id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 Rolnummer: A. 235148/XIV-39201 Zaak: Arrest 259614 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 24/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-08 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-11 01:44 Fiche Arrest nr 259.614 van 24 april 2024 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 no lien 276854 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.614 van 24 april 2024 in de zaak A. 235.148/XIV-39.201 In zake : I.G. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : V.S. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Demeestere en Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Luchthaven Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van 6 oktober 2021, medegedeeld in een korte brief van 6 oktober 2021 van de Directeur-generaal ad interim van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, dienst gezondheidsberoepen en beroepsuitoefening waarbij wordt meegedeeld dat het stagemeesterschap van verzoekster wordt stopgezet en dat [de tussenkomende XIV-39.201-1/20 partij] is erkend als stagemeester nucleaire geneeskunde in het Universitair Ziekenhuis […]”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. V.S. heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 26 april
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari
- Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor verzoekster, advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Sofie De Dobbelaer, die loco advocaten Stijn Demeestere en Karel De Schoenmaeker verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. XIV-39.201-2/20 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is verzoekster als kliniekhoofd verbonden aan de dienst ‘Medische Beeldvorming’ van het Universitair Ziekenhuis [X] (hierna: het universitair ziekenhuis), bestaande uit een afdeling ‘Radiologie’ en een afdeling ‘Nucleaire Geneeskunde’. 3.
- Binnen de dienst ‘Medische Beeldvorming’ is er ook de stagedienst ‘Nucleaire Geneeskunde’, opgericht krachtens het koninklijk besluit van 21 april 1983 ‘tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen’ (hierna: het koninklijk besluit van 21 april 1983), het ministerieel besluit van 23 april 2014 ‘tot vaststelling van de algemene criteria voor de erkenning van arts-specialisten, stagemeesters en stagediensten’ (hierna het ministerieel besluit van 23 april 2014) en het ministerieel besluit van 19 juli 1996 ‘tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteit van de nucleaire geneeskunde’ (hierna: het ministerieel besluit van 19 juli 1996). Verzoekster was er erkend als stagemeester van de stagedienst ‘Nucleaire Geneeskunde’. Haar mandaat in die functie liep tot 13 januari
- 3.
- Verzoekster dient op 1 juli 2021 een nieuwe erkenningsaanvraag in om als stagemeester van de stagedienst ‘Nucleaire Geneeskunde’ van het universitair ziekenhuis te worden erkend voor een daaropvolgende periode van 60 maanden met ingang van 14 januari
- Verzoeksters aanvraag wordt niet medeondertekend door de inrichtende macht van de stagedienst waar de stages zullen worden volbracht (hierna: de stagedienst). XIV-39.201-3/20 3.
- De tussenkomende partij dient op 9 juli 2021 eveneens een aanvraag in voor een erkenning, met ingang van 14 januari 2022, als stagemeester in Nucleaire Geneeskunde in de stagedienst van het betrokken universitair ziekenhuis. Deze aanvraag van de tussenkomende partij wordt wel medeondertekend door de inrichtende macht die verantwoordelijk is voor de betrokken stagedienst. 3.
- Op 2 juli 2021 wordt verzoekster door een medewerker van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, Dienst gezondheidsberoepen en beroepsuitoefening (hierna: de FOD VVVL) verzocht om onder meer een algemeen en specifiek aanvraagformulier te bezorgen dat mee is ondertekend door de inrichtende macht van het universitair ziekenhuis. 3.
- Op 9 juli 2021 antwoordt verzoekster dat zij “geen handtekening mocht bekomen van de Gedelegeerd bestuurder” maar dat zij “dit niet correct beschouwt”. 3.
- Op 20 september 2021 wordt verzoekster door de Hoge raad van artsen-specialisten en van huisartsen (hierna: de Hoge raad) ter kennis gebracht dat de werkgroep specialisten van de Hoge raad “geen gunstig advies [kon] verlenen aangezien uw erkenningsaanvraag als stagemeester en -dienst niet mee werd ondertekend door de inrichtende macht van het ziekenhuis”. In dat schrijven wordt eraan herinnerd dat, in overeenstemming met artikel 37 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 ‘tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen (hierna: het koninklijk besluit van 21 april 1983), deze kennisgeving geldt als uitnodiging om alle nuttige inlichtingen aan de Hoge raad te verstrekken opdat deze haar dossier zou kunnen behandelen tijdens zijn vergadering van 9 november 2021 om 14.30 uur (videoconferentie via Zoom). Tot slot, wordt haar met datzelfde schrijven nog meegedeeld dat zij mag vragen persoonlijk te worden gehoord XIV-39.201-4/20 waarbij ze zich mag laten bijstaan door één of meer raadslieden en na afloop waarvan de Hoge raad een definitief advies zal geven aan de minister. 3.
- Inmiddels, bij ministeriel besluit van 28 september 2021, wordt de tussenkomende partij, na gunstig advies van de Hoge raad, erkend als stagemeester in Nucleaire Geneeskunde aan het betrokken universitair ziekenhuis om de opleiding van twee kandidaat-specialisten te verzekeren tijdens 60 maanden van de volledige opleiding (artikel 1 van het ministerieel besluit van 28 september 2021). In artikel 2 van dit besluit wordt het betrokken universitair ziekenhuis erkend als stagedienst waar de opleiding zal worden doorlopen. Dit besluit treedt in werking op 14 januari 2022 (artikel 3). Dit erkenningsbesluit wordt met een schrijven van dezelfde dag ter kennis gebracht van de tussenkomende partij. 3.
- Op 6 oktober 2021 deelt de directeur-generaal a.i. van de FOD VVVL aan verzoekster wat volgt mee: “Wegens de erkenning van uw opvolger, [de tussenkomende partij], als stagemeester NUCLEAIRE GENEESKUNDE in het [UZ] wordt uw stagemeesterschap stopgezet. Einddatum van uw stagemeesterschap: 13 januari 2022.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Met een brief van 12 oktober 2021 aan de directeur-generaal a.i. van de FOD VVVL vraagt (de raadsman van) verzoekster om te worden gehoord. In die brief wordt gewag gemaakt van “een beslissing die reeds zou zijn genomen” en met aandrang gevraagd “dat dit besluit wordt ingetrokken”, eerst verzoekster te horen en om pas na adviesverlening door de Hoge raad te beslissen wie “er hier kan aangesteld worden tot stagemeester nucleaire geneeskunde”. 3.
- Met een e-mail van 28 oktober 2021 deelt de Hoge raad aan verzoekster mee dat zij op 9 november 2021 gelegenheid krijgt om alle nuttige informatie te bezorgen en eventuele nieuwe elementen voor te leggen en dat de XIV-39.201-5/20 Hoge raad nadien een advies zal uitbrengen aan de minister betreffende het dossier van verzoekster. 3.
- Op 9 november 2021 wordt verzoekster door de Hoge raad gehoord waarop deze op 9 december 2021 een (definitief) negatief advies uitbrengt dat op 16 december 2021 aan verzoekster wordt meegedeeld. Dit advies luidt: “[…] In uw hernieuwingsaanvraag tot erkenning als stagemeester ontbreekt op het in art. 34 K.B. 21.04.1983 bedoelde aanvraagformulier de handtekening van de beheerder van de inrichting waar u als stagemeester wenst erkend te worden. Nadat de administratie FOD Volksgezondheid op 2 juli 2021 u vroeg de aanvraag te vervolledigen, meldde u op 9 juli 2021 hieraan niet te kunnen voldoen. De erkenning als stagemeester en de erkenning van de stagedienst vormen één geheel omwille van de kwaliteit en coherentie van de professionele vorming, wat ook bevestigd wordt in de bepalingen van het M.B. 23.04.2014: -de stagemeester beschikt over een stage-equipe (art. 24/1) -de erkenning van de stagemeester geldt alleen voor de werkzaamheden in de erkende stagedienst (art. 27) -de evaluatie overeenkomstig art 29 tot het bepalen van het aantal kandidaten van de stagemeester, is gebaseerd op parameters van de gehele stagedienst -de stagedienst staat onder leiding of verantwoordelijkheid van een stagemeester (art 40). De Hoge Raad Artsen bracht op 9 december 2021 in consensus een negatief advies uit over uw aanvraag d.d. 9 juli 2021 tot hernieuwing van uw erkenning als stagemeester in het UZ [X]. De Hoge Raad merkte tevens op dat dit advies na een nieuwe erkenningsaanvraag kan herzien worden indien [verzoekster] een stagedienst vindt waar ze het stagemeesterschap kan opnemen. Bijgevolg, en conform artikel 38 § 2, van het koninklijk besluit van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen hebt u het recht om de Minister een nota met uw gemotiveerde bemerkingen te bezorgen, binnen een tijdspanne van 30 dagen na ontvangst van huidig advies. Na het verstrijken van deze periode zal de Minister zonder reactie van uw kant een beslissing nemen.” Verzoekster heeft de minister geen nota met gemotiveerde opmerkingen bezorgd. 3.
- Met een ministerieel besluit van 19 april 2022 wordt verzoeksters aanvraag om als stagemeester in nucleaire geneeskunde in het universitair ziekenhuis erkend te worden, geweigerd om volgende redenen: “[…] XIV-39.201-6/20 Gelet op de aanvraag van erkenning als stagemeester en stagedienst voor een opleiding in nucleaire geneeskunde, ingediend op 1 juli 2021; Gelet op het feit dat de handtekening van de beheerder van de inrichting waar de kandidaat als stagemeester wenst erkend te worden ontbreekt op het aanvraagformulier zoals bedoeld in art. 34 van het hoger vermeld koninklijk besluit van 21 april 2021; Gelet op het gemotiveerd advies van de Hoge raad van artsen-specialisten en huisartsen, gegeven op 9 december 2021; Gelet op het feit dat de kandidaat stagemeester geen nota met haar met reden omklede opmerkingen binnen een tijdspanne van 30 dagen na ontvangst van het advies van de Hoge raad van artsen-specialisten en huisartsen heeft overgemaakt aan de Minister, overeenkomstig art. 38 § 2 van het KB van 21 april 1983 tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van geneesheren-specialisten en huisartsen; Besluit: Artikel
- De aanvraag van 01 juli 2021 van [verzoekster] om als stagemeester geneeskunde in het [universitair ziekenhuis] erkend te worden, wordt geweigerd.” Deze beslissing van 19 april 2022, aan verzoekster ter kennis gebracht met een aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs op 21 april 2022, maakt geen voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring. 3.
- Met een beslissing van 27 februari 2023 wordt verzoekster bij tuchtmaatregel ontslagen uit het universitair ziekenhuis. Zij bestrijdt dit ontslag met een op 28 april 2023 ingediend enig verzoekschrift “tot nietigverklaring met verzoek tot schorsing van tenuitvoerlegging” dat bij de Raad van State is gekend onder het nummer A.238.992/IX-10.
- De vordering tot schorsing werd verworpen bij ’s Raads arrest nr. 257.679 van 19 oktober
- 3.
- Met een brief van 7 februari 2024 deelt de raadsman van de tussenkomende partij de Raad van State mee dat met het oog op de opvolging van de tussenkomende partij, na een gunstig advies van de Hoge raad van 8 juni 2023, [K.D.M.] bij ministerieel besluit van 21 september 2023 (dat zij bij haar schrijven voegt) werd erkend als stagemeester in Nucleaire geneeskunde om de opleiding van twee kandidaat-specialisten te verzekeren gedurende een periode van 60 maanden van de volledige opleiding in de daartoe erkende stagedienst Nucleaire geneeskunde van het betrokken universitair ziekenhuis, en dat met ingang van 1 juli
- XIV-39.201-7/20 Een kopij hiervan wordt tevens gericht aan de raadsman van verzoekster. 3.
- Met een op 26 februari 2024 ingediend verzoekschrift heeft verzoekster een beroep tot nietigverklaring ingediend tegen de in punt 3.15 vermelde beslissing van 21 september
- Dat beroep is bij de Raad van State gekend onder het nummer 241.319/XIV-39.
- IV. Ontvankelijkheid wat het verzoek tot tussenkomst betreft Exceptie wegens gebrek aan belang
- Zoals in punt 3.15 is gebleken, heeft de raadsman van de tussenkomende partij de Raad van State meegedeeld dat met een ministerieel besluit van 21 september 2023 K.D.M. is aangesteld als stagemeester binnen de stagedienst nucleaire geneeskunde. Zij wijst er in die brief op dat de beroepstermijn om deze beslissing aan te vechten “ruimschoots is verstreken zodat deze benoeming definitief is geworden” en, bijgevolg, er in hoofde van verzoekster geen belang meer is om te verzoeken de benoeming van de tussenkomende partij te vernietigen.
- Met een brief van 26 februari 2024 repliceert de raadsman van verzoekster dat als de redenering van verzoekster in tussenkomst wordt gevolgd, zulks impliceert “dat de tussenkomende partij zelve geen belang meer heeft bij de tussenkomst” en concludeert “dat de tussenkomende partij geen belang meer heeft maar [verzoekster] wel degelijk”: hij meldt in datzelfde schrijven nog dat hij verhaal tegen dit nieuwe besluit heeft ingediend (zie supra, punt 3.16). Beoordeling
- Wanneer de tussenkomst bij beschikking wordt toegestaan, heeft deze slechts een voorlopig karakter. Over het definitief lot van het verzoek tot tussenkomst wordt beslist in het eindarrest. XIV-39.201-8/20 Ter terechtzitting bevestigt de verzoekster in tussenkomst dat zij niet langer in het universitair ziekenhuis is tewerkgesteld en, derhalve ook niet langer als kliniekhoofd eraan is verbonden. Zij bestrijdt de aanstelling van haar opvolgster K.D.M. als stagemeester in de stagedienst nucleaire geneeskunde van het universitair ziekenhuis niet. Er valt dan ook niet in te zien welk nog haar belang zou zijn bij haar verzoek tot tussenkomst. Zij heeft er immers geen belang meer bij, wat zij ook niet betwist, dat verzoeksters beroep wordt afgewezen.
- Het verzoek tot tussenkomst wordt afgewezen. V. Ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring Excepties Standpunt van de partijen
- In de memorie van antwoord, wat zij in haar laatste memorie herhaalt, werpt de verwerende partij op dat de mededeling van 6 oktober 2021 geen aanvechtbare beslissing betreft omdat daarin, wat verzoeksters aanvraag tot hernieuwing van het stagemeesterschap betreft, enkel wordt meegedeeld dat het (lopende) stagemeesterschap wordt stopgezet op 13 januari 2022, hetgeen een gekend gegeven was aangezien verzoeksters aanstelling slechts tot die datum liep. Tegen het ministerieel besluit van 28 september 2021 waarbij op aanvraag van V.S., deze laatste werd erkend als stagemeester in nucleaire geneeskunde in het betrokken universitair ziekenhuis, werd geen tijdig beroep tot nietigverklaring ingediend. Zelfs indien de bestreden “beslissing” van 6 oktober 2021 aanvechtbaar zou zijn, dan nog moet worden besloten dat verzoekster bij de vernietiging ervan geen belang heeft, eensdeels, omdat deze mededeling niets wijzigt aan het gegeven dat het lopend stagemeesterschap van verzoekster ten einde kwam op 13 januari 2022 en, anderdeels, omdat deze mededeling het ministerieel besluit van 28 september 2021 waarbij V.S. als stagemeester wordt aangeduid, onberoerd laat. Wat verzoeksters aanvraag tot hernieuwing van haar erkenning als stagemeester ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 XIV-39.201-9/20 betreft, dient vastgesteld dat de minister op het ogenblik van de indiening van het voorliggende beroep nog geen beslissing had genomen. Het (in beraad gehouden) advies van de Hoge raad van 20 september 2021, noch de mededeling van 6 oktober 2021 heeft rechtsgevolgen gecreëerd. Enkel de (eind)beslissing van de minister (van 19 april 2022) op verzoeksters erkenningsaanvraag zal definitieve rechtsgevolgen met zich meebrengen. Verzoekster heeft echter geen nota met bemerkingen overgemaakt na het definitief advies van de Hoge raad van 16 december
- Ook hiermee geeft verzoekster te kennen geen verder belang te hechten aan de erkenning als stagemeester. Verzoekster maakt tot slot geen kans op erkenning als stagemeester in nucleaire geneeskunde binnen (de stagedienst van) het betrokken universitair ziekenhuis nu vaststaat dat het de aanvraag van verzoekster niet wenst te ondertekenen. Na een eventuele vernietiging, wanneer de verwerende partij de aanvraag van verzoekster opnieuw zou moeten beoordelen, zal (weerom) blijken dat verzoekster geen kans maakt op een erkenning aangezien haar aanvraag niet wordt ondersteund door de inrichtende macht. Het is deze niet-ondertekening die de oorzaak is van de niet-erkenning als stagemeester in nucleaire geneeskunde in het betrokken ziekenhuis. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij nog dat de enige reden dat verzoekster niet kon worden erkend ligt vervat in het gebrek aan medeondertekening door het betrokken universitair ziekenhuis en niet in het gegeven dat V.S. reeds was aangesteld. Enkel tussen de niet-medeondertekening van verzoeksters aanvraag door de inrichtende macht van de stagedienst en de niet-aanstelling bestaat er een conditio sine qua non-verband. Verzoeksters aanvraag was ab initio niet-ontvankelijk (minstens ongegrond) omwille van het gebrek aan medeondertekening zodat dergelijke aanvraag nooit had kunnen leiden tot een aanstelling. Het werkelijk voorwerp van het geschil betreft overduidelijk het gebrek aan medeondertekening van verzoeksters aanvraag door de inrichtende macht. De definitieve weigeringsbeslissing van 19 april 2022 geeft dan ook perfect aan wat een nieuwe beslissing slechts zou kunnen zijn na eventuele vernietiging van de bestreden beslissing van 6 oktober
- Verzoekster repliceert in haar memorie van wederantwoord dat het met het administratief dossier bijgebrachte besluit van 28 september 2021 XIV-39.201-10/20 waarbij V.S werd aangesteld, haar nooit is meegedeeld. De niet-mededeling van dit besluit kan er niet toe leiden dat verzoekster de beslissing om V.S. aan te stellen, niet zou betwisten of kunnen betwisten. Het enige dat hieruit kan worden afgeleid is dat “na kennisname van de memorie van antwoord en het administratief dossier het voorwerp van de betwisting moet worden gewijzigd in: “[d]e verzoekster vraagt de nietigverklaring van het besluit van 28 september 2021, meegedeeld in een korte brief van 6 oktober 2021 van de directeur-generaal ad interim van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en Leefmilieu, Dienst Gezondheidsberoepen en Beroepsuitoefening, waarbij [V.S.] wordt erkend als stagemeester nucleaire geneeskunde en vraagt dus evidentelijk ook de vernietiging van de mededeling van de beslissing van 6 oktober 2021 dat ten gevolge de erkenning van [V.S.] als stagemeester, het stagemeesterschap van verzoekster beëindigd wordt.” Voorts klopt het volgens verzoekster niet dat het zou gaan om een “pure mededeling dat het mandaat van verzoekster ten einde zou lopen”. Er is geen kennis gegeven van de aanstelling van V.S. aan verzoekster zodat het evident is dat er geen beroep tegen is ingesteld. Bovendien “houdt het geen steek dat de aanstelling van [V.S.] niets zou veranderen aan het ten einde lopen van het stagemeesterschap”. Uit de brief van 6 oktober 2021 blijkt het oorzakelijk verband tussen de erkenning van V.S. en de stopzetting van het stagemeesterschap van verzoekster. Dat er post factum, zelfs na het inleiden van het verhaal bij de Raad van State, nog een advies is verleend, verandert daaraan niets. Er valt overigens niet in te zien waarom “het niet meer reageren op een pro forma advies, pro forma omdat het besluit al is getroffen, tot onontvankelijkheid zou kunnen leiden”. Verzoekster repliceert nog dat in de mate de verwerende partij poneert dat verzoekster geen belang heeft aangezien zij hoe dan ook geen kans meer zou maken om aangesteld te worden, dit een betwisting ten gronde is en een motief betreft dat niet voorkomt “in de kennisgeving van 28 september 2021 gericht aan [V.S.], noch in de kennisgeving van 6 oktober 2021 aan verzoekster”. De memorie van antwoord kan immers niet voorzien in substitutie van motieven zodat wat niet als motief voorkomt, ook geen voorwerp [hoeft] te vormen van middelen. Het motief dat men nu opdist, is post factum bij de Hoge raad tot stand gekomen en hier is door verzoekster omtrent geargumenteerd. Zij meent tot slot dat “de Hoge Raad denigrerend behandeld wordt, omdat hij een advies moet geven in een zaak waar er al een besluit is genomen”. Er is door de verwerende partij niet ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 XIV-39.201-11/20 overgegaan tot intrekking van een prematuur besluit. Deze onbehoorlijke werkwijze kan niet langs alle mogelijke kanten worden tegengeworpen om verzoekster het recht te ontnemen zich tot de Raad van State te wenden. In haar laatste memorie stelt verzoekster nog dat op 6 oktober 2021 aan verzoekster is meegedeeld dat “haar concurrente was aangesteld”, wat de reden is waarom verzoekster niet is aangesteld. Verzoeksters raadsman heeft overigens op 12 oktober 2021 reeds gereageerd en aangegeven dat niet valt te begrijpen dat V.S. reeds werd aangesteld nog vooraleer verzoekster door de Hoge raad werd gehoord en het onbetamelijk is te verwachten van verzoekster om allerlei aanvragen te doen om te weten of er nog een ander besluit zou zijn dat “geheim werd gehouden” en dat men weigerde mee te delen. De bewering dat verzoekster niet kon worden aangesteld, is de wagen voor het paard spannen. Volgens verzoekster had de verwerende partij beide kandidaten moeten vergelijken en vervolgens op gemotiveerde wijze beslissen welke kandidaat moet primeren. Dat verzoekster inmiddels is ontslagen om tuchtredenen, leidt niet tot verlies van belang aangezien zij het tussengekomen tuchtrechtelijk ontslag voor de Raad van State betwist. Beoordeling
- In het verzoekschrift voert verzoekster aan dat haar “niet bekend is” wanneer er een besluit is genomen met betrekking tot de erkenning van V.S. als stagemeester. Wel is er haar een brief overgemaakt op 6 oktober 2021 zonder mededