id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.393 Rolnummer: A. 231035/IX-10152 Zaak: Arrest 259393 - Varia (justitie) - 04/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-15 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-18 17:23 Fiche Arrest nr 259.393 van 4 april 2024 Justitie - Varia (justitie) Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.393 no lien 276320 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.393 van 4 april 2024 in de zaak A. 231.035/IX-10.152 In zake : Y.V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Van Damme kantoor houdend te 9070 Destelbergen Zenderstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14 bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------ I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 juni 2020, strekt tot de nietig- verklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 8 mei 2020 waarbij het recht van YV tot het voorhanden hebben van vuurwapens wordt ingetrokken. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 257.505 van 3 oktober 2023 is het beroep verwor- pen voor zover het gericht is tegen de beslissing van de minister van Justitie van 8 mei 2020 waarbij ten aanzien van YV alle registraties op model 9 worden geschrapt en zijn Europese vuurwapenpas wordt ingetrokken. Het debat is voor het overige heropend en de zaak is verwezen naar de gewone rechtspleging. IX-10.152-1/16 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 8 februari 2024 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 25 maart
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker bezit verschillende vuurwapens, geregistreerd onder model
- 3.
- Op 21 januari 2019 wordt door de lokale politie van politiezone Oostende een proces-verbaal ten laste van verzoeker opgesteld waarin is te lezen: “Ter kenniskoming feit: Op 21/01/2019 om 14.13 uur krijgen wij radiofonisch de vraag van Ciwes om ons te begeven naar de Gistelsesteenweg aan de buitengrens van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.393 IX-10.152-2/16 Oostende. Hier hebben de leden van het agentschap natuur en bos een jager betrapt, [die] in het bezit was van een verboden wapen, namelijk een geweer .22 met een geluidsdemper op. Wij begeven ons ter plaatse en worden te woord gestaan door natuurinspecteur […]. Hij stelt ons in kennis dat zij verschillende verboden jaagtuigen hebben aangetroffen en dat [YV] kwam aangewandeld toen zij hun controle aan het voeren waren. Bij interpellatie van [YV] bleek dat hij in een schuurtje een geweer .22 [staan] had met daarop een geluidsdemper. Wij gaan over tot identificatie van verdachte en controle in het Centraal Wapenregister. Hieruit blijkt dat hij 5 vuurwapens op zijn naam heeft staan. Het aangetroffen vuurwapen staat volgens onze eerste bevindingen niet geregistreerd in het wapenregister. Huiszoeking binnen de heterdaadprocedure: Gezien onze vaststellingen gaan wij over tot uitvoering van een huiszoeking binnen de heterdaadprocedure in de woning van verdachte. Deze heeft ondertussen aangegeven dat zijn andere vuurwapens thuis liggen. De woning is gelegen in een woonwijk op het adres […]. Aanvang huiszoeking op 21/01/2019 om 15.00 uur, einde om 15.57 uur. Resultaat: positief. Huiszoeking uitgevoerd door opsteller, bijgestaan door inspecteur […], natuurinspecteur […] en natuurinspecteur […]. Tijdens de huiszoeking worden nog eens 8 vuurwapens aangetroffen en een hele resem munitie. 5 vuurwapens staan op de eerste verdieping in een niet afgesloten kast, met daarbij een riem hagelmunitie. 2 vuurwapens worden aangetroffen achter een niet afgesloten kast die uitgeeft op een verborgen zolder. Bij deze wapens ligt ook munitie van verschillende kalibers. In de slaapkamer treffen wij in een niet afgesloten kast een grote hoeveelheid munitie van verschillende types en kalibers aan. Alle wapens zijn functioneel en dus niet onklaar gemaakt. Er worden geen externe sloten aangetroffen die de wapens beveiligen. 1 vuurwapen, geladen met een kogel, wordt aangetroffen in het tuinhuis. Er zijn geen beveiligingen inzake de bewaring van het wapen. Later zal blijken dat dit om een Mignon gaat. Er wordt in een lade in de kast waar de munitie wordt bewaard een aparte geluidsdemper aangetroffen. Gezien onze vaststellingen worden al deze wapens meegenomen voor verder onderzoek. De dienst wapens van de PZ Oostende zal instaan voor de verdere beschrijving van de wapens. Wij verwijzen hierbij naar navolgend proces-verbaal 1697/19 inzake de inventaris, inbeslagnames en verhoor van verdachte.” 3.
