.020-9/64 Team P Mechelen Controle 1”. Verzoekster kan nog geen datum vastleggen wegens haar gezondheidstoestand en verzoekt om een kopie van het verslag. Dit wordt haar op 15 december 2021 per e-mail bezorgd. 3.
- Op 11 januari 2022 besluit de minister van Financiën het advies van de raad van beroep niet te volgen en aan verzoekster de tuchtstraf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het centrum Particulieren Leuven – afdeling Expertise – op te leggen, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de ondertekening van het besluit en de administratieve standplaats van verzoekster vanaf dezelfde datum te Leuven vast te stellen. De beslissing luidt als volgt: “Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, inzonderheid deel X - Tuchtregeling; Gelet op het ministerieel besluit van 30 november 2016 tot aanwijzing, bij de Federale Overheidsdienst Financiën, van de bevoegde hiërarchische meerderen voor de toepassing van artikel 78 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; Gelet op het koninklijk besluit van 22 april 2020 houdende de bijzondere maatregelen voor de personeelsleden van het federaal openbaar ambt in het kader van de gezondheidscrisis ten gevolge van het coronavirus COVID-19; Overwegende dat [verzoekster], hierna vermeld, per aangetekend schrijven met ontvangstbewijs van 9 juni 2020, door [TE], adviseur- generaal bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit (centrum Particulieren Mechelen), werd opgeroepen om, om tuchtredenen, op 2 juli 2020 gehoord te worden over tenlasteleggingen die als volgt kunnen worden samengevat:
- het onder druk zetten van belastingplichtige [JC] in een 1 op 1 onderhoud in het kantoor van [verzoekster];
- zeer onprofessioneel communiceren (zowel mondeling als schriftelijk);
- het niet naleven van de voorschriften opgenomen in de controlerichtlijnen waardoor ten onrechte een hoge supplementaire aanslag werd gevestigd;
- onjuistheden of onnauwkeurigheden in de door [verzoekster] opgemaakte schriftelijke stukken; Overwegende dat de raadsvrouw van [verzoekster] tot tweemaal toe heeft verzocht om het verhoor uit te stellen wegens ziekte van haar cliënt; dat het verhoor dan ook werd verschoven naar respectievelijk 9 oktober 2020 en 5 januari 2021; dat ter gelegenheid van het tweede uitstel werd meegedeeld dat een nieuw uitstel van het verhoor niet zou worden IX-10.020-10/64 geaccepteerd, maar dat wel de mogelijkheid van een schriftelijke verdediging werd voorzien; dat de verdediger heeft ingestemd om in te gaan op het voorstel van een schriftelijke verdediging; dat deze schriftelijke verdediging werd ontvangen op 4 januari 2021; Gelet op de verklaringen van [verzoekster] en haar verdediger in de schriftelijke verdediging van 4 januari 2021; Overwegende dat het tuchtdossier op 16 april 2021 werd toegezonden aan de hogere overheid; Overwegende dat [verzoekster] bij aangetekend schrijven van 10 juni 2021 werd uitgenodigd voor de zitting van het Beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit van 8 juli 2021; Gehoord op 8 juli 2021 [verzoekster], bijgestaan door meester [ID]; Gelet op het ter zake opgemaakte proces-verbaal; Overwegende dat het Beheerscomité heeft geoordeeld dat de volgende feiten in aanmerking kunnen worden genomen als bewezen tuchtfeiten :
- het onder druk zetten van belastingplichtige [JC] in een 1 op 1 onderhoud in het kantoor van [verzoekster];
- zeer onprofessioneel communiceren (zowel mondeling als schriftelijk); Overwegende dat het Beheerscomité tijdens de zitting van 8 juli 2021, bij geheime stemming, met vijf
(5)stemmen voor, één
(1)stem tegen en één
(1)onthouding voorstelde om aan [verzoekster] de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het centrum Particulieren Leuven, afdeling Expertise, op te leggen; Gelet op de kennisgeving van dit voorstel aan betrokken ambtenaar bij aangetekende brief van 16 juli 2021, door middel van een bulletin tot kennisgeving nr. 533; Overwegende dat [verzoekster] op 3 augustus 2021 via dit bulletin tot kennisgeving heeft laten weten dat zij wenste gehoord te worden door de Raad van Beroep; Overwegende dat voormelde Raad, tijdens zijn zitting van 21 oktober 2021, na geheime stemming, van oordeel was: - met vijf
(5)stemmen ja, tegen twee
(2)stemmen neen, dat de feiten naar voldoening van recht bewezen zijn; - met één
(1)stem ja, tegen zes
(6)stemmen neen, dat de ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ niet de meest aangepaste straf is; - met twee
(2)stemmen ja, tegen vijf
(5)stemmen neen, dat de ‘inhouding van wedde’ niet de meest aangepaste tuchtstraf is; - met vijf
(5)stemmen ja, tegen twee
(2)stemmen neen, dat de ‘terechtwijzing’ de meest aangepaste tuchtstraf is; Overwegende dat [verzoekster], naar aanleiding van haar opmerking dat ze zich niet had kunnen voorbereiden op het verhoor bij het Beheerscomité wegens geen toegang tot het informaticasysteem van de FOD Financiën, via e-mail van 23 juni 2021 van [TE] wel degelijk op de hoogte werd gebracht van de te hanteren werkwijze om toegang te krijgen tot dit systeem van de FOD Financiën; dat ze van deze mogelijkheid blijkbaar geen gebruik heeft gemaakt of heeft willen maken; IX-10.020-11/64 Overwegende dat de regels over het bewijs in tuchtzaken vergelijkbaar zijn met de regels over het bewijs in strafzaken; dat de principes die gelden in strafzaken in verband met het bewijs dan ook toepasselijk zijn in tuchtzaken; dat in de regel alle bewijsmiddelen zijn toegelaten in de mate dat zij rechtmatig zijn verkregen; dat de tuchtrechter het bewijs van de feiten kan steunen op alle rechtmatig verkregen bewijs, inclusief vermoedens; dat de tuchtoverheid in het bijzonder rekening dient te houden met de zorgvuldigheidsplicht om zodoende tot een zorgvuldige feitenvinding te komen; dat de tuchtoverheid niet enkel de elementen à charge in zijn beoordeling dient te betrekken, maar ook rekening moet houden met eventuele gegevens à décharge; Overwegende dat, gelet op het arrest van het Hof van Cassatie van 17 november 2015, noch artikel 8.1 EVRM, noch artikel 314bis, § 1, van het Strafwetboek het louter opnemen van een gesprek door een deelnemer aan dit gesprek zonder medeweten van de andere deelnemers beletten; dat voornoemd arrest van het Hof van Cassatie tevens stelt dat hij die met het oog op de bewijsvoering in een geschil waarbij de deelnemers aan een gesprek betrokken zijn, gebruik maakt van een door hem gemaakte opname van dat gesprek waaraan hij heeft deelgenomen, niet handelt met het door artikel 314bis, § 2, tweede lid, van het Strafwetboek bedoelde bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden; dat het bewijs derhalve rechtmatig is; dat [verzoekster] geen elementen aanbrengt die het geloofwaardig maken dat de opname gemanipuleerd werd of onvolledig is en dat de opname hierdoor niet langer betrouwbaar is; dat dit geen louter formeel criterium is; Overwegende dat [verzoekster] zich niet om privéredenen bij de belastingplichtige bevond, maar enkel om haar beroepsplichten na te komen; dat het gesprek met de belastingplichtige derhalve beroepsmatig werd gevoerd; dat het geen gesprek betrof in de privésfeer zodat niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een schending van de privacy of van de privacy-verwachting van [verzoekster]; dat de vaststelling dat zij er bij de betrokken belastingplichtige had op aangedrongen dat het onderhoud zou plaatsvinden in afwezigheid van de boekhouder van de betrokken belastingplichtige, aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat het immers duidelijk is dat zij had aangedrongen op het gesprek met het oog op de controle van de belastingaangifte van de belastingplichtige en derhalve als belastingambtenaar deelnam aan het gesprek; Overwegende dat de geluidsopname niet werd gemaakt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden; dat uit de opname duidelijk blijkt dat de belastingplichtige met [verzoekster] een akkoord wilde sluiten over zijn fiscale situatie; dat dit pas bij ontvangst van het bericht van wijziging onmogelijk bleek te zijn; dat het dan ook logisch is dat pas dan de opname werd doorgespeeld, te meer daar in de opname ook duidelijk de argumenten staan waarom hij het niet eens was met de voorgelegde taxatie; dat de mededeling van de opname derhalve gebeurde in het kader van een legitieme bezorgdheid van de belastingplichtige; IX-10.020-12/64 Overwegende dat de geluidsopname kan worden gekenmerkt als een persoonsgegeven; dat de opname echter niet werd gemaakt door de fiscale overheid zelf, maar wel door een belastingplichtige; dat niet blijkt dat [verzoekster] een actie heeft ondernomen tegen de belastingplichtige met het oog op de toepassing van de sanctiemogelijkheden voorzien in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG); dat er louter wordt gesteld dat de opname door de belastingplichtige niet is gebeurd in overeenstemming met de toepasselijke regels van de AVG; Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, de geluidsopname door de tuchtoverheid wel degelijk kon worden gebruikt in het tuchtonderzoek; Overwegende dat de opmerking van [verzoekster] dat zij door haar hiërarchie en collega’s niet werd gecontacteerd tijdens haar ziekteverlof niet strookt met de werkelijkheid; dat er in eerste instantie op wordt gewezen dat volgens de ter zake geldende reglementering een ambtenaar in ziekte en ook bij elke verlenging van een lopende ziekteperiode zijn rechtstreekse chef telefonisch moet verwittigen; dat dit voor de eerste ziekteperiode en voor de verlengingen van de ziekte geen enkele keer telefonisch is gebeurd; dat [verzoekster] zich telkens beperkte tot een kort bericht; dat haar in enkele gevallen kort voor het verstrijken van haar ziekteverlof zelfs expliciet moest gevraagd worden naar informatie; dat dit door de hiërarchie werd aangevoeld als een signaal dat ze zelf geen telefonisch contact wenste; dat de hiërarchie haar in oktober 2020 een beterschapskaartje stuurde; dat er in november 2020 naar aanleiding van het overlijden van haar vader een deelnemingskaartje werd gestuurd; dat hierop enkel een korte reactie werd ontvangen via één van de collega’s van haar team die liet weten dat ze bedankte; dat er van haar kant zelf geen enkele rechtstreekse reactie (via mail, sms of telefoon) is gekomen; dat deze manier van omgaan het gevoel van de hiërarchie bevestigde dat [verzoekster] het contact tot een minimum wilde beperken; dat de hiërarchie dit wilde respecteren; dat dit door [B] in haar e-mail van 29 april 2021 werd meegedeeld aan de advocate van [verzoekster]; dat de advocate in haar e-mail van 30 april 2021 hierop reageerde met de mededeling dat haar cliënte en zijzelf hierover geen verdere polemiek wensten te voeren; Overwegende dat de middelen die [verzoekster] heeft ingezet tijdens een bespreking op 28 juni 2019 in het kader van de controle van het fiscaal dossier van [JC] ongeoorloofd en buiten proportie zijn en een schending uitmaken van het statuut van het rijkspersoneel; dat het tuchtdossier immers aantoont dat [JC] van [verzoekster] de keuze kreeg: - ofwel toezeggen en een akkoord tekenen zonder tussenkomst van zijn boekhouder en zonder dat de inhoud van het akkoord gekend was; - ofwel een zwaar bericht van wijziging incasseren waarin niet alleen alle kosten zouden worden verworpen maar ook de inkomsten zouden worden verhoogd en er bovendien een bijkomende belastingverhoging zou worden opgelegd als een soort bijkomende boete of sanctie; Overwegende dat het onaanvaardbaar is dat een fiscaal ambtenaar elk contact weigert met de raadgever van de belastingplichtige; dat dit des te IX-10.020-13/64 meer klemt wanneer die belastingplichtige duidelijk aangeeft dat hij geen kaas heeft gegeten van fiscaliteit; Overwegende dat [verzoekster] derhalve geen blijk heeft gegeven van integer gedrag; dat haar houding het vertrouwen schendt dat de belastingplichtige heeft in de FOD Financiën; dat zij hierdoor het statuut van het rijkspersoneel heeft geschonden, meer bepaald artikel 7, § 1, en artikel 8, § 2, evenals twee hoofdwaarden van de FOD Financiën (‘Integer’ en ‘Correct’); Overwegende dat er overduidelijk sprake is van niet-professionele communicatie in hoofde van [verzoekster]; dat zij zeventien
