id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.531 Rolnummer: A. 239638/VII-42136 Zaak: Arrest 259531 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 18/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-18 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-09 00:47 Fiche Arrest nr 259.531 van 18 april 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.531 no lien 276781 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 259.531 van 18 april 2024 in de zaak A. 239.638/VII-42.136 In zake: de NV MEPY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Ghysels kantoor houdend te 1050 Brussel Marsveldplein 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Gelijkens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 juli 2023, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse overheid, departement Omgeving, afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning van 17 mei 2023 dat het beroep tegen beslissingen van de OVAM van 18 februari 2009 en 3 maart 2009 niet ontvankelijk verklaart. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 16 november
- VII-42.136-1/6 Op respectievelijk 14 februari 2024 en 9 februari 2024 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: algemeen procedurereglement). De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Yves Sacreas, die loco advocaat Jan Ghysels verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Wannes Op de Becq, die loco advocaat Astrid Gelijkens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Onderzoek naar het ontbreken van het vereiste belang
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, RvS-wet, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Bij het versturen aan de verzoekende partij van een kopie van de memorie van antwoord heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.531 VII-42.136-2/6 artikel 21, tweede lid, RvS-wet en van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement. De verzoekende partij heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van zestig dagen gesteld in artikel 7 van het algemeen procedurereglement.
- In de vraag om te worden gehoord en op de terechtzitting voert de verzoekende partij aan dat zij zich in een geval van overmacht bevond die haar heeft verhinderd de memorie van wederantwoord tijdig in te dienen. De verzoekende partij zet uiteen dat zij beroep had gedaan op twee advocaten van hetzelfde kantoor om haar bij te staan in de vernietigingsprocedure voor de Raad van State. Eén van deze advocaten trad op als de dossierbeheerder in de zin van artikel 85bis, § 2, 3°, van het algemeen procedurereglement. Eind oktober 2023 verliet die advocaat echter het kantoor en behartigde hierdoor niet langer de belangen van de verzoekende partij in het dossier. Die advocaat zou echter hebben nagelaten op korte tijd de hoedanigheid van dossierbeheerder over te dragen, of een machtiging te verlenen om toegang te krijgen tot het dossier, aan een andere advocaat van het kantoor. Het elektronisch bericht waarmee de verzoekende partij op de hoogte werd gebracht van de neerlegging van de memorie van antwoord werd aldus enkel verstuurd naar de advocaat die het kantoor inmiddels had verlaten. De overblijvende advocaat van de verzoekende partij - en de verzoekende partij zelf - waren om die reden niet op de hoogte van de omstandigheid dat de termijn om de memorie van wederantwoord in te dienen, was beginnen te lopen. De elektronische berichten die door de griffie van de Raad van State werden verstuurd, zouden volgens de verzoekende partij geen “nuttige bestemmeling” hebben gehad, nu uit de concrete gegevens van de zaak blijkt dat noch de verzoekende partij, noch haar advocaat, ervan kennis konden nemen. In die omstandigheden zou de sanctie van het ontbreken van het belang wegens het niet tijdig indienen van de memorie van wederantwoord, kennelijk onredelijk zijn, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.531 VII-42.136-3/6 en op kennelijk onevenredige wijze het recht op toegang tot de rechter beperken. De situatie van de verzoekende partij zou dan ook moeten beschouwd worden als een geval van overmacht dat de toepassing van de sanctie uitsluit.
- Artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement bepaalt: “De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. […] De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht. Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard. De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht of het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd. […]” Uit de gegevens van het dossier blijkt dat op 8 november 2023 het elektronisch bericht werd verzonden naar de dossierbeheerder van de verzoekende partij met de kennisgeving van de neerlegging van de memorie van antwoord. Dit bericht werd niet geraadpleegd, en een herinneringsbericht werd vervolgens op 13 november 2023 naar deze dossierbeheerder verzonden. Ook dat bericht werd niet geraadpleegd, zodat de memorie van antwoord geacht wordt ter kennis te zijn gebracht van de verzoekende partij bij het verstrijken van de derde werkdag na 13 november 2023, zijnde 16 november
- De persoon die aanvaardt de hoedanigheid op zich te nemen van dossierbeheerder in de zin van artikel 85bis, § 2, 3°, van het algemeen procedurereglement, dient zich zo te organiseren dat hij kennis kan nemen van de elektronische berichten die hem met toepassing van artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement worden verstuurd. Indien hij niet langer als VII-42.136-4/6 dossierbeheerder kan optreden, behoort het hem die hoedanigheid over te dragen met toepassing van artikel 85bis, § 3, zesde lid, van het algemeen procedurereglement. De advocaat is de lasthebber van zijn cliënt. De fouten die de advocaat maakt binnen zijn mandaat, maken in hoofde van de cliënt geen geval uit van overmacht. Ook de handelingen die deze advocaat moet stellen bij de beëindiging van zijn mandaat, worden geacht gesteld te worden binnen dat mandaat. Een advocaat die niet meer kan optreden als dossierbeheerder in de zin van artikel 85bis, § 2, 3°, van het algemeen procedurereglement, omdat hij niet langer de belangen van de betrokken partij behartigt, moet onmiddellijk de nodige schikkingen treffen om zijn hoedanigheid van dossierbeheerder over te dragen. Ook de nalatigheid van de advocaat om die schikkingen onmiddellijk te treffen, wordt aan zijn cliënt toegerekend.
- De verzoekende partij bewijst dan ook niet dat de omstandigheid dat de memorie van wederantwoord niet werd ingediend binnen de termijn van zestig dagen na 16 november 2023, het gevolg is van een geval van overmacht. Er is geen reden om de sanctie artikel 21, tweede lid, RvS-wet niet toe te passen.
- Het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-42.136-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op achttien april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Francis Van Nuffel, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Francis Van Nuffel VII-42.136-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div