- Op 13 februari 2019 vraagt de dienst Wapenvergunningen aan de procureur des Konings van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.393 IX-10.152-3/16 gemotiveerd advies over de intrekking van verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te houden. Met verwijzing naar het proces-verbaal van 21 januari 2019 adviseert de procureur des Konings om over te gaan tot de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te houden. Op 3 april 2019 beslist de gouverneur van de provincie West- Vlaanderen om verzoeker het recht te ontzeggen om de wapens die hij voorhanden had onder model 9 nog te bezitten, de registraties op model 9 te schrappen en zijn Europese vuurwapenpas in te trekken. Verzoeker stelt tegen die beslissing op 8 mei 2019 een beroep in bij de minister van Justitie. 3.
- De lokale politie deelt op 3 juni 2019 mee geen advies te kunnen verstrekken wegens gebrek aan inzicht in de feiten vastgesteld op 21 januari
- Op 17 juni 2019 adviseert de procureur des Konings, met ver- wijzing naar het voornoemde proces-verbaal van 21 januari 2019, tot de intrekking van het recht om vuurwapens voorhanden te houden. 3.
- Op 8 mei 2020 verwerpt de minister van Justitie het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Artikel 11, § 1 van de wapenwet voorziet in een principiële vereiste van een vergunning voor het voorhanden hebben van alle vuurwapens en/of daarbij horende munitie uitgereikt door de gouverneur bevoegd voor de verblijfplaats van de aanvrager. Op basis van artikel 11, § 1, tweede lid en artikel 13, eerste lid van de wapenwet kan de gouverneur – indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren – respectievelijk de vergunning of het recht om het wapen voorhanden te hebben bij een met reden omklede beslissing beperken, schorsen of intrekken, na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings van het arrondissement waar men zijn verblijfplaats heeft en volgens een procedure bepaald door de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.393 IX-10.152-4/16 Koning. Of er al dan niet gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid moet worden aangetoond aan de hand van concrete elementen. Bovendien moet rekening gehouden worden met het principe van de proportionaliteit; zo moeten de aangehaalde elementen voldoende ernstig zijn om een beperking, schorsing, intrekking of weigering van een vergunning te rechtvaardigen. Uit uw dossier blijkt dat er zich inzake uw algemene moraliteit en persoonlijkheid problemen hebben voorgedaan die mogelijks een gevaar kunnen inhouden voor de openbare orde en veiligheid. Concreet maakte u het voorwerp uit van een dossier (BG.36.L6.001096/2019) inzake inbreuken op de wapenwet. Meer bepaald werd u op 21 januari 2019 door leden van het Agentschap Natuur en Bos betrapt op het illegaal bezit van een verboden vuurwapen, zijnde een geweer .22 met een geluidsdemper op. Uit controle van het Centraal Wapenregister bleek dat u 5 vuurwapens op uw naam heeft staan. Het aangetroffen vuurwapen stond volgens de eerste bevindingen echter niet geregistreerd. U had ondertussen aangegeven dat uw andere vuurwapens thuis lagen. Gezien deze vaststellingen werd een huiszoeking in uw woning uitgevoerd binnen de heterdaadprocedure. Tijdens deze huiszoeking werden nog eens 8 vuurwapens aangetroffen, evenals een hele resem munitie. Vijf vuurwapens stonden op de eerste verdieping in een niet-afgesloten kast, met daarbij een riem met hagelmunitie. Twee vuurwapens werden aangetroffen achter een niet- afgesloten kast die uitgeeft op een verborgen zolder. Bij deze wapens lag ook munitie van verschillende kalibers. In de slaapkamer werd in een niet- afgesloten kast een grote hoeveelheid munitie van verschillende types en kalibers aangetroffen. Alle wapens waren functioneel en dus niet onklaar gemaakt. Er werden geen externe sloten aangetroffen ter beveiliging van de wapens. Eén vuurwapen, geladen met een kogel, werd onbeveiligd aangetroffen in het tuinhuis. Verder werd in de lade van de kast waar de munitie werd bewaard een aparte geluidsdemper aangetroffen. Alle aangetroffen wapens en munitie werden door de politiediensten gerechtelijk in beslag genomen. Rekening houdend met voorgaande elementen bevestigde de procureur des Konings zijn ongunstig advies tijdens de beroepsprocedure. De procureur adviseerde op basis van voornoemd proces-verbaal om over te gaan tot intrekking. Bij navraag door de federale wapendienst naar het gevolg dat aan het proces-verbaal BG.36.L6.001096/2019 werd gegeven, liet het parket d.d. 13 november 2019 weten dat het opsporingsonderzoek nog lopende is. Daarnaast voegde de lokale politie een uittreksel uit uw strafregister met vermelding van één veroordeling door de politierechtbank te Brugge d.d. 5 september 2018 wegens: - politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg: voorzienbare hindernis: geldboete van 20 euro (x 8 = 160 euro); - vluchtmisdrijf bestuurder zonder gekwetsten: geldboete van 200 euro (x8 = [1600] euro) met uitstel voor 3 jaren voor 100 euro (x 8 = 800 euro), en verlies tot sturen van 15 dagen. IX-10.152-5/16 Bij het nemen van haar beslissing dient elke bestuurlijke overheid zich te houden aan de beginselen van behoorlijk bestuur, zo ook het redelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen kennelijke wanverhouding mag bestaan tussen de motieven en de beslissing welke op grond ervan is genomen. Een beslissing waartoe geen redelijk denkend mens bij een afweging van de betrokken belangen had kunnen geraken, doet immers vermoeden dat de vereiste belangenafweging niet heeft plaatsgehad. In casu zijn de af te wegen belangen de openbare orde en veiligheid (zowel voor uzelf als voor uw omgeving) enerzijds, en de vrijheid om uw hobby als jager te kunnen uitoefenen anderzijds. Meer bepaald moet overwogen worden of wapenbezit in uwen hoofde de openbare orde zou kunnen verstoren. In uw verweer stelde uw advocaat dat de premisse van onberispelijk gedrag feitelijke grondslag mist gezien u gedurende 35 jaar noch de wapenwet, noch haar uitvoeringsbesluiten of omzendbrieven heeft geschonden en geen incidenten of ongelukken heeft veroorzaakt. Bovendien heeft u geen bedreiging gevormd voor de openbare orde. De intrekking van het recht wapens te houden is volgens uw advocaat kennelijk onredelijk nu zonder meer beslist wordt tot een intrekking, niettegenstaande nergens uit de bestreden beslissing blijkt waarom u het recht ontzegd wordt de wapens waarvoor u wél over de vereiste vergunningen beschikte, te bezitten terwijl zulks kon worden beperkt tot de ‘verboden wapens’. In het besluit wordt nauwelijks rekening gehouden met uw persoonlijkheid en blanco strafregister, noch met de beweegredenen waarom bij u niet-vergunde vuurwapens (van uw vader, niet gebruikt) en een geluidsdemper werden aangetroffen (in Engeland is het gebruik van een geluidsdemper tijdens de jacht verplicht – de wet regelt dit juridisch vacuüm niet). U heeft meteen uw volledige medewerking verleend aan het onderzoek en de huiszoeking. Geen enkel wapen werd teruggevonden in het woongedeelte, alle wapens werden gestockeerd op zolder of in de schuur. Dit bevestigt volgens uw advocaat dat u deze wapens niet hanteert of draagt. Van voormelde onvergunde wapens werd door u vrijwillig afstand gedaan. Verder stelde uw advocaat dat de bestreden beslissing geen enkel concreet element vermeldt waaruit blijkt dat de openbare orde kan worden verstoord door uw wapenbezit. Op basis van het gunstige moraliteitsonderzoek dient daarentegen te worden besloten dat u over een stabiele persoonlijkheid beschikt. Gelet op het niet-gemotiveerde advies van de procureur des Konings en mede gelet op het gunstige moraliteitsonderzoek, moet uw beroep gegrond […] worden verklaard en de bestreden beslissing worden vernietigd. De finaliteit van de wapenwet is niet om te bestraffen, doch wel om preventief op