← België

Arrest 259556 - Wapens – exportvergunningen - 19/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.556 Rolnummer: A. 237923/IX-10399 Zaak: Arrest 259556 - Wapens – exportvergunningen - 19/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-19 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-06-08 12:30 Fiche Arrest nr 259.556 van 19 april 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens – exportvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.556 no lien 276804 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 259.556 van 19 april 2024 in de zaak A. 237.923/IX-10.399 In zake : J.J. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Nauwelaerts kantoor houdend te 2018 Antwerpen Desguinlei 214 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Boomstraat 14, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 december 2022, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Justitie van 10 oktober 2022 inzake het beroep van JJ tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Limburg van 1 juli
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-10.399-1/17 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 maart
  4. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Erik Nauwelaerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is als jager in het bezit van verschillende vuurwapens. 3.
  7. Op 12 november 2020 vraagt de lokale politie aan de provinciale wapendienst om verzoekers recht om vuurwapens voorhanden te hebben in te trekken omdat bij een huiszoeking overtredingen op de wet van 8 juni 2006 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (“wapenwet”) zijn vastgesteld. IX-10.399-2/17 3.
  8. De procureur des Konings geeft op 6 mei 2021 een ongunstig advies over het wapenbezit in hoofde van verzoeker met verwijzing naar het feit dat verzoeker het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek inzake inbreuken op de wapenwet. 3.
  9. Op 4 juni 2021 beslist de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt, in het kader van de regeling van de rechtspleging inzake het voornoemd gerechtelijk onderzoek dat verzoeker buiten vervolging wordt gesteld. 3.
  10. Op 1 juli 2021 trekt de gouverneur van de provincie Limburg verzoekers recht tot het voorhanden houden van de in de beslissing opgesomde vuurwapens in. Verzoeker stelt op 5 augustus 2021 een beroep in tegen die beslissing. 3.
  11. De procureur des Konings meldt op 11 augustus 2021 dat hij zijn negatief advies handhaaft. 3.
  12. De lokale politie geeft op 29 september 2021 een ongunstig advies waarvan het besluit luidt: “Zoals in eerdere verslagen overgemaakt aan de instanties van de gouverneur en parket Hasselt handhaven wij tot op heden ons besluit ‘ongunstig’ op basis van de huidige elementen/vaststellingen. Door het voorhanden hebben van illegale wapens, munitie, verboden munitie, illegale vergunningsplichtige onderdelen en het niet in acht nemen van de te nemen veiligheidsmaatregelen bij het opslaan van wapens / munitie toont [verzoeker] aan, niettegenstaande vroegere inbreuken, de wapenwet niet te respecteren en te blijven volharden door het plegen van inbreuken. Zonder de familie te stigmatiseren [blijkt hij] een eigen interpretatie te hebben over de toe te passen regels betreffende munitie en wapenbezit. Ons oordeel is dat de onderzoeken, de onweerlegbare inbreuken op de IX-10.399-3/17 wapenwetgeving, een vermoeden creëert van potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid. Voorgaande feiten maken dat het noodzakelijk vertrouwen dat moet gesteld kunnen worden in hoofde van een wapenbezitter/jager wordt ondermijnd.” 3.
