← België

Arrest 259331 - Tucht (openbaar ambt) - 28/03/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.331 Rolnummer: A. 240694/XII-9552 Zaak: Arrest 259331 - Tucht (openbaar ambt) - 28/03/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-02 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-11 03:21 Fiche Arrest nr 259.331 van 28 maart 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.331 no lien 276572 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK WAARNEMEND VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 259.331 van 28 maart 2024 in de zaak A. 240.694/XIV-39.318 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rob Trips kantoor houdend te 9990 Maldegem Mottedreef 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Beelen kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 11 december 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokalepolitiezone van 16 november 2023 waarbij verzoekers voorlopige schorsing bij ordemaatregel wordt verlengd ‘met ingang van 17 november 2023 om te eindigen op 17 maart 2024’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. XIV-39.318-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 maart
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die loco advocaat Rob Trips verschijnt voor verzoeker, en advocaat Marie Schepers, die loco advocaat Thomas Beelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is korpschef van de lokalepolitiezone. 3.
  6. Op 17 juli 2023 beslist het politiecollege om verzoeker bij ordemaatregel voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 17 juli 2023 tot en met 16 november
  7. 3.
  8. Op 16 november 2023 beslist het politiecollege om de ordemaatregel van de voorlopige schorsing te verlengen voor een termijn van vier maanden ‘met ingang van 17 november 2023 om te eindigen op 17 maart 2024’, zonder inhouding van wedde. Dit is de bestreden beslissing. XIV-39.318-2/8 IV. Schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  10. In het verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat de bestreden beslissing hem “in een schadelijke toestand brengt die niet te verdragen valt in afwachting van een uitspraak ten gronde”. Volgens verzoeker loopt zijn reputatie verdere schade op zolang de bestreden beslissing blijft gehandhaafd. Een korpschef die wordt geschorst ondanks een geseponeerd strafdossier is een uitzonderlijk gegeven en voor alle politiepersoneelsleden duidelijk. Daarenboven kan verzoeker geen aanspraken op bevordering en baremische loopbaan doen gelden, zodat hij zijn huidig mandaat, dat op 5 februari 2024 afloopt, niet langer kan uitoefenen en hij een kans tot hernieuwing van dat mandaat verliest. Verder wijst verzoeker erop dat de bestreden beslissing een morele schandvlek vormt en imagoschade berokkent die ontoereikend zouden kunnen worden geremedieerd en derhalve onherroepelijk dreigen te worden, indien verzoeker zou moeten wachten op een uitspraak van de Raad van State over zijn beroep tot nietigverklaring. Volgens verzoeker heeft de bestreden beslissing onmiddellijke gevolgen voor zijn professionele status, zijn carrièreplanning en zijn mentaal welzijn. Beoordeling
  11. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] XIV-39.318-3/8 die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  12. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
  13. De thans bestreden beslissing betreft een verlenging van de ordemaatregel van de voorlopige schorsing zonder inhouding van wedde met een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.331 XIV-39.318-4/8 duur van vier maanden. Ze is, na de beslissing van 17 juli 2023, de tweede op zichzelf staande beslissing waarbij de aanvankelijk (met die beslissing van 17 juli 2023) opgelegde voorlopige schorsing zonder inhouding van wedde voor een duur van vier maanden wordt verlengd voor eenzelfde duur. De bestreden beslissing betreft aldus een (eerste) verlenging van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel waarbij - uit zijn aard - een dergelijke beslissing de schuld van verzoeker buiten beschouwing laat. De eigen beoordeling van de draagwijdte van de bestreden beslissing, noch de enkele, in algemene termen gestelde verwijzing naar de perceptie door derden, waaronder “alle politieambtenaren”, van de betekenis en de draagwijdte van de bestreden verlenging en de vermeende weerslag hiervan op de reputatie van verzoeker, toont op zich aan dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Dat de ordemaatregel van de voorlopige schorsing - niettegenstaande een dergelijke ordemaatregel het vermoeden van onschuld intact laat - aan de betrokkene reputatieschade zou berokkenen en een morele schandvlek met zich zou brengen, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door een dergelijke maatregel worden getroffen en ze in afwachting van een uitspraak ten gronde moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing zoals een ordemaatregel gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de ordemaatregel immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en het vereiste rechtsherstel zal moeten volgen. De genoegdoening van een vernietigingsarrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker brengt evenwel geen bijzondere omstandigheden aan die aannemelijk maken dat dit te dezen het geval is. XIV-39.318-5/8
