id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.550 Rolnummer: A. 240612/XII-9557 Zaak: Arrest 259550 - Politie - 19/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-29 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-14 03:35 Fiche Arrest nr 259.550 van 19 april 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.550 no lien 276798 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK WAARNEMEND VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 259.550 van 19 april 2024 in de zaak A. 240.612/XIV-39.312 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Quinten De Keersmaecker kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 27 november 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de lokalepolitiezone van 25 september 2023 waarbij verzoekers voorlopige schorsing bij ordemaatregel wordt verlengd tot 25 januari
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. XIV-39.312-1/12 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 april
- Staatsraad Ann Coolsaet heeft verslag uitgebracht. Advocaat Delphine Holemans, die loco advocaten Walter Van Steenbrugge en Quinten De Keersmaecker verschijnt voor verzoeker, en advocaat Tom De Sutter, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is korpschef van de lokalepolitiezone. 3.
- Op 25 mei 2021 beslist het politiecollege om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot 25 september
- 3.
- Op 22 september 2021, 24 januari 2022, 24 mei 2022, 23 september 2022, 24 januari 2023 en 25 mei 2023 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor, respectievelijk een eerste, tweede, derde, vierde, vijfde en zesde keer en dit telkens voor een termijn van vier maanden zonder inhouding van wedde. Deze beslissingen maken het voorwerp uit van beroepen tot nietigverklaring. Bij respectievelijk de arresten nr. 252.734 van 21 januari 2022, nr. 253.706 van 10 mei 2022, nr. 255.544 van 20 januari 2023, nr. 257.380 van 20 september 2023 en nr. 257.600 van 11 oktober 2023 werden de aangevoerde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.550 XIV-39.312-2/12 redenen voor de spoedeisende behandeling van de eerste, de tweede, de vierde, de vijfde en de zesde verlenging verworpen. Inzake de derde verlenging oordeelde de Raad van State in het arrest nr. 254.920 van 27 oktober 2022 dat, bij gebreke aan (tijdige) betaling van het rolrecht, de vordering tot schorsing als niet verricht moest worden beschouwd. 3.
- Op 25 september 2023 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel een zevende keer te verlengen voor een termijn van vier maanden (van 26 september 2023 tot en met 25 januari 2024), zonder inhouding van wedde. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat zij geen opmerkingen heeft bij het belang van verzoeker “onverminderd het belang bij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging eens zou moeten worden vastgesteld dat de voorlopige schorsing (nagenoeg) volledig is uitgevoerd voorafgaand aan de uitspraak over de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging”, wat het geval is. Beoordeling
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XIV-39.312-3/12 V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift
- In zijn inleidend verzoekschrift zet verzoeker onder het kopje “spoedeisendheid” uiteen dat de bestreden beslissing “onherroepelijke schadelijke gevolgen met zich mee[brengt] voor verzoeker”. Hij stelt vooreerst dat zijn mentale welzijn “ernstig en langdurig [wordt] aangetast door de bestreden beslissing” en doet gelden dat “klinisch en forensisch psycholoog [P.B.], die verzoeker grondig onderzocht heeft in het kader van een psychologische expertise, besluit dat verzoeker door onder meer de herhaaldelijke verlengingen van zijn voorlopige schorsing lijdt aan een posttraumatische stressstoornis met mogelijke langetermijngevolgen.” Verzoeker citeert daartoe uit het psychologisch verslag van 2 februari 2022: “(...) In contrast met bovenstaande hebben de beschuldigingen in de pers, gevolgd door een langdurige schorsing door het politiecollege alsook het niet geïnformeerd zijn over de stand van het gerechtelijk onderzoek een traumatische impact op zijn huidig psychisch functioneren. Intrusieve herinneringen en ruminaties leiden tot chronisch negatieve gemoedstoestanden (angst en boosheid), toegenomen prikkelbaarheid en concentratieproblemen. De aandacht kent geen normaal basisniveau meer waardoor er actueel te weinig sprake is van een ontspannen alertheid met ernstige slaapproblemen als gevolg. De symptomen maken deel uit van een langdurend stresssyndroom en impliceren een ernstige psychische belasting voor [verzoeker], met een drastische afname van de kwaliteit van zijn dagelijks leven. In plaats daarvan is er een verhoogde arousal gekoppeld aan mentale vervlakking (TV kijken als verdoving). Concluderend kunnen we stellen dat er actueel sprake is van een ontwrichting van de psychische status ressorterend onder het PTSS syndroom. De traumatiserende feiten genereren een aanhoudende ontregeling van het stress-verwerkend systeem met mogelijks XIV-39.312-4/12 langetermijngevolgen in het interpersoonlijk contact, de slaap, de stemming en de emoties.” Volgens verzoeker zijn er bijzondere omstandigheden voorhanden die overtuigen dat de ondergane morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen, zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. Verzoeker doet gelden dat, zoals blijkt uit het aanvullend verslag van klinisch en forensisch psycholoog P.B. van 9 juni 2022, (de verlenging van) de voorlopige schorsing van verzoeker rechtstreeks leidt tot een “ernstige breakdown van zijn identiteit”, hetgeen de “gevoelens van waardeloosheid en depressie” teweegbrengt. Om die reden stelt verzoeker dat de schorsing van de bestreden beslissing van cruciaal belang is om zijn mentale schade te herstellen, zelfs indien een eventueel schorsingsarrest pas zou tussenkomen kort voordat het politiecollege een nieuwe beslissing zou nemen aangaande de eventuele verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker. Hij steunt daartoe op de volgende passage uit het aanvullend verslag van P.B. dat hij citeert: “De identiteit van [verzoeker] berust quasi volledig op één criterium: politieman zijnde. Identiteit is geen neutraal geheel van persoonskenmerken, maar heeft alles te maken met de normen en waarden die een persoon zich eigen maakt. In het geval van [verzoeker] de normen en de waarden die hij zich als lid van het politiekorps heeft eigen gemaakt. Men kan het een vorm van zelfrealisatie noemen. Zijn fundamentele verhouding tot de ander vindt zijn basis in een samenhangende ideologie verworven als politieman, een geheel van opvattingen over menselijke verhoudingen en hoe die het best te regelen. Zijn schorsing als politieman resulteerde in een ernstige breakdown van zijn identiteit, de identificatie van zichzelf als politieman, deel uitmakend van een groter geheel met dezelfde normen en waarden. De schorsing verwijdert hem uit datgene wat hem het meest definieert en leidt tot gevoelens van waardeloosheid en depressie. Dit impliceert tevens dat een schorsing van de voorlopige schorsing een significant helend effect zal hebben op betrokkene, zelfs als die slechts korte tijd voor de eventuele nieuwe beslissing aangaande de verlenging van zijn voorlopige schorsing zou worden genomen. De opgelopen mentale schade kan hierdoor in belangrijke mate worden weggenomen.” Verzoeker voegt daar nog aan toe dat de schorsing van de bestreden beslissing voor hem op moreel vlak een enorme opsteker zou zijn, bijna twee en een half jaar na de aanvang van zijn voorlopige schorsing. In die gehele periode heeft hij op geen enkel vlak gehoor gekregen van het gerecht in het kader XIV-39.312-5/12 van de diverse démarches die hij heeft ondernomen, waardoor hij kampt met een ernstig gevoel van onrechtvaardigheid en machteloosheid. Verzoeker werpt op dat de “bijzonder ernstige mentale gevolgen van de door de bestreden beslissing voortdurende schorsing van verzoeker, zoals blijkt uit de verslagen van psycholoog [P.B.],” de bijzondere omstandigheid vormen die de schorsing van de bestreden beslissing verantwoorden. Het nuttig effect van een eventueel schorsingsarrest zelfs kort voor de nieuwe beslissing van het politiecollege staat volgens verzoeker vast. Daarnaast doet verzoeker gelden dat het van essentieel belang is dat alle beslissingen van het politiecollege tot de (verlenging van de) voorlopige schorsing uitvoerig in de pers zijn verschenen waarbij tevens foutieve informatie werd verspreid omtrent de ordemaatregel die aan verzoeker werd opgelegd en de juridische draagwijdte ervan waardoor het vermoeden van onschuld manifest werd geschonden. In tegenstelling tot wat de Raad van State voorhield in het arrest van 10 mei 2022 betreffende de tweede verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker, verscheen er volgens verzoeker ook naar aanleiding van die beslissing “een zeer kwalijk artikel in Het Laatste Nieuws”. En in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing poneert, is het allerminst zo dat de berichtgeving in de pers “nagenoeg is stilgevallen”. De aanhoudende voorlopige schorsing maakt nog steeds het voorwerp uit “van niet-aflatende ronkende berichtgeving in de pers.” Volgens verzoeker is de foute informatie in de pers wel degelijk (minstens deels) te wijten aan de verwerende partij, wat blijkt uit de timing en de inhoud van de persartikels, in tegenstelling tot wat de Raad van State voorhield in het arrest van 20 januari 2023 betreffende de vierde verlenging van de voorlopige schorsing van verzoeker. Dit werd volgens verzoeker recent ook bevestigd door de ex-voorzitter van het politiecollege H.D.W. en door P.F., korpschef van een andere politiezone. Minstens is de totale eenzijdigheid van de berichtgeving te wijten aan het politiecollege, dat de lasterlijke communicatie over zijn beslissingen niet nuanceerde of rechtzette. Ten allerminste is de desastreuze persaandacht volgens verzoeker het gevolg van de beslissingen die het politiecollege heeft genomen zonder enige vorm van eigen onderzoek. Deze vernietigende ruchtbaarheid in de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.550 XIV-39.312-6/12 pers is volgens verzoeker een bijzondere omstandigheid die neerkomt op “een moeilijk te herstellen nadeel dat de spoedeisendheid van de vordering tot schorsing verantwoordt”. De reputatieschade en uitholling van het moreel gezag van verzoeker die hierdoor worden veroorzaakt, zouden kunnen worden hersteld indien de bestreden beslissing wordt geschorst. Die schorsing zou immers ook in de pers verschijnen en de reputatieschade kunnen herstellen, met name door de buitenwereld van de onterechte indruk te ontdoen dat het politiecollege rechtmatig en op basis van een eigen onderzoek heeft besloten dat er voldoende bezwaren bestaan ten aanzien van verzoeker. “Ten overvloede” merkt verzoeker op dat zijn moreel gezag hic et nunc op onherstelbare wijze is uitgehold door de verlenging van de voorlopige schorsing en de enorme persaandacht; als hoogste in rang kan men niet functioneren tenzij men de hoogst mogelijke mate van autoriteit, moreel gezag en vertrouwen geniet. Dit moreel gezag kan men niet terugwinnen door een juridische beslissing jaren na datum. Verder verwijst verzoeker naar rechtspraak om zijn argumentatie te ondersteunen. Ten slotte werpt verzoeker op dat het herstellend effect van een uiteindelijk vernietigingsarrest niet van aard zal zijn voldoende genoegdoening te verschaffen, daar de schadelijke gevolgen voor zijn mentaal welzijn en reputatie tegen de einduitspraak in grote mate onomkeerbaar zullen zijn. Beoordeling
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
- Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te XIV-39.312-7/12 brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Tot slot moet een schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing ook een nuttig effect hebben. Ze dient verzoeker te behoeden van de gevreesde schade.
- De thans bestreden beslissing is na de beslissingen van 22 september 2021, 24 januari 2022, 24 mei 2022, 23 september 2022, 24 januari 2023 en 25 mei 2023 de zevende beslissing op rij waarmee de aanvankelijk met een beslissing van 25 mei 2021 opgelegde voorlopige schorsing voor een duur van vier maanden zonder inhouding van wedde wordt verlengd voor dezelfde duur. Het gaat dus om de achtste beslissing waarmee deze ordemaatregel wordt opgelegd. XIV-39.312-8/12 De initiële beslissing van 25 mei 2021 heeft verzoeker niet aangevochten en de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de eerste en de tweede verlenging zijn verworpen door de Raad van State bij respectievelijk de arresten nr. 252.734 van 21 januari 2022 en nr. 253.706 van 10 mei
- Inzake de derde verlenging heeft de Raad van State, bij gebrek aan (tijdige) betaling van het rolrecht, geoordeeld dat de vordering tot schorsing als niet verricht moest worden beschouwd. Tot slot werden de aangevoerde redenen voor de spoedeisende behandeling van de vierde, de vijfde en de zesde verlenging verworpen door de Raad van State bij respectievelijk arrest nr. 255.544 van 20 januari 2023, arrest nr. 257.380 van 20 september 2023 en arrest nr. 257.600 van 11 oktober
- De thans aangevoerde redenen ter adstructie van de spoedeisendheid zijn haast identiek aan degene die werden aangevoerd bij de vierde, de vijfde en de zesde verlenging en waren dus reeds aanwezig op dat ogenblik. Zoals hiervoor is vastgesteld, zijn die onderzocht en verworpen in de arresten nr. 255.544 van 20 januari 2023, nr. 257.380 van 20 september 2023 en nr. 257.600 van 11 oktober