te treden teneinde misbruik van of ongelukken met vuurwapens te voorkomen. Indien er derhalve indicaties voorhanden zijn die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde, dan dienen deze afgewogen te worden ten aanzien van de individuele belangen van de wapenbezitter. De wapenwet heeft immers een principieel verbod ingesteld op alle vuurwapens, met uitzondering van een gemotiveerde vergunning. De IX-10.152-6/16 wapenvergunning (of de toelating tot het voorhanden hebben van vuurwapens) is dus de uitzondering. De wapenwet laat de overheid toe om preventieve maatregelen te nemen om problemen ten aanzien van de openbare orde te vermijden (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 216.296 van 17 november 2011, arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.710 van 29 maart 2012). Opdat een vergunning of het recht tot het voorhanden hebben van een vuurwapen kan worden ingetrokken, is het niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende (cf. rechtspraak van de Raad van State, o.m. arrest R.v.St. nr. 213.889 van 16 juni 2011; arrest R.v.St. nr. 218.251 van 1 maart 2012; arrest R.v.St. nr. 218.252 van 1 maart 2012). Vanuit dit uitgangspunt van preventie dient wapenbezit dan ook alleen te worden toegestaan aan personen die geen tegenindicatie vertonen. Uit onderzoek van het dossier blijkt dat u in 2018 veroordeeld werd wegens een verkeersinbreuk en als verdachte weerhouden wordt voor inbreuken op de wapenwet in
- Zoals reeds gesteld betreft dit laatste een proces- verbaal inzake illegaal bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen. Meer bepaald werd u betrapt op het gebruik van een vuurwapen met een geluidsdemper en werden in uw woning meerdere wapens aangetroffen waarvoor u geen vergunning had. Bovendien werden de wapens en munitie niet bewaard volgens de vereiste veiligheidsvoorschriften en werd er een wapen geladen met kogel in uw tuinhuis aangetroffen. Hieruit volgt dat u inbreuken pleegde op de wapenwet. Of deze wapens al dan niet eigendom zijn van uw vader doet hieraan geen afbreuk, vuurwapens dienen immers te worden bewaard in de verblijfplaats van de houder ervan en die houder moet over de nodige vergunningen beschikken (zie supra art. 11 van de wapenwet en het KB van 24 april 2009 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie). Daarbij komt dat u zich beroept op het uitzonderingsregime voor jagers in artikel 12, eerste lid, 1° van de wapenwet dat stelt dat houders van een jachtverlof vrijgesteld zijn van de algemene vergunningsplicht op voorwaarde dat hun strafrechtelijke antecedenten, hun kennis van de wapenwetgeving en hun geschiktheid op praktisch en medisch vlak om veilig een vuurwapen te hanteren zonder gevaar voor henzelf of voor anderen vooraf zijn nagegaan. Het administratief onderzoek, de adviezen van de lokale politie en het openbaar ministerie, in het bijzonder voormeld strafdossier, tonen aan dat er ernstige indicaties zijn dat wapenbezit in uw hoofde de openbare orde en veiligheid in het gedrang kan brengen. Niettegenstaande het opsporingsonderzoek nog lopende is, mag bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, rekening worden gehouden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Bij de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid kan de Minister van Justitie de IX-10.152-7/16 door de politie vastgestelde feiten in aanmerking nemen en bewezen achten (cf. R.v.St, arrest […] d.d. 21/01/2015, nr. 229.890). Het illegale bezit van vergunningsplichtige vuurwapens en van een verboden wapen (geluidsdemper), het niet naleven van het KB van 24 april 2009 (tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben en het verzamelen van vuurwapens of munitie), en het aantreffen van een wapen geladen met kogel in uw tuinhuis hebben de gouverneur terecht doen twijfelen aan uw betrouwbaarheid als wapenbezitter. Doordat u de wapenwetgeving niet naleeft, vormt u een onaanvaardbaar risico voor de openbare orde en veiligheid. De wapenwetgeving is er op gericht om misbruik van of ongelukken met wapens te voorkomen. Uit bovenstaande elementen blijkt dat uw geschiktheid op moreel en praktisch vlak om vuurwapens te bezitten op heden onvoldoende kan worden aangetoond. In iemand die de wapenwetgeving niet respecteert kan bezwaarlijk het vertrouwen gesteld worden om het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens toe te staan. Op grond van al deze elementen is het niet onredelijk om te besluiten dat een preventieve maatregel inzake uw wapenbezit aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De overheid kan u heden geen vuurwapens toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang. De gouverneur van West-Vlaanderen besliste dan ook terecht tot intrekking van uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens en uw Europese vuurwapenpas, alsmede tot schrapping van alle registraties op model
- Beslissing: Op basis van voornoemde elementen wordt uw recht tot het voorhanden hebben van vuurwapens ingetrokken ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid, zodat het u niet toegestaan is om vuurwapens voorhanden te hebben. Uw beroep tegen de beslissing d.d. 3 april 2019 van de provinciegouverneur van West-Vlaanderen (referentie: 2005N125751) houdende: - de intrekking van uw recht tot het voorhanden houden van vuurwapens en de schrapping van alle registraties op model 9, in het bijzonder voor wat betreft de hierna vermelde vuurwapens: • een lang wapen met getrokken loop, merk Voere, kaliber 22 LR, serienummer […]; • een lang wapen met gladde loop, merk Pieper Bayard, kaliber 12, serienummer […]; • een lang wapen met getrokken loop, merk Sauer, kaliber 7mm rem mag, serienummer […]; • een lang wapen met getrokken loop, merk brno, kaliber 243 Winchester, serienummer […]; IX-10.152-8/16 • een lang wapen met gladde loop, merk Chapuis, kaliber 12, serienummer […]; - de intrekking van uw Europese vuurwapenpas met nummer […], geldig tot 20/11/2019, wordt verworpen.” 3.
- Op 23 september 2022 beslist het openbaar ministerie om het dossier lastens verzoeker zonder gevolg te klasseren wegens regularisatie van de toestand omdat hij afstand heeft gedaan van alle wapens en munitie in zijn bezit. IX-10.152-9/16 IV. Onderzoek van het eerste middel in zoverre de schending van de materiëlemotiveringsplicht wordt aangevoerd Uiteenzetting van het middelonderdeel
- Onder aanvoeren van een schending van de materiële- motiveringsplicht, betoogt verzoeker dat de overweging dat zijn gedrag niet de vereiste waarborgen biedt, zodat er voldoende ernstige en concrete redenen zijn om te besluiten dat het voorhanden hebben van een vuurwapen in deze omstandigheden moet worden aangezien als nadelig en mogelijk gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid, geen of onvoldoende steun vindt in het dossier. In de toelichting bij het middel betoogt verzoeker dat de wapens waarvoor hij niet over een vergunning beschikte zich op zolder bevonden en dat ze aan zijn vader toebehoren. Verzoeker stelt dat hij die wapens nooit heeft gebruikt en dat dit wordt bevestigd door de manier waarop ze op zolder tussen ander materiaal zijn aangetroffen en door het feit dat geen enkel wapen is teruggevonden in het woongedeelte. Hij heeft onmiddellijk vrijwillig afstand gedaan van die wapens. In verband met de bij hem aangetroffen (verboden) geluidsdemper wijst verzoeker erop dat in Engeland het gebruik van een geluidsdemper tijdens de jacht verplicht is en dat de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) dit juridisch vacuüm niet regelt. Verzoeker besluit dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat er op heden actuele elementen zijn die een reëel gevaar voor de openbare orde kunnen doen vermoeden en dat derhalve vaststaat dat de ingeroepen motieven die aan de grondslag van de bestreden beslissing liggen, zowel feitelijke als juridische grondslag missen.
