← België

Arrest 259307 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 28/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 Rolnummer: A. 232573/VII-40989 Zaak: Arrest 259307 - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen - 28/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-03 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-06-12 03:24 Fiche Arrest nr 259.307 van 28 maart 2024 Economische zaken - Energie (subsidies, premies), behalve stedenbouwkundige en milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 no lien 276252 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.307 van 28 maart 2024 in de zaak A. 232.573/VII-40.989 In zake : 1. I.D. 2. V.D. 3. I.S. 4. J.S. 5. M.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 9000 Gent Molenaarsstraat 111/1A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Damien Verhoeven, Jonas Van Orshoven en Vincent Verbelen kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 24 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van de artikelen 11 en 13 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 oktober 2020 ‘houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, betreffende de omzetting van Richtlijn 2018/844/EU en betreffende diverse bepalingen inzake de energie-efficiëntie’. II. Verloop van de rechtspleging VII-40.989-1/23 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft op 19 juli 2023 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 november 2023. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Deweirdt, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Silvio Spiniello, die loco advocaat Damien Verhoeven verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 ‘betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG’ (hierna: Richtlijn 2012/27/EU) , zoals gewijzigd door Richtlijn 2018/2002/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018, bepaalt onder meer het volgende: VII-40.989-2/23 “Artikel 9bis Meting betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik 1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijk gebruik tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die hun daadwerkelijke energieverbruik nauwkeurig weergeven. 2. Indien de verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een systeem voor stadsverwarming of -koeling, wordt een meter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt. Artikel 9ter Individuele bemetering en kostenverdeling betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik 1. In appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of centrale koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het verbruik van verwarming, koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten, indien dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is, te weten in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen. Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmteverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de betrokken lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De algemene criteria, werkwijzen en/of procedures aan de hand waarvan kan worden bepaald dat installaties technisch niet haalbaar en niet-kosteneffectief zijn, worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd. 2. In nieuwe appartementsgebouwen en in de residentiële gedeelten van nieuwe multifunctionele gebouwen die uitgerust zijn met een centrale verwarmingsbron voor warm water voor huishoudelijk gebruik of op stadsverwarmingssystemen zijn aangesloten, worden, niettegenstaande de eerste alinea van lid 1, voorzien in individuele meters voor warm water voor huishoudelijk gebruik. 3. Indien appartementsgebouwen of multifunctionele gebouwen zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, zorgen de lidstaten ervoor dat zij, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante en voor het publiek toegankelijke nationale regels vaststellen voor de verdeling van de kosten voor het verbruik van verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in dergelijke gebouwen. Waar passend, bevatten deze regels richtsnoeren betreffende de wijze waarop de kosten van energie moeten worden verdeeld, die wordt gebruikt als volgt:

  1. a)warm water voor huishoudelijk gebruik;
  2. b)warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten, wanneer trappenhuizen en gangen voorzien ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-3/23 zijn van radiatoren;
  3. c)voor het verwarmen of koelen van appartementen. Artikel 9quater Verplichting inzake op afstand leesbare meters 1. Voor de toepassing van de artikelen 9bis en 9ter zijn meters en warmtekostenverdelers die na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd op afstand leesbare apparaten. De voorwaarden inzake technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit van artikel 9ter, lid 1, blijven van toepassing. 2. Meters en warmtekostenverdelers die niet op afstand kunnen worden gelezen maar die al geïnstalleerd zijn, worden uiterlijk op 1 januari 2027 op afstand leesbaar gemaakt of vervangen door apparaten die op afstand leesbaar zijn, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is. […] Bijlage VIIbis Minimumeisen voor informatie over facturering en verbruik betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik 1. Facturering op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers Om eindgebruikers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te reguleren, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of van meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd. 2. Minimumfrequentie van informatie over facturering of verbruik Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 25 oktober 2020 minstens elk kwartaal wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar, informatie over facturering of verbruik aan de eindgebruikers worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers. Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturering of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers aan de eindgebruikers worden verstrekt. Deze informatie kan ook via het internet beschikbaar worden gesteld en zo vaak worden bijgewerkt als de gebruikte meetapparatuur en -systemen toelaten. Verwarming en koeling kunnen van dit voorschrift worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen. 3. Minimuminformatie van de factuur De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal, de volgende informatie krijgen indien die factuur is gebaseerd op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdeler:
  4. a)de huidige actuele prijzen en het werkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;
  5. b)informatie over de gebruikte brandstofmix en de bijbehorende jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling, en een beschrijving van de verschillende belastingen, heffingen en tarieven. De lidstaten kunnen het toepassingsgebied van het vereiste om informatie over broeikasgasemissies te verstrekken, beperken ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-4/23 tot uitsluitend leveringen uit stadsverwarmingssystemen met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW;
  6. c)vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;
  7. d)contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.
