← België

Arrest 259392 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.392 Rolnummer: A. 221745/IX-9032 Zaak: Arrest 259392 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 04/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-15 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-06-19 05:15 Fiche Arrest nr 259.392 van 4 april 2024 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.392 van 4 april 2024 in de zaak A. 221.745/IX-9032 In zake: XXXX tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy – Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 20 maart 2017, strekt tot de nietigverklaring van het “advies” van de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie van 19 december 2016, waarbij de aan verzoeker toegekende eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ blijft behouden. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 254.384 van 2 september 2022 is het debat heropend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. IX-9032-1/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Een samenvatting van de voor de zaak relevante feiten is te lezen in tussenarrest nr. 254.384 van 2 september
  6. Het past eraan te herinneren dat, spijts de benaming ervan, het “advies” van de beroepscommissie van 19 december 2016 een beslissing is, waarbij het georganiseerd administratief beroep dat verzoeker heeft uitgeput resulteert in de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’. IV. Tussenarrest nr. 254.384 van 2 september 2022
  7. Met huidig beroep vordert verzoeker in het inleidend verzoekschrift formeel de nietigverklaring van, eensdeels, de loutere mededeling van het advies van de beroepscommissie en, anderdeels, de beslissing waarvan beroep. In tussenarrest nr. 254.384 van 2 september 2022 is het beroep tegen die IX-9032-2/18 beide handelingen onontvankelijk bevonden en is het beroep in die mate verworpen. Hoewel hij louter formeel gezien enkel de nietigverklaring vordert van de voormelde akten, stelt de Raad in het tussenarrest evenwel vast dat verzoeker in zijn middelen ook wettigheidskritiek richt tegen de beslissing van de beroepscommissie, en dat die beslissing ook wordt geacht mede het voorwerp uit te maken van het beroep. Het is in de huidige stand van de rechtspleging nog het enige voorwerp van het beroep. Hieruit volgt, dat de middelen hierna enkel worden onderzocht als en in de mate waarin ze betrokken kunnen worden op dat voorwerp. V. Procedure in valsheid
  8. Verzoeker heeft middels een burgerlijke partijstelling op 12 februari 2021 zijn afdelingsdirecteur onder meer beticht van valsheid in geschriften “doordat hij de evaluatie ‘uitzonderlijk’ weigerde op een evaluatiedocument met als gevolg dat de evaluatie ‘voldoet aan de verwachtingen’ werd geregistreerd ondanks het bestaan van een papieren versie van het evaluatiedocument waarop de evaluatie ‘uitzonderlijk’ werd weerhouden”, van het gebruik van dit vals document, van de vernietiging van akten “door de papieren versie van het evaluatiedocument uit het dossier te hebben gehouden zoals dat werd voorgelegd aan de interdepartementale beroepscommissie inzake evaluatie”. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Oost- Vlaanderen, afdeling Gent, verklaart op 4 november 2022 dat er geen reden tot vervolging is. Op hoger beroep wijst ook de kamer van inbeschuldigingstelling van Gent op 11 september 2023 de klacht af. Verzoeker IX-9032-3/18 wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de inverdenkinggestelde wegens tergend en roekeloos proces. De door verzoeker ingestelde voorziening in cassatie tegen dit arrest wordt verworpen door het Hof van Cassatie bij arrest P.23.1380.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.2 van 9 januari
  9. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker neemt een eerste middel uit de schending van artikel 41, 2°, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de materiëlemotiveringsplicht, van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van artikel 9, 7°, van het ministerieel besluit van 13 januari 2016 ‘houdende goedkeuring van het gemeenschappelijk huishoudelijk reglement van de beroepscommissies inzake evaluatie’. Verzoeker betoogt dat het advies van de beroepscommissie niet deugdelijk verantwoordt waarom hij niet de eindvermelding ‘uitzonderlijk’ zou mogen behouden. De beroepscommissie gaat eraan voorbij dat hem de vermelding ‘uitzonderlijk’ is toegekend en motiveert niet waarom zij daaraan voorbijgaat. Tevens is het advies van de beroepscommissie gegrond op onjuiste feitelijke gegevens, zo onder meer over de uitnodiging om te verschijnen voor de beroepscommissie, over het gebrek aan toegang tot het volledige IX-9032-4/18 evaluatiedossier en over de opmerkingen van de hiërarchische meerdere tijdens de hoorzitting waarom hij aan verzoeker de eindvermelding ‘uitzonderlijk’ heeft toegekend en “dat twee vakjes verkeerdelijk door hem zijn aangevinkt als ‘gedeeltelijk behaald’”. Het advies is niet afdoende gemotiveerd en bevat enkel stijlformules. Beoordeling
  11. Verzoeker heeft het administratief beroep uitgeput, dat geregeld is bij betwisting van een toegekende evaluatie. Het instellen van dit beroep brengt de zaak bij de beroepscommissie die alle gegevens onderzoekt, met inbegrip van de argumenten van de beroepsindiener en van de evaluator of evaluatoren en die hetzij de eindbeslissing neemt door de toegekende vermelding te bevestigen – zoals in deze zaak – hetzij adviseert de vermelding (in een voor het personeelslid gunstige zin) aan te passen en daartoe de beslissing overlaat aan de voorzitter van het directiecomité. Dat beroep heeft een zogenaamd “devolutief” karakter, hetgeen betekent dat het beroepsorgaan een autonome beoordelingsbevoegdheid uitoefent, als ware hij de evaluator, en dat de eindbeslissing in de plaats komt van de beroepen beslissing.
  12. Verzoeker heeft zijn versie van de feiten aan de beroepscommissie voorgelegd en haar gewezen op het bestaan van verschillende versies van het evaluatieformulier. Gelet op het devolutief karakter van het door verzoeker ingestelde beroep, is de discussie die verzoeker daarover thans voert, niet dienstig. IX-9032-5/18 De beroepscommissie heeft, anders dan verzoeker betoogt, de kwestie van de verschillende versies onder ogen gezien. Zij heeft immers verzoekers evaluator uitleg gevraagd en de evaluator heeft blijkens de bestreden beslissing verklaard “dat de geëvalueerde zeer goed heeft gefunctioneerd tijdens de beschouwde evaluatieperiode; dat hij over uitgebreide juridische kennis beschikt en deze kennis ook ten dienste stelt van de dienst en aan zijn collega’s; dat hij geen andere doelstellingen heeft gerealiseerd bovenop de in het planningsgesprek geformuleerde prestatiedoelstellingen en dat hij hem de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ heeft toegekend, nadat zijn Directeur de aanvankelijk voorgestelde vermelding ‘uitzonderlijk’ heeft geweigerd”. Hieruit mocht, voor zoveel als nodig, de beroepscommissie begrijpen dat de evaluator niet in twijfel trekt dat hij de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ heeft toegekend en niet “de aanvankelijk voorgestelde vermelding”. De beroepscommissie mocht, met andere woorden, op grond van die verklaring de evaluatie met vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ als de werkelijk door de evaluator toegekende evaluatievermelding begrijpen. Vastgesteld moet worden dat de beroepscommissie in graad van beroep voorts heeft vastgesteld dat verzoeker niet “op de 4 criteria al zijn doelstellingen heeft gerealiseerd en in meerdere domeinen heeft overtroffen in de beschouwde evaluatieperiode”. Gelet op het toentertijd toepasselijke artikel 16 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ (“evaluatiebesluit”) is dit aan de beroepscommissie eigen motief een dragend én voldoende motief om de vermelding ‘uitzonderlijk’ te weigeren en de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ toe te kennen. Overeenkomstig die bepaling mag de vermelding ‘uitzonderlijk’ immers enkel worden toegekend aan het personeelslid dat aan de volgende vier criteria voldoet: 1° niet alleen al zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd maar die in IX-9032-6/18 meerdere domeinen ook heeft overtroffen; 2° zijn competenties heeft ontwikkeld ver boven de gewone eisen die noodzakelijk zijn om zijn functie op een bevredigende wijze uit te oefenen; 3° meer dan gemiddeld heeft bijgedragen tot de teamprestaties; 4° uitermate beschikbaar was voor de gebruikers van de dienst. Verzoeker kan dit motief lezen in de bestreden beslissing en er zich in rechte tegen verzetten, zodat aan de formelemotiveringsplicht is voldaan. Dat zijn evaluator verklaard zou hebben, zich te hebben vergist bij het invullen van het evaluatieformulier is niets meer dan een loutere bewering van verzoeker die geen steun vindt in enig stuk van het administratief dossier noch, zo dat al mogelijk en relevant zou zijn, door een stuk gevoegd bij het verzoekschrift. De beroepscommissie mocht haar beslissing dan ook steunen op de vaststelling dat “in het evaluatieverslag één indicator bij de Prestatiedoelstellingen en één indicator bij de Ontwikkelingsdoelstellingen als ‘gedeeltelijk behaald’ werden geëvalueerd”, zodat de beslissing de rechtens vereiste feitelijke grondslag heeft. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht is bijgevolg evenmin aangetoond.
  13. Wat verzoeker uiteenzet over het Handvest en het ministerieel besluit van 13 januari 2016 noopt niet tot een bijkomend antwoord.
  14. Verzoeker is door de beroepscommissie gehoord. Hij heeft geen nadeel ondervonden van een mogelijke vergissing bij de uitnodigingen (voor een andere datum), minstens toont hij dat niet aan.
  15. Evenmin valt in te zien welk belang verzoeker heeft bij zijn grieven over het inzagerecht. Verzoeker refereert in dit verband aan de versie ‘papieren evaluatieformulier’ met vermelding ‘uitstekend’. Minstens hijzelf heeft IX-9032-7/18 een afschrift van dat stuk aan de beroepscommissie bezorgd, zodat hij er alleszins kennis van had en het minstens op die wijze onder de aandacht van de beroepscommissie is gekomen.
  16. Waar verzoeker stelt dat hij geen inzage kreeg in de oproepingsbrieven van de beroepscommissie, laat hij na aan te tonen hoe dit zou kunnen leiden tot de onregelmatigheid van het advies van de beroepscommissie.
  17. In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de beroepscommissie handelt in strijd met artikel 31 van het evaluatiebesluit, doordat zij de eindvermelding ‘uitzonderlijk’ wijzigt in ‘voldoet aan de verwachtingen’. Verzoeker breidt aldus zijn middel op ongeoorloofde wijze uit in een later procedurestuk, terwijl hij dit in zijn verzoekschrift had kunnen en dus moeten aanvoeren. Deze kritiek is dan ook onontvankelijk. Overigens is hiervóór vastgesteld dat de beroepscommissie impliciet maar zeker heeft vastgesteld dat verzoeker ook door de evaluator de vermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ is toegekend.
  18. Het eerste middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 5 en 10 van het evaluatiebesluit, het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” in samenhang met punt 4.1 van de “handleiding evaluatiecycli voor geëvalueerden” en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Verzoeker stelt dat geen rekening werd gehouden met zijn functiewijziging op 15 juli 2015, waardoor de evaluatie ten onrechte betrekking IX-9032-8/18 had op de periode van 15 juli 2015 tot 15 januari 2016, in plaats van de periode van 1 maart 2015 tot 31 december
  20. In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat zijn jobinhoud en zijn hiërarchisch meerderen verschillend waren op de dienst inputbeheer en op de taxatiedienst. Beoordeling
  21. In de memorie van antwoord weerspreekt de verwerende partij het middel als volgt: “De stelling dat artikel 5 en 10 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt werden miskend, berust op een verkeerde lezing van voornoemde bepalingen. Uit het administratief dossier blijkt immers dat verzoeker als attaché (klasse A12) verbonden is aan de dienst Inspectie van de Algemene Administratie van de BBI te Brugge […]. Verder blijkt uit het administratief dossier dat verzoeker bij de aanvang van de evaluatieperiode de functie uitoefende van ‘attaché dossierbeheer’ (niveau A, functiecode: DSA805) en tot 15 juni 2015 gedetacheerd was bij de dienst Inputbeheer van de Algemene Administratie van de BBI te Gent met standplaats Brugge. Vanaf 15 juni 2015 heeft verzoeker zijn taken opnieuw opgenomen bij de dienst Inspectie van de Algemene Administratie van de BBI te Brugge […]. De dienstwijziging van verzoeker heeft geen aanleiding gegeven tot een functiewijziging of wijziging van standplaats. Verzoeker was bij de aanvang van de evaluatieperiode ‘attaché dossierbeheer’ (functiecode DSA805) en heeft die functie ook uitgeoefend na de beëindiging van de detachering, zodat er ook geen redenen zijn om een nieuwe evaluatieperiode op te starten in toepassing van artikel 5, tweede lid, 3°, of de evaluatieperiode af te sluiten in toepassing van artikel 10 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt. Bijgevolg is er geen sprake van een schending van artikel 5 en 10 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en evenmin van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’.
  22. Artikel 10 en 11 van de Grondwet verplichten het bestuur om haar personeelsleden gelijk te behandelen. Afgezien van de vraag of verzoeker ongelijk wordt behandeld met andere personeelsleden, blijkt uit het verzoekschrift dat verzoeker enkel een IX-9032-9/18 omschrijving geeft van het gelijkheidsbeginsel, maar niet verduidelijkt hoe verweerder artikel 10 en 11 van de Grondwet heeft geschonden door het nemen van de aangevochten beslissing waardoor het middel als onontvankelijk dient te worden afgewezen.”
  23. Noch in de memorie van wederantwoord, noch in de aanvullende laatste memorie, kan verzoeker dit standpunt ontkrachten. Dat hij tijdens de detachering een andere “jobinhoud” had en andere meerderen, weerlegt niet dat zijn dienstwijziging geen aanleiding gaf tot een formele functiewijziging. De Raad van State kan, na eigen onderzoek, de zienswijze van de verwerende partij volledig de zijne maken.
  24. Het middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  25. Het derde middel is geput uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 21 van het evaluatiebesluit, artikel 2, § 2, van het ministerieel besluit van 13 januari 2016 ‘houdende goedkeuring van het gemeenschappelijk huishoudelijk reglement van de beroepscommissies inzake evaluatie’, het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Volgens verzoeker werd zijn individueel evaluatiedossier niet reglementair samengesteld. Het dossier bevat geen inventaris. Voorts citeert verzoeker enkele brieven die hij aan de beroepscommissie schreef over de gebrekkige samenstelling van het dossier. Beoordeling IX-9032-10/18
  26. Verzoeker stelt in de toelichting bij het middel enkel op duidelijke wijze dat het dossier van de beroepscommissie geen inventaris bevat. Het is de Raad van State een raadsel hoe dit niet op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste verzoeker heeft kunnen benadelen. Verzoeker verschaft daarover alvast geen opheldering.
  27. Voorts citeert verzoeker enkele brieven, zonder nader uit te werken hoe het schrijven van enkele brieven aan de beroepscommissie over de samenstelling van zijn dossier de schending aantoont van de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen. Verzoeker verwacht met andere woorden dat de Raad van State in zijn plaats het middel ontwikkelt, door na te gaan of en in welke mate verzoekers in zijn brieven opgesomde bezwaren zijn opgevolgd door de beroepscommissie, hoe het dossier is samengesteld, wat nog zou kunnen ontbreken en of het ontbreken van die stukken verzoeker kon schaden. Het valt evenwel aan verzoeker toe om niet alleen de geschonden regel aan te wijzen, maar ook om met de nodige precisie toe te lichten waarom en hoe het bestuur die regel heeft miskend.
  28. Dit falen kan in latere procedurestukken niet meer worden verholpen.
  29. Het middel is niet ontvankelijk. D. Vierde middel
  30. In een vierde middel voert verzoeker aan dat de bevoegdheidsbepalende regels zijn miskend. Hij beroept zich op de onbevoegdheid van de steller van de akte omdat de adviseur-generaal van de Algemene Administratie van de BBI, afdeling Operaties, na de vernietiging van zijn benoeming door de Raad van State, niet bevoegd is om verzoeker te evalueren voor de periode vóór 1 april
  31. IX-9032-11/18
  32. Verzoeker weerspreekt in zijn aanvullende laatste memorie terecht niet de vaststelling dat dit middel niet dienstig is, omdat het niet is gericht tegen het overgebleven voorwerp van zijn beroep en niet de onwettigheid van de thans nog in geding zijnde beslissing van de beroepscommissie vermag aan te tonen.
