id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.302 Rolnummer: A. 237649/VII-41735 Zaak: Arrest 259302 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 28/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-03 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-12 03:24 Fiche Arrest nr 259.302 van 28 maart 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.302 no lien 276247 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.302 van 28 maart 2024 in de zaak A. 237.649/VII-41.735 In zake : de BV BIOLURIT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Goethals kantoor houdend te 8800 Roeselare Kwadestraat 151B, bus 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Dewaele kantoor houdend te 8500 Kortrijk Groeningestraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 28 oktober 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Afdelingshoofd van de Mestbank van 28 juli 2022 “houdende een antwoord op het bezwaar aangaande het opleggen van een administratieve geldboete wegens ‘niet afzetten van de meststoffen volgens de geldende mestwetgeving 2019’ samen met de beslissing van 24 maart 2022, zijnde de beslissing waarmee de administratieve geldboete ten belope van €46974,15 wordt opgelegd samen met het verslag dd. 19 november 2020 van de bedrijfsdoorlichting van 12 februari 2020, de beantwoording van [de] bezwaren van [de verzoekende partij] door de [verwerende partij] dd. 9 december 2021 en dd. 3 maart 2022 als één complexe administratieve rechtshandeling”. VII-41.735-1/10 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 255.594 van 26 januari 2023 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 17 augustus 2023 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2024. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Goethals, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Pieter Dewaele, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.735-2/10 III. Feiten 3.1. De verzoekende partij exploiteert een mestverwerkingsbedrijf. 3.2. Op 12 februari 2020 en 9 maart 2020 voeren medewerkers van de Mestbank in de inrichting van de verzoekende partij een doorlichting uit in het kader van artikel 62 van het decreet van 22 december 2006 ‘houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen’ (hierna: Mestdecreet). Met een schrijven van 19 november 2020 ontvangt de verzoekende partij het verslag van de bedrijfsdoorlichting. Per brief van 21 december 2020 bezorgt de verzoekende partij haar reactie op het doorlichtingsverslag aan de Mestbank. De Mestbank antwoordt op 9 december 2021 op die reactie. Met een schrijven van 18 januari 2022, aangevuld op 31 januari 2022, maakt de verzoekende partij bezwaar tegen de bevindingen van de Mestbank van 9 december 2021. Het afdelingshoofd van de Mestbank antwoordt op 3 maart 2022 op dit bezwaar. 3.3. Op 24 maart 2022 legt het afdelingshoofd van de Mestbank aan de verzoekende partij een administratieve geldboete op wegens het niet afzetten van alle op het bedrijf aanwezige meststoffen overeenkomstig de bepalingen van het Mestdecreet. 3.4. Met een schrijven van 23 april 2022 vraagt de verzoekende partij “uitdrukkelijk kwijtschelding of in ondergeschikte orde een vermindering […] van de opgelegde geldboete”. Daarnaast deelt zij mee, indien de Mestbank van oordeel zou zijn dat een kwijtschelding niet kan, een beroep te willen doen op de mogelijkheid tot uitstel van betaling. 3.5. Per brief van 28 juli 2022 deelt het afdelingshoofd van de Mestbank aan de verzoekende partij mee dat het beroep tegen de administratieve geldboete van 24 maart 2022 wordt verworpen. Hij besluit: “Het bezwaar is ongegrond. Op basis van de elementen in uw bezwaar kan de boete niet verminderd of kwijtgescholden worden. Wanneer en hoe betaalt u de boete? VII-41.735-3/10 De geldboete van 46.974,15 euro schrijft u voor 28.08.2022 over op rekeningnummer […] van de Vlaamse Landmaatschappij NV - Mestbank […]. U kunt vragen om de betaling te spreiden of uit te stellen. Schrijf hiervoor een brief waarin u deze vraag motiveert en verstuur hem aangetekend naar het afdelingshoofd van de Mestbank […]. Wat als u niet op tijd betaalt? Als u niet op tijd betaalt, schakelen we een gerechtsdeurwaarder in om de boete in te vorderen via een dwangbevel. De kosten van de gerechtsdeurwaarder zijn dan voor u. Tegen een dwangbevel kunt u zich verzetten door het Vlaams Gewest te dagvaarden voor de rechtbank van eerste aanleg in Brussel (artikel 69, § 2 Mestdecreet).” 3.6. Door de leidend ambtenaar van de Mestbank wordt op 15 september 2022 een dwangbevel tot betaling van de administratieve geldboete geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel wordt aan de verzoekende partij betekend. 