id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.555 Rolnummer: A. 237925/IX-10400 Zaak: Arrest 259555 - Wapens – exportvergunningen - 19/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 112 - laatst gezien 2026-06-08 12:30 Fiche Arrest nr 259.555 van 19 april 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.555 no lien 276803 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.555 van 19 april 2024 in de zaak A. 237.925/IX-10.400 In zake : B.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Nauwelaerts kantoor houdend te 2018 Antwerpen Desguinlei 214 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 15 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 10 oktober 2022 inzake het beroep van BJ tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 1 juli
- II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.400-1/17 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erik Nauwelaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is als jager in het bezit van verschillende vuurwapens. 3.
- Op 12 november 2020 vraagt de lokale politie aan de provinciale wapendienst om verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in te trekken omdat bij een huiszoeking overtredingen op de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) zijn vastgesteld. IX-10.400-2/17 3.
- De procureur des Konings geeft op 10 mei 2021 een ongunstig advies over het wapenbezit in hoofde van verzoeker. 3.
- Op 1 juli 2021 trekt de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht tot het voorhanden houden van de in de beslissing opgesomde vuurwapens in. Verzoeker stelt op 5 augustus 2021 een beroep in tegen die beslissing. 3.
- De procureur des Konings meldt op 11 augustus 2021 dat hij zijn negatief advies handhaaft. 3.
- De lokale politie geeft op 1 oktober 2021 een ongunstig advies waarvan het besluit letterlijk luidt: “Zoals in eerdere verslagen overgemaakt aan de instanties van de gouverneur en parket Hasselt handhaven wij tot op heden ons besluit ‘ongunstig’ op basis van de huidige elementen / vaststellingen. Door het voorhanden hebben van illegale wapens, munitie, verboden munitie, illegale vergunningsplichtige onderdelen en het niet in acht nemen van de te nemen veiligheidsmaatregelen bij het opslaan van wapens / munitie toont [verzoeker] aan, niettegenstaande vroegere inbreuken, de wapenwet niet te respecteren en te blijven volharden door het plegen van inbreuken. Wat vooral bezwarend is het zijn illegaal wapenbezit ten belopen van vier geweren door [verzoeker]. Bij het verhoor van [verzoeker] wil hij laten uitschijnen dat hij de illegale wapens op een later tijdstip aan [de] referentieambtenaar […] zou hebben overhandigd om zich in regel te stellen!!!! Dit is echter zeer ongeloofwaardig gelet op het feit dat hij de wapens 20-25 jaar in zijn bezit heeft, [hij] intussen overeenkomstig de gegevens rijksregister altijd in Lommel heeft gewoond en sinds zijn 18 jarige leeftijd in de gemeente Lommel heeft gewoond op zes verschillende adressen waarbij men niet anders kan besluiten dat de illegale wapens deze adreswijzigingen ook steeds hebben dienen te ondergaan zoals nu naar het adres […] waar ze werden inbeslag genomen. [Verzoeker] heeft verzuimd om gebruik te maken van de verschillende regularisatie periodes om zijn illegaal wapenbezit na het in voege treden van de wapenwet 08/06/2006 te melden. [Hij] regulariseerde zich dd.26/10/2007 wel met zijn toenmalige op ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.555 IX-10.400-3/17 zijn naam geregistreerde vergunningsplichtige wapens, gewoon omdat hij niet anders kon zo blijkt nu uit het onderzoek. Nooit repte [hij] een woord over het illegale bezit bij de meerdere uitgevoerde controles van de genomen veiligheidsmaatregelen op zijn woonplaats door [de] referentieambtenaar dienst wapens […] te PZ Lommel. Zonder de familie te stigmatiseren [blijkt hij] een eigen interpretatie er op na te houden op welke wijze de wapenwet dient te worden nageleefd. Ons oordeel is dat de onderzoeken, de onweerlegbare inbreuken op de wapenwetgeving, een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Voorgaande feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter / jager wordt ondermijnd.” 3.
- Op 18 november 2021 stelt de procureur des Konings aan verzoeker voor om voor het voorhanden hebben van verboden wapens en het onwettig voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens, munitie en laders voor vergunningsplichtige vuurwapens een minnelijke schikking te betalen van 4000 euro waardoor de strafvordering zal vervallen. Verzoeker gaat op 29 november 2021 op dit voorstel in. 3.