  8. e)informatie over relevante klachtenprocedures, ombudsmandiensten of alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen, naargelang hetgeen in de lidstaten van toepassing is;
  9. f)vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindgebruiker van dezelfde verbruikerscategorie. In het geval van elektronische facturen kunnen deze vergelijkingen bij wijze van alternatief online beschikbaar worden gesteld en kan er in de facturen naar worden verwezen. Facturen die niet gebaseerd zijn op het werkelijke verbruik of op meetgegevens van warmtekostenverdelers, bevatten een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de factuur genoemde bedrag is berekend, en ten minste de informatie als bedoeld onder
  10. d)en e).” 3.2. Aangaande de verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient, bepaalt artikel 4/1.2.2 van het decreet van 8 mei 2009 ‘houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid’ (hierna: Energiedecreet): “§ 1. Als de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient, wordt een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden en de nadere regels bepalen voor de verwarming, de koeling of de warmwatervoorziening van een gebouw door een warmte- of koudenet of door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient. § 2. De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaraan de koude- of warmtenetbeheerder of de beheerder van een centrale bron, die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient, moet voldoen om een dergelijk warmte- of koudenet of een bron te mogen uitbaten. § 3. De warmte- of koudenetbeheerder of de beheerder van een centrale bron die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient, zorgt ervoor dat in appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen met een centrale verwarmings- of koelingsbron of met levering vanuit zijn warmte- of koudenet of zijn centrale bron ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-5/23 individuele verbruiksmeters geïnstalleerd worden om het warmte- of koelingsverbruik of het warmwaterverbruik voor iedere eenheid te meten. De Vlaamse Regering kan uitzonderingen bepalen voor multifunctionele gebouwen en voor de gevallen waarin het technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om een dergelijke meter te installeren. De Vlaamse Regering bepaalt aan welke voorwaarden de meters moeten voldoen. De partijen die via dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan toegang krijgen tot de gegevens van de meters, zorgen ervoor dat de dataveiligheid op elk moment gegarandeerd wordt en dat voldaan wordt aan de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens. De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor de transparante en accurate berekening van het individuele verbruik en voor de verdeling van de kosten van het thermische of warmwaterverbruik voor: 1° warm water voor huishoudelijk gebruik; 2° warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten, wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren; 3° de verwarming of koeling van appartementen.” 3.3. Op 9 oktober 2020 neemt de Vlaamse regering het besluit ‘houdende wijziging van het Energiebesluit van 19 november 2010, betreffende de omzetting van Richtlijn 2018/844/EU en betreffende diverse bepalingen inzake de energie-efficiëntie’, waarvan met voorliggend beroep de artikelen 11 en 13 worden bestreden. De bestreden bepalingen luiden als volgt: “Art. 11. In artikel 3/1.2.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2016 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2019, worden volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt het vierde lid vervangen door wat volgt: ‘Bij warmwatervoorziening vanuit een warmtenet of een centrale bron die verschillende gebouwen of verschillende verbruikers binnen één gebouw bedient, kan het individueel warmwaterverbruik, in afwijking van het eerste, tweede en derde lid, gemeten worden met een watermeter op voorwaarde dat het totaal van het verbruik voor warm water van de eenheden waar een watermeter wordt gebruikt centraal gemeten wordt met een verbruiksmeter voor het warm waterverbruik van het integrale type, die voldoet aan de vereisten gesteld in het eerste, tweede en derde lid. De watermeter moet voldoen aan de vereiste nauwkeurigheidsklasse, vermeld in het koninklijk besluit van 15 april 2016 betreffende meetinstrumenten.’; 2° er wordt een paragraaf 1/1 ingevoegd, die luidt als volgt: ‘§ 1/1. Elke nieuwe verbruiksmeter is uitgerust met een voorziening waarmee de gemeten hoeveelheden zowel ter plaatste als op afstand ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-6/23 uitgelezen kunnen worden. Elke bestaande verbruiksmeter dient ten laatste op 1 januari 2027 op afstand uitleesbaar gemaakt of vervangen te worden door een verbruiksmeter die op afstand uitleesbaar is. Elke nieuwe warmtekostenverdeler, die na 25 oktober 2020 geïnstalleerd wordt, is uitgerust met een voorziening waarmee de gemeten hoeveelheden zowel ter plaatse als op afstand uitgelezen