  33. Het middel is niet ontvankelijk. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  34. Verzoeker put een vijfde middel uit de schending van de rechten van verdediging en van het beginsel “audi et alteram partem”. Volgens verzoeker kreeg hij niet de mogelijkheid om voor de beroepscommissie zijn verdediging te voeren op basis van een volledig dossier. Immers, de verwerende partij heeft belangrijke stukken achtergehouden en een getuige die verzoeker had opgeroepen, werd geweerd voor de hoorzitting van de beroepscommissie. Beoordeling
  35. Op een evaluatieprocedure en inzonderheid op de procedure bij de beroepscommissie zijn de rechten van verdediging niet van toepassing.
  36. Verzoeker is opgeroepen en gehoord door de beroepscommissie.
  37. Over “achtergehouden stukken” valt in de toelichting bij het middel niets meer te lezen, zodat het middel in die mate niet ontvankelijk is. Ten overvloede mag eraan worden herinnerd dat verzoekers middel omtrent het beweerd onvolledige dossier hiervóór eveneens onontvankelijk is bevonden. IX-9032-12/18
  38. Hiervóór is opgemerkt dat de discussie over de twee versies van de initieel toegekende evaluatievermelding niet dienstig is, gelet op het feit dat verzoeker nu eenmaal het georganiseerd administratief beroep heeft ingesteld en vervolgens, ingevolge de devolutieve werking van dit beroep, hetzij de beroepscommissie hetzij – in het hier niet relevante geval – de voorzitter van het directiecomité autonoom oordeelt over de definitief toe te kennen vermelding. Gelet hierop, heeft verzoeker geen belang bij zijn grief dat de gewestelijk directeur niet is opgeroepen als getuige voor de “waarheidsvinding”. Overigens is zijn hiërarchisch meerdere, die volgens verzoekers eigen zeggen betrokken was bij de beide versies van de evaluatie, wel gehoord. F. Zesde middel
  39. In een zesde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 41, 2°, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, van de hoorplicht zoals bepaald in artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’, van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur, van de rechten van verdediging en van het beginsel “audi et alteram partem”.
  40. Verzoeker weerspreekt in zijn aanvullende laatste memorie terecht niet de vaststelling dat dit middel niet dienstig is, omdat het niet is gericht tegen het overgebleven voorwerp van zijn beroep en niet de onwettigheid van de thans nog in geding zijnde beslissing van de beroepscommissie vermag aan te tonen.
  41. Het middel is niet ontvankelijk. G. Zevende middel IX-9032-13/18 Uiteenzetting van het middel
  42. Het zevende middel is geput uit de schending “van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand rechter en partij kan zijn (‘nemo iudex in causa sua’)”, van artikel 6.1 EVRM, van artikel 9 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ en van de artikelen 13 tot 16 van omzendbrief nr. 573 van 17 augustus 2007 ‘met betrekking tot het deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt’. Volgens verzoeker mogen leden van een adviesorgaan niet ondergeschikt zijn aan het bestuur dat om advies heeft gevraagd. Verzoeker beklaagt er zich over dat MP, een adviseur-generaal bij de diensten van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën, de functie heeft uitgeoefend van leidend ambtenaar in verzoekers evaluatieprocedure en dat zij als effectief lid ook heeft deelgenomen aan de beroepscommissie. Daardoor werd tevens het onafhankelijkheids- en onpartijdigheidsbeginsel miskend. Voor het overige heeft het middel geen betrekking op het advies van de beroepscommissie, wat verzoeker in zijn aanvullende laatste memorie niet tegenspreekt. Beoordeling
  43. Het middel vertrekt van het verkeerde uitgangspunt dat de beroepscommissie onafhankelijk is en onderscheiden van de FOD Financiën. De door verzoeker aangehaalde rechtsleer over externe adviesraden is bijgevolg niet dienstig. IX-9032-14/18
  44. Onpartijdigheid vertoont een dubbel aspect. Het subjectief aspect houdt verband met het persoonlijk gedrag van een betrokkene. Bij het objectief aspect gaat het erom of er, onafhankelijk van dit persoonlijk gedrag, verifieerbare gegevens zijn die een schijn van verdenking kunnen wettigen. Doorslaggevend daarbij is of de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid als objectief verantwoord kan worden beschouwd. Verzoeker voert geen enkel gegeven aan waaruit kan worden begrepen dat hij jegens MP een daadwerkelijke partijdigheid wenst aan te tonen. Het enkele feit dat MP onmiddellijk hiërarchisch ondergeschikt is aan de voorzitter van het directiecomité, volstaat voorts niet om de functionele of structurele onpartijdigheid van MP aan te tonen. Het staat aan verzoeker om precieze feiten aan te voeren die geredelijk twijfel doen rijzen over de beweerde partijdigheid van de beroepscommissie of één van haar leden. De loutere perceptie van de betrokkene dat zijn zaak niet met de nodige afstandelijkheid wordt onderzocht, volstaat daartoe niet. Verzoeker overtuigt niet dat van MP geen onpartijdig optreden mag worden verwacht.