- Op 10 oktober 2022 verwerpt de minister van Justitie het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering letterlijk luidt: “Het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens zonder vergunning, alsook munitie die niet hoort bij de wapens die wel vergund waren, zijn inbreuken op de wapenwet. Het maakt daarvoor niet uit of de vuurwapens effectief bruikbaar zijn of niet, of ze een sentimentele waarde hebben of niet. Daarnaast werd tijdens de huiszoeking ook een inbreuk vastgesteld op de wapenwetgeving, zijnde het illegaal bezit van een verboden wapen, namelijk een stroomstootwapen. Artikel 3, § 1, 9° van de wapenwet bepaalt dat draagbare tuigen waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht – met uitzondering van medische of dierengeneeskundige hulpmiddelen – beschouwd worden als verboden wapens. In artikel 8 van de wapenwet wordt voorts bepaald dat niemand verboden wapens mag vervaardigen, herstellen, te koop stellen, verkopen, overdragen of vervoeren, opslaan, voorhanden hebben of dragen. Dit betekent dan ook dat het louter bezit van een stroomstootwapen reeds strafbaar is. Het bezit ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.555 IX-10.400-4/17 van een stroomstootwapen in uw hoofde werd objectief vastgesteld en bovendien door uzelf ook toegegeven. Er kan dan ook besloten worden dat u hierdoor inbreuken heeft gepleegd op de wapenwetgeving. Ingevolge de wetswijzing van 7 januari 2018 dienen aanvragen van personen die zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan vijfhonderd euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, onontvankelijk verklaard worden. Inbreuken op de wapenwetgeving betreffen misdrijven die zijn opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, a) en d/ 1) van de wapenwet. Het feit dat dergelijke veroordelingen werden opgenomen in artikel 5, § 4 van de wapenwet onderstreept bijgevolg het belang dat hieraan moet worden gehecht, en toont de zwaarwichtigheid aan van dergelijke inbreuken in het kader van de wapenwet en dus ook voor het voorhanden hebben van vuurwapens. Het louter feit dat u voor deze inbreuken niet werd vervolgd, betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Ook de Raad van State in zijn arrest nr. 193 442 d.d. 19 mei 2009 uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. In iemand die de wapenwetgeving niet respecteert kan bezwaarlijk het vertrouwen gesteld worden om het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens toe te staan. Van een wapenbezitter mag worden verwacht dat hij alle regels inzake wapenbezit met de nodige nauwgezetheid en het nodige respect naleeft, inclusief de administratieve verplichtingen. De wapenwetgeving is immers in de eerste plaats gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het niet strikt naleven van deze regelgeving kan dan ook desastreuze gevolgen hebben en zeer zeker een gevaar inhouden voor die openbare orde en veiligheid. Het is best mogelijk dat u uw administratieve verplichtingen niet heeft nageleefd uit vergetelheid, slordigheid of nalatigheid. Het is echter de verantwoordelijkheid van de wapenbezitter zelf om zich ervan te vergewissen dat hij ten allen tijde de wapenwetgeving respecteert. Onzorgvuldigheid op dit vlak is onaanvaardbaar. De vergunnings- en registratieplicht is niet een louter administratieve verplichting. Het is ook van belang met het oog op de ordehandhaving dat de overheid – en in het bijzonder politiediensten – perfect weten welke wapens zich op een adres bevinden. Indien een administratieve inbeslagname zich opdringt – bijvoorbeeld in het kader van een conflictsituatie of een dreigend gevaar – dienen zij zich ervan te vergewissen dat ook alle wapens in beslag worden genomen. Dit kan enkel wanneer zij beschikken over correcte en volledige informatie. Wanneer in dergelijke omstandigheden niet alle vuurwapens worden meegenomen kunnen er zich alsnog incidenten of ongelukken voordoen met vuurwapens. Met andere woorden, de vergunnings- en IX-10.400-5/17 registratieverplichting betreft eveneens een instrument om de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Wanneer men niet voldoet aan deze verplichting kan die openbare orde en veiligheid in het gedrang komen. Op grond van al deze elementen is het niet onredelijk om te besluiten dat een preventieve maatregel inzake uw wapenbezit aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De overheid kan u geen vuurwapens meer toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang. De gouverneur besliste dan ook terecht tot het nemen van een preventieve maatregel ter bescherming van de openbare orde.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij werpt op dat het bij het opstellen van de memorie van antwoord niet duidelijk was wanneer verzoeker de bestreden beslissing heeft ontvangen en wanneer de termijn van zestig dagen om het vernietigingsberoep in te stellen, is aangevangen. Zij besluit dat het verzoekschrift op het eerste gezicht laattijdig lijkt te zijn ingediend. Beoordeling
- De verwerende partij mocht in het auditoraatsverslag lezen dat het beroep tijdig is ingesteld. Nu zij geen laatste memorie heeft ingediend om dat standpunt nog te weerspreken, mag worden aangenomen dat zij de ontvankelijk- heid van het beroep niet langer betwist. Er is ook geen reden om dat ambtshalve te doen. V. Onderzoek van de middelen A. Vooraf IX-10.400-6/17
