← België

Arrest 259549 - Tucht (openbaar ambt) - 19/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549 Rolnummer: A. 241169/XII-9551 Zaak: Arrest 259549 - Tucht (openbaar ambt) - 19/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-29 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-06-08 12:31 Fiche Arrest nr 259.549 van 19 april 2024 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549 no lien 276797 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK WAARNEMEND VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 259.549 van 19 april 2024 in de zaak A. 241.169/XIV-39.364 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Mouthuy kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jacques Vandeuren kantoor houdend te 1082 Brussel Josse Goffinlaan 158 tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken woonplaats kiezend bij de Federale politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 9 februari 2024, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de hogere tuchtoverheid van 10 januari 2024, waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-39.364-1/8 Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april
  3. Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaten Gregory Mouthuy en Jacques Vandeuren verschijnt voor verzoeker, en adviseur Vincent Govaerts die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de Federale politie. 3.
  6. Op 9 maart 2018 verneemt de hogere tuchtoverheid via e-mail dat verzoeker en een collega werden ondervraagd door de Algemene Inspectie van de Federale politie en van de lokale politie en dat zij “in de komende uren worden voorgeleid”. Deze e-mail vermeldt dat “de feiten verband [zouden] houden met hun functie als […]”. 3.
  7. Op 19 juli 2018 stelt de hogere tuchtoverheid een voorafgaand onderzoeker aan. 3.
  8. Na kennisname van het verslag van het voorafgaand onderzoek beslist de hogere tuchtoverheid op 17 augustus 2018 om toepassing te maken van XIV-39.364-2/8 artikel 56, tweede lid, van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). 3.
  9. Op 2 juni 2022 verleent het parket bij het hof van beroep te Brussel aan de dienst Toezicht op de Interne Werking en Kwaliteit (hierna: de dienst TIWK) toegang tot het strafdossier lastens verzoeker. 3.
  10. Op 7 december 2022 stelt de hogere tuchtoverheid het inleidend verslag op met daarin het voornemen om de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. 3.
  11. Op 10 maart 2023 vraagt de dienst TIWK aan de procureur des Konings om in toepassing van artikel 24 van de tuchtwet advies te verlenen. Op 23 maart 2023 antwoordt de substituut-procureur des Konings geen bezwaar te hebben tegen het opleggen van “een zware tuchtstraf (terugzetting in de weddeschaal)”. 3.
  12. Op 24 maart 2023 stelt de hogere tuchtoverheid voor de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. 3.
  13. Op 7 april 2023 dient verzoeker tegen dat voorstel een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad. 3.
  14. Op 7 november 2023 adviseert de Tuchtraad in hoofdorde dat de tuchtvordering vervallen is wegens overschrijding van de redelijke termijn. In ondergeschikte orde adviseert de Tuchtraad dat de feiten zoals omschreven in punt 3.
  15. van het advies bewezen zijn en aan verzoeker dienen te worden toegerekend, maar dat de feiten geen tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet wegens schending van het recht van verdediging en dat het daarom gepast voorkomt geen tuchtstraf op te leggen. 3.
  16. Op 12 december 2023 formuleert de hogere tuchtoverheid een “tweede voorstel tot zware tuchtsanctie” met het voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad. XIV-39.364-3/8 3.