(17)keer een negatieve opmerking maakte over [JV], boekhouder van [JC]; dat zij bovendien tegenover de belastingplichtige meermaals expliciet de naam noemt van een andere accountant; dat ze die persoon als het ware suggereert als alternatief voor [JV], vermits ze daarbij nog opmerkt dat de door haar genoemde accountant wel akkoorden kan sluiten; dat [verzoekster] zich hierdoor plaatst in een toestand van belangenconflict en daardoor artikel 9, § 1, van het statuut van het rijkspersoneel overtreedt; dat ze door de gedane uitspraken minstens de gewettigde verdenking doet ontstaan dat ze niet onpartijdig en niet objectief is bij de uitoefening van haar ambt; Overwegende dat uit de opname bovendien blijkt dat [verzoekster] ook negatieve opmerkingen maakt over haar hiërarchie; dat ze hierdoor ook artikel 7, § 2, 2de lid, van het statuut schendt; dat haar uitspraken immers getuigen van weinig hoffelijkheid, respect en loyauteit; Overwegende dat de redelijke termijn niet geschonden is; dat deze moet beoordeeld worden rekening houdende met de omstandigheden van de zaak, de houding van de overheid, de houding van de betrokken ambtenaar, het gevoerde verweer, de complexiteit van het dossier; dat er, rekening houdende met al deze elementen, geen schending van de redelijke termijn voorhanden is; Overwegende dat er in het verloop van de tuchtprocedure geen nieuwe feiten ten laste van [verzoekster] werden gelegd; dat door de Administratie enkel toelichting werd gegeven als antwoord op het door betrokkene gevoerde verweer met betrekking tot haar staat van dienst, die onberispelijk zou zijn geweest; dat hiermee geen nieuw tuchtfeit werd toegevoegd; Overwegende dat rekening moet worden gehouden met het blanco tuchtverleden van [verzoekster]; Gelet op artikel 14 van het statuut van het rijkspersoneel dat bepaalt dat een inbreuk op de bepalingen van onder meer de artikelen 7, 8 en 9 van het statuut aanleiding kan geven tot het opleggen van een tuchtstraf; Overwegende dat de Raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren in zijn advies niet expliciet motiveert waarom de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel niet evenredig zou zijn met de vastgestelde en bewezen feiten; IX-10.020-14/64 Overwegende dat, gelet op de aard en de ernst van de feiten, een tuchtstraf met tastbare gevolgen moet worden opgelegd; dat een morele tuchtstraf niet in verhouding staat tot de ernst van de verweten feiten; dat zij immers tegenover een belastingplichtige een volledig fout beeld van de FOD Financiën heeft gecreëerd; dat de FOD Financiën waarden als ‘correct’ en ‘integer’ hoog in het vaandel draagt; dat het gedrag van [verzoekster], zoals blijkt uit het dossier, helemaal niet beantwoordt aan deze waarden; Overwegende bovendien dat [verzoekster] tijdens de zitting van de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren verklaarde dat zij geen steun krijgt van haar hiërarchie, noch van haar medewerkers en dat ze zei van oordeel te zijn dat het moeilijk wordt om opnieuw goed te functioneren wanneer zij terug naar haar vroegere werkplek zou gaan; dat [verzoekster] op die manier zelf heeft aangegeven dat een verdere samenwerking met haar medewerkers en haar hiërarchie bij het centrum Particulieren Mechelen helemaal niet evident is; dat het derhalve zowel in het belang van betrokkene zelf, als in het belang van de Administratie is om [verzoekster] te verplaatsen naar een ander centrum Particulieren; dat de heroriëntering naar een ander centrum Particulieren mede gebaseerd is op het feit dat de Administratie zoveel mogelijk wil vermijden dat [verzoekster] enerzijds nog in contact komt met een boekhouder waarmee voor haar elke samenwerking uitgesloten is, en anderzijds ook met een boekhouder waarmee ze mogelijk een bevoorrechte relatie heeft; dat de Administratie op die manier wil garanderen dat zij als ambtenaar haar taken objectief en neutraal uitvoert; Overwegende dat een verplaatsing naar een ander centrum Particulieren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit derhalve als gepast voorkomt en bovendien in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde feiten; Overwegende dat de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het centrum Particulieren Leuven, afdeling expertise, onder een andere hiërarchie, voor [verzoekster] daarenboven een nieuwe start kan zijn; dat de impact van een tewerkstelling in Leuven eerder beperkt is zowel wat de afstand (6 kilometers meer) als de tijdsbesteding met het openbaar vervoer (6 minuten langer) betreft; Op voorstel van het Beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, Besluit: Artikel
- Aan [verzoekster], adviseur bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, wordt de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het centrum Particulieren Leuven - afdeling Expertise - opgelegd, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de ondertekening van dit besluit. Art.
- De administratieve standplaats van betrokkene wordt vanaf dezelfde datum te Leuven vastgesteld.” Dat is de bestreden beslissing. IX-10.020-15/64 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de verwerende partij
- De verwerende partij werpt de vraag op, onder verwijzing naar de artikelen 1 en 85 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement), in welke mate verzoekster een ontvankelijk beroep heeft ingeleid. De verwerende partij ontving immers een verzoekschrift dat noch door verzoekster noch door een raadsman werd ondertekend, hetgeen nochtans een substantieel vormvoorschrift betreft dat op straffe van nietigheid is voorgeschreven. Bovendien werd het document niet als eensluidend gewaarmerkt. Beoordeling
- Artikel 85bis, § 1, van het algemeen procedurereglement bepaalt dat de elektronische procesvoering gebruikt wordt in alle zaken waarin een partij daarop een beroep doet. Krachtens artikel 85bis, § 3, eerste lid, van hetzelfde reglement vereist elektronische procesvoering dat de gebruiker zich voorafgaandelijk registreert op de website van de Raad van State. Overeenkomstig artikel 85bis, § 5, eerste en tweede lid, van het algemeen procedurereglement wordt elk processtuk dat op de website van de Raad van State wordt neergelegd, geacht het origineel van dat stuk te zijn. Elk processtuk wordt, tenzij het elektronisch werd ondertekend, geacht ondertekend te zijn overeenkomstig artikel 1 van het algemeen procedurereglement door de registratiehouder die het heeft neergelegd.
- Gelet op de door verzoekster gebruikte elektronische procesvoering is voldaan aan artikel 1 van het algemeen procedurereglement, dat IX-10.020-16/64 vereist dat een zaak aanhangig gemaakt wordt bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State door middel van een verzoekschrift ondertekend door de partij of door een advocaat.
- De exceptie van onontvankelijkheid wordt verworpen. IX-10.020-17/64 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 8.
- In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van artikel 81 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ (hierna: het statuut van het Rijkspersoneel), aangezien de minister aan verzoekster een zwaardere tuchtstraf heeft opgelegd dan de tuchtstraf die werd geadviseerd door de raad van beroep (‘terechtwijzing’). 8.
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoekster aan deze argumentatie toe dat artikel 81, §1, van het statuut van het Rijkspersoneel op algemene wijze bepaalt dat de “bevoegde overheid” geen zwaardere tuchtstraf kan uitspreken dan “die welke voorgesteld is”. Volgens verzoekster is de minister van Financiën de bevoegde overheid en deed de raad van beroep een voorstel. 8.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster nog dat het gegeven dat artikel 79, § 4, van het statuut van het Rijkspersoneel voorziet in een mogelijkheid tot beroep tegen het voorstel van tuchtstraf bij de raad van beroep, impliceert dat hetgeen in beroep door de raad van beroep wordt beslist, eveneens de waarde heeft van een voorstel. Beoordeling
- Titel 1 van deel X van het statuut van het Rijkspersoneel regelt de tuchtstraffen. Krachtens artikel 78, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel wordt de tuchtstraf, wat de ambtenaren van niveau A aangaat, uitgesproken door de minister, behalve het ontslag van ambtswege en de afzetting die door de Koning worden opgelegd. IX-10.020-18/64 Overeenkomstig artikel 78, § 5, van het statuut van het Rijkspersoneel stuurt de hiërarchisch meerdere het dossier naar het directiecomité. Artikel 79, § 3, eerste lid, van het statuut van het Rijkspersoneel stelt dat binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het directiecomité is ingediend, deze een ‘voorstel van tuchtstraf’ doet en het voorstel betekent aan de ambtenaar binnen vijftien dagen. Met betrekking tot het voorstel van tuchtstraf bepaalt artikel 81, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel dat de bevoegde overheid – zijnde overeenkomstig artikel 78, § 1, de minister – geen zwaardere tuchtstraf kan uitspreken dan die welke voorgesteld is. Op grond van artikel 79, § 4, van het statuut van het Rijkspersoneel kan de ambtenaar binnen twintig dagen die volgen op de betekening van het voorstel van tuchtstraf tegen dit voorstel beroep aantekenen bij de bevoegde raad van beroep. De werkwijze en bevoegdheden van die beroepsinstantie zijn geregeld in titel II van deel X van het statuut van het Rijkspersoneel. Hierin bepaalt artikel 91, tweede lid, eerste zin, dat de raad van beroep na onderzoek het dossier, wanneer het een ambtenaar van niveau A betreft, stuurt naar de betrokken minister en dat de raad “hem kennis [geeft] van zijn gemotiveerd advies uiterlijk één maand na datum van de zitting”. Voor het vervolg van de procedure bepaalt artikel 94 van het statuut van het Rijkspersoneel dat indien het advies van de raad van beroep gunstig is, de beslissing altijd definitief genomen of voorgesteld wordt door de minister. De minister motiveert elke beslissing die niet in overeenstemming is met het advies van de raad van beroep. Hij kan geen andere feiten ter sprake brengen dan die welke het advies van de raad van beroep gemotiveerd hebben. De minister notificeert de beslissing aan de raad van beroep. Hij beslist binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het advies van de raad van IX-10.020-19/64 beroep en deelt zijn beslissing zonder verwijl mee aan de ambtenaar en aan de raad van beroep.
- In casu is de minister van Financiën de bevoegde tuchtoverheid. Hij neemt de uiteindelijke beslissing hetzij na het voorstel van het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, aan wie de bevoegdheid inzake tucht van het directiecomité van de FOD Financiën is gedelegeerd, hetzij na advies van de raad van beroep, indien van de beroepsmogelijkheid tegen het voorstel wordt gebruikgemaakt. De minister die als bevoegde tuchtoverheid de definitieve beslissing neemt, moet hierbij zowel rekening houden met artikel 81, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel als met artikel 94 ervan. Wat het advies van de raad van beroep betreft, dient de minister zich enkel te houden aan de voorwaarden vermeld in artikel 94, tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel. Wanneer hij het advies van de raad van beroep niet volgt, moet hij zijn afwijkende beslissing motiveren en mag hij geen andere feiten in zijn beslissing betrekken dan die waarvan sprake in het advies.
- De regel uit artikel 81, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel dat de minister geen zwaardere tuchtstraf kan uitspreken dan die welke voorgesteld is, verwijst naar het voorstel van tuchtstraf zoals dat geregeld is in de aan artikel 81 voorafgaande artikelen, die deel uitmaken van dezelfde titel 1 van deel X van het statuut van het Rijkspersoneel waarin de tuchtstraffen worden geregeld. In artikel 94 van het statuut van het Rijkspersoneel is overigens geen sprake van een “voorstel” maar van een “advies”. De bevoegdheid van de raad van beroep beperkt zich immers tot het geven van een advies over de voorgestelde tuchtstraf, hetgeen te onderscheiden is van de bevoegdheid van het beheerscomité om een “voorstel van tuchtstraf” te doen. IX-10.020-20/64 In tegenstelling tot wat geldt voor artikel 81, § 1, bevat artikel 94 van het statuut van het Rijkspersoneel geen voorschriften omtrent de aard van de opgelegde tuchtstraf. De uiteindelijke tuchtbeslissing die wordt genomen door de bevoegde overheid mag geen zwaardere tuchtstraf bevatten dan die welke het beheerscomité heeft voorgesteld. Dit geldt zowel in het geval dat een beroep is ingesteld als in het geval dat dit niet zo is.
- Te dezen heeft het beheerscomité voorgesteld om aan verzoekster de tuchtstraf ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ op te leggen. Verzoekster heeft hiertegen beroep aangetekend bij de raad van beroep, die een advies verschaft en geen “voorstel van tuchtstraf” doet. De raad van beroep bracht een advies uit dat gunstig was voor verzoekster. In tegenstelling tot wat de verwerende partij in haar memorie van antwoord schrijft, verwijst artikel 94 van het statuut van het Rijkspersoneel immers naar een voor de betrokkene gunstig advies van de raad van beroep. De raad van beroep acht de lichtere tuchtstraf van de ‘terechtwijzing’ de gepaste straf voor de in aanmerking genomen feiten. Het feit dat het advies van de raad van beroep een lichtere straf adviseert dan het voorstel van tuchtstraf, belet dus niet dat de minister, naast de mogelijkheid om af te zien van een tuchtstraf, de keuze had tussen de tuchtstraffen, bepaald in artikel 77, eerste lid, 1° tot 3°, van het statuut van het Rijkspersoneel, zijnde 1° de terechtwijzing; 2° de inhouding van wedde; 3° de verplaatsing bij tuchtmaatregel. Aangezien de minister in de bestreden beslissing besluit tot het opleggen van de ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’, handelt hij conform artikel 81, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel. IX-10.020-21/64
- Het eerste middel faalt naar recht en is bijgevolg niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 14.
- Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van artikel 8 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (EVRM), artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), artikel 314bis, § 2, tweede lid, van het Strafwetboek, artikel 5, lid 1, a), van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG’ (algemene verordening gegevensbescherming, hierna ook: AVG), artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materieelmotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 14.
- Volgens verzoekster steunt de verwerende partij het bewijs van de feiten uitsluitend op een audio-opname van het gesprek van verzoekster met de betrokken belastingplichtige op 28 juni 2019, dat opgenomen werd buiten haar medeweten. Volgens verzoekster betreft dit onrechtmatig verkregen bewijs. In de eerste plaats is hierbij het recht op privacy, beschermd door artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR, geschonden. Verzoekster verwijst naar rechtspraak van het Hof van Cassatie waaruit volgt dat het gebruik van een opname, zonder medeweten van de andere deelnemers, van een gesprek waaraan men zelf deelneemt, een inbreuk kan zijn op artikel 8 EVRM. De rechter moet bij de beoordeling hiervan het criterium van de redelijke privacyverwachting van de IX-10.020-22/64 deelnemers aan het gesprek in overweging nemen. Verzoekster betoogt dat in casu haar privacyverwachting bijzonder hoog was. Op de tweede plaats acht verzoekster de opname in strijd met artikel 314bis, § 2, tweede lid, van het Strafwetboek. Dit artikel stelt strafbaar het met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden gebruikmaken van een wettig gemaakte opname van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem. In casu is er volgens verzoekster duidelijk sprake van bedrieglijk opzet of opzet om te schaden. De belastingplichtige wachtte met het indienen van een klacht tot hij een bericht van wijziging van de aangifte in de personenbelasting ontving en wilde ook zijn klacht aanwenden om druk uit te oefenen bij de afhandeling van het fiscaal geschil. Ten derde stelt verzoekster dat de opname van het gesprek de verwerking van persoonsgegevens in de zin van de AVG betreft. De regels van de AVG zijn niet nageleefd, in het bijzonder doordat de verwerkingsverantwoordelijke, zijnde diegene die de opname heeft gemaakt, de instemming van de andere deelnemer moest verkrijgen en op zijn minst die andere deelnemer moest worden geïnformeerd over het bestaan van die verwerking. De door verzoekster opgeworpen onregelmatigheden van het bewijs vitiëren de tuchtprocedure, omdat de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast en omdat minstens het recht op een eerlijk proces werd geschonden. De opname geeft niet het volledige gesprek weer, het begin en het einde van het gesprek blijken immers niet uit de opname en de schriftelijke neerslag ervan. Verzoekster kan dan ook niet de uit dit gesprek door de tuchtoverheid gefilterde “tuchtfeiten” weerleggen of in hun juiste context plaatsen. Door zich voor het bewijs van de feiten uitsluitend te steunen op de onvolledige opname van het gesprek, dat zonder medeweten van verzoekster werd opgenomen, komt de verwerende partij volgens verzoekster tot een onwettige conclusie. IX-10.020-23/64 14.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster de uiteenzetting uit het verzoekschrift en voegt zij eraan toe dat haar niet kan worden tegengeworpen dat zij nooit een strafklacht heeft neergelegd tegen de belastingplichtige. Verzoekster stelt dat, los van het feit dat de verwerende partij in de bestreden beslissing niet verwijst naar het indienen van een strafklacht, zij er geen nood aan heeft de belastingplichtige bestraft te zien. Wat betreft de AVG meent verzoekster dat, los van de a posteriori motivering in de memorie van antwoord, het geenszins geweten is dat de opname “incidenteel” was en dat bovendien de opname duidelijk niet voor persoonlijk gebruik gemaakt werd. Zij benadrukt tot slot dat het recht op een eerlijk proces het gegeven betreft dat het begin en het einde van het gesprek niet werden opgenomen, in elk geval niet werden meegedeeld, zodat de verwerende partij de context ervan niet kent. 14.
- In haar laatste memorie stelt verzoekster dat zij heeft aangetoond dat een heimelijke opname waarin geknipt is aan het begin en aan het einde onbetrouwbaar is. Ook het recht op een eerlijk proces is geschonden. Verzoekster verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie (Cass. 4 april 2023, P.22.1730.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10) waarbij blijkt dat het recht op een eerlijk proces miskend is en “het onregelmatige bewijsmateriaal uit het debat [moet] worden geweerd wanneer de vermelde instanties een opzettelijke onregelmatigheid hebben begaan”. In de huidige procedure heeft de verwerende partij steeds geweten dat de opname gemaakt werd zonder toelating van verzoekster. De onregelmatigheid werd derhalve bewust en opzettelijk begaan. Wat betreft het recht op privacy van verzoekster dat geschonden is, verwerpt verzoekster in haar laatste memorie het onderscheid uit het auditoraatsverslag tussen de “eigen subjectieve privacyverwachting” en “objectieve elementen” los van de individuele verwachtingen van de betrokkene. Het begrip “redelijke privacyverwachting” sluit net een subjectief element in. De verwachting van verzoekster was duidelijk, aangezien zij om een “persoonlijk onderhoud” met “zeer veel discretie” vroeg. IX-10.020-24/64 Verzoekster stelt vervolgens dat zij het oogmerk om te schaden niet als dusdanig uit het tijdsverloop – het lange wachten van de belastingplichtige om een klacht in te dienen – afleidt, maar wel uit de bijzondere timing van de klacht, namelijk net nadat verzoekster een bericht van wijziging van de aangifte in de personenbelasting verzond. Beoordeling
- In het middel wordt de schending ingeroepen van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het materieelmotiveringsbegsinel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het verzoekschrift verduidelijkt niet op welke wijze de bestreden beslissing deze beginselen en regel zou hebben geschonden. Een middel moet evenwel op voldoende bevattelijke wijze niet enkel de omschrijving van een geschonden rechtsregel bevatten, maar ook van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. In zoverre het de vermelde regel en beginselen betreft, is het middel onontvankelijk.
- Het bewijs van de feiten steunt op een audio-opname van het gesprek van de belastingplichtige en verzoekster, buiten medeweten van deze laatste opgenomen in haar kantoor. Redelijke privacyverwachting
- Verzoekster verwijst naar arresten van het Hof van Cassatie van 9 september 2008 en 17 november 2015, waarin het Hof onder meer overweegt dat de rechter het criterium ‘redelijke privacyverwachting’ in zijn beoordeling van de rechtmatigheid van het bewijs moet betrekken. IX-10.020-25/64 Het Hof van Cassatie heeft in dit verband het volgende gesteld: “Noch artikel 8.1 EVRM noch artikel 314bis Strafwetboek beletten het louter opnemen van een gesprek door een deelnemer aan dit gesprek zonder medeweten van de andere deelnemers. […] Elk gebruik van de opname, buiten het geval van het louter gebruik voor zichzelf en anders dan het gebruik bedoeld in artikel 314bis, § 2, tweede lid, Strafwetboek, kan evenwel een inbreuk zijn op artikel 8 EVRM. Bij de beoordeling of het gebruik een inbreuk oplevert op artikel 8 EVRM betrekt de rechter onder meer het criterium van de redelijke privacyverwachting van de deelnemers aan het gesprek of het doel dat met het gebruik van de opname wordt beoogd. Daarbij kunnen onder meer de inhoud van het gesprek, de omstandigheden waaronder het gesprek plaatsvond, de hoedanigheid van de deelnemers aan het gesprek en de hoedanigheid van de bestemmeling van de opname een rol spelen.” (Cass. 17 november 2015, P.15.0880.N, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.2, zie ook Cass. 9 september 2008, P.08.0276.N, ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080909.2)
- In de bestreden beslissing wordt hieromtrent gezegd: “Overwegende dat [verzoekster] zich niet om privéredenen bij de belastingplichtige bevond, maar enkel om haar beroepsplichten na te komen; dat het gesprek met de belastingplichtige derhalve beroepsmatig werd gevoerd; dat het geen gesprek betrof in de privésfeer zodat niet kan worden aangenomen dat er sprake is van een schending van de privacy of van de privacy-verwachting van [verzoekster]; dat de vaststelling dat zij er bij de betrokken belastingplichtige had op aangedrongen dat het onderhoud zou plaatsvinden in afwezigheid van de boekhouder van de betrokken belastingplichtige, aan die vaststelling geen afbreuk doet; dat het immers duidelijk is dat zij had aangedrongen op het gesprek met het oog op de controle van de belastingaangifte van de belastingplichtige en derhalve als belastingambtenaar deelnam aan het gesprek.”
- Het staat vast en het wordt door verzoekster ook niet betwist, dat de bewuste opname een gesprek betrof met een belastingplichtige omtrent diens belastingaangifte, in het kantoor van verzoekster. Het was voor alle deelnemers aan het gesprek ondubbelzinnig duidelijk dat dit gesprek plaatsvond in het kader van verzoeksters professionele beroepsuitoefening als IX-10.020-26/64 belastingcontroleur en in het kader van de fiscale aangifte van de belastingplichtige.
- De vereiste “redelijke privacyverwachting” om van een schending van artikel 8 EVRM te kunnen uitgaan, bevat een subjectieve component. Volgens verzoekster was haar subjectieve privacyverwachting “bijzonder hoog”, gezien het feit dat zij de belastingplichtige om een “persoonlijk onderhoud” verzocht, zonder de boekhouder, en dit in een e-mail die “zeer veel discretie” vereiste. Verzoekster stelt dat een beroepsmatig gesprek haar redelijke privacyverwachting niet uitsluit. Verzoekster verliest daarbij echter uit het oog dat de vereiste redelijke privacyverwachting nagegaan moet worden in hoofde van alle deelnemers aan het gesprek en niet enkel wat haar betreft. Daarnaast negeert verzoekster de voorwaarde dat de privacyverwachting redelijk moet zijn. Die redelijkheid wordt mede bepaald door objectieve elementen, die buiten de puur subjectieve verwachting van één van de deelnemers liggen. Dit beoordelen vergt, zoals uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie blijkt, een onderzoek in concreto waarbij verschillende contextuele en inhoudelijke aspecten een rol kunnen spelen. Verzoekster betrekt evenwel die andere aspecten (zoals de inhoud en het doel van het gesprek, de hoedanigheid van de deelnemers, de plaats waar het gesprek plaatsvindt, de bestemmeling van de opname, …) niet in haar argumentatie, zodat zij niet aannemelijk maakt, laat staan aantoont dat, ondanks de professionele context, het gebruik van de opname door de belastingplichtige in het kader van zijn aangifte in de personenbelasting, een inbreuk uitmaakt op de privacy van de belastingcontroleur, zoals beschermd door artikel 8 EVRM. IX-10.020-27/64
- Het verkregen bewijs schendt artikel 8 EVRM en artikel 17 IVBPR niet. Artikel 314bis van het Strafwetboek
- Artikel 314bis, § 2, tweede lid, Sw luidt als volgt: “Met dezelfde straffen wordt gestraft hij die, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, gebruik maakt van een wettig gemaakte opname van niet voor publiek toegankelijke communicatie of gegevens van een informaticasysteem.”
- Verzoekster is van mening dat de belastingplichtige de audio- opname heeft gebruikt om haar te schaden of met bedrieglijk opzet. Het doel dat de belastingplichtige volgens haar beoogde toen hij de opname van het gesprek in het kader van de controle van zijn belastingaangifte aan de belastingadministratie bezorgde, kaderde hetzij in een “beschadigingsoperatie” ten aanzien van haar persoon, hetzij in een bedrieglijk opzet. Verzoekster leidt het eerstgenoemde af uit het ogenblik waarop de belastingplichtige zijn klacht indiende, namelijk nadat verzoekster hem een bericht van wijziging had gezonden. Ook nadien wendde hij de klacht aan om druk uit te oefenen bij de afhandeling van het fiscaal geschil, waardoor verzoekster werd geschaad.