  13. Op 10 oktober 2022 verwerpt de minister van Justitie het beroep van verzoeker. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motivering letterlijk luidt: “Uit het dossier blijkt dat u in het bezit was van vergunningsplichtige vuurwapens, alsook munitie waarvoor u geen geldige bezitstitel had. Daarnaast werden bij de huiszoeking inbreuken op de veiligheidsmaatregelen vastgesteld. Uit een onderzoek naar uw antecedenten door de lokale politie blijkt ook dat in 2009 uw administratieve verplichtingen niet nakwam bij overdracht van een van uw wapens en u er reeds in 2013 twee vergunningsplichtige wapens werd in beslag genomen omdat u die illegaal voorhanden hield. In artikel 35, 1° van de wapenwet wordt bepaald dat de Koning de veiligheidsvoorwaarden bepaalt waaraan het opslaan, het vervoeren, het voorhanden hebben en het verzamelen van wapens zijn onderworpen. Voor de praktische uitvoering van deze bepaling kan verwezen worden naar het koninklijk besluit van 24 april 1997 tot bepaling van de veiligheidsvoorwaarden bij het opslaan, het voorhanden hebben, het vervoer en het verzamelen van vuurwapens, munitie of laders. De naleving van deze veiligheidsvoorschriften is immers voornamelijk gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid en moet vermijden dat onbevoegden (zoals bijvoorbeeld inbrekers, criminelen, kinderen,...) eenvoudig toegang krijgen tot een vuurwapen. Met andere woorden de niet naleving van de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van vuurwapens kan zeer zeker de openbare orde en veiligheid in het gedrang brengen. Daarnaast is het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens zonder vergunning, alsook munitie die niet hoort bij de wapens die wel vergund waren, zijn inbreuken op de wapenwet. Ingevolge de wetswijzing van 7 januari 2018 dienen aanvragen van personen die zijn veroordeeld tot een correctionele geldboete van meer dan vijfhonderd euro, een correctionele hoofdstraf onder elektronisch toezicht of een correctionele hoofdgevangenisstraf of een criminele straf wegens één van de misdrijven bedoeld in artikel 5, § 4, 2°, onontvankelijk verklaard worden. Inbreuken op de wapenwetgeving betreffen misdrijven die zijn opgenomen in artikel 5, § 4, 2°, a) en d/ 1) van de wapenwet. Het feit dat dergelijke veroordelingen werden opgenomen in artikel 5, § 4 van de wapenwet onderstreept bijgevolg het belang dat hieraan moet worden gehecht, en toont de zwaarwichtigheid aan van dergelijke inbreuken in het kader van de wapenwet en dus ook voor het voorhanden hebben van vuurwapens ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.556 IX-10.399-4/17 Het louter feit dat u voor deze inbreuken niet werd vervolgd, betekent nog niet dat de feiten als dusdanig niet weerhouden kunnen worden om aan te tonen dat uw gedrag een gevaar voor de openbare orde en veiligheid kan inhouden. Ook de Raad van State in zijn arrest nr. 193 442 d.d. 19 mei 2009 uitdrukkelijk bepaald dat een bestuur bij de beoordeling van het gevaar dat iemands wapenbezit voor de openbare orde en veiligheid kan opleveren, ook rekening gehouden mag worden met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. In iemand die de wapenwetgeving niet respecteert kan bezwaarlijk het vertrouwen gesteld worden om het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens toe te staan. Van een wapenbezitter mag worden verwacht dat hij alle regels inzake wapenbezit met de nodige nauwgezetheid en het nodige respect naleeft, inclusief de administratieve verplichtingen. De wapenwetgeving is immers in de eerste plaats gericht op de vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. Het niet strikt naleven van deze regelgeving kan dan ook desastreuze gevolgen hebben en zeer zeker een gevaar inhouden voor die openbare orde en veiligheid. Het is best mogelijk dat u uw administratieve verplichtingen niet heeft nageleefd uit vergetelheid, slordigheid of nalatigheid. Het is echter de verantwoordelijkheid van de wapenbezitter zelf om zich ervan te vergewissen dat hij ten allen tijde de wapenwetgeving respecteert. Onzorgvuldigheid op dit vlak is onaanvaardbaar. De vergunnings- en registratieplicht is niet een louter administratieve verplichting. Het is ook van belang met het oog op de ordehandhaving dat de overheid – en in het bijzonder politiediensten – perfect weten welke wapens zich op een adres bevinden. Indien een administratieve inbeslagname zich opdringt – bijvoorbeeld in het kader van een conflictsituatie of een dreigend gevaar – dienen zij zich ervan te vergewissen dat ook alle wapens in beslag worden genomen. Dit kan enkel wanneer zij beschikken over correcte en volledige informatie. Wanneer in dergelijke omstandigheden niet alle vuurwapens worden meegenomen kunnen er zich alsnog incidenten of ongelukken voordoen met vuurwapens. Met andere woorden, de vergunnings- en registratieverplichting betreft eveneens een instrument om de openbare orde en veiligheid te vrijwaren. Wanneer men niet voldoet aan deze verplichting kan die openbare orde en veiligheid in het gedrang komen. Op grond van al deze elementen is het niet onredelijk om te besluiten dat een preventieve maatregel inzake uw wapenbezit aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid. De overheid kan u geen vuurwapens meer toevertrouwen omdat ze in u niet het vertrouwen kan stellen dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Het uitoefenen van een hobby kan niet opwegen tegen de bescherming van de maatschappij. Het algemeen belang van de openbare orde is in zulk geval groter dan het individueel belang. De gouverneur besliste dan ook terecht tot het nemen van een preventieve maatregel ter bescherming van de openbare orde.” IX-10.399-5/17 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  14. De verwerende partij werpt op dat het bij het opstellen van de memorie van antwoord niet duidelijk was wanneer verzoeker de bestreden beslissing heeft ontvangen en wanneer de termijn van zestig dagen om het vernietigingsberoep in te stellen, is aangevangen. Zij besluit dat het verzoekschrift op het eerste gezicht laattijdig lijkt te zijn ingediend. Beoordeling
  15. De verwerende partij mocht in het auditoraatsverslag lezen dat het beroep tijdig is ingesteld. Nu zij geen laatste memorie heeft ingediend om dat standpunt nog te weerspreken, mag worden aangenomen dat zij de ontvankelijk- heid van het beroep niet langer betwist. Er is ook geen reden om dat ambtshalve te doen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  16. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële- motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (formelemotiverings- wet) doordat de bestreden beslissing is genomen op grond van een bedenkelijk en onvolledig dossier en met verwijzing naar grove onwaarheden, minstens feiten die niet deugdelijk, zorgvuldig en genoegzaam zijn onderzocht en vastgesteld en doordat in de bestreden beslissing onzorgvuldige, onduidelijke en vage IX-10.399-6/17 bewoordingen worden gebruikt zodat van een afdoende motivering geen sprake kan zijn. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat in de bestreden beslissing “een serieus loopje [wordt] genomen met de waarheid door de buitenvervolgingstelling gewoon te negeren”. Volgens verzoeker staan er flagrante fouten in de formele motivering van de bestreden beslissing. In zoverre wordt overwogen dat “[u]it het dossier blijkt dat u in het bezit was van vergunningsplichtige vuurwapens, alsook munitie waarvoor u geen geldige bezitstitel had” vraagt verzoeker zich af aan welk stuk van het dossier wordt gerefereerd. De enige verwijzing naar het bezit van een vergunningsplichtig vuurwapen zonder vergunning is terug te vinden in het advies van de hoofdinspecteur van de lokale politie van 29 september 2021 die “zijn eigen werkelijkheid voor waarheid neemt”. De hoofdinspecteur stelt dat bij een huiszoeking op 28 november 2020 twee illegale pistolen zijn gevonden, maar laat na om te vermelden dat uit het strafdossier is gebleken dat verzoeker daarmee niets te maken had. Nochtans dateert de redactie van het advies van vier maanden na de buitenvervolgingstelling van verzoeker. Dit belet de hoofdinspecteur niet om alles als feiten te poneren en geen onderscheid te maken tussen wat er is gevonden bij de huiszoeking en aan wie dit moet worden toegedicht. Enig grondig onderzoek naar de context of de aard van de feiten is niet gebeurd. Een tweede verwijzing naar illegaal vuurwapenbezit betreft de vermelding van een lang wapen dat in het bezit was van verzoeker, terwijl uit een uitleendocument blijkt dat hij dit wapen heeft geleend. Er is nooit aangetoond dat het betreffende uitleendocument vals zou zijn. Verzoeker ontkent dan ook met klem enig illegaal vuurwapenbezit. Nochtans wordt dit beweerde illegaal vuurwapenbezit wel in rekening gebracht bij het nemen van de bestreden beslissing.