  45. Wat het door verzoeker ingeroepen onafhankelijkheidsbeginsel betreft, moet worden opgemerkt dat, buiten de gevallen waarin uit de regelgeving zelf blijkt dat een bepaald orgaan is opgevat als een onafhankelijk orgaan, het bedoelde beginsel binnen het bestuur slechts een beperkte draagwijdte kan hebben. Ambtenaren zijn in de regel niet onafhankelijk, in die zin dat zij zijn georganiseerd in een hiërarchische structuur, waarin zij onderworpen zijn aan de orders van hun hiërarchische oversten en van de personen die de politieke verantwoordelijkheid dragen voor de werking van de dienst. Wel kan voorshands aangenomen worden dat het onafhankelijkheidsbeginsel onder meer inhoudt dat de overheid die bevoegd is om een bepaalde beslissing te nemen, die beslissing ook zelf moet nemen, zonder ongeoorloofde druk van buitenaf. IX-9032-15/18 Verzoeker brengt evenwel geen begin van bewijs in die zin voor, waardoor de aanwezigheid van MP in de beroepscommissie vermag aan te tonen dat er enige druk van buitenaf was over de richting van de te nemen beslissing. Het enkele feit dat de voorzitter van het directiecomité MP heeft gevraagd het dossier “voor passend gevolg” af te handelen, volstaat niet als bewijs hiervoor.
  46. Het middel is hoe dan ook niet gegrond, zonder dat het nodig is om te onderzoeken of al de in het middel aangevoerde bepalingen wel van toepassing zijn op de beroepscommissie. H. Achtste en negende middel
  47. Verzoeker put een achtste middel uit de schending van de artikelen 3, 4, 5, 14 en 17, §§ 1 tot 3, van de wet van 10 mei 2007 ‘ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie’. Hij meent dat zijn evaluatie ‘uitzonderlijk’ door de adviseur-generaal ten onrechte werd gewijzigd in een evaluatie ‘voldoet aan de verwachtingen’, omwille van verzoekers syndicale activiteiten.
  48. In het negende middel stelt verzoeker dat de artikelen 77 tot 95bis van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ zijn miskend, omdat de tweede aangevochten beslissing een verkapte tuchtmaatregel is.
  49. Verzoeker weerspreekt in zijn aanvullende laatste memorie terecht niet de vaststelling dat deze middelen niet dienstig zijn, omdat ze niet zijn gericht tegen het overgebleven voorwerp van zijn beroep en niet de onwettigheid van de thans nog in geding zijnde beslissing van de beroepscommissie vermogen aan te tonen.
  50. Het achtste en negende middel zijn niet ontvankelijk. IX-9032-16/18 I. Tiende middel
  51. Verzoeker betoogt in het tiende middel dat de artikelen 193 en volgende van het Strafwetboek inzake valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken zijn geschonden doordat een vals stuk met de eindvermelding ‘voldoet aan de verwachtingen’ aan de beroepscommissie werd voorgelegd. Zodoende werden de leden van de beroepscommissie en de leidend ambtenaar in dwaling gebracht, wat verzoeker nadeel berokkende.
  52. Uit de vaststelling, hiervóór, dat de valsheidsprocedure is afgewezen, volgt dat dit middel niet kan slagen. BESLISSING
  53. De Raad van State verwerpt het beroep.
  54. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro.
  55. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. IX-9032-17/18 De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9032-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.392 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.384 citeert: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240109.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.