- In de bestreden beslissing wordt dit argument als volgt beantwoord: “Overwegende dat de geluidsopname niet werd gemaakt met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden; dat uit de opname duidelijk blijkt dat de belastingplichtige met [verzoekster] een akkoord wilde sluiten over zijn fiscale situatie; dat dit pas bij ontvangst van het bericht van wijziging onmogelijk bleek te zijn; dat het dan ook logisch is dat pas dan de opname werd doorgespeeld, te meer daar in de opname ook duidelijk de argumenten staan waarom hij het niet eens was met de voorgelegde taxatie; dat de mededeling van de opname derhalve gebeurde in het kader van een legitieme bezorgdheid van de belastingplichtige.” IX-10.020-28/64
- De opname van het gesprek werd aan de belastingdiensten bezorgd naar aanleiding van een klacht van de belastingplichtige bij de administratie omtrent de aangifte. De initiële klacht dateert van 28 oktober 2019 en daaruit leert men dat de betrokkene reageert naar aanleiding van een ‘bericht van wijziging’ van verzoekster waarbij zijn totale inkomsten ruim hoger worden geschat, waarmee hij het niet eens is. Uit de klacht blijkt dat hij “een correcte afhandeling” wenst van zijn dossier. Nadat zijn klacht als ongegrond wordt afgewezen, stuurt hij in december 2019 de uitgeschreven tekst van het opgenomen gesprek door naar de belastingadministratie om zijn initiële standpunt kracht bij te zetten. Hierbij wijst hij naar aanleiding van het onderzoek naar de integriteit van verzoekster onder meer op haar dreigement om zijn taxatie zwaarder te maken en op haar kritiek op zijn boekhouder. Ook schrijft hij dat hij haar al mondeling had uitgelegd waar haar redeneerfout zat om zijn inkomsten veel hoger te schatten. Daarna en onder meer op vraag van de cel Interne Inspectie, die met een onderzoek was gestart, werd de geluidsopname zelf ook bezorgd. De opname werd dus gebruikt als bewijsmateriaal ter ondersteuning van de klacht die de betrokkene had ingediend naar aanleiding van het ‘bericht van wijziging’ dat een hogere taxatie voor gevolg had, waarmee hij niet akkoord ging, hetgeen naderhand uitliep op een intern onderzoek door de belastingadministratie zelf naar de werkwijze van verzoekster tijdens de controle. Het Hof van Cassatie bevestigde dat hij die “met het oog op de bewijsvoering” in een geschil waarbij de deelnemers aan een gesprek betrokken zijn, gebruikmaakt van een door hem gemaakte opname van dat gesprek waaraan hij heeft deelgenomen, niet handelt met het door artikel 314bis, § 2, tweede lid, Sw bedoelde bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden (Cass. 17 november 2015, P.15.0880.N, ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.2). IX-10.020-29/64 Het tijdstip waarop de opname werd bezorgd aan de administratie, te weten bij het bericht van wijziging, verandert niets aan het oogmerk ervan. De overhandiging hield immers verband met de bewijsvoering in het kader van de klacht van de belastingplichtige. Verzoekster weerlegt niet dat het “logisch is dat pas dan de opname werd doorgespeeld, te meer daar in de opname ook duidelijk de argumenten staan waarom hij het niet eens was met de voorgelegde taxatie; dat de mededeling van de opname derhalve gebeurde in het kader van een legitieme bezorgdheid van de belastingplichtige”. Verzoekster voert voorts aan dat uit de opname niet kan worden afgeleid dat de belastingplichtige een akkoord wilde sluiten, omdat die onvolledig was, maar hiermee toont zij niet aan dat er sprake was van een gebruik van de opname met een schadeverwekkend oogmerk. Met een verwijzing naar de latere e-mails van de boekhouder, waarin verzoekster “druk” meent te ontwaren, toont zij evenmin aan dat de belastingplichtige de opname heeft gebruikt met het oogmerk om haar te schaden. Verzoekster zet ten slotte niet uiteen hoe er sprake zou zijn van bedrieglijk opzet.
- Het verkregen bewijs vormt geen schending van de uit artikel 314bis Sw volgende regels. Algemene verordening gegevensbescherming
- Met betrekking tot de algemene verordening gegevensbescherming voert verzoekster aan dat de opname van een gesprek de verwerking van persoonsgegevens betreft in de zin van de AVG. Deze IX-10.020-30/64 verwerking voldoet volgens haar in casu niet aan het vereiste van de transparantie die een informatieplicht behelst, zoals volgt uit artikel 5, lid 1, a), AVG juncto artikel 13 AVG. Verzoekster had door de huisarts voorafgaand op de hoogte gebracht moeten zijn van het voornemen het gesprek op te nemen.
- Artikel 5, lid 1, a), AVG bevat één van de ‘beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens’ en luidt als volgt: “Persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (‘rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie’).” Artikel 13 AVG bepaalt dat wanneer persoonsgegevens worden verzameld, de verwerkingsverantwoordelijke de betrokken persoon bepaalde informatie moet verschaffen, onder meer over de verwerkingsdoeleinden van de persoonsgegevens, alsook de rechtsgrond voor hun verwerking.
- De partijen zijn het erover eens dat de gemaakte opname een verwerking van persoonsgegevens betreft. Ook in de bestreden beslissing wordt overwogen dat “de geluidsopname kan worden gekenmerkt als een persoonsgegeven”. De bestreden beslissing voegt daar de volgende overwegingen aan toe: “dat de opname echter niet werd gemaakt door de fiscale overheid zelf, maar wel door een belastingplichtige; dat niet blijkt dat [verzoekster] een actie heeft ondernomen tegen de belastingplichtige met het oog op de toepassing van de sanctiemogelijkheden voorzien in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG); dat er louter wordt gesteld dat de opname door de belastingplichtige niet is gebeurd in overeenstemming met de toepasselijke regels van de AVG.” In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat de “heimelijke opname […] immers incidenteel [is], afkomstig van een belastingplichtige natuurlijk persoon, en werd gemaakt voor strikt persoonlijk gebruik. De AVG is bijgevolg niet miskend”. “Volledigheidshalve” merkt zij op IX-10.020-31/64 dat verzoekster, indien zij van oordeel was dat haar persoonsgegevens werden gebruikt in strijd met de AVG, geen klacht heeft ingediend bij de Gegevensbeschermingsautoriteit lastens de belastingplichtige.
- Waar de verwerende partij wijst op het “strikt persoonlijk gebruik” als doel van de heimelijke opname, heeft dit niet zozeer betrekking op een mogelijke miskenning van de AVG, maar wel op het toepassingsgebied ervan. De AVG is immers niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door een natuurlijke persoon bij de uitoefening van een zuiver persoonlijke of huishoudelijke activiteit (artikel 2, lid 2, c), AVG). In overweging 18 bij de verordening wordt verduidelijkt dat de verordening niet van toepassing is op de verwerking “in het kader van een louter persoonlijke of huishoudelijke activiteit die als zodanig geen enkel verband houdt met een beroeps- of handelsactiviteit”. Door de opname te gebruiken in de context van een klacht als belastingplichtige bij de administratie omtrent de aangifte in de personenbelasting en in de context van een fiscaal geschil dat verband houdt met de zakelijke en professionele activiteit van de belastingplichtige, kan niet zonder meer aangenomen worden dat de bewuste verwerking van persoonsgegevens door de belastingplichtige zou moeten worden beschouwd als een verwerking in het kader van een louter persoonlijke activiteit die geen enkel verband houdt met een beroepsactiviteit. Er kan dus niet uitgesloten worden dat de opname van het gesprek het verkrijgen van persoonsgegevens in de zin van artikel 13 AVG betreft.
- Het is evenwel niet noodzakelijk sluitend uitspraak te doen over de vraag of al dan niet een onregelmatigheid in de zin van artikel 13 AVG voorligt, aangezien nagegaan moet worden of deze (al dan niet veronderstelde) onregelmatigheid wel van dien aard is dat het (verondersteld) onrechtmatig verkregen bewijs niet als bewijsmiddel kan gelden. IX-10.020-32/64 Een onrechtmatig verkregen bewijs van het tuchtfeit houdt niet noodzakelijk in dat de feitenvinding door de tuchtoverheid onwettig is en derhalve ook de gevoerde tuchtprocedure. Een onwettig of onregelmatig verkregen bewijs is slechts ongeldig en dient bijgevolg te worden uitgesloten als bewijselement, indien ofwel de naleving van de betrokken vormvoorwaarden wordt voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, ofwel het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige voormelde voorwaarden, leiden niet tot het weren van het bewijs, noch maken ze de gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Dat geldt voor alle onregelmatigheden, ongeacht of ze een inbreuk inhouden op een verdragsrechtelijk of (grond)wettelijk gewaarborgd recht. Wat betreft strafzaken is het Hof van Cassatie in het door verzoekster aangehaalde arrest wel van mening dat “opzettelijk begane of daarmee gelijk te stellen onregelmatigheden die getuigen van een grove onachtzaamheid, principieel niet te verenigen zijn met de loyaliteit en de regelmatigheid van de bewijsgaring die in een rechtsstaat moet kunnen worden verwacht van de vervolgende en opsporende instanties” (Cass. 4 april 2023, P.22.1730.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10). De beoordeling of de bewijsverkrijging de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of het recht op een eerlijk proces in gevaar brengt, dient rekening te houden met alle omstandigheden van de zaak, waaronder de wijze waarop het bewijs werd verkregen en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan. Daarbij kunnen in aanmerking worden genomen: de ernst van de onrechtmatigheid en de ernst van het tuchtfeit, de weerslag van de onregelmatigheid op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm wordt beschermd, het al dan niet louter formele karakter van de onregelmatigheid en de houding van de wederpartij. IX-10.020-33/64
- De opname van het gesprek zou enkel als bewijs moeten worden uitgesloten, indien de veronderstelde onregelmatigheid, zijnde de schending van de regels van de AVG, en enkel die, de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het recht op een eerlijk proces in gevaar brengt.
- Verzoekster trekt weliswaar de betrouwbaarheid van de opname als bewijselement op zich in twijfel, maar zij legt geen verband met de begane onregelmatigheid in het licht van de AVG. Verzoekster voert namelijk aan dat de betrouwbaarheid van het bewijs is aangetast, of het recht op een eerlijk proces geschonden is, omdat het om een onvolledige opname gaat: in het gesprek werd geknipt, het begin en het einde van het gesprek werden niet opgenomen, in elk geval niet meegedeeld. Dit verwijt maakt niet duidelijk hoe een veronderstelde schending van de AVG de betrouwbaarheid van het bewijs zou hebben aangetast of het recht op een eerlijk proces in gevaar zou hebben gebracht. Er kan bovendien worden vastgesteld dat de eventuele onregelmatigheid een eerder formeel karakter heeft, waarvan de ernst niet opweegt tegen de ernst van de verzoekster verweten tuchtfeiten, en dat ze het beschermde recht op privacy, zoals ook is vastgesteld sub 17 tot 21, niet in het gedrang brengt.
- Het middel, voor zover ontvankelijk, is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 35.
- Verzoekster voert in het derde middel, dat bestaat uit twee onderdelen, de schending aan van de rechten van verdediging in tuchtzaken en de IX-10.020-34/64 algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 35.
- De verwerende partij heeft ten eerste in de tuchtprocedure rekening gehouden met de conclusies van een onderzoek, ingesteld door de dienst Interne Bescherming en Preventie op het Werk (hierna: de interne dienst) naar het welzijn van de medewerkers van het team waarvan verzoekster leidinggevende teamchef is, terwijl dat stuk geen deel uitmaakt van het tuchtdossier. Het beheerscomité verwijst, in zijn voorstel van tuchtstraf, naar de conclusies van de interne dienst. Deze conclusies maken geen deel uit van het tuchtdossier en in het verzoekschrift beweert verzoekster geen kennis te hebben van de resultaten van het verslag van de interne dienst. De rechten van verdediging zijn hierdoor geschonden. Bovendien heeft het beheerscomité, al beweert het het tegendeel, er wel degelijk rekening mee gehouden bij het bepalen van de strafmaat en niet enkel bij de bepaling van een mogelijke nieuwe standplaats. Door een heroriëntering te beogen buiten het centrum Particulieren Mechelen, kwamen de twee lichtste tuchtstraffen – lichter dan de verplaatsing bij tuchtmaatregel – immers niet meer in aanmerking. Dit voorstel van het beheerscomité heeft ook doorgewerkt bij het nemen van de bestreden beslissing. Ten tweede heeft de verwerende partij de badge-gegevens van verzoekster nagegaan buiten haar medeweten en zonder dat die gegevens aan het tuchtdossier werden toegevoegd. 35.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster de uiteenzetting uit het verzoekschrift en voegt zij eraan toe dat de resultaten van het verslag van de interne dienst op 15 december 2021 aan haar werden meegedeeld. Daarnaast repliceert verzoekster op de memorie van antwoord van de verwerende partij door te stellen dat de conclusies van het onderzoek van de interne dienst alsook de badge-gegevens wel deel uitmaakten van het dossier IX-10.020-35/64 op basis waarvan de tuchtoverheid uitspraak heeft gedaan (een “parallel” dossier), maar niet van het “officiële dossier”. Evenwel mag niets wat medebepalend kan zijn voor de bestreden beslissing aan het tegensprekelijk debat worden onttrokken. 35.