  17. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat het gerechtelijk onderzoek heeft uitgewezen dat de twee illegale pistolen die bij hem zijn aangetroffen van zijn stiefzoon (en buurman) waren – die toegang had tot verzoekers garage en daar goederen stockeerde – en dat verzoeker niets van die IX-10.399-7/17 pistolen wist. Voorts maakt verzoeker nog gewag van andere “foutieve feitelijkheden en veronderstellingen” waarop de bestreden beslissing steunt en die betrekking hebben op inbreuken op de veiligheidsvoorschriften en het bezit van munitie die niet hoort bij de vergunde wapens.
  18. In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat de bestreden beslissing steunt op “het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens waarvoor verzoeker geen geldige bezitstitel had” terwijl hij absoluut niet in het bezit was van illegale vuurwapens. Beoordeling
  19. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt om welke redenen verzoeker het wapenbezit wordt ontzegd: verzoeker was in het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens zonder daarvoor over een vergunning te beschikken, hij was in het bezit van munitie die niet hoort bij zijn wapens die wel zijn vergund en hij heeft inbreuken gepleegd op de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van vuurwapens en munitie. Op grond van die elementen komt de verwerende partij tot het besluit dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit aangewezen is ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid en dat verzoeker geen vuurwapens meer kunnen worden toevertrouwd omdat in hem niet het vertrouwen kan worden gesteld dat moet kunnen worden gesteld in een wapenbezitter. Daarmee heeft de verwerende partij voldaan aan de op haar rustende formelemotiveringsplicht.
  20. Voorts voert verzoeker in zijn verzoekschrift aan dat de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk is in zoverre wordt overwogen dat hij in het bezit was van vergunningsplichtige wapens waarvoor hij geen vergunning had. Volgens verzoeker zijn hierdoor de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel miskend. IX-10.399-8/17
  21. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in casu in dat de bestreden beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte verantwoorden dat het voorhanden hebben van wapens de openbare orde kan verstoren. De wapenwet bepaalt niet op grond van welke feiten, noch op grond van welke criteria, de mogelijke verstoring van de openbare orde moet worden beoordeeld. De minister van Justitie beschikt over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Het komt aan de Raad van State in het kader van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf te beoordelen of het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan overeenkomstig de voormelde wettelijke bepalingen binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
  22. Wat de deugdelijkheid betreft van het motief dat verzoeker in het bezit was van vergunningsplichtige vuurwapens zonder vergunning kan worden vastgesteld hetgeen volgt. Uit het dossier – inzonderheid het advies van de lokale politie – blijkt dat tijdens een huiszoeking op 28 november 2020 in het kader van een IX-10.399-9/17 gerechtelijk onderzoek naar wapenzwendel in de garage van verzoeker twee illegale pistolen zijn aangetroffen. Op 4 juni 2021 heeft de raadkamer beslist dat verzoeker in dat gerechtelijk onderzoek buiten vervolging wordt gesteld. Omwille van die buitenvervolgingstelling meent verzoeker dat het motief dat hij in het bezit was van vergunningsplichtige vuurwapens zonder vergunning niet deugdelijk is en dat het dossier niet zorgvuldig is onderzocht.
  23. Bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een mogelijke verstoring van de openbare orde, mag de minister van Justitie steunen op feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. De loutere omstandigheid dat verzoeker buiten vervolging is gesteld voor het bezit van vergunningsplichtige wapens zonder vergunning impliceert niet dat er geen sprake is van het bezit van vergunningsplichtige wapens zonder vergunning, noch dat uit deze feiten door de verwerende partij niet mag worden afgeleid dat het voorhanden hebben van wapens een gevaar kan opleveren voor de openbare orde. Er kan worden vastgesteld dat verzoeker nergens ontkent dat op 28 november 2020 in zijn garage twee illegale pistolen zijn aangetroffen. Verzoeker wijst er enkel op dat hij daarvoor niet is vervolgd, naar eigen zeggen omdat het de wapens van zijn buurman en stiefzoon waren. Er blijkt evenwel niet waarom verzoeker niet is vervolgd en dit doet hoe dan ook geen afbreuk aan het feit dat het in verzoekers garage is dat twee illegale pistolen zijn aangetroffen, feit dat verzoeker niet ontkent. De verwerende partij mocht dan ook op grond van de stukken van het dossier oordelen dat verzoeker in het bezit was van vergunnings- plichtige wapens zonder vergunning. Het motief dat verzoeker in het bezit was van vergunningsplichtige wapens zonder vergunning is derhalve deugdelijk en met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld, minstens toont verzoeker het tegendeel niet aan. IX-10.399-10/17
  24. Voor zover verzoeker in de memorie van wederantwoord kritiek formuleert op de andere elementen waarop de bestreden beslissing steunt – bezit van munitie die niet hoort bij zijn vergunde wapens en inbreuken op de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van vuurwapens en munitie – moet worden opgemerkt dat hij die argumentatie reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Voor het eerst aangevoerd in de memorie van wederantwoord is deze kritiek laattijdig en dus onontvankelijk.