  14. Verzoeker poogt de Raad ervan te overtuigen dat te dezen de hem opgelegde maatregel hem in een “schadelijke toestand die niet te verdragen valt” brengt, waarbij verzoeker als bijzondere omstandigheid vooreerst aanvoert dat “een korpschef die geschorst wordt ondanks een geseponeerd strafdossier […] nu een maal een uitzonderlijk gegeven” is. Daargelaten of het “uitzonderlijk” is dat een voorlopige schorsing wordt verlengd na de seponering van een opsporingsonderzoek, wordt vastgesteld dat artikel 59, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) als één van de twee cumulatieve voorwaarden om tot een voorlopige schorsing te kunnen beslissen vereist dat tegen het personeelslid, hetzij een tuchtprocedure loopt, hetzij een opsporingsonderzoek loopt, hetzij een strafvervolging werd ingesteld. Niets belet aldus dat, hoewel de eerste beslissing tot voorlopige schorsing van 17 juli 2023 gebaseerd was op het jegens verzoeker lopende opsporingsonderzoek, de thans bestreden beslissing steunt op de tuchtprocedure ingeleid met het inleidend verslag van 15 november 2023 en aan verzoeker betekend op 16 november
  15. De thans bestreden beslissing, ook al betreft het een verlenging van de vorige schorsingsperiode, is immers het resultaat van een op zich staande beoordeling van het vervuld zijn van de voorwaarden die dienaangaande in artikel 59, eerste lid, van de tuchtwet worden geformuleerd. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat door de verlenging van de voorlopige schorsing op een andere grondslag te steunen dan de eerste beslissing tot voorlopige schorsing, de aangevoerde reputatieschade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht.
  16. Ter adstructie van de spoedeisendheid beroept verzoeker zich ook op de gevolgen van de voorlopige schorsing, met name dat hij zich daardoor in de administratieve toestand van non-activiteit bevindt, waardoor hij geen aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden. Verzoeker wijst erop dat dit één van de voorwaarden is om in aanmerking te komen voor de aanwijzing in het mandaat van korpschef en dat de voorlopige schorsing aldus ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.331 XIV-39.318-6/8 verhindert dat zijn mandaat, dat afloopt op 5 februari 2024, wordt verlengd. Hij benadrukt dat de bestreden beslissing alzo onmiddellijke gevolgen heeft voor zijn “professionele status” en zijn “carrièreplanning”. Het mislopen van de verlenging van het mandaat van korpschef van de lokalepolitiezone omdat ingevolge de voorlopige schorsing niet is voldaan aan de voorwaarden om in dat mandaat te worden aangewezen, is een nadeel dat in beginsel geheel kan worden hersteld door een vernietigingsarrest. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de voorlopige schorsing immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer, zodat verzoeker in die hypothese moet worden geacht nooit voorlopig geschorst te zijn geweest, waarna het vereiste rechtsherstel moet volgen. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat er te dezen bijzondere omstandigheden zijn om anders te oordelen, waardoor hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet zou kunnen ondergaan in afwachting van een uitspraak ten gronde.
  17. Tot slot verwijst verzoeker ter adstructie van de spoedeisendheid ook naar de gevolgen voor zijn mentaal welzijn. Verzoeker blijft echter in gebreke om te concretiseren welke die gevolgen precies zijn, alsook om die gevolgen voor zijn mentaal welzijn met stukken aannemelijk te maken. Verzoeker toont aldus niet aan dat hij zich wat zijn mentaal welzijn betreft, bij gebrek aan schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in een toestand “met onherroepelijke schadelijke gevolgen” zal bevinden, indien hij het resultaat van de procedure ten gronde moet afwachten.
  18. Uit wat voorafgaat volgt dat, daargelaten de vraag welk belang verzoeker nog heeft bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing die thans reeds volledige uitwerking heeft gehad en die blijkens de verklaring van de verwerende partij ter zitting onderwijl met een nieuwe beslissing is verlengd, verzoeker niet overtuigt dat het aangevoerde nadeel veroorzaakt door de verlenging van de voorlopige schorsing, van die aard is dat het inhoudt dat hij daardoor niet de procedure ten gronde kan afwachten. XIV-39.318-7/8
  19. Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  20. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  21. De Raad van State verwerpt de vordering.
  22. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achtentwintig maart tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Ann Coolsaet XIV-39.318-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.