- In haar laatste memorie betoogt verzoekster dat de conclusies van het onderzoek van de interne dienst wel degelijk een nieuw tuchtfeit vormen. Het beheerscomité spreekt daarom in zijn voorstel van “het resultaat van dit onderzoek [dat] meerdere ernstige en zwaarwichtige elementen blootlegt met betrekking tot het functioneren van [verzoekster] als teamchef”. IX-10.020-36/64 Beoordeling Eerste onderdeel: verslag van de dienst Interne Bescherming en Preventie op het Werk
- Het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit stelt voor om aan verzoekster de tuchtstraf ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ op te leggen. De aard van de tuchtstraf en de voorgestelde straftoemeting worden als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat, rekening houdende met de verzachtende omstandigheden, de oplegging van de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel het best beantwoordt aan de betrachtingen van de Administratie en bovendien in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde feiten; Overwegende dat het Beheerscomité bij de bepaling van de mogelijke nieuwe administratieve standplaats van [verzoekster] – en dus niet met de bepaling van de strafmaat – rekening kan en mag houden met de conclusies van een onderzoek, ingesteld door de Interne Dienst voor Bescherming en Preventie op het werk naar het welzijn van de medewerkers van het team waarvan [verzoekster] teamchef is; dat het resultaat van dit onderzoek meerdere ernstige en zwaarwichtige elementen blootlegt met betrekking tot het functioneren van [verzoekster] als teamchef; dat het de bedoeling was van de hiërarchie om dit verslag bespreekbaar te maken met [verzoekster]; dat zij werd uitgenodigd voor een bespreking van dit dossier op 3 mei 2021; dat betrokkene niet op dit verzoek is ingegaan, met als motivering haar afwezigheid wegens ziekte; dat de conclusie van het onderzoek is dat er een vertrouwensbreuk is met de medewerkers; dat deze vertrouwensbreuk een verdere samenwerking onmogelijk maakt; dat ook het vertrouwen met haar hiërarchie is geschonden; dat er wordt voorgesteld om [verzoekster] uit de rol van teamchef te halen en haar in te zetten in een andere takenpakket, met een heroriëntering buiten het centrum Particulieren Mechelen; Overwegende dat de heroriëntering naar een ander centrum Particulieren dan Mechelen mede gebaseerd is op het feit dat de Administratie zoveel mogelijk wil vermijden dat [verzoekster] enerzijds nog in contact komt met een boekhouder waarmee voor haar elke samenwerking uitgesloten is en anderzijds met een boekhouder waarmee ze blijkbaar een bevoorrechte IX-10.020-37/64 relatie heeft; dat de Administratie op die manier wil garanderen dat betrokken ambtenaar haar taken objectief en neutraal uitvoert; Overwegende dat er ook van de kant van [verzoekster] een probleem is naar de hiërarchie toe; dat dit blijkt uit haar voor het Beheerscomité afgelegde verklaring betreffende de in haar ogen niet correcte houding van de hiërarchie, die zelfs dieper zit dan het tuchtdossier op zich; Overwegende dat een verplaatsing naar een ander centrum van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit als gepast voorkomt.”
- Tegen het voorstel van het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit werd beroep aangetekend bij de raad van beroep. De uiteindelijke beslissing ligt bij de minister. Deze vorm van georganiseerd administratief beroep brengt met zich mee dat de beslissing van de overheid in beroep in de plaats komt van de eerdere beslissingen. Ingevolge de devolutieve werking van het beroep beschikt de overheid in beroep over een volledige beoordelingsbevoegdheid en onderzoekt zij de zaak opnieuw en in haar geheel. Zoals bij de beoordeling van het eerste middel sub 10 en 11 werd uiteengezet, neemt de minister de eindbeslissing. Hierbij kan hij afwijken van het advies van de raad van beroep, mits hij dit motiveert. Hij heeft de keuze of hij al dan niet een tuchtstraf oplegt, met dit voorbehoud dat ze niet zwaarder mag zijn dan de tuchtstraf die werd voorgesteld door het beheerscomité.
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de minister heeft besloten de ‘verplaatsing als tuchtmaatregel’ aan verzoekster op te leggen. De specifieke overplaatsing naar een ander centrum dan dat waar zij werkzaam was, steunt op een eigen motivering, verschillend van de motivering die het beheerscomité heeft gehanteerd en die luidt als volgt: “Overwegende bovendien dat [verzoekster] tijdens de zitting van de Raad van Beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren verklaarde dat zij geen steun krijgt van haar hiërarchie, noch van haar medewerkers en dat ze zei van oordeel te zijn dat het moeilijk wordt om opnieuw goed te functioneren wanneer zij terug naar haar vroegere werkplek zou gaan; dat IX-10.020-38/64 [verzoekster] op die manier zelf heeft aangegeven dat een verdere samenwerking met haar medewerkers en haar hiërarchie bij het centrum Particulieren Mechelen helemaal niet evident is; dat het derhalve zowel in het belang van betrokkene zelf, als in het belang van de Administratie is om [verzoekster] te verplaatsen naar een ander centrum Particulieren; dat de heroriëntering naar een ander centrum Particulieren mede gebaseerd is op het feit dat de Administratie zoveel mogelijk wil vermijden dat [verzoekster] enerzijds nog in contact komt met een boekhouder waarmee voor haar elke samenwerking uitgesloten is, en anderzijds ook met een boekhouder waarmee ze mogelijk een bevoorrechte relatie heeft; dat de Administratie op die manier wil garanderen dat zij als ambtenaar haar taken objectief en neutraal uitvoert; Overwegende dat een verplaatsing naar een ander centrum Particulieren van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit derhalve als gepast voorkomt en bovendien in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde feiten; Overwegende dat de straf van de verplaatsing bij tuchtmaatregel naar het centrum Particulieren Leuven, afdeling expertise, onder een andere hiërarchie, voor [verzoekster] daarenboven een nieuwe start kan zijn; dat de impact van een tewerkstelling in Leuven eerder beperkt is zowel wat de afstand (6 kilometers meer) als de tijdsbesteding met het openbaar vervoer (6 minuten langer) betreft.”
- Verzoekster spitst haar argumentatie inzake de schending van de rechten van verdediging uitsluitend toe op het voorstel van tuchtstraf, uitgebracht door het beheerscomité. Zoals gezegd, is zij tegen dat voorstel in beroep gegaan bij de raad van beroep, die een lichtere tuchtstraf adviseerde, waarna de minister besliste, op grond van een eigen motivering, om aan verzoekster de tuchtmaatregel van verplaatsing op te leggen. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt niet dat de minister, in navolging van het beheerscomité, steunt op het verslag van de interne dienst om verzoekster te verplaatsen naar een ander centrum voor particulieren dan datgene waar zij tewerkgesteld was, laat staan dat de minister haar functioneren als leidinggevende als nieuw tuchtfeit in aanmerking zou hebben genomen. Doorslaggevend zijn de verklaringen van verzoekster voor de raad van beroep en het oogmerk te garanderen dat zij als ambtenaar haar taken objectief en neutraal uitvoert. Uit de motivering blijkt niet dat het verslag van de interne dienst een rol heeft gespeeld bij de bestreden beslissing. Verzoekster toont het IX-10.020-39/64 tegendeel alvast niet aan. Zij beweert immers enkel dat het verslag meegewogen heeft via de bepaling van het voorstel van de zwaarte van de straf door het beheerscomité en dat, vermits de minister geen zwaardere straf mag voorstellen, dit verslag wel mee een invloed heeft gehad op de uiteindelijke beslissing van de minister. Deze bewering strookt evenwel niet met de beslissing van het beheerscomité. Dat was van oordeel dat de tuchtstraf van ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ het best beantwoordt aan de betrachtingen van de administratie en in verhouding staat tot de ernst van de vastgestelde feiten. De conclusies van het onderzoek van de interne dienst worden enkel in rekening gebracht bij de bepaling van de mogelijke nieuwe administratieve standplaats van verzoekster. Verzoekster draait de redenering van het beheerscomité om, maar draagt geen elementen aan om dit aannemelijk te maken.
- Overigens kan, in het licht van de aangevoerde schending van de rechten van verdediging, erop gewezen worden dat verzoekster, luidens de motivering bij het voorstel van het beheerscomité op 3 mei 2021, uitgenodigd werd voor een bespreking van het verslag van de interne dienst, dat zij op 25 november 2021 een nieuwe uitnodiging kreeg om het verslag te bespreken, dat zij op 2 december 2021 een kopie van dit verslag gevraagd heeft die haar op 15 december 2021 werd bezorgd. Na ontvangst van het verslag, op een ogenblik dat het beheerscomité reeds een tuchtvoorstel had gedaan, heeft verzoekster hierbij geen opmerkingen geformuleerd.
- Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel: badge-gegevens
- Verzoekster voert aan dat de badge-gegevens buiten haar medeweten werden nagegaan en niet werden toegevoegd aan het administratief dossier. IX-10.020-40/64
- Uit de toelichting voorafgaand aan het advies van de raad van beroep blijkt dat de badge-gegevens werden nagegaan om aan te tonen dat het gesprek van verzoekster met de belastingplichtige bijna volledig werd geregistreerd. Verzoekster volhardt in het betwisten van de volledigheid van de gespreksopname, zoals zal blijken bij de bespreking van het vierde middel. Het gebruik van de badge-gegevens kadert dan ook in de discussie omtrent de betrouwbaarheid van de opname. Verzoekster stelt dat cruciale stukken van het gesprek niet werden opgenomen, hetgeen de hele opname als bewijs van de ten laste gelegde feiten aantast. Volgens verzoekster heeft het hele gesprek veel langer geduurd dan de opname ervan. Uit het dossier blijkt dat verzoekster hierover haar standpunt heeft kunnen duidelijk maken, zowel in haar beroepsschrift als op de hoorzittingen, maar dat de tuchtoverheid de betrokken tuchtfeiten afdoende bewezen acht aan de hand van de opname die werd bezorgd door de belastingplichtige. Het lezen van de badge-gegevens van verzoekster kadert binnen de argumentatie van de FOD Financiën als reactie op het beroepsschrift. De gegevens verschaften de FOD Financiën een aanwijzing over de lengte van het gesprek en werden gecontroleerd om verzoeksters standpunt in het beroepsschrift dat het gesprek veel langer heeft geduurd, te kunnen toetsen. Dit kwam aan bod tijdens de hoorzitting van de raad van beroep, waar de verwerende partij haar visie ter zake naar voor bracht. Over de kwestie van de volledigheid van de opname en de betrouwbaarheid ervan, heeft verzoekster haar standpunt kunnen vertolken en haar argumenten laten gelden, gedurende gans de procedure. Zij heeft ook kunnen aanvoeren wat volgens haar nog zou zijn gezegd buiten de opname. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid, wat het bewijs van de feiten IX-10.020-41/64 betreft, steunt op wat haar bekend is via de opname, met name het onder druk zetten van de belastingplichtige en de ongepaste communicatie die daaruit zouden blijken. Deze tuchtfeiten zijn volgens de tuchtoverheid voldoende bewezen door de ter beschikking gestelde opname.
- Er kan bijgevolg geen sprake zijn van een schending van de rechten van verdediging op dit punt.
- Bovendien maakt verzoekster niet duidelijk hoe het “ontbrekende stuk” de feitelijke grondslag van de bestreden beslissing kan beïnvloeden. Verzoekster herhaalt op dit vlak eigenlijk de vraag naar de betrouwbaarheid van het aangebrachte bewijs, hetgeen bij het tweede middel is onderzocht, alsook de vraag of de betrokken tuchtfeiten bewezen zijn aan de hand van de stukken van het administratief dossier, in het bijzonder de opname die de belastingplichtige aan de administratie heeft bezorgd. Zoals zal worden vastgesteld bij het onderzoek van het vierde middel, betoogt verzoekster dat de rest van het gesprek het “onder druk zetten” en het “onprofessioneel communiceren” zou weerleggen, maar kan zij niet ervan overtuigen dat hiermee afbreuk zou worden gedaan aan de vaststellingen op grond van de opname. Hetzelfde geldt a fortiori voor de badge-gegevens. Er kan niet worden ingezien op welke wijze het betrokken stuk waarin de badge-gegevens (die enkel een tijdsindicatie bevatten) worden nagegaan, het bestaan van de tuchtfeiten zou weerleggen.