  25. Verzoeker toont de onwettigheid van de motieven waarop de bestreden beslissing steunt niet aan. Die inbreuken op de wapenwetgeving laten de verwerende partij toe om binnen de perken van de redelijkheid tot het oordeel te komen dat wapenbezit in hoofde van verzoeker een potentieel gevaar voor de openbare orde en veiligheid inhoudt.
  26. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  27. Het tweede middel is genomen uit de schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteits- beginsel doordat niet wordt aangetoond dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een risico voor de verstoring van de openbare orde zou opleveren, de in de bestreden beslissing vermelde motieven in redelijkheid geen preventieve maatregel kunnen verantwoorden en de bestreden beslissing niet in redelijk en proportioneel verband tot de aangehaalde vermeende feiten en motieven staat. In de toelichting bij het middel stelt verzoeker dat omwille van onzorgvuldigheid zijn algehele moraliteit onderuit wordt gehaald terwijl er nergens afdoende wordt gemotiveerd dat er een concreet en actueel gevaar is voor IX-10.399-11/17 de openbare orde. Hij oefent al meer dan dertig jaar zijn hobby uit zonder het minste probleem. Hij wordt nu voor onbepaalde duur op de strafbank gezet omdat hij een gevaar zou zijn voor de samenleving, terwijl hij buiten vervolging is gesteld. Om hem te diaboliseren worden in het advies van de lokale politie oude koeien uit de sloot gehaald, die voordien nooit tot een beperking van het vuurwapenbezit van verzoeker hebben geleid. De opgelegde maatregel is dan ook buiten proportie. De intrekking steunt op een achterhaald advies, zonder indicaties dat verzoeker zich in een negatieve spiraal bevindt. Verzoeker wordt zijn hobby ontnomen die hij gedurende meer dan dertig jaar probleemloos heeft beoefend. Er zijn evenwel geen relevante en actuele elementen voorhanden die wijzen op een potentieel gevaar voor de openbare orde.
  28. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing is genomen op grond van veronderstellingen in plaats van bewezen feiten. Het is volgens verzoeker onredelijk om op grond van wat er aan bewezen feiten overblijft te besluiten dat zijn vuurwapenbezit een concreet en actueel gevaar voor de openbare orde vormt.
  29. In zijn laatste memorie onderstreept verzoeker dat het onredelijk is omwille van enkele onzorgvuldigheden tegen de veiligheidsvoorschriften te besluiten dat zijn vuurwapenbezit een gevaar voor de openbare orde uitmaakt. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid zeer willekeurig uitgeoefend zonder één concreet aanknopingspunt waarom hij een gevaar betekent voor de openbare orde en veiligheid. Beoordeling
  30. Uit de beoordeling van het eerste middel is gebleken dat verzoeker niet aantoont dat de motieven op grond waarvan de verwerende partij besluit dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker een risico inhoudt voor de IX-10.399-12/17 openbare orde en verzoeker vervolgens het vuurwapenbezit ontzegt, ondeugdelijk zijn.
  31. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur – of van het proportionaliteitsbeginsel dat er een bijzondere toepassing van is – veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of proportionaliteitsbeginsel miskent.