kunnen worden. Elke bestaande warmtekostenverdeler dient ten laatste op 1 januari 2027 op afstand leesbaar gemaakt of vervangen te worden door een verbruiksmeter die op afstand uitleesbaar is. Voor het uitlezen van op afstand uitleesbare verbruiksmeters en warmtekostenverdelers is geen toegang tot afzonderlijke appartementen en eenheden nodig.’; 3° in paragraaf 2 wordt de zin ‘Als vastgesteld wordt dat een verbruiksmeter of warmtekostenverdeler niet meer voldoet aan de technische specificaties, wordt die vervangen’ vervangen door de zin ‘Als vastgesteld wordt dat een verbruiksmeter of warmtekostenverdeler niet meer voldoet aan de in paragraaf 1 vermelde technische specificaties, wordt die vervangen door een verbruiksmeter of warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar is en voldoet aan de technische specificaties.’; 4° Aan paragraaf 3 wordt de zin ‘De minister kan bijkomende regels vaststellen voor de minimumvereisten waaraan een op afstand uitleesbare verbruiksmeter of warmtekostenverdeler moet voldoen’ toegevoegd. […] Art. 13. Artikel 3/1.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2019, wordt vervangen door wat volgt: ‘Art. 3/1.4.1. Voor de toepassing van dit artikel wordt een beheerder van een centrale bron, die een natuurlijke of rechtspersoon kan zijn, en die warmte, koude of warm water binnen een appartementengebouw of multifunctioneel gebouw verder verdeelt bij verschillende eindgebruikers van thermische energie, beschouwd als een warmte- of koudeleverancier, vermeld in artikel 1.1.3, 133° /1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Elke warmte- of koudeleverancier: 1° bezorgt aan alle eindgebruikers van thermische energie, op basis van het werkelijke verbruik of de totale warmtekosten en meetgegevens van de warmtekostenverdelers minstens jaarlijks een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van thermische energie, op voorwaarde dat de warmte- of koudeleverancier over de nodige meetgegevens beschikt; 1/1° bezorgt aan alle eindgebruikers van thermische energie, minstens jaarlijks een factuur indien deze niet gebaseerd is op het werkelijke verbruik of op meetgegevens van warmtekostenverdelers. De factuur bevat duidelijke en begrijpbare uitleg over de wijze waarop het in de factuur genoemde bedrag is berekend; 2° stuurt aan alle eindgebruikers van thermische energie in een warmte- of koudenet duidelijke en begrijpbare facturen, en herinneringsbrieven en ingebrekestellingen, als vermeld in artikel 5/1.2.3 en artikel 5/1.2.4; 3° biedt de afnemers van thermische energie flexibele betalingsmogelijkheden, waaronder voor huishoudelijke afnemers van thermische energie in ieder geval:
  11. a)betalingen per maand of per kwartaal;
  12. b)betalingen via overschrijving en domiciliëring; VII-40.989-7/23 4/1° zorgt ervoor dat de afnemers van thermische energie kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering; 4/2° stuurt, voor zover er gegevens over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de afnemer van thermische energie beschikbaar zijn, op verzoek van de afnemer van thermische energie die gegevens door naar een door hem aangewezen aanbieder van energiediensten van thermische energie; 5° biedt alle eindgebruikers van thermische energie de mogelijkheid om telefonisch of via een ander communicatiemiddel uitleg te vragen over de factuur; 6° geeft alle eindgebruikers van thermische energie in een warmte- of koudenet de mogelijkheid om inlichtingen te vragen en klachten in te dienen over de levering en facturatie van thermische energie en die te registreren en daarover te rapporteren aan de VREG conform de methode, bepaald door de VREG, in het kader van de uitvoering van zijn opdracht, vermeld in artikel 3.1.3, eerste lid, 1°, j), van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 7° bezorgt aan alle afnemers van thermische energie in een warmte- of koudenet een leveringscontract waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen:
  13. a)de identiteit en het adres van de warmte- of koudeleverancier en de warmte- of koudenetbeheerder;
  14. b)de geleverde diensten en de bijbehorende prijs;
  15. c)de duur van het contract;
  16. d)voor afnemers van thermische energie, de voorwaarden voor de verlenging en de beëindiging van het contract;
  17. e)voor afnemers van thermische energie, het bestaan van het recht op opzegging;
  18. f)de methode om een klacht in te dienen bij de warmte- of koudeleverancier,;
  19. g)de methode om procedures voor de beslechting van geschillen met de warmte- of koudeleverancier in te leiden;