3.7. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28 oktober 2022 heeft de verzoekende partij verzet aangetekend tegen het dwangbevel, overeenkomstig artikel 69, § 2, van het Mestdecreet, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest om te verschijnen voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. In die procedure vordert de verzoekende partij dat het dwangbevel “ongeldig en zonder waarde wordt beschouwd omdat de daaraan ten grondslag liggende beslissingen (die al dan niet ex art. 159 [van de Grondwet] buiten toepassing worden verklaard) onwettig zijn”. IV. Rechtsmacht Standpunt van de partijen 4. De verzoekende partij voert aan dat de Raad van State over rechtsmacht beschikt om haar vernietigingsberoep te beoordelen. Zij wijst erop dat artikel 69, § 2, van het Mestdecreet de rechtbank van eerste aanleg enkel aanduidt als de rechter die kennis neemt van het verzet tegen het dwangbevel bedoeld in artikel 69, § 1. Nu in die bepaling ook VII-41.735-4/10 wordt gesteld dat op het dwangbevel de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen tot tenuitvoerlegging van toepassing zijn, zou het geschil voor de rechtbank van eerste aanleg volgens de verzoekende partij enkel betrekking kunnen hebben op de uitvoering van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete, en niet op die beslissing zelf. De verzoekende partij merkt daarbij op dat, indien zij de boete had betaald, er geen dwangbevel zou zijn gekomen en zij zich niet tot de rechtbank kan wenden. Het werkelijk en rechtstreeks voorwerp van het beroep van de verzoekende partij zou erin bestaan een beslissing te zien vernietigen, die genomen werd door een orgaan van actief bestuur in het kader van de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid. Nu het Mestdecreet geen andere rechter heeft aangeduid om kennis te nemen van dergelijke beroepen, zou de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, RvS-wet bevoegd zijn. Die principiële bevoegdheid kan de Raad van State bij gebreke aan andersluidende wettelijke bepaling volgens de verzoekende partij vervolgens niet verliezen door de loutere omstandigheid dat de wettigheid van de bestreden beslissing met toepassing van artikel 159 van de Grondwet ook wordt betwist voor een ander rechtscollege. Er anders over oordelen, zou volgens de verzoekende partij een schending inhouden van het gelijkheidsbeginsel, nu enkel de personen die de boete betalen zich dan tot de Raad van State zouden kunnen wenden, en de personen die de boete niet betalen hun discussie voor de rechtbank beslecht zouden moeten zien, waarbij de zaak niet met “volle rechtsmacht” zou worden behandeld. De omstandigheid dat de verzoekende partij bij de rechtbank van eerste aanleg verzet heeft aangetekend tegen het dwangbevel dat haar werd betekend omdat zij de geldboete niet heeft betaald, zou volgens de verzoekende partij niet kunnen verhinderen dat zij bij de Raad van State de vernietiging vordert van de beslissingen tot het opleggen van de geldboete en tot verwerping van het bestuurlijk beroep tegen die geldboete. Zij wil niet het risico lopen “tussen ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.302 VII-41.735-5/10 twee stoelen te vallen”, wijst op de vervaltermijn van dertig dagen om het verzet tegen het dwangbevel aan te tekenen, en stelt de discussie ten gronde voor de rechtbank slechts ondergeschikt te voeren, voor zover de Raad zich onbevoegd zou verklaren. 5. De verwerende partij betwist de rechtsmacht van de Raad van State om kennis te nemen van het beroep tot nietigverklaring. Zij wijst erop dat de verzoekende partij op 28 oktober 2022 ook een vordering heeft ingesteld voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel waarin zij de geldigheid van het dwangbevel betwist omdat de daaraan ten grondslag liggende beslissingen (die al dan niet op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden verklaard) onwettig zijn, en in het kader waarvan zij ook vordert dat de administratieve geldboete wordt kwijtgescholden dan wel ernstig verminderd. De verwerende partij zet uiteen dat de principiële bevoegdheid van de Raad van State beperkingen kan ondergaan ten gevolge van het feit dat de betwisting in verband met de wettigheid van de bestreden administratieve geldboete kadert in een geschil dat bij een ander rechtscollege aanhangig is. De Raad van State zou zich mengen in dat ander geding indien hij zich zou uitspreken over de wettigheid van de (beslissing over het bezwaar tegen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.