  17. Op 10 januari 2024 beslist de hogere tuchtoverheid om aan verzoeker de zware tuchtstraf van de terugzetting in de weddeschaal op te leggen. Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden
  18. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
  19. In het verzoekschrift zet verzoeker uiteen dat de bestreden beslissing steunt op (beweerde) gedragingen van verzoeker die in strijd worden geacht met de deontologische principes, waarden en normen van de Federale politie, zodat de bestreden beslissing oneervol is en verzoekers reputatie ernstig schaadt. Verzoeker citeert een gedeelte van de formele motivering van de bestreden beslissing en leidt daaruit af dat de gebruikte terminologie een zeer ernstige krenking inhoudt van zijn beroepseer, zeker gelet op zijn blanco tuchtverleden en zijn evaluatie “goed”. Verder citeert verzoeker uit de rechtspraak van de Raad van State over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en besluit hij dat de vereiste spoedeisendheid manifest aanwezig is. Ter terechtzitting benadrukt verzoeker - in repliek op het auditoraatsverslag - dat de verwijzing naar de rechtspraak betreffende de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel nog steeds relevant is om de voorwaarde van de spoedeisendheid te beoordelen en hij verwijst daarbij naar onder meer de parlementaire voorbereiding van de wetswijziging waarbij de schorsingsvoorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel werd vervangen door de schorsingsvoorwaarde van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549 XIV-39.364-4/8 spoedeisendheid. Bijkomend verwijst verzoeker nog naar recente rechtspraak van de Raad van State. Beoordeling
  20. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  21. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. XIV-39.364-5/8 Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
  22. Verzoeker voert aan dat de bestreden beslissing oneervol is en zijn reputatie ernstig schaadt, alsook dat de in de bestreden beslissing gebruikte terminologie een zeer ernstige krenking inhoudt van zijn beroepseer. Verzoeker voert aldus in wezen een moreel nadeel aan. Een dergelijk nadeel kan in beginsel geheel worden goedgemaakt door een vernietigingsarrest en vergt geen spoedeisende behandeling van de zaak in kort geding. Het komt derhalve aan verzoeker toe om aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen anders te oordelen en dat hij de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak te gronde. Verzoeker laat dit te dezen evenwel na. Hij beperkt zich ter zake immers tot een eenvoudige bewering, zonder enige nadere illustratie of “bijzondere gebeurtenis” en zonder ook maar enig licht te doen schijnen op de onherroepelijke schadelijke gevolgen die tot gevolg zouden hebben dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht en derhalve de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing thans dient te worden geschorst. In de mate dat verzoeker in zijn verzoekschrift doet gelden dat de in de bestreden beslissing gebruikte terminologie zijn beroepseer ernstig krenkt – waarbij verzoeker citeert uit de formele motivering van de strafmaat –, maakt verzoeker niet aannemelijk dat er sprake is van onherroepelijke schadelijke gevolgen. Bij het opleggen van een tuchtmaatregel worden in de regel negatieve bewoordingen gebruikt, zodat dit op zich niet volstaat om de spoedeisendheid te verantwoorden. Daarenboven concretiseert verzoeker een en ander niet en maakt hij niet aannemelijk dat hij dat nadeel niet kan dragen tot aan de uitspraak ten gronde. In de mate dat verzoeker “naar analogie” verwijst naar eerdere rechtspraak wordt opgemerkt dat, daargelaten dat deze rechtspraak slaat op de vroegere voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, die inmiddels is vervangen door de voorwaarde van de spoedeisendheid en los van de vaststelling ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549 XIV-39.364-6/8 dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent zodat verzoeker er derhalve er geen leer uit kan halen, de vermelde arresten slaan op hetzij een tuchtrechtelijk ontslag, hetzij een terugzetting in graad of rang, wat in de hiërarchie der tuchtstraffen zwaardere tuchtstraffen zijn dan de aan verzoeker opgelegde terugzetting in de weddeschaal. Elke vergelijking met de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf loopt derhalve mank, zodat uit de door verzoeker aangehaalde rechtspraak niet ipso facto volgt dat aan de voorwaarde van de spoedeisend is voldaan. Ook de rechtspraak die verzoeker ter terechtzitting aanhaalt, doet niet anders besluiten. Onverminderd de vaststelling dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent, zoals hiervoor reeds opgemerkt, slaat ook deze rechtspraak op andere maatregelen dan de aan verzoeker opgelegde zware tuchtstraf en maakt verzoeker niet in concreto aannemelijk waarom desondanks met betrekking tot de hem opgelegde zware tuchtstraf in dezelfde zin zou moeten worden geoordeeld.
  23. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VI. Conclusie
  24. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt de vordering.
  26. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. XIV-39.364-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Ann Coolsaet XIV-39.364-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.549 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.632 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.