- Het middelonderdeel mist feitelijke grondslag. Besluit
- Het derde middel wordt verworpen. IX-10.020-42/64 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 48.
- Verzoekster voert in het vierde middel de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 48.
- Volgens verzoekster worden de ten laste gelegde feiten ten onrechte als tuchtfeiten gekwalificeerd. Het feit van “het onder druk zetten van [JC]”, berust op onregelmatig verkregen bewijs. Ondergeschikt is er geen sprake van “onder druk zetten”, maar wel van een poging om tot een akkoord te komen met de belastingplichtige, in zijn belang. Het behoort tot de essentie van onderhandelen dat gewezen wordt op de nadelen van het niet bereiken van een akkoord. Aan het einde van het gesprek, dat niet als bewijs wordt bijgebracht in de opname, heeft verzoekster er bovendien op gewezen dat de belastingplichtige moest terugkomen met zijn echtgenote, omdat zij een gebeurlijk akkoord mee moest ondertekenen. Ook de “niet-professionele communicatie” steunt op onregelmatig verkregen bewijs. Ondergeschikt wordt opgemerkt dat de verklaringen van verzoekster uit hun context getrokken worden, namelijk die van een ambtenaar die een controle uitvoert en daarbij geconfronteerd wordt met een boekhouder die totaal geen medewerking verleent. Volgens verzoekster is het niet verbazend dat “een ambtenaar die de belastingplichtige wil helpen, ook wel eens wil ventileren”. Dat ze de naam van een andere boekhouder heeft vermeld, was toevallig en verschaft haar geen enkel persoonlijk voordeel. IX-10.020-43/64 48.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster de uiteenzetting uit het verzoekschrift. Zij benadrukt dat de verwerende partij om de onvolledigheid van de opname heen blijft fietsen, terwijl het begin en het einde van een gesprek cruciaal zijn. Daarnaast onderlijnt zij dat de verwerende partij niet betwist dat geen akkoord kón worden getekend zonder de aanwezigheid van de echtgenote. 48.
- In haar laatste memorie herhaalt verzoekster dat zij aan het einde van het gesprek, dat niet als opname wordt voorgelegd, JC heeft meegedeeld alles eerst maar eens te laten bezinken, waarna hij kan terugkomen met zijn echtgenote om een akkoord te tekenen en om de onduidelijkheid betreffende de omzet uit te klaren aan de hand van de rekeninguittreksels. Verzoekster kon JC niet onder druk zetten omdat zonder de echtgenote geen akkoord kon worden ondertekend. Beoordeling
- Wat betreft de vraag of de tuchtfeiten bewezen worden door onregelmatig bewijs, wordt verwezen naar de beoordeling van het tweede middel. Uit die beoordeling volgt dat de tuchtoverheid de opname van het gesprek als bewijs kon hanteren. Bij het vierde middel moet de grief worden onderzocht dat de feiten ten onrechte als tuchtfeiten worden gekwalificeerd.
- De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen IX-10.020-44/64 zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. IX-10.020-45/64 “Het onder druk zetten van de belastingplichtige”
- In de bestreden beslissing wordt een schending van artikel 7, § 1, en artikel 8, § 2, van het statuut van het Rijkspersoneel vastgesteld, alsook een inbreuk op twee hoofdwaarden van de FOD Financiën, zijnde integer en correct handelen. Volgende feiten geven volgens de bestreden beslissing daartoe aanleiding: “Overwegende dat de middelen die [verzoekster] heeft ingezet tijdens een bespreking op 28 juni 2019 in het kader van de controle van het fiscaal dossier van [JC] ongeoorloofd en buiten proportie zijn en een schending uitmaken van het statuut van het rijkspersoneel; dat het tuchtdossier immers aantoont dat [JC] van [verzoekster] de keuze kreeg: - ofwel toezeggen en een akkoord tekenen zonder tussenkomst van zijn boekhouder en zonder dat de inhoud van het akkoord gekend was; - ofwel een zwaar bericht van wijziging incasseren waarin niet alleen alle kosten zouden worden verworpen maar ook de inkomsten zouden worden verhoogd en er bovendien een bijkomende belastingverhoging zou worden opgelegd als een soort bijkomende boete of sanctie; Overwegende dat het onaanvaardbaar is dat een fiscaal ambtenaar elk contact weigert met de raadgever van de belastingplichtige; dat dit des te meer klemt wanneer die belastingplichtige duidelijk aangeeft dat hij geen kaas heeft gegeten van fiscaliteit.”
- Verzoekster voert aan dat de feiten ten onrechte worden beschouwd als het “onder druk zetten” van de belastingplichtige. Volgens verzoekster was zij het daarentegen die geïntimideerd werd. De belastingplichtige zou volgens verzoekster geen druk ervaren hebben.
- Het “onder druk zetten” dat in de initiële omschrijving van de tuchtfeiten wordt vermeld, slaat op de keuze die verzoekster de belastingplichtige liet: “ofwel toezeggen en een akkoord tekenen zonder tussenkomst van zijn boekhouder en zonder dat de inhoud van het akkoord gekend was” ofwel “een zwaar bericht van wijziging incasseren waarin niet alleen alle kosten zouden worden verworpen maar ook de inkomsten zouden worden verhoogd en er IX-10.020-46/64 bovendien een bijkomende belastingverhoging zou worden opgelegd als een soort bijkomende boete of sanctie”. Het subjectieve gevoel van druk dat volgens verzoekster bij de belastingplichtige niet aanwezig zou zijn geweest, komt hierin niet ter sprake. Het betreft daarentegen het objectief vaststelbare gegeven van het voor een keuze stellen van de belastingplichtige op een wijze die volgens de tuchtoverheid “ongeoorloofd en buiten proportie” is.
- Verzoekster weerlegt die feiten niet of toont de onjuistheid ervan niet aan. Zij toont niet aan dat de feitelijke grondslag in de stukken van het administratief dossier ontbreekt of geen steun vindt in de opname van het gesprek tussen verzoekster en de belastingplichtige. Verzoekster geeft daarentegen haar eigen kijk op de feiten weer, en verlegt de nadruk van de (objectieve) feitelijke vaststellingen naar het subjectieve gevoel van de belastingplichtige, die integendeel verzoekster voor het blok zou hebben gezet. Het komt niet aan de Raad van State toe om een eigen onderzoek naar het bestaan en de kwalificatie van de feiten te voeren zoals een tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel vaststellen dat verzoekster de betrokken feiten niet weerlegt, maar op eigen wijze interpreteert en afzwakt (“een poging om tot akkoord te komen”, “onderhandelen”), waarbij zij voor de tuchtfeiten doorslaggevende elementen wegfiltert (inhoudelijk ongekend akkoord, zij wenst geen tussenkomst van de boekhouder, zwaar bericht van wijziging) en de nadruk tracht te leggen op elementen die evenwel geen afbreuk doen aan de vermelde feiten (zoals het feit dat de boekhouder niet meewerkt of het feit dat de echtgenote nog mee zal moeten ondertekenen). Daarbij beklemtoont verzoekster steeds het “einde van het gesprek” dat niet op de opname werd weergegeven. Daarin zou zij hebben IX-10.020-47/64 meegedeeld dat de belastingplichtige “alles eerst maar eens moet laten bezinken, waarna hij desgevallend kan terugkomen met zijn echtgenote om een akkoord te tekenen en om de onduidelijkheid betreffende de omzet uit te klaren aan de hand van de rekeninguittreksels”. Deze verklaringen, die verzoekster aanbrengt, doen evenwel evenmin afbreuk aan de tuchtfeiten die vaststaan op grond van de opname van het gesprek en de vaststelling dat “het onaanvaardbaar is dat een fiscaal ambtenaar elk contact weigert met de raadgever van de belastingplichtige”. Hetzelfde geldt voor de door verzoekster vermelde zin op het einde van de weergave van het gesprek waarin verzoekster aangeeft dat de belastingplichtige terug naar zijn boekhouder mag gaan: “maar wat gaat die zeggen?”
- Verzoekster maakt zodoende geenszins aannemelijk dat de tuchtoverheid tot een beoordeling en kwalificatie van de feiten is gekomen, die geen steun vinden in de stukken of die onredelijk zouden zijn. “De niet-professionele communicatie”
- In de bestreden beslissing wordt een schending van artikel 9, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel vastgesteld en wordt verzoekster een “niet-professionele communicatie” ten laste gelegd. De volgende feiten geven volgens de bestreden beslissing hiertoe aanleiding: “Overwegende dat er overduidelijk sprake is van niet-professionele communicatie in hoofde van [verzoekster]; dat zij zeventien
(17)keer een negatieve opmerking maakte over [JV], boekhouder van [JC]; dat zij bovendien tegenover de belastingplichtige meermaals expliciet de naam noemt van een andere accountant; dat ze die persoon als het ware suggereert als alternatief voor [JV], vermits ze daarbij nog opmerkt dat de door haar genoemde accountant wel akkoorden kan sluiten; dat [verzoekster] zich hierdoor plaatst in een toestand van belangenconflict en daardoor artikel 9, §1, van het statuut van het rijkspersoneel overtreedt; dat ze door de gedane uitspraken minstens de gewettigde verdenking doet ontstaan dat ze niet onpartijdig en niet objectief is bij de uitoefening van haar ambt.” IX-10.020-48/64
- Het motief in de bestreden beslissing moet als een geheel worden gelezen: zowel de negatieve opmerkingen over de boekhouder als het tegelijk meermaals vernoemen en suggereren van de naam van een andere boekhouder, geven blijk van een niet-professionele communicatie en plaatsen verzoekster in een toestand van belangenconflict in de zin van artikel 9, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel of brengen minstens haar onpartijdigheid en objectiviteit in het gedrang.
- Verzoekster minimaliseert deze feiten en wijst op de context en op de omstandigheden die haar ertoe zouden hebben gebracht eens te “ventileren”. De objectieve vaststellingen worden door verzoekster echter niet betwist. Met haar opmerking dat zij eens moest “ventileren” bevestigt zij veeleer dat zij talrijke negatieve opmerkingen heeft gemaakt over de boekhouder van de betrokken belastingplichtige. Opnieuw geeft verzoekster blijk van een eigen kijk op de feiten, waarin de feitelijke grondslag niet wordt weerlegd maar waarin de kwalificatie van het feit als tuchtfeit wordt betwist. Zo laat verzoekster uitschijnen dat de naam van de andere boekhouder toevallig werd genoemd omdat een dossier van hem op haar bureau lag. Weliswaar tracht verzoekster aldus de feiten af te zwakken, maar kan zij hier evenmin de geciteerde bewoordingen en uitlatingen ontkennen. Noch het contextuele argument (‘de onwillige houding van de boekhouder’), noch de oorzaak van haar negatieve opmerkingen (‘ventileren’) verhinderen dat de tuchtoverheid de feiten kan kwalificeren als zijnde “overduidelijk” niet- professionele communicatie, hetgeen haar, aldus de tuchtoverheid, samen met het vermelden van de naam van een andere boekhouder, in een toestand van belangenconflict plaatst en minstens de gewettigde verdenking doet ontstaan van een gebrek aan onpartijdigheid en objectiviteit. IX-10.020-49/64
- De tuchtoverheid steunt louter op de uitspraken van verzoekster om een inbreuk op artikel 9, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel vast te stellen. Daarbij is het van belang dat de bestreden beslissing rekening houdt met de samenhang van de uitspraken, met name de negatieve opmerkingen over de ene boekhouder en het aanbevelen van een andere boekhouder. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid uit de opname opmaakt dat verzoekster aan de betrokkene de andere boekhouder als het ware “suggereert”, doordat zij verschillende keren zijn naam noemt, terwijl zij zich over de eerste boekhouder negatief uitlaat. Verzoekster toont niet aan dat het feitelijk onjuist dan wel onredelijk is om daar een “persoonlijk voordeel”, in welke zin dan ook, aan vast te knopen.
- De tuchtoverheid kan geen onredelijke beoordeling worden verweten wanneer zij verzoekster aldus een onprofessionele communicatie aanwrijft en het komt de Raad niet toe om zelf een beoordeling te maken van de feiten. Verzoekster toont in elk geval niet aan dat de tuchtoverheid hier de grenzen van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden.
- Het vierde middel is niet gegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 62.
- Verzoekster voert in het vijfde middel, dat bestaat uit twee onderdelen, de schending aan van artikel 78 en volgende van het statuut van het Rijkspersoneel en ondergeschikt de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder de redelijketermijneis. 62.