  20. h)alle vergoedingen en terugbetalingsregelingen die gelden als de contractuele kwaliteitsniveaus van de diensten niet worden gehaald, met inbegrip van onnauwkeurige en te late facturering; 8° voorziet in een telefoonnummer dat tijdens de kantooruren bereikbaar is voor eindgebruikers van thermische energie, en in een e-mailadres; 9° zorgt ervoor dat hetzij minstens tweemaal per jaar, hetzij wanneer de afnemer van thermische energie gekozen heeft voor elektronische facturering en op zijn vraag minstens elk kwartaal, betrouwbare en nauwkeurige informatie over de facturering of het verbruik kosteloos aan de eindgebruikers van thermische energie wordt verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers van alle eindgebruikers van thermische energie. Vanaf 1 januari 2022 moet deze informatie minstens maandelijks kosteloos worden verstrekt aan de eindgebruikers van thermische energie wanneer op afstand uitleesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd. De informatie wordt op een overzichtelijke en gemakkelijk begrijpbare manier beschikbaar gesteld via een voor de eindgebruiker van thermische energie gepast communicatiekanaal. De warmte- of koudeleverancier vermeldt de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-8/23 mogelijkheid op zijn website. 10° brengt bij het versturen en wijzigen van overeenkomsten, en in de facturen die eindgebruikers van thermische energie ontvangen, of op websites voor individuele klanten zijn eindgebruikers van thermische energie op een duidelijke en begrijpelijke manier op de hoogte van de contactinformatie van onafhankelijke consumentenadviescentra, de VREG en het Vlaams Energieagentschap, met inbegrip van hun internetadressen, waar de klanten advies over de beschikbare energie-efficiëntiemaatregelen, benchmarkprofielen van hun energieverbruik en technische details van energieverbruikende apparaten kunnen krijgen om het verbruik van die apparaten te helpen verminderen; 11° zorgt ervoor dat eindgebruikers van thermische energie in of bij elke factuur die is gebaseerd op het werkelijk verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdelers de huidige actuele prijzen en het werkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van de warmtekostenverdelers weergeeft, samen met informatie over de gebruikte brandstofmix en de bijhorende jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen, een beschrijving van de verschillende belastingen, heffingen en tarieven, vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers van thermische energie met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling, en vergelijkingen met benchmarkprofielen van dezelfde verbruikerscategorie; 12° stelt in of bij de factuur informatie ter beschikking aan alle eindgebruikers van thermische energie over relevante klachtenprocedures, ombudsdiensten of alternatieve geschillenbeslechtingsmechanismen. Aan de verplichting, vermeld in het tweede lid, 9°, kan, behalve in het geval van verbruik vastgesteld via individuele bemetering op basis van warmtekostenverdelers, worden voldaan met een systeem van zelf uitlezen door de afnemer van thermische energie of de eindgebruiker van thermische energie, die de uitgelezen metergegevens meedeelt aan de warmte- of koudeleverancier. Alleen indien de afnemer van thermische energie of de eindgebruiker van thermische energie voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief. De beheerder van een centrale bron kan de in het tweede lid bedoelde verplichtingen ook delegeren aan een derde partij. In geval van uitbesteding aan een derde partij blijft de beheerder van een centrale bron de eindverantwoordelijke voor die verplichtingen. De kosten in verband met de factureringsinformatie betreffende het individuele verbruik van verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik in appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen mogen, voor zover redelijk, worden doorberekend aan de eindgebruikers van thermische energie ingeval het meten, verdelen en berekenen van het werkelijke individuele verbruik van verwarming, koeling en warm water in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen, wordt uitbesteed aan een derde partij, bijvoorbeeld een dienstenverlener of de lokale energieleverancier.” VII-40.989-9/23 VII-40.989-10/23 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 4. Als eerste middel wordt in het verzoekschrift de schending aangevoerd van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4°, van de Grondwet, gelezen in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel: “Doordat artikel 11 van het bestreden besluit ertoe leidt dat de gebruiker in het algemeen en verzoekers in het bijzonder versneld verplicht blootgesteld wordt aan elektromagnetische straling, welke leidt tot een aanzienlijke achteruitgang van het bestaande beschermingsniveau inzake een gezond leefmilieu, zonder dat dit verantwoord wordt door de doelstelling van de decreetgever, namelijk de energietransitie. Terwijl artikel 23 van de Grondwet een standstill-verplichting bevat die de bevoegde wetgever verbiedt het door de toepasselijke wetgeving geboden beschermingsniveau aanzienlijk te verminderen zonder dat daartoe redenen van algemeen belang bestaan; Terwijl luidens artikel 10 G.W. er in de Staat geen onderscheid van standen is en alle Belgen gelijk zijn voor de wet. Artikel 11 G.W. voegt daar nog aan toe dat het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen moet worden verzekerd zonder discriminatie. Terwijl het