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheids- en het proportionaliteitsbeginsel. De vraag of de voornoemde beginselen zijn miskend, is pas aan de orde wanneer vaststaat dat de bestreden beslissing op deugdelijke motieven steunt en op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, wat het voorwerp uitmaakt van het tweede middel. Om die reden wordt hierna eerst het tweede middel onderzocht. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële- motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (formele- motiveringswet) doordat de bestreden beslissing is genomen op grond van een bedenkelijk en onvolledig dossier en met verwijzing naar grove onwaarheden, minstens feiten die niet deugdelijk, zorgvuldig en genoegzaam zijn onderzocht en vastgesteld en doordat in de bestreden beslissing onzorgvuldige, onduidelijke en vage bewoordingen worden gebruikt zodat van een afdoende motivering geen sprake kan zijn. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat het beperken, schorsen of intrekken van het recht om vuurwapens voorhanden te hebben enkel mag steunen op concrete, werkelijk bestaande en dus bewezen feiten. Loutere vermoedens en veronderstellingen kunnen niet in aanmerking worden genomen. In de bestreden beslissing wordt echter een vermoeden van de hoofdinspecteur van de lokale politie overgenomen en als grondslag voor de beslissing gebruikt. Er wordt immers overwogen “dat de onderzoeken, de onweerlegbare inbreuken op de wapenwetgeving, een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid”. Verzoeker vraagt zich af aan welke onderzoeken er wordt gerefereerd en hij merkt ook op dat de meegedeelde adviezen niet volledig IX-10.400-7/17 zijn. Bovendien moet rekening worden gehouden met de feiten en niet met de veronderstellingen van een agent.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing is genomen op grond van veronderstellingen in plaats van bewezen feiten. De motivering van de bestreden beslissing is derhalve onjuist en niet afdoende. Aangezien de bestreden beslissing is genomen op grond van veronderstellingen in plaats van bewezen feiten en zonder kennis te nemen van het strafdossier is ook het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
- In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat er geen discussie is over het feit dat hij een minnelijke schikking heeft betaald. Dit houdt evenwel geen erkenning van schuld in en werkt niet interdicerend volgens de wapenwet. Er moet nog altijd concreet worden gemotiveerd waarom hij een gevaar oplevert voor de openbare orde en veiligheid, hetgeen niet is gebeurd. Bovendien heeft de substituut-procureur des Konings de in beslag genomen vergunde wapens van verzoeker vrijgegeven en zijn deze in afwachting van huidige procedure bij een erkend wapenhandelaar in bewaring gegeven. Beoordeling
- Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt om welke redenen verzoeker het wapenbezit wordt ontzegd: verzoeker was in het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens zonder daarvoor over een vergunning te beschikken, hij was in het bezit van munitie die niet hoort bij zijn wapens die wel zijn vergund en hij was in het bezit van een verboden stroomstootwapen. Op grond van die elementen komt de verwerende partij tot het besluit dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit raadzaam is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid en dat verzoeker geen vuurwapens meer kunnen worden toevertrouwd omdat in hem niet het vertrouwen kan worden gesteld dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Daarmee heeft de verwerende partij voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht. IX-10.400-8/17
- Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
- Volgens verzoeker steunt de bestreden beslissing enkel op vermoedens en veronderstellingen. Hij leidt dit af uit de overweging in de bestreden beslissing dat “de onderzoeken, de onweerlegbare inbreuken op de wapenwetgeving, een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid”. Daarmee bedoelt de verwerende partij evenwel niet dat er IX-10.400-9/17 louter vermoedens aan de grondslag liggen van de bestreden beslissing, maar wel dat uit de vaststaande feiten waarop de bestreden beslissing steunt, blijkt dat er een vermoeden bestaat dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een gevaar kan opleveren voor de openbare orde en veiligheid. Een dergelijk vermoeden volstaat om verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in te trekken. Er is niet vereist dat de openbare orde daadwerkelijk wordt verstoord. Het bestaan van feiten en gedragingen die doen vrezen dat het voorhanden hebben van vuurwapens de openbare orde kan verstoren en die genoegzaam vaststaan, is voldoende. Wat nu de feiten betreft die de verwerende partij doen besluiten dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren, kan worden vastgesteld dat verzoeker in het kader van huidig beroep geen van de drie elementen waarop de bestreden beslissing steunt – het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens zonder daarvoor over een vergunning te beschikken, het bezit van munitie die niet hoort bij de vergunde wapens en het bezit van een verboden stroomstootwapen – in zijn verzoekschrift concreet betwist. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat uit het dossier blijkt dat verzoeker zelf heeft erkend dat hij vier illegale wapens onder zijn keldertrap had liggen, dat hij op geen enkel moment heeft betwist dat hij munitie voorhanden had die niet hoort bij zijn vergunde wapens en dat hij een verboden stroomstootwapen bezit. Verzoeker toont dan ook niet aan dat die motieven ondeugdelijk zijn of niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld.
- Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing is genomen zonder kennis te nemen van het strafdossier, moet worden opgemerkt dat hij die argumentatie reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is deze kritiek laattijdig en dus onontvankelijk. IX-10.400-10/17
- Verzoeker toont de onwettigheid van de motieven waarop de bestreden beslissing steunt niet aan. Die inbreuken op de wapenwetgeving laten de verwerende partij toe om binnen de perken van de redelijkheid tot het oordeel te komen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteits- beginsel doordat niet wordt aangetoond dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een risico voor de verstoring van de openbare orde zou opleveren, de in de bestreden beslissing vermelde motieven in redelijkheid geen preventieve maatregel kunnen verantwoorden en de bestreden beslissing niet in redelijk en proportioneel verband tot de aangehaalde vermeende feiten en motieven staat. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat omwille van onzorgvuldigheid zijn algehele moraliteit onderuit wordt gehaald terwijl er nergens afdoende wordt gemotiveerd dat er een concreet en actueel gevaar is voor de openbare orde. Hij oefent zijn hobby – jagen en sportschieten – uit zonder het minste probleem en hij wordt nu voor onbepaalde duur op de strafbank gezet omdat hij een gevaar zou zijn voor de samenleving, terwijl hij buiten vervolging is gesteld. Om hem te diaboliseren worden in het advies van de lokale politie oude koeien uit de sloot gehaald, die voordien nooit tot een beperking van het vuurwapenbezit van verzoeker hebben geleid. De opgelegde maatregel is dan ook buiten proportie. De intrekking steunt op een achterhaald advies, zonder indicaties dat verzoeker zich in een negatieve spiraal bevindt. Er zijn geen relevante en actuele elementen voorhanden die wijzen op een potentieel gevaar IX-10.400-11/17 voor de openbare orde. De onredelijke en buitenproportionele maatregel wordt niet afdoende gemotiveerd. Er wordt totaal geen rekening gehouden met de volgende positieve indicaties: verzoeker is een normale, aimabele, stabiele en vertrouwenswaardige persoon, met zijn hobby doet hij vrijwillig aan publiek dienstbetoon door zich op instructie van de politie te ontfermen over het valwild in de regio, hij is nog nooit genoemd in een dossier inzake geweld, overlast, drugs, enzovoort, hij was steeds meewerkend en van goede wil en hij had geen enkele intentie om zich te onttrekken aan zijn verantwoordelijkheden en heeft zeker nooit slechte bedoelingen gehad met vuurwapens. Er zijn derhalve meerdere belangrijke elementen voorhanden die aantonen dat verzoeker beschikt over een goede mentaliteit en moraliteit, een goed zelfinzicht en gevoel voor verantwoordelijkheid.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat in de bestreden beslissing wordt uitgegaan van foutieve veronderstellingen en hypotheses. Het is volgens verzoeker onredelijk om op grond van wat er aan bewezen feiten overblijft, te besluiten dat zijn vuurwapenbezit een concreet en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Verzoeker benadrukt dat hij nooit slechte bedoelingen heeft gehad met de illegale geweren die bij hem zijn aangetroffen en al evenmin met zijn legale vuurwapens. Het is onredelijk en disproportioneel om hem omwille van onzorgvuldigheid het vuurwapenbezit te ontzeggen aangezien zo wordt voorbijgegaan aan de op de verwerende partij rustende bewijslast van een concreet en actueel gevaar voor de openbare orde.
- In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat het onredelijk is om op grond van hetgeen aan bewezen feiten overblijft, te besluiten dat zijn vuurwapenbezit een gevaar voor de openbare orde uitmaakt. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid zeer willekeurig uitgeoefend zonder één concreet aanknopingspunt waarom hij een gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid. Beoordeling IX-10.400-12/17
- Uit de beoordeling van het tweede middel is gebleken dat verzoeker niet aantoont dat de motieven op grond waarvan de verwerende partij besluit dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een risico inhoudt voor de openbare orde en verzoeker vervolgens het vuurwapenbezit ontzegt, ondeugdelijk zijn. Eveneens is vastgesteld dat de vaststaande inbreuken op de wapenwet de verwerende partij toelaten om binnen de perken van de redelijkheid tot het besluit te komen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt.
- Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskent.
- Gelet op ernst van de vaststaande feiten – het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens zonder vergunning, het bezit van munitie die niet hoort bij de vergunde wapens en het bezit van een verboden stroomstootwapen – treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoeker IX-10.400-13/17 het vuurwapenbezit moet worden ontzegd. De door verzoeker aangehaalde verzachtende omstandigheden – het feit dat hij naar eigen zeggen bij de uitoefening van zijn hobby probleemloos vuurwapens hanteert, buiten vervolging is gesteld door de raadkamer, een stabiele persoonlijkheid heeft, aan publiek dienstbetoon doet, nog nooit is genoemd in een dossier inzake geweld, overlast, drugs, enzovoort, steeds heeft meegewerkt en van goede wil is, geen enkele intentie had om zich te onttrekken aan zijn verantwoordelijkheden en nooit slechte bedoelingen heeft gehad met zijn vuurwapens – doen aan die conclusie geen afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen.
- Het eerste middel is ongegrond. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij ervan overtuigd was dat de hem ten laste gelegde feiten “verticaal geklasseerd” waren door de minnelijke schikking en geen effect meer hadden op zijn wapenbezit. Op 2 november 2021 heeft de substituut-procureur des Konings hem meegedeeld dat het gerechtelijk beslag op zijn vuurwapens is opgeheven en dat er voor de illegale wapens en munitie een minnelijke schikking van 4000 euro zou worden voorgesteld. Op 18 november 2021 is de minnelijke schikking voorgesteld en op 29 november 2021 heeft verzoeker betaald. Er is dan ook geen concreet en actueel gevaar meer voor de openbare orde en veiligheid. De finaliteit van de wapenwet bestaat er niet in om te bestraffen. Nu alsnog een bestraffing opleggen kan niet afdoende IX-10.400-14/17 worden gemotiveerd en schendt het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het onredelijk is om op grond van de bewezen feiten te beslissen dat hij een concreet en actueel gevaar uitmaakt en dat een preventieve maatregel zou nodig zijn.
- In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat de bestreden beslissing een bestraffing inhoudt en geen preventieve maatregel. Beoordeling
- Hiervóór is reeds vastgesteld dat de feiten waarop de verwerende partij de bestreden beslissing steunt, vaststaan en dat de verwerende partij tot het besluit mocht komen dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren. Eveneens is reeds vastgesteld dat de verwerende partij zonder schending van het redelijkheidsbeginsel tot het oordeel mocht komen dat, gelet op de vaststaande feiten, verzoeker het vuurwapenbezit moet worden ontzegd. Dat ondertussen het gerechtelijk beslag op verzoekers vergunde vuurwapens is opgeheven, vermag geen afbreuk te doen aan die conclusie.
- Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen.
- Verzoeker beweert niet, noch toont hij aan dat de verwerende partij ooit concrete toezeggingen heeft gedaan dat het betalen van een minnelijke IX-10.400-15/17 schikking zou impliceren dat hem geen preventieve maatregel kan worden opgelegd. Verzoeker wijst evenmin enige vaste gedragslijn of beleidsregel aan die de verwerende partij volgt of toepast bij het betalen van een minnelijke schikking en die in zijn geval niet is nageleefd is. Hoe dan ook doet de omstandigheid dat de strafvordering is vervallen door het betalen van een minnelijk schikking, geen afbreuk aan het bestaan van de feiten. De verwerende partij miskent het vertrouwensbeginsel niet door op grond van de vaststaande feiten verzoeker het wapenbezit te ontzeggen, ook al is de strafvordering vervallen. De overtuiging van verzoeker dat door het betalen van een minnelijke schikking de feiten waarop de verwerende partij de bestreden beslissing steunt niet langer dienstig zouden zijn, kan de bestreden beslissing niet vitiëren. Daarbij mag ook niet uit het oog worden verloren dat – anders dan hoe verzoeker het ziet – de bestreden beslissing niet beoogt te bestraffen maar wel een preventief en beveiligend oogmerk heeft.
- Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: IX-10.400-16/17 Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Van Haegendoren IX-10.400-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.555 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div