- Verzoekster brengt de data in herinnering die zij in dit verband van tel acht. Op 4 januari 2021 diende verzoeksters raadsman een nota van verdediging in. Pas meer dan zes maanden later, op 8 juli 2021, werd zij gehoord, IX-10.020-50/64 waarna het beheerscomité op 16 juli 2021 een straf voorstelde. Op 3 augustus 2021 liet verzoekster weten dat zij wenste te worden gehoord door de raad van beroep. Die brengt op 21 oktober 2021 zijn advies uit, waarop de minister op 11 januari 2022 de tuchtmaatregel oplegt. Volgens verzoekster werden de termijnen vermeld in artikel 79, § 3, van het statuut van het Rijkspersoneel niet gerespecteerd, waardoor er geen voorstel werd betekend en het beheerscomité derhalve geacht moet worden “af te zien van de procedure voor de feiten die [haar] ten laste worden gelegd”. Ondergeschikt betoogt verzoekster dat in elk geval de redelijke termijn geschonden is. Ten eerste situeert zij de schending van de redelijke termijn in enerzijds het tijdsverloop sedert het schriftelijk verhoor middels het indienen van een schriftelijke nota door verzoekster op 4 januari 2021 en anderzijds het horen van verzoekster door het beheerscomité op 8 juli 2021 en het formuleren van een voorstel van tuchtstraf door het beheerscomité op 16 juli
- Ten tweede werd de redelijke termijn geschonden door het tijdsverloop voor de raad van beroep. Volgens verzoekster is er na het neerleggen van de nota op 4 januari 2021 meer dan een jaar verstreken alvorens er op 11 januari 2022 een beslissing werd genomen over hetgeen er gezegd is geweest tijdens één gesprek, dat plaatsvond op 28 juni
- 62.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster deze uiteenzetting en voegt zij enkele elementen toe. Zij betoogt dat het statuut van het Rijkspersoneel voorziet in een sanctie, zodat de termijnen niet vrijblijvend zijn en er géén sprake is van een termijn van orde. Daarnaast stelt verzoekster dat de verwerende partij het tuchtdossier veel complexer probeert voor te stellen dan het in werkelijkheid is. In het dossier moest slechts één juridische kwestie worden opgelost, namelijk of de opname van het gesprek een onrechtmatig verkregen bewijs vormt. Die kwestie werd reeds onderzocht vooraleer verzoekster op 9 juni 2020 werd opgeroepen voor verhoor. Het dossier is niet omvangrijk, omdat het grootste deel van het dossier het onderliggend fiscaal dossier betreft. Verzoekster IX-10.020-51/64 is ook van mening dat het ziekteverlof geen argument vormt en dat de procedure tijdens haar ziekte werd afgehandeld. Verzoekster vergelijkt ook de duur van de procedure met de beroepstermijn waarover de ambtenaar beschikt om beroep aan te tekenen, zijnde amper twintig dagen na de betekening van het voorstel van tuchtstraf. In de memorie van wederantwoord stelt verzoekster ook dat de verwerende partij niet dienstig kan verwijzen naar “organisatorische problemen die de covid19-maatregelen” met zich meebrachten, daar zij niet werden vermeld in de bestreden beslissing en de verwerende partij hun invloed niet concretiseert. Tot slot voert verzoekster aan dat de vertraging haar nadeel heeft berokkend, aangezien de onzekerheid en de dreiging met een tuchtstraf zwaar om dragen zijn. 62.
- In haar laatste memorie verduidelijkt verzoekster nog dat ook de deeltermijnen binnen een tuchtprocedure in ogenschouw moeten worden genomen in het licht van de redelijketermijneis. De tijd tussen de nota met de schriftelijke verdediging en het horen van verzoekster bedraagt meer dan zes maanden, de tijd tussen het neerleggen van de bedoelde nota en het nemen van de uiteindelijke beslissing bedraagt meer dan twaalf maanden. Beoordeling Eerste onderdeel
- Artikel 78, §§ 3 tot 5, van het statuut van het Rijkspersoneel luidt: “§
- De ambtenaar wordt gehoord tussen de veertiende en de dertigste dag die volgen op de ontvangst van de oproeping door de bevoegde hiërarchische meerdere over de feiten die hem ten laste worden gelegd. Tijdens het verhoor heeft de ambtenaar het recht de feiten die hem ten laste worden gelegd te weerleggen. Er kunnen getuigen worden opgeroepen. […] IX-10.020-52/64 §
- De ambtenaar viseert de notulen en geeft ze binnen de tien dagen vanaf de datum van ontvangst terug. Indien hij bezwaren heeft tegen bepaalde vaststellingen in de notulen, geeft hij de notulen terug vergezeld van een schriftelijke nota. […] §
- De bevoegde hiërarchische meerdere stuurt het dossier naar het directiecomité binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van ontvangst. […]” Artikel 79, § 1, eerste en tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel stelt: “Binnen een termijn van tien dagen vanaf de dag waarop het dossier bij het directiecomité aanhangig is gemaakt, roept het directiecomité de ambtenaar op om voor hem te verschijnen. […] Het horen van de ambtenaar gebeurt tussen de twintigste en de dertigste dag volgend op het aanhangig maken bij het directiecomité. […]” Artikel 79, § 3, van het statuut van het Rijkspersoneel bepaalt: “Binnen een termijn van ten hoogste twee maanden vanaf de dag dat de zaak bij het directiecomité is ingediend, doet deze een voorstel van tuchtstraf en betekent het voorstel aan de ambtenaar binnen de vijftien dagen. Bij ontstentenis van deze betekening binnen de termijn van vijftien dagen, wordt het directiecomité geacht af te zien van de procedure voor de feiten die de ambtenaar ten laste worden gelegd.”
- Verzoekster ontwikkelt in haar verzoekschrift een fictief tijdspad, waarbij de termijnen van de artikelen 78 en 79 van het statuut van het Rijkspersoneel worden toegepast, vanaf de datum van het neerleggen van de nota met schriftelijke verdediging. Daaruit leidt verzoekster af dat het beheerscomité uiterlijk op 29 maart 2021 een voorstel had moeten betekenen. Aangezien het voorstel van het beheerscomité pas dateert van 16 juli 2021, stelt verzoekster dat “er geen voorstel werd betekend” en dat het beheerscomité “derhalve [wordt] geacht af te zien van de procedure voor de feiten die [haar] ten laste worden gelegd”. IX-10.020-53/64
- Deze redenering, vertrekkende van de voorgeschreven termijnen van orde, faalt naar recht. Enkel de bij artikel 79, § 3, tweede lid, van het statuut van het Rijkspersoneel opgelegde termijn van vijftien dagen waarbinnen het voorstel van het beheerscomité, nadat het is uitgebracht, aan de ambtenaar moet worden betekend, is een vervaltermijn op straffe van verlies van bevoegdheid of de mogelijkheid van het bestuur om de ambtenaar voor die feiten verder tuchtrechtelijk te vervolgen.
- Op 16 april 2021 werd het dossier bij het beheerscomité van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit aanhangig gemaakt. Het tuchtvoorstel van het beheerscomité dateert van 8 juli 2021 en werd aan verzoekster betekend op 16 juli
- Deze betekening heeft aldus binnen de voorgeschreven termijn van vijftien dagen plaatsgevonden.
- Dit onderdeel van het middel faalt in feite en in rechte. Tweede onderdeel
- Het is een beginsel van behoorlijk bestuur dat een tuchtprocedure moet worden afgehandeld binnen een redelijke termijn. Dit beginsel is van toepassing wanneer in de regelgeving geen specifieke termijn is bepaald waarbinnen de procedure moet worden afgehandeld. De redelijkheid van de termijn moet voor elk geval afzonderlijk worden beoordeeld waarbij inzonderheid rekening dient te worden gehouden met het belang voor de betrokkene, met de complexiteit van de zaak en met de houding en het gedrag van de partijen. De verplichting om een tuchtzaak zonder verwijl af te handelen houdt niet alleen verband met het beëindigen van de onzekerheid waarin een tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar zich bevindt, maar ook met de ordentelijke werking van een administratie, die vereist dat elke verstoring van de orde zo spoedig mogelijk wordt hersteld. IX-10.020-54/64 Als een redelijke termijn wordt beschouwd de tijd die normaal nodig is om een zaak haar beslag te geven. Daarbij komt dat de redelijkheid van de termijn in concreto moet worden beoordeeld, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak.
- Een tuchtvordering wordt geacht te zijn ingesteld op het ogenblik dat de tuchtoverheid laat blijken dat een personeelslid zich voor bepaalde feiten moet verantwoorden met het oog op het opleggen van een tuchtsanctie, en de betrokkene aldus op de hoogte is gebracht van het feit dat hem mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd. De periode die in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de redelijke termijn eindigt met het nemen en ter kennis brengen van de tuchtstraf.
- In casu wordt verzoekster bij brief van 9 juni 2020 op de hoogte gebracht van de feiten waarvoor ze zich moet verantwoorden. De tuchtstraf wordt opgelegd op 11 januari
- Verzoekster voert niet aan dat de duur van de tuchtprocedure, in zijn geheel bekeken, de redelijke termijn heeft overschreden. Verzoekster is wel van mening dat de redelijke termijn zou zijn geschonden in twee delen van de tuchtprocedure. Zij betoogt namelijk dat de redelijke termijn te buiten werd gegaan, ten eerste wat betreft de procedurefase in “eerste aanleg” voor het beheerscomité en ten tweede in de periode tussen het indienen van de verweernota en de uiteindelijke beslissing van de minister. De daaraan voorafgaande periode van het ogenblik dat verzoekster op de hoogte is gebracht van het feit dat haar mogelijk tuchtfeiten ten laste worden gelegd tot het indienen van het verweerschrift wordt zodoende door verzoekster buiten beschouwing gelaten. Dit hoeft niet te verbazen, aangezien het tijdsverloop tussen de eerste uitnodiging voor verhoor op 9 juni 2020 en de ultieme datum voor verhoor op 5 januari 2021 te verklaren is door de vragen om uitstel van verzoekster. IX-10.020-55/64
- Aangezien dit door verzoekster niet betwist wordt, moet worden aangenomen dat de gehele tuchtzaak in globo binnen een redelijke termijn werd afgehandeld. Dit betreft de periode tussen de uitnodiging voor verhoor op 9 juni 2020 en de bestreden beslissing van de minister van 11 januari
- Ook indien de gehele tuchtprocedure de redelijke termijn niet overschrijdt, is het niet a priori uitgesloten dat binnen deze procedure de overheid niet steeds voldoende zorgvuldig en diligent heeft gehandeld. Verzoekster verwijst in dit verband naar arrest nr. 255.427 van 4 januari 2023 van de Raad van State. Opdat een verzoekende partij in het geval dat de tuchtzaak in globo is afgehandeld binnen een redelijke termijn, niettemin de schending van de redelijketermijneis kan doen aannemen op grond van het specifieke verloop van de tuchtprocedure, dient zij echter aan te tonen dat het beweerd onverantwoorde getalm tijdens onderscheiden procedurestappen haar belangen heeft aangetast – bijvoorbeeld omdat getuigen niet meer bereikbaar zijn of hun verklaringen niet langer betrouwbaar zijn.
- Verzoekster bekritiseert de duur van meer dan zes maanden van de periode tussen enerzijds het bezorgen van de nota met de schriftelijke verdediging op 4 januari 2021 en anderzijds het horen van verzoekster en het formuleren van een voorstel van tuchtstraf door het beheerscomité op 8 juli
- Daarnaast voert verzoekster aan dat de redelijke termijn geschonden is door het tijdsverloop voor de raad van beroep. Dat is de periode van 3 augustus 2021 wanneer verzoekster laat weten gehoord te willen worden, tot 21 oktober 2021, de dag waarop de raad van beroep advies uitbrengt. Verzoekster vat dit tijdsverloop echter samen in het besluit dat “meer dan een jaar verstreken is” na het neerleggen van de nota met de schriftelijke verdediging op 4 januari 2021 alvorens er op 11 januari 2022 een beslissing werd genomen over hetgeen er gezegd is geweest tijdens één gesprek, dat plaatsvond op 28 juni
- IX-10.020-56/64 In de laatste memorie verwijst verzoekster enkel nog naar het tijdsverloop tussen het neerleggen van de nota op 4 januari 2021 en het nemen van de uiteindelijke beslissing op 11 januari 2022, waarbij zij deze periode van meer dan twaalf maanden bekritiseert. Er kan dan ook worden aangenomen dat haar kritiek zich hierop richt en niet enkel op het tijdsverloop voor de raad van beroep. 75.
