← België

Arrest 259589 - Dierenwelzijn - 23/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.589 Rolnummer: A. 240867/XII-9717 Zaak: Arrest 259589 - Dierenwelzijn - 23/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-25 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-11 01:35 Fiche Arrest nr 259.589 van 23 april 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.589 no lien 276829 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 259.589 van 23 april 2024 in de zaak A. nr. 240.867/VII-42.

  1. In zake : de BV HOEVE HOOGLAND bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Carolus kantoor houdend te 1090 Brussel Odon Warlandlaan 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  2. De vordering, ingesteld op 26 december 2023, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van “de beslissing met kenmerk E-19-104 25 oktober 2023 genomen door de heer [K.Z.], Inspecteur-dierenarts van het Departement Omgeving […] waarbij de erkenning met nummer HK4010106383 voor de uitbating van dierenpension voor honden en katten de facto werd ingetrokken door de opgelegde maatregelen en verbod […]”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld. VII-42.333-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 maart
  4. Staatsraad Frédéric Vanneste heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tristan Carolus, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Maxim Lecomte, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De verzoekende partij is sinds 26 juni 2019 erkend als dierenpension voor honden en katten.
  7. Met een brief van 25 oktober 2023, gericht aan M.D. die zaakvoerder is van de verzoekende partij, deelt de inspecteur-dierenarts van het departement Omgeving het volgende mee: “Op 19/10/2023 heb ik, op vraag van en samen met de lokale politie, een controle uitgevoerd in uw stallingen aan de [B.D.] te Kasterlee. Er werd ons gevraagd om na te gaan of er op dit adres nog honden werden verhandeld sinds de intrekking van de erkenning met nummer HK
  8. Er waren nog een 90-tal honden aanwezig waaronder 25 pups die vóór 01/10/2023 geboren zijn. Er werd verklaard dat deze dieren in het pension zaten, erkend onder het nummer HK
  9. In dit verband wordt opgemerkt: - Dat de erkenning voor de uitbating van het dierenpension met nummer HK40106383 nog steeds op uw naam staat. U mag echter tot 01/08/2025 geen overeenkomstig artikel 5, §1 van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.589 VII-42.333-2/7 erkenningsplichtige inrichting uitbaten. Bijgevolg kunnen momenteel geen honden in pension HK40106383 gehouden worden; - dat de dieren werden gehouden in delen van de infrastructuur die geen deel uitmaakt van het pension, of dat het pension werd uitgebreid zonder een nieuwe erkenning aan te vragen. In beide gevallen kunnen geen dieren in pension gehouden worden buiten de delen van de infrastructuur die onder de huidige erkenning als pension vallen, ongeacht de uitbater en/of de verantwoordelijke van de inrichting; Verder werd verklaard dat de aanwezige dieren stelselmatig zouden verhuizen naar het adres [H.] te Kasterlee om verhandeld te worden. Hieruit volgt dat deze dieren gehouden worden met het oog op verkoop, wat onder de definitie van verhandelen valt. Hierdoor valt de inrichting op het adres[B.D.] te Kasterlee onder de definitie van handelszaak voor dieren, wat een erkenningsplichtige activiteit is. In de gebouwen en aanhorigheden van een handelszaak voor dieren mogen echter geen honden gehouden worden. Verder werd vastgesteld dat reuen en teven samen werden gehouden. Hieruit blijkt dat het kweken van honden niet werd stopgezet. Zonder erkenning mag u echter slechts 2 nesten op jaarbasis kweken. Om voormelde overtredingen te laten stoppen, worden volgende maatregelen opgelegd: - De teven en reuen moeten onmiddellijk gescheiden worden. - Alle honden bestemd voor verhandeling moeten zo snel mogelijk, en uiterlijk tegen 7 november 2023, afgevoerd worden. Enkel de honden die u persoonlijk als gezelschapshond wenst te behouden mogen na deze datum nog aanwezig zijn. - Indien niet voor 7 november 2023 per aangetekend schrijven een nieuwe beheerder voor het pension wordt gemeld, zal de intrekking van de erkenning worden opgestart”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid
  10. De verwerende partij betwist in haar nota de ontvankelijkheid van de vordering.
  11. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de opgeworpen excepties zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII-42.333-3/7 V. Schorsingsvoorwaarden
  12. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Spoedeisendheid Uiteenzetting
  13. De verzoekende partij verantwoordt de spoedeisendheid als volgt: “Verzoekende partij heeft slechts als enige handelsactiviteit het uitbaten van een dierenpension. De verzoekende partij kocht in 2019 de inrichting uit een faillissement, deed vergaande investeringen met afbetalingen waarvoor inkomsten gegenereerd dienen te worden. Zonder inkomsten door samenwerking met derden, zoals de BV Roedel die er dieren tijdelijk plaatst tegen betaling zal de zaak ook failliet gaan. Immers er is ingevolge een strafrechtelijk beslag op de rekeningen van de BV Hoeve Hoogland en overmaking aan het COIV van deze gelden geen financiële reserve om de gewone procedure te overbruggen. Zonder schorsing zal de zaak aldus drie jaar lang afbetalingen dienen te doen zonder enig inkomen en zonder enig geld op de rekening ten gevolge van een onrechtmatig beslag lopende een onderzoek. Overigens zijn deze betalingen niet fiscaal aftrekbaar zijn, want geen inkomsten. De zaak zal aldus ten gevolge hiervan het faillissement dienen aan te vragen.” VII-42.333-4/7 Beoordeling
  14. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen’ (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. VII-42.333-5/7
  15. De verzoekende partij voert aan dat zij een financieel en economisch nadeel leidt doordat zij “aldus drie jaar lang afbetalingen [zal] dienen te doen zonder enig inkomen en zonder enig geld op de rekening ten gevolge van een onrechtmatig beslag lopende een onderzoek. […] De zaak zal aldus ten gevolge hiervan het faillissement dienen aan te vragen”. De omvang van een dergelijk nadeel moet, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat de verzoekende partij de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. De verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete gegevens aan dat zij ingevolge een financieel nadeel de duur van de annulatieprocedure niet zal kunnen overbruggen. Zij beperkt er zich toe te verwijzen naar afbetalingen die zij zal dienen te doen, zonder dit met enig stuk te staven. Evenmin overtuigt de verzoekende partij wanneer zij stelt dat zij geen inkomsten meer kan genereren tijdens de annulatieprocedure. De bestreden beslissing is immers gericht aan M.D. en stelt wat de verzoekende partij betreft slechts dat “indien niet voor 7 november 2023 per aangetekend schrijven een nieuwe beheerder voor het pension wordt gemeld, de intrekking van de erkenning [met nummer HK40106383 voor de uitbating van een dierenpension] [zal] worden opgestart”. De verzoekende partij toont niet aan dat de bestreden beslissing het haar onmogelijk zou maken om in de toekomst nog het dierenpension uit te baten en aldus enig inkomen te verwerven.
  16. Uit wat voorafgaat, moet worden besloten dat de verzoekende partij niet aantoont dat er sprake is van spoedeisendheid. Conclusie
  17. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII-42.333-6/7 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drieëntwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Frédéric Vanneste staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Frédéric Vanneste VII-42.333-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.589 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.416 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.