← België

Arrest 259518 - Varia (onderwijs en cultuur) - 17/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.518 Rolnummer: A. 241570/IX-10444 Zaak: Arrest 259518 - Varia (onderwijs en cultuur) - 17/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-18 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-09 04:47 Fiche Arrest nr 259.518 van 17 april 2024 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 259.518 van 17 april 2024 in de zaak A. 241.570/IX-10.444 In zake: XXXX tegen: de HOGESCHOOL GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gitte Laenen en Julie Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 30 maart 2024, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Raad van Toezicht van de Hogeschool Gent [van] 20 maart 2024 waarbij aan verzoekster het recht werd ontzegd om te zetelen als opvolger in de Raad van Toezicht van de Hogeschool Gent”. Verzoekster vraagt ook om aan de verwerende partij een dwangsom op te leggen indien zij niet uiterlijk een maand na de uitspraak van de Raad van State “deze beslissing herziet”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-10.444-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 april 2024, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Jan Fiers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Julie Swerts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. Verzoekster is lector aan het departement Lerarenopleiding van de Hogeschool Gent. Bij de verkiezingen van de personeelsvertegenwoordigers in de raad van toezicht van de hogeschool in 2021 wordt zij verkozen als eerste opvolger. Op 20 maart 2024 beslist deze raad van toezicht “akte te nemen van het feit dat het mandaat van […] als lid van de personeelsgeleding van de raad van toezicht met ingang van 1 januari 2024 wordt voltooid door [FDW] als verkozen opvolger”. IX-10.444-2/7 Deze beslissing is het voorwerp van de huidige vordering. Ze wordt als volgt gemotiveerd: “[…], verkozen personeelsvertegenwoordiger, ging met pensioen per 1 januari
  5. Conform artikel 11 Organiek reglement wordt dit mandaat voltooid door de overeenkomstig de kiesprocedure aangeduide opvolger. Aangezien de eerste opvolger voltijds een verlofstelsel opneemt en dus niet langer een opdracht van ten minste 70% vervult als lid van het onderwijzend personeel, bezit deze niet langer de hoedanigheid op basis waarvan het mandaat is verleend. Conform artikel 7 §3-4 Organiek reglement wordt het mandaat voltooid door de tweede opvolger, [FDW], opleidingshoofd IT, verbonden aan het departement GO5.” IV. Ontvankelijkheid van de vordering
  6. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. Als de Raad hierna verwijst naar “de bestreden beslissing”, loopt hij niet vooruit op de beoordeling van de exceptie waarin de verwerende partij betwist dat van een “beslissing” sprake is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-10.444-3/7 VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  8. Om de uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden, zet verzoekster in het inleidend verzoekschrift uiteen wat volgt: “De kwestie is uiterst dringend omdat, naast de argumentatie die reeds werd aangehaald om het belang van verzoekster te staven, het volgens verzoekster ook de geldigheid aantast van alle beslissingen die de Raad van Toezicht, alsdan in een verkeerde samenstelling, sinds de zitting van 20 maart 2024 heeft genomen en zal nemen. Om die reden is de gewone schorsingsprocedure niet dienstig, evenmin als de nog latere nietigheidsprocedure. Daarnaast is de schending van de regelgeving prima facie duidelijk.” Beoordeling
  9. Of de volgens verzoekster “verkeerde samenstelling” van de raad van toezicht inderdaad de geldigheid aantast van zijn beslissingen, hoeft niet te worden onderzocht. Het betreft immers geen nadeel dat verzoekster in haar uiterst summiere uiteenzetting op haar persoonlijke situatie betrekt. Het kan de spoedeisendheid niet aantonen.
  10. In zoverre verzoekster refereert aan de onwettigheid van de bestreden beslissing, wijst de Raad van State erop dat de ernst van een middel op zich de spoedeisendheid van de vordering niet aantoont. De ernst van de middelen en de spoedeisendheid zijn afzonderlijke voorwaarden.
  11. Een verzoekende partij mag het niet aan de Raad van State overlaten om zelf in het verzoekschrift op zoek te gaan naar gronden die de spoedeisendheid kunnen verantwoorden. In beginsel kan een loutere verwijzing naar de uiteenzetting van het belang dan ook niet volstaan, omdat belang en spoedeisendheid niet samenvallen. IX-10.444-4/7 Hoe dan ook leest de Raad in het verzoekschrift in de volgende, al even korte uiteenzetting over verzoeksters belang evenmin een verantwoording van de spoedeisendheid: “Aangezien verzoekster geen deel mag uitmaken van het hoogste beslissingsorgaan van de Hogeschool Gent, en dus haar prerogatief, dat ze als opvolger heeft verworven na een verkiezing onder al het personeel, verhindert dit dat zij haar mening over belangrijke beleidsbeslissingen mag geven, en doet dit ook afbreuk aan de verwachtingen van de collega’s die haar hebben verkozen. Daarnaast leidt ze ook reputatieschade, omdat iedereen had verwacht dat ze zou zetelen, en dat, nu ze dit niet vermag, een zweem van incompetentie of verdenking dat ze iets fout heeft gedaan moet torsen. Het verzoekschrift wordt op ontvankelijke wijze ingesteld. Tegen dergelijke beslissing staat alleen een voorziening bij Uw Raad open. Aangezien de bestreden beslissing pas op 26 maart 2024 voor verzoekster toegankelijk werd, kon niet sneller een voorziening in schorsing in UDN ingediend worden.” Dat verzoekster wordt verhinderd “haar mening over belangrijke beleidsbeslissingen” te geven – althans: als lid van de raad van toezicht en uiteraard niet anderszins – is niets méér dan een vaststelling van het gevolg van de bestreden beslissing, maar verklaart niet waarom daaraan met spoed een einde dient gesteld. Om ervan te doen blijken dat een zaak te spoedeisend is voor een behandeling in een beroep tot nietigverklaring, volstaat het niet om – in het verzoekschrift – in abstracto aan te geven welke gevolgen de bestreden beslissing heeft. Nadelen van derden, zoals de “verwachtingen” die collega’s mogelijk in verzoekster hebben gesteld, verantwoorden niet de spoedeisendheid die verzoekster op haar persoonlijke situatie moet betrekken. Van enige reputatieschade is geen sprake, aangezien verzoekster niet wordt geweerd om enig verwijtbaar gedrag, maar louter om de reden dat zij zich momenteel voltijds in een verlofstelsel bevindt en dus niet langer een opdracht vervult van ten minste 70% als lid van het onderwijzend personeel. IX-10.444-5/7
  12. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, moet een verzoekende partij in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. De voorwaarde van spoedeisendheid ligt met andere woorden in die van de uiterst dringende noodzakelijkheid besloten.
  13. Hiervóór is gebleken dat verzoekster die spoedeisendheid van de zaak niet heeft aangetoond.
  14. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. VII. Dwangsom
  15. Dit arrest beveelt geen schorsing noch andere voorlopige maatregel, zodat er geen grond is om de verwerende partij een dwangsom op te leggen. BESLISSING
  16. De Raad van State verwerpt de vordering.
  17. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
  18. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-10.444-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op zeventien april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.444-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.518 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.