- In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat het onderzoek naar de feiten vermeld in het proces-verbaal nog lopende is. IX-10.152-10/16
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat het openbaar ministerie heeft beslist om het dossier tegen hem zonder gevolg te klasseren wegens regularisatie van de toestand omdat hij afstand heeft gedaan van alle wapens en munitie in zijn bezit. Hij stelt dat indien een proces-verbaal wordt geklasseerd zonder gevolg, er niet van kan worden uitgegaan dat de feiten die erin zijn beschreven daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, behalve in geval van een bekentenis of wanneer de feiten niet worden tegengesproken. In casu is er geen bekentenis en verzoeker heeft de feiten ook tegengesproken. Het is dan ook enkel de strafrechter die mocht oordelen of hij vuurwapens en munitie bij zich hield op een wijze die een inbreuk inhield op de wapenwet. Niettegenstaande verzoeker de betrouwbaarheid, rechtsgeldigheid en de bewijswaarde van het proces-verbaal van 21 januari 2019 heeft betwist, blijkt uit de bestreden beslissing niet dat deze argumentatie bij de besluitvorming is betrokken. Er is zonder meer aangenomen dat de gedane vaststellingen bewijskrachtig zijn. De motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, missen feitelijke en juridische grondslag. Beoordeling
- De materiëlemotiveringsplicht houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren.
- De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de vraag moet worden beoordeeld of het voorhanden hebben van een vuurwapen de openbare orde kan verstoren. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het vlak van het bewezen verklaren van de feiten waarop hij steunt om tot dit oordeel te komen, als op het vlak van de kwalificatie van die feiten als gronden tot het beoordelen van de verstoring van de openbare orde. Aangezien de wapenwet inzake het bewezen verklaren van de feiten geen bijzondere bewijswaardering IX-10.152-11/16 voorschrijft, beoordeelt de minister ook op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het dossier om tot zijn overtuiging te komen. Hij mag daarbij niet alleen steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen of vermoedens.
- Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettig- heidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan over- eenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
- In de bestreden beslissing komt de verwerende partij tot het besluit dat verzoeker geen vuurwapens kunnen worden toevertrouwd omdat zij in hem niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. De verwerende partij steunt dit oordeel in hoofdzaak op de in het proces-verbaal van 21 januari 2019 vermelde vaststellingen, die het dragend motief vormen voor de bestreden beslissing.
- Bij het nemen van de bestreden beslissing was het opsporings- onderzoek nog lopende. Nadien, op 23 september 2022, heeft het openbaar minis- terie het proces-verbaal van 21 januari 2019 zonder gevolg geklasseerd wegens regularisatie van de toestand omdat verzoeker afstand heeft gedaan van alle wapens en munitie in zijn bezit. De vraag rijst thans wat het gevolg hiervan is voor het bewezen zijn van de in het proces-verbaal gedane vaststellingen en voor de deugdelijkheid van de motivering van de bestreden beslissing. IX-10.152-12/16
- Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, mag de minister van Justitie steunen op feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. De enkele omstandigheid dat het opsporingsonderzoek nog niet was afgesloten op het ogenblik van de bestreden beslissing, sluit niet uit dat de minister bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de door de politie vastgestelde feiten in aanmerking kan nemen en bewezen achten. Dat een proces-verbaal nadien zonder gevolg wordt geklasseerd, houdt niet in dat de feiten die in het proces-verbaal worden vermeld zich niet hebben voorgedaan, noch dat uit deze feiten door de verwerende partij niet mocht worden afgeleid dat het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde. De seponering op zich sluit dus evenmin uit dat de minister bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid, de door de politie in een proces-verbaal opgenomen verklaringen en vaststellingen in aanmerking neemt en de inhoud ervan bewezen acht. Het strafrechtelijk vermoeden van onschuld staat daaraan niet in de weg. Het proces-verbaal heeft evenwel geen bijzondere bewijs- waarde, zodat de verwerende partij bij de feitenvinding de overige gegevens uit het dossier met betrekking tot deze feiten, eveneens in aanmerking dient te nemen bij de beoordeling van de bewijswaarde van de in het proces-verbaal vervatte feiten.
- Te dezen acht de verwerende partij het bewezen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan het bezit van een verboden wapen (geluids- demper), het bezit van meerdere vergunningsplichtige vuurwapens waarvoor hij geen vergunning had, het niet naleven van de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van wapens en munitie en het voorhanden hebben van een met een kogel geladen wapen in het tuinhuis. De verwerende partij steunt daarvoor op de vast- stellingen van de verbalisanten in het proces-verbaal van 21 januari
- IX-10.152-13/16
- Uit het dossier blijkt dat die vaststellingen in het proces-verbaal van 21 januari 2019 door geen enkel gegeven worden tegengesproken. Voorts kan worden vastgesteld dat verzoeker zowel in de loop van de administratieve beroepsprocedure, als thans in het kader van huidig beroep, op geen enkel moment heeft betwist dat hij de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van wapens en munitie niet heeft nageleefd of dat er een geladen wapen in zijn tuinhuis is aangetroffen. Inzake het bezit van een verboden wapen (geluidsdemper) heeft verzoeker louter aangevoerd dat in Engeland het gebruik van een geluidsdemper tijdens de jacht verplicht is en dat de wapenwet dit juridisch vacuüm niet regelt. Het bezit van een verboden geluidsdemper zelf wordt door verzoeker evenwel niet ontkend. Wat het bezit van vergunningsplichtige wapens zonder ver- gunning betreft, heeft verzoeker enkel aangevoerd dat de onvergunde wapens die bij hem zijn aangetroffen van zijn vader zijn en dat ze door hem nooit zijn gebruikt. Dit belet evenwel op zich niet dat de minister binnen zijn beoordelingsbevoegdheid blijft door dit feit mee in zijn beoordeling op te nemen. De openbare orde en veiligheid zouden uiteraard niet worden beschermd indien de bevoegdheid tot het intrekken van de wapenvergunningen of van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben slechts zou kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de wapens die in het bezit zijn of eigendom zijn van de betrokkene. Het Grondwettelijk Hof, verwijzend naar de vroegere wetgevingen ter zake en naar de parlementaire voorbereiding van de huidige wapenwet, heeft daarenboven verduidelijkt dat de term “voorhanden hebben” in de gebruikelijke betekenis ervan dient te worden begrepen en derhalve het effectieve bezit aangeeft, ongeacht de juridische titel die daaraan ten grondslag ligt (GwH, arrest 154/2007 van 19 december 2007, B.27.7). De verwerende partij stelt hieromtrent in de bestreden beslissing dan ook terecht dat het er niet toe doet of deze wapens eigendom zijn van verzoekers vader aangezien vuurwapens correct moeten IX-10.152-14/16 worden bewaard in de verblijfplaats van de houder ervan en die houder over de nodige vergunningen moet beschikken. Dat is niet het geval voor verzoeker, hetgeen noch door hem, noch door de stukken van het dossier wordt tegengesproken. Aangezien de feiten uit het proces-verbaal van 21 januari 2019 door geen enkel gegeven van het dossier worden tegengesproken en verzoeker die feiten ook niet heeft ontkend, mocht de verwerende partij tot het besluit komen dat de feiten bewezen zijn.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing steunt op motieven waarvan het feitelijke bestaan naar behoren is bewezen. De motivering van de bestreden beslissing is wat dat betreft deugdelijk.
- Verzoeker voert nog aan dat uit geen enkel element van het dossier blijkt dat er op heden actuele elementen zijn die een reëel gevaar voor de openbare orde kunnen doen vermoeden. Met deze argumentatie geeft verzoeker weliswaar blijk van een andere feitelijke beoordeling van de zaak dan de minister van Justitie, maar verzoeker maakt hiermee niet aannemelijk dat deze in verband met de beoordeling van de in het proces-verbaal vervatte feiten en de kwalificatie ervan als een mogelijk gevaar voor de openbare orde, tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan.
- Het middelonderdeel is ongegrond. V. Aanvullend onderzoek
- Luidens artikel 24, tweede lid, RvS-Wet mag het auditoraats- verslag zich beperken tot het middel dat de oplossing van het geschil mogelijk maakt. Het auditoraat heeft alzo zijn onderzoek voor een tweede maal beperkt tot het eerste middel in zoverre daarin de schending van de materiëlemotiveringsplicht is aangevoerd. Aangezien dit middelonderdeel de oplossing van de zaak niet mogelijk maakt, is er reden om het debat te heropenen IX-10.152-15/16 en het bevoegde lid van het auditoraat te belasten met het aanvullend onderzoek van de zaak. Er is reden om overeenkomstig artikel 24, derde lid, RvS-Wet het auditoraat te gelasten met het aanvullend onderzoek van alle nog niet onderzochte middelen of middelonderdelen. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het onderzoek van alle nog niet onderzochte middelen of middel- onderdelen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vier april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jim Deridder, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-10.152-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.393 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.505 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.559 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div