vertrouwensbeginsel dat nauw verbonden is met het rechtszekerheidsbeginsel, de regering verbiedt om zonder objectieve en redelijke verantwoording afbreuk te doen aan het belang van de rechtsonderhorigen om in staat te zijn de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien.” In de toelichting bij het middel stellen de verzoekende partijen dat alle nieuwe verbruiksmeters en warmtekostenverdelers voor warmte-, koelings- of warmwaterverbruik die na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd, van op afstand uitleesbaar moeten zijn. Met “op afstand uitleesbaar” wordt in het bestreden besluit bedoeld dat de meterstand opgenomen kan worden zonder de (woon)eenheid te betreden. Dit houdt volgens de verzoekende partijen in dat de verbruiksmeters digitaal zullen werken, zonder dat het bestreden besluit hierover enige specificatie bevat. VII-40.989-11/23 5. De verwerende partij antwoordt dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij de nietigverklaring van de bestreden bepaling op grond van het middel omdat in deze bepaling sprake is van “op afstand uitleesbare” meters, en niet over “draadloze” meters. Het middel, dat gericht is tegen de vermeende onwettigheid van de verplicht uitrol van draadloze meters, is daarom onontvankelijk bij gebrek aan belang. Ondergeschikt zet zij uiteen dat het middel ongegrond is. 6. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat in de actuele context er mag van uitgegaan worden dat de “op afstand uitleesbare verbruiksmeter” met draadloze technologie uitgerust zal zijn, eerder dan dat nog bekabeling zal worden voorzien. In het advies van de Vlaamse Regulator van de Elektriciteits- en Gasmarkt (VREG) van 2 juni 2020 (ADV-2020-04) wordt daaraan aandacht besteed en wordt niets vermeld over een mogelijke bekabeling. Het moge dan ook duidelijk zijn dat wanneer gesteld wordt dat draagbare of in voertuigen gemonteerde technologieën voldoen, het om draadloze toestellen gaat. De op de markt beschikbare warmtekostenverdelers zijn, zo poneren de verzoekende partijen, enkel draadloos. 7. De verzoekende partijen benadrukken in hun laatste memorie dat zij geen schending inroepen van Richtlijn 2012/27/EU, maar dat zij met voorliggend vernietigingsberoep enkel willen bereiken dat de Vlaamse regering uiteindelijk voorziet in het recht van elke particulier om te kiezen voor een bekabelde meter. Voorts menen zij dat, indien er onduidelijkheid zou bestaan over de interpretatie van Richtlijn 2018/2002/EU, de volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld moet worden: “Moeten de artikelen 9, 9bis en 9quater van richtlijn 2018/2002 zo gelezen worden dat de op afstand leesbare meter ook bekabeld kan zijn, en de lidstaten verplicht om bij het uitwerken van een regelgevend kader een afdoende bescherming te voorzien tegen de schadelijke effecten van mensgemaakte elektromagnetische straling?” VII-40.989-12/23 Beoordeling 8. In artikel 3/1.2.1, § 1/1, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 november 2010 ‘houdende algemene bepalingen over het energiebeleid’ (hierna: Energiebesluit), zoals ingevoegd door artikel 11, 2°, van het gedeeltelijk bestreden besluit van de Vlaamse regering van 9 oktober 2020, is sprake van nieuwe verbruiksmeters en warmtekostenverdelers die “op afstand uitgelezen kunnen worden”. Samen met de verwerende partij wordt vastgesteld dat een op afstand uitleesbare verbruiksmeter of warmtekostenverdeler niet gelijkstaat met een draadloos toestel of een draadloze installatie. De uitleesbaarheid op afstand kan immers evenzeer gerealiseerd worden via bekabeling. Er is bijgevolg geen reden om aan te nemen dat de bestreden bepaling op dwingende wijze een draadloze communicatie zou voorschrijven die de gebruikers blootstelt aan (bijkomende) elektromagnetische straling, met alle nadelen van dien voor de instandhouding en bescherming van een gezond leefmilieu. 9. Het eerste middel dat steunt op een foutieve feitelijke veronderstelling, wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 10. Het tweede middel is afgeleid uit de schending van artikel 4/1.2.2 van het Energiedecreet: “Doordat artikel 11 van het bestreden besluit geen rechtsgrond vindt in een decreet of hogere rechtsnorm. Terwijl artikel 4/1.2.2 van het Energiedecreet enkel de mogelijkheid voorziet voor de Vlaamse regering om de voorwaarden te bepalen waaraan de meters moeten voldoen, doch niet dat de gegevens ook op afstand leesbaar moeten zijn.” VII-40.989-13/23 In de toelichting bij het middel verduidelijken de verzoekende partijen dat de door de decreetgever verleende delegatie aan de Vlaamse regering betrekking heeft op het bepalen van de voorwaarden waaraan de meters moeten voldoen en dat die delegatie niet toelaat dat de Vlaamse regering de verplichting invoert tot het installeren van op afstand leesbare meters, met uitsluiting van analoge of bekabelde digitale meters. 