  32. Gelet op ernst van de vaststaande feiten – het bezit van vergunningsplichtige vuurwapens zonder vergunning, het bezit van munitie die niet hoort bij de vergunde wapens en inbreuken op de veiligheidsvoorschriften inzake het bewaren van vuurwapens en munitie – treedt de verwerende partij de perken van de redelijkheid niet te buiten met het oordeel dat een preventieve maatregel inzake verzoekers wapenbezit noodzakelijk is ter vrijwaring van de openbare orde en dat verzoeker om die reden het vuurwapenbezit moet worden ontzegd. De omstandigheid dat verzoeker naar eigen zeggen bij de uitoefening van zijn hobby al meer dan dertig jaar probleemloos vuurwapens hanteert en dat hij buiten vervolging is gesteld door de raadkamer doet aan die conclusie geen afbreuk. Verzoeker toont niet aan dat het ondenkbaar is dat een andere zorgvuldig IX-10.399-13/17 handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde beslissing zou komen.
  33. Het tweede middel is ongegrond. IX-10.399-14/17 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  34. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 13, eerste lid, van de wapenwet, het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verzoeker voert aan dat hij ervan overtuigd was dat de hem ten laste gelegde feiten “verticaal geklasseerd” waren door de buitenvervolgingstelling en geen effect meer hadden op zijn wapenbezit. Met een e-mail van 28 januari 2022 heeft de substituut-procureur des Konings hem bevestigd dat het gerechtelijk beslag op zijn vuurwapens is opgeheven. Nu alsnog een bestraffing opleggen kan niet afdoende worden gemotiveerd en schendt het redelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
  35. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het onredelijk is om op grond van de bewezen feiten te beslissen dat hij een concreet en actueel gevaar uitmaakt en dat een preventieve maatregel zou nodig zijn. Beoordeling
  36. Hiervóór is reeds vastgesteld dat de feiten waarop de verwerende partij de bestreden beslissing steunt, vaststaan en dat de verwerende partij tot het besluit mocht komen dat vuurwapenbezit in hoofde van verzoeker de openbare orde kan verstoren. Eveneens is reeds vastgesteld dat de verwerende partij zonder schending van het redelijkheidsbeginsel tot het oordeel mocht komen dat, gelet op de vaststaande feiten, verzoeker het vuurwapenbezit moet worden ontzegd. Dat ondertussen het gerechtelijk beslag op verzoekers vergunde vuurwapens is opgeheven, vermag geen afbreuk te doen aan die conclusie. IX-10.399-15/17
  37. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op toezeggingen of beloften die het bestuur in een concreet geval heeft gedaan of op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedragslijn of beleidsregel van het bestuur op grond waarvan dat bestuur de door hem opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet mag beschamen.
  38. Verzoeker beweert niet, noch toont hij aan dat de verwerende partij ooit concrete toezeggingen heeft gedaan dat een buitenvervolgingstelling zou impliceren dat hem geen preventieve maatregel kan worden opgelegd. Verzoeker wijst evenmin enige vaste gedragslijn of beleidsregel aan die de verwerende partij volgt of toepast bij een buitenvervolgingstelling en die in zijn geval niet is nageleefd is. Hoe dan ook doet de omstandigheid dat verzoeker ingevolge de beschikking van de raadkamer van 4 juni 2021 buiten vervolging is gesteld, geen afbreuk aan het bestaan van de feiten. De verwerende partij miskent het vertrouwensbeginsel niet door op grond van de vaststaande feiten verzoeker het wapenbezit te ontzeggen, ook al is verzoeker buiten vervolging gesteld. De overtuiging van verzoeker dat door de buitenvervolgingstelling de feiten waarop de verwerende partij de bestreden beslissing steunt niet langer dienstig zouden zijn, kan de bestreden beslissing niet vitiëren. Daarbij mag ook niet uit het oog worden verloren dat de bestreden beslissing niet beoogt te bestraffen maar wel een preventief en beveiligend oogmerk heeft.
  39. Het derde middel is ongegrond. BESLISSING
  40. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-10.399-16/17
  41. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 24 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op negentien april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Wouter Pas, staatsraad, Jurgen Neuts, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Van Haegendoren IX-10.399-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.556 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.