- Het voorgaande impliceert dat verzoeker inzichtelijk moet maken waarom de zaak thans voor hem spoedeisend is, terwijl zulks voorheen blijkbaar – na verwerping door de Raad van State in de laatstgenoemde arresten omwille van dezelfde redenen – niet was. Verzoeker doet dit niet. Verzoeker beperkt zich in de vordering tot schorsing tegen de zevende verlenging van de voorlopige schorsing tot het haast letterlijk hernemen van de uiteenzetting waarvan in het arrest nr. 257.600 van 11 oktober 2023 werd geoordeeld dat verzoeker er niet mee aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Verzoeker beperkt zich thans immers, wat de uiteenzetting van de spoedeisendheid betreft, tot enkele tekstuele aanpassingen, zoals het gegeven dat hij intussen geen twee jaar maar twee en een half jaar voorlopig geschorst is, en schrapt verder het argument dat hij al bijna twee jaar wacht op een terechtzitting in het kader van zijn annulatieberoep tegen de eerste verlenging van de voorlopige schorsing. Waar verzoeker, gelet op de eerdere verwerping van zijn argumentatie waarom er sprake zou zijn van spoedeisendheid, wist of moest weten dat die argumenten niet overtuigen, verzuimt hij evenwel nieuwe of andere gegevens aan te brengen die aannemelijk kunnen maken dat diezelfde redenen tot spoedeisende behandeling, thans wel het spoedeisend karakter van de vordering rechtvaardigen. XIV-39.312-9/12
- Uit wat voorafgaat volgt dat, daargelaten de vraag welk belang verzoeker nog heeft bij een schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing die thans reeds volledige uitwerking heeft gehad en die blijkens de verklaring van de verwerende partij ter terechtzitting onderwijl met een nieuwe beslissing is verlengd, verzoeker niet overtuigt dat het aangevoerde nadeel veroorzaakt door de zevende tijdelijke verlenging van de voorlopige schorsing, van die aard is dat het inhoudt dat hij daardoor niet de procedure ten gronde kan afwachten.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat verzoeker niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. VII. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VIII. Geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep
- De verwerende partij voert in de nota onder meer aan dat de vordering tot schorsing een kennelijk onrechtmatig beroep in de zin van artikel 37 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State “lijkt te zijn” en nodigt de Raad van State uit te beoordelen of de voorliggende vordering tot schorsing een dergelijk kennelijk onrechtmatig beroep is. De verwerende partij zet uiteen dat de vaststaande rechtspraak van de Raad van State noch de eerdere arresten specifiek in de zaak van verzoeker tot enige reflectie hebben geleid bij verzoeker over het instellen van vorderingen tot schorsing en dat verzoeker die arresten volkomen negeert. De verwerende partij acht het niet ernstig dat telkenmale dezelfde argumentatie die reeds herhaaldelijk door de Raad van State is afgewezen gewoon wordt herhaald zonder enige poging te ondernemen om de Raad van State ervan te overtuigen het alsnog anders te zien. XIV-39.312-10/12 Beoordeling
- Artikel 37, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Als, na inzage van het verslag of het aanvullend verslag van de auditeur, de Raad van State vindt dat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep verantwoord kan zijn, bepaalt het arrest daartoe een hoorzitting op een nabije datum.”. De geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep kan enkel aan een verzoeker worden opgelegd wanneer de Raad van State vaststelt dat het beroep te kwader trouw wordt ingesteld of met een oogmerk om te schaden of te misleiden of voortvloeit uit laakbare praktijken, die rechtstreeks aan verzoeker zelf zijn toe te schrijven of dat het beroep niet wordt ingesteld om het doel te verkrijgen dat de wet toestaat dat het verschaft (GwH 12 juli 2012, nr. 88/2012, punt B.22.3, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.88). Omdat een geldboete wegens kennelijk onrechtmatig beroep een beperking van het fundamentele recht op toegang tot een rechter kan vormen, dient dat begrip aldus restrictief te worden geïnterpreteerd.
- Het kan verzoeker niet ten kwade worden geduid dat hij zich verweert tegen een beslissing waarbij hem een ordemaatregel wordt opgelegd, met de juridische middelen die hem ter beschikking staan. De omstandigheid dat hij daarbij ter staving van de door hem aangevoerde spoedeisendheid argumenten blijft opwerpen waarover de Raad van State reeds uitspraak heeft gedaan, vormt hic et nunc geen bewijs van een kennelijk onrechtmatig beroep.
- Er is derhalve geen reden tot toepassing van artikel 37, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. XIV-39.312-11/12 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Ann Coolsaet, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Ann Coolsaet XIV-39.312-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.550 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div