11. De verwerende partij antwoordt dat artikel 4/1.2.2 van het Energiedecreet wel degelijk rechtsgrond biedt voor artikel 11 van het besluit van de Vlaamse regering van 9 oktober 2020. Voormelde bepaling van het Energiedecreet verleent aan de Vlaamse regering immers uitdrukkelijk de bevoegdheid om de voorwaarden te bepalen waaraan de meters moeten voldoen. De verplichte technische uitrusting die toelaat de gegevens op afstand te lezen, is een voorwaarde die verbonden is aan de meters. 12. In hun memorie van wederantwoord laten de verzoekende partijen nog gelden dat artikel 9quater van Richtlijn 2018/2002/EU enkel verwijst naar meters voor huishoudelijk gebruik, terwijl in het bestreden besluit het toepassingsgebied wordt verruimd tot alle meters in appartementen en multifunctionele gebouwen, zonder rekening te houden met de gezondheid. De verwerende partij kan bijgevolg niet terugvallen op een richtlijnconforme interpretatie. Beoordeling 13. Artikel 4/1.2.2, § 3, tweede lid, van het Energiedecreet machtigt de Vlaamse regering onder meer om te bepalen “aan welke voorwaarden de meters moeten voldoen”. Die delegatie houdt in dat de Vlaamse regering kan bepalen dat de meters uitgerust moeten zijn met een techniek die toelaat de gegevens van de meter op afstand uit te lezen. 14. Het tweede middel is ongegrond. VII-40.989-14/23 C. Derde middel Standpunt van de partijen 15. In een derde middel wordt de schending aangevoerd van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en met de artikelen 5, 6 en 13 van Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 ‘betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie’, van de artikelen 5, 6, 7, 17, 18, 21, 22, 25 en 32 van de Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 ‘betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)’ (hierna: AVG) en van artikel 22 van de Grondwet: “Doordat artikel 11 en 13 van het bestreden besluit voorziet in een ruime toegang tot de gegevens verzameld uit de verbruiksmeter en warmtekostenverdeler, zonder dat de gebruiker hiervoor toestemming dient te verlenen. Doordat hierdoor de privacy van verzoekers onrechtmatig wordt geschonden. Terwijl de bovengenoemde bepalingen het recht op eerbiediging van het privé-leven en de bescherming van privé-gegevens voorzien.” In de toelichting bij het middel zetten de verzoekende partijen uiteen dat de bestreden bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 9 oktober 2020 het verzamelen en de verwerking van persoonsgegevens regelen en dat deze bepalingen een inmenging vormen op het privéleven zoals gewaarborgd door artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 EVRM. Dat recht heeft immers een ruime draagwijdte en omvat onder meer de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. Bijgevolg geldt het legaliteitsbeginsel van artikel 22 van de Grondwet en moet er een degelijke decretale basis bestaan voor die inmenging. Volgens het Grondwettelijk Hof waarborgt artikel 22 van de Grondwet dat geen enkele inmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-15/23 gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Bijgevolg dient de decreetgever de te verwerken persoonsgegevens en de finaliteit van de gegevensverwerking, die als essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens moeten worden beschouwd, op voldoende wijze te regelen. In casu is er echter geen concrete regeling voorzien hoe met de gegevens moet en kan worden omgegaan. Artikel 4/1.2.2, § 3, van het Energiedecreet bepaalt dat de partijen die via dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan toegang krijgen tot de gegevens van de meters, ervoor zorgen dat “de dataveiligheid op elk moment gegarandeerd wordt en dat voldaan wordt aan de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens”. Deze bepaling is uitermate vaag en de consument kan er niet uit afleiden hoe er zal worden omgegaan met zijn verbruiksgegevens. Volgens de verzoekende partijen moet alvorens het geschil definitief te kunnen beslechten de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof worden voorgelegd: “Schendt artikel 4/1.2.2, § 3 van het Energiedecreet artikel 22 van de Grondwet in samenhang gelezen met artikel 8 EVRM, daar de decreetgever de te verwerken persoonsgegevens en de finaliteit van de gegevensverwerking afkomstig van de meetgegevens van de verbruiksmeter en de warmtekostenverdeler, die als essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens moeten worden beschouwd, niet voldoende wijze regelt?” Voorts beklemtonen de verzoekende partijen dat de kwestieuze gegevens de privacy van de consument of de netgebruiker kunnen schaden en vatbaar zijn voor misbruik. Bij analoge meters wordt het verbruik immers éénmaal per jaar vastgesteld, terwijl bij digitale verbruiksmeters op continue wijze gegevens worden doorgegeven aan de netbeheerder(s). Die continue gegevensoverdracht stelt de netbeheerders en de energiebedrijven in staat om inzicht te krijgen in het gedrag van de netgebruikers, terwijl hiertoe geen enkele noodzaak bestaat. In het bijzonder wijzen de verzoekende partijen erop dat ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-16/23 naargelang de hoogte van de zend- en uitleesfrequentie