- Voor wat betreft de eerste door verzoekster bekritiseerde periode, tussen 4 januari 2021 en 8 juli 2021, wijt de verwerende partij de duur die de procedure sinds 4 januari 2021 in beslag nam tot de aanhangigmaking bij het beheerscomité (op 16 april 2021) aan de uitgebreide verweernota van verzoekster die verder onderzoek vergde en de complexiteit van het dossier (circa 600 bladzijden) en wijst zij erop dat het “duidelijk [was] geworden” dat verzoekster ondertussen met ziekteverlof was en dit minstens tot 30 juni
- De daaropvolgende overschrijding van de termijn van orde om verzoekster op te roepen – op 10 juni 2021 terwijl dit op grond van artikel 79, § 1, van het statuut van het Rijkspersoneel ten laatste op 26 april 2021 had moeten gebeuren – en om een tuchtvoorstel uit te brengen (op 8 juli 2021) schrijft de verwerende partij toe aan de organisatorische problemen ten gevolge van de covid 19-maatregelen. 75.
- Voor wat betreft de volledige duur van de tuchtprocedure tussen 4 januari 2021 en 11 januari 2022 wijst de verwerende partij erop dat de eindbeslissing van de minister er kwam twee maanden na het advies van de raad van beroep en dat de procedure sinds 4 januari 2021 slechts één jaar in beslag nam, hetgeen haar niet onredelijk lijkt, temeer omdat verzoekster nergens aangeeft hoe zij door de termijnoverschrijdingen enig nadeel heeft geleden.
- In de memorie van wederantwoord betwist verzoekster dat het om een complex dossier zou gaan, omdat de tuchtprocedure steunt op één gesprek tussen haar en een belastingplichtige, het grootste gedeelte ervan het fiscaal dossier betreft en er eigenlijk enkel juridisch moest worden onderzocht of het bewijs onrechtmatig verkregen werd, hetgeen door de verwerende partij al in IX-10.020-57/64 2020 was onderzocht. Verzoekster tracht aldus het onderzoek van het tuchtdossier als vrij eenvoudig voor te stellen. Daargelaten het feit dat verzoekster het dossier zelf “lijvig” noemde, negeert zij daarbij dat het tuchtrechtelijk onderzoek veel verder ging dan de vraag of het bewijs al dan niet onrechtmatig was en dat verschillende instanties de zaak onder ogen kregen. Gelet op de in aanmerking genomen tuchtfeiten speelde het onderliggende fiscale deel wel degelijk een rol in het onderzoek en vormde het een onderdeel van het dossier. Ook kan het, in tegenstelling tot wat verzoekster voorhoudt, niet als onredelijk worden beschouwd dat de verwerende partij rekening hield met haar ziekteverlof, aangezien zij al eerder in de procedure om die reden meermaals uitstel had gevraagd. Gelet op de algemeen gekende beperkende maatregelen die tijdens de covidperiode van toepassing waren, volstaat het evenmin voor verzoekster om te stellen dat de verwerende partij niet aantoont dat dit op organisatorisch vlak een invloed zou hebben gehad. Tot slot mist de vergelijking door verzoekster met in de regelgeving opgelegde beroepstermijnen de nodige relevantie, nu het bij de beoordeling van de redelijke termijn om de vraag gaat of de overheid gehandeld heeft binnen een termijn die normaal nodig is om een zaak, gelet op de specifieke gegevens ervan, haar beslag te laten kennen.
- De argumenten van verzoekster kunnen bijgevolg niet ervan overtuigen dat de tuchtprocedure in de periode tussen het neerleggen van het schriftelijk verweer en het voorstel van tuchtmaatregel door het beheerscomité, of, in ruimere zin, in de periode van twaalf maanden waarin drie overheidsinstanties (het beheerscomité, de raad van beroep en de minister) het dossier onderzoeken en een voorstel, advies en beslissing voorleggen, als onredelijk lang zou moeten worden beschouwd. Aangezien aldus onverantwoord getalm in hoofde van de verwerende partij niet is aangetoond, behoeft niet verder nagegaan te worden of IX-10.020-58/64 verzoekster door de duur van de geviseerde procedurefasen een concreet nadeel zou hebben geleden.
- Het tweede onderdeel van het middel is niet gegrond. IX-10.020-59/64 Besluit
- Het vijfde middel is, in beide onderdelen, niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 80.
- Verzoekster voert in het zesde middel de schending aan van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het materiëlemotiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verzoekster betoogt dat in tegenstelling tot wat werd geadviseerd door de raad van beroep haar de zware tuchtstraf ‘verplaatsing’ wordt opgelegd. Zij stelt dat het eenmalig karakter van de feiten, haar blanco tuchtverleden, haar onberispelijke staat van dienst en de context van de tuchtfeiten, hoogstens aanleiding kunnen geven tot de lichtste tuchtstraf. In elk geval is volgens verzoekster de door de verwerende partij geboden motivering niet afdoende. Daarbij brengt verzoekster onder meer aan dat bijkomende feiten in rekening zijn gebracht bij de bepaling van de tuchtstraf. Het tuchtdossier bevat evenwel geen informatie omtrent het functioneren van verzoekster en van de beweerde vertrouwensbreuk met de medewerkers en met haar hiërarchie. Verzoekster wijst er eveneens op dat zij niet van haar rol van teamchef gehaald mag worden. Dit is immers niet opgenomen in de mogelijke tuchtstraffen in artikel 77 van het statuut van het Rijkspersoneel. 80.
- Verzoekster stelt in de memorie van wederantwoord dat de motivering onvoldoende is wat betreft de noodzaak van het opleggen van een IX-10.020-60/64 tuchtstraf “met tastbare gevolgen” alsook wat betreft waarom “een morele tuchtstraf niet in verhouding staat tot de ernst van de verweten feiten”. 80.
- In haar laatste memorie onderstreept verzoekster dat bij het bepalen van de zwaarte van de tuchtstraf rekening moet worden gehouden met alle relevante elementen. Het is kennelijk onredelijk om een ambtenaar voor hetgeen er is gezegd tijdens één enkel gesprek zo zwaar te straffen. Verzoekster benadrukt ook dat stellen dat enkel de overplaatsing bij tuchtmaatregel als tuchtstraf wordt opgelegd, een ontkenning van de realiteit inhoudt. Zij was voorheen immers teamchef en is zulks nu niet meer. Beoordeling
- Over de verhouding tussen de tuchtfeiten en de tuchtstraf wordt door de tuchtoverheid discretionair geoordeeld. Het evenredigheidsbeginsel begrenst deze discretionaire bevoegdheid doordat het niet duldt dat de opgelegde tuchtstraf in wanverhouding staat tot de tuchtfeiten. De Raad van State mag zich bij het beoordelen van de evenredigheid van de tuchtstraf ten aanzien van de tuchtfeiten niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid en hij mag enkel een straf waarvan het in redelijkheid ondenkbaar is dat enige overheid ze voor die feiten zou opleggen als onwettig kwalificeren.
- Een tuchtstraf is niet kennelijk onevenredig om de enkele reden dat ze “streng” is of omdat de feiten ook met een lichtere straf hadden kunnen worden bestraft.
- Er kan in herinnering worden gebracht voor welke bewezen geachte tuchtfeiten de bestreden beslissing de tuchtstraf ‘verplaatsing’ oplegt: IX-10.020-61/64 “Overwegende dat de middelen die [verzoekster] heeft ingezet tijdens een bespreking op 28 juni 2019 in het kader van de controle van het fiscaal dossier van [JC] ongeoorloofd en buiten proportie zijn en een schending uitmaken van het statuut van het rijkspersoneel; dat het tuchtdossier immers aantoont dat [JC] van [verzoekster] de keuze kreeg: - ofwel toezeggen en een akkoord tekenen zonder tussenkomst van zijn boekhouder en zonder dat de inhoud van het akkoord gekend was; - ofwel een zwaar bericht van wijziging incasseren waarin niet alleen alle kosten zouden worden verworpen maar ook de inkomsten zouden worden verhoogd en er bovendien een bijkomende belastingverhoging zou worden opgelegd als een soort bijkomende boete of sanctie; Overwegende dat het onaanvaardbaar is dat een fiscaal ambtenaar elk contact weigert met de raadgever van de belastingplichtige; dat dit des te meer klemt wanneer die belastingplichtige duidelijk aangeeft dat hij geen kaas heeft gegeten van fiscaliteit; Overwegende dat [verzoekster] derhalve geen blijk heeft gegeven van integer gedrag; dat haar houding het vertrouwen schendt dat de belastingplichtige heeft in de FOD Financiën; dat zij hierdoor het statuut van het rijkspersoneel heeft geschonden, meer bepaald artikel 7, § 1, en artikel 8, §2, evenals twee hoofdwaarden van de FOD Financiën (‘Integer’ en ‘Correct’); Overwegende dat er overduidelijk sprake is van niet-professionele communicatie in hoofde van [verzoekster]; dat zij zeventien
(17)keer een negatieve opmerking maakte over [JV], boekhouder van [JC]; dat zij bovendien tegenover de belastingplichtige meermaals expliciet de naam noemt van een andere accountant; dat ze die persoon als het ware suggereert als alternatief voor [JV], vermits ze daarbij nog opmerkt dat de door haar genoemde accountant wel akkoorden kan sluiten; dat [verzoekster] zich hierdoor plaatst in een toestand van belangenconflict en daardoor artikel 9, §1, van het statuut van het rijkspersoneel overtreedt; dat ze door de gedane uitspraken minstens de gewettigde verdenking doet ontstaan dat ze niet onpartijdig en niet objectief is bij de uitoefening van haar ambt; Overwegende dat uit de opname bovendien blijkt dat [verzoekster] ook negatieve opmerkingen maakt over haar hiërarchie; dat ze hierdoor ook artikel 7, § 2, 2de lid, van het statuut schendt; dat haar uitspraken immers getuigen van weinig hoffelijkheid, respect en loyauteit.”
- De minister motiveert waarom hij de ‘verplaatsing’ hiervoor de gepaste tuchtstraf acht. Hij overweegt dat gelet op de aard en de ernst van de feiten een tuchtstraf met tastbare gevolgen moet worden opgelegd, dat een morele tuchtstraf niet in verhouding staat tot de ernst van de verweten feiten en dat verzoekster tegenover een belastingplichtige een volledig fout beeld van de FOD Financiën heeft gecreëerd, terwijl de FOD Financiën waarden als ‘correct’ IX-10.020-62/64 en ‘integer’ hoog in het vaandel draagt. Het gedrag van verzoekster, aldus de minister, beantwoordt helemaal niet aan die waarden. Op grond van die argumentatie kan niet worden aangenomen dat de tuchtstraf van de ‘verplaatsing’ volkomen in wanverhouding staat tot de begane feiten en dat geen enkele overheid ze voor die feiten zou opleggen. De verwerende partij kan bij het bepalen van de tuchtstraf uitgaan van de tuchtfeiten op zich en de aard en de ernst van die feiten. Het “éénmalig karakter van de feiten”, het “blanco tuchtverleden” of de positieve evaluaties of “onberispelijke staat van dienst” brengen de strafmaat voor die feiten op zich niet in een onredelijke of onevenredige verhouding.
- Zoals gebleken is bij de bespreking van het derde middel, toont verzoekster niet aan dat de door haar aangehaalde bijkomende feiten, zoals de conclusie van het onderzoek van de interne dienst naar het welzijn van de werknemers van verzoeksters team, door de verwerende partij in aanmerking zouden zijn genomen bij het bepalen van de strafmaat.
- Daarnaast focust verzoekster op een aantal motieven die weergeven waarom zij specifiek wordt overgeplaatst naar het centrum Particulieren Leuven, maar dit betreft niet de verhouding van de opgelegde tuchtstraf (‘verplaatsing als tuchtmaatregel’) met de tuchtfeiten. Uit haar argumentatie ter zake blijkt bovendien enkel dat zij van mening is dat de motieven (‘probleem met hiërarchie en medewerkers’, ‘vermijden van contact met boekhouder’) geen steek houden, maar zij toont niet aan dat de motivering die heel wat uitgebreider is, in rechte en in feite niet aanvaardbaar is.
- De bestreden beslissing legt enkel de ‘verplaatsing bij tuchtmaatregel’ als tuchtstraf op. Hoewel de overplaatsing feitelijk tot gevolg kan IX-10.020-63/64 hebben dat verzoekster geen teamchef meer is, is dit geen onderdeel van de tuchtstraf. In haar nieuwe team kan verzoekster nog steeds worden aangewezen om het team te leiden.
- Het zesde middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zevenentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.020-64/64 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.277 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080909.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151117.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230404.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div