van de meters, des te scherper het privéleven van de gebruikers wordt aangetast, met alle gevolgen van dien voor de veiligheid van de betrokken datasystemen tegen hackers en virussen. Zij laten vervolgens gelden dat artikel 25 van de AVG erin voorziet dat de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen treft om ervoor te zorgen dat in beginsel alleen persoonsgegevens worden verwerkt die noodzakelijk zijn voor elk specifiek doel van de verwerking. Die verplichting geldt voor de hoeveelheid verzamelde persoonsgegevens, de mate waarin zij worden verwerkt, de termijn waarvoor zij worden opgeslagen en de toegankelijkheid daarvan. Deze maatregelen zorgen met name ervoor dat persoonsgegevens in beginsel niet zonder menselijke tussenkomst voor een onbeperkt aantal natuurlijke personen toegankelijk worden gemaakt. De verzoekende partijen menen dat er aanleiding bestaat om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag voor te leggen: “Verzet artikel 5, 6 en 13 van de Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie en van artikel 5, 6, 7, 17, 18, 21, 22, 25 en 32 van de Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, in samenhang gelezen met artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zich tot een verplicht gebruik van een verbruiksmeter en warmtekostenverdeler die op afstand (op continue wijze) kan communiceren met de beheerder, en de technische mogelijkheid bezit tot communiceren met applicaties van andere marktpartijen, en waarbij de meetgegevens door beheerder kunnen worden overgemaakt aan derden?” 16. De verwerende partij antwoordt dat de verwerking van persoonsgegevens afdoende wordt beschermd door het Energiedecreet, dat de invoering van op afstand uitleesbare meters kadert in de transitie naar een decentraal energiebeleid dat bijdraagt tot een energie-efficiëntie en aldus in functie staat van het bereiken van een dwingende maatschappelijke behoefte. Voorts stelt ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-17/23 zij dat de invoering van de digitale meter evenredig is met de nagestreefde wettige doelstelling. Het Grondwettelijk Hof heeft in dit verband uitdrukkelijk bevestigd dat de regelgeving omtrent de invoering van digitale meters, die volledig vergelijkbaar is met de regelgeving voor de invoering van de op afstand leesbare meters, geen afbreuk doet aan het recht op eerbiediging van het privéleven. De Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens (hierna: VTC) besluit in haar advies overigens dat het voorgelegde ontwerp voldoende waarborgen kan bieden wat de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkenen betreft, op voorwaarde dat de uitlezing van meters op afstand strikt omkaderd is. De verwerende partij besluit dat de verzoekende partijen alleszins geen belang hebben bij de gevorderde nietigverklaring aangezien in artikel 11 van het bestreden besluit van de Vlaamse regering enkel sprake is van “op afstand uitleesbare” meters en niet van “draadloze” meters. 17. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat overeenkomstig artikel 13 van het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 9 oktober 2020 elke warmte- of koudeleverancier aan alle eindgebruikers van thermische energie, op basis van het werkelijke verbruik of van de totale warmtekosten en meetgegevens van de warmtekostenverdelers, minstens jaarlijks een totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van thermische energie bezorgt. Zij stellen dat een onbeperkte toegang tot de verbruiksgegevens niet noodzakelijk is, dat het bestreden besluit erin voorziet dat de beheerder van de gegevens een natuurlijke of rechtspersoon kan zijn en dat deze persoon daarenboven zijn bevoegdheid kan overdragen naar een derde partij zonder goedkeuring of tussenkomst van de gebruikers. Bijgevolg kan de strikte omkadering van het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals vereist door de VTC, niet gewaarborgd worden. Beoordeling 18. Artikel 22 van de Grondwet luidt: VII-40.989-18/23 “Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht.” De Raad van State kan in het kader van het hem toevertrouwde wettigheidstoezicht nagaan of de overheid bij het nemen van een reglementair besluit al dan niet deze grondwettelijke bepaling geschonden heeft. Die schending kan in voorkomend geval een vernietiging verantwoorden. 19. Artikel 8 EVRM bepaalt: “1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” 20. Artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) luidt: “Eerbiediging van het privé-leven en het familie- en gezinsleven Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn communicatie.” Artikel 8 van het Handvest bepaalt: “Bescherming van persoonsgegevens 1. Eenieder heeft recht op bescherming van de hem betreffende persoonsgegevens. 2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht op toegang tot de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan. 3. Een onafhankelijke autoriteit ziet toe op de naleving van deze regels.” VII-40.989-19/23 Artikel 52 van het Handvest luidt: “Reikwijdte van de gewaarborgde rechten 1. Beperkingen op de uitoefening van de in dit handvest erkende rechten en vrijheden moeten bij wet worden gesteld en de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen alleen beperkingen worden gesteld indien zij noodzakelijk zijn en daadwerkelijk aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen beantwoorden. 2. De door dit handvest erkende rechten waaraan de communautaire verdragen of het Verdrag betreffende de Europese Unie ten grondslag liggen, worden uitgeoefend onder de voorwaarden en binnen de grenzen welke bij die verdragen zijn gesteld. 3. Voor zover dit handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.” 21. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd door de aangehaalde bepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven. Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat onder meer de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. 22. Anders dan artikel 8.2 EVRM, dat door het gebruik van het woord ‘wet’ niet vereist dat wordt voorzien in een ‘wet’ in de formele betekenis van het woord, wijst hetzelfde woord ‘wet’, gebruikt in artikel 22 van de Grondwet wel op het bestaan van een formeel wettelijke bepaling (formeel legaliteitsbeginsel). Doordat artikel 22 van de Grondwet aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehoudt om vast te stellen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, moet aan elke burger waarborgen worden verstrekt dat geen enkele inmenging in dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. Zo ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 VII-40.989-20/23 moet de wet voldoende waarborgen bieden tegen willekeurige aantastingen van het recht op eerbiediging van het privéleven door de draagwijdte van de inmenging in het privéleven te formuleren in voldoende precieze en nauwkeurige bewoordingen (materieel legaliteitsbeginsel). Ook is vereist dat de inmenging berust op een dwingende maatschappelijke behoefte die aanwezig is in een democratische samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld. 23. In het middel benadrukken de verzoekende partijen in het bijzonder dat de bestreden bepalingen geen regeling bevatten omtrent “het mogelijk overmatig of onrechtmatig controleren van de verbruiksgegevens”, doordat niets wordt voorzien omtrent de zogenaamde “granulariteit van de meting(en)”. In dit verband wijzen zij op het advies nr. 2020/15 van de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens (VTC) van 30 juni 2020 waarin in het bijzonder wordt gesteld dat de faculteit om op afstand verbruiksgegevens uit te lezen meebrengt dat er mogelijk sprake is van “overmatig of onrechtmatig controleren van de verbruiksgegevens terwijl verbruiksgegevens persoonsgegevens kunnen zijn die inzage kunnen geven in het leven van de betrokkenen”, dat zulks afhangt van de “granulariteit van de meting(en)”, en dat bij de verdere uitvoering van de betrokken bepalingen van het Energiedecreet een “voldoende grote granulariteit” voor het uitlezen van de meters in acht moet worden genomen. 24. Aangezien in artikel 4/1.2.2, § 3, van het Energiedecreet wordt bepaald dat de partijen die “via dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan toegang krijgen tot de gegevens van de meters” ervoor moeten zorgen dat “de dataveiligheid op elk moment gegarandeerd wordt en dat voldaan wordt aan de regelgeving over de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van VII-40.989-21/23 persoonsgegevens”, wordt vastgesteld dat het decreet, zij het in algemene bewoordingen door te verwijzen naar de geldende regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens, essentiële waarborgen biedt tegen een ontoelaatbare inmenging in het privéleven van de energieverbruikers en dat, specifiek wat betreft de granulariteit van de metingen op afstand, het aan de Vlaamse regering toekomt om op grond van de in artikel 4/1.2.2, § 3, tweede lid, van het Energiedecreet gegeven machtiging te bepalen “aan welke voorwaarden de meters moeten voldoen”, erop toe te zien dat de granulariteit van de verbruiksgegevens, conform het aandachtspunt in het VTC-advies, voldoende hoog is om het privéleven te eerbiedigen. 25. Gelet op wat voorafgaat, is er geen aanleiding om in het kader van de beoordeling van het derde middel, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Evenmin is er reden om de door de verzoekende partijen gesuggereerde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen. Die vraag berust immers op de door de verzoekende partijen aangenomen, maar niet in de regelgeving bevestigde, veronderstelling dat de verbruiksmeters en de warmtekostenverdelers op continue wijze op afstand uitgelezen zullen worden door de netbeheerders. 26. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, elk voor een vijfde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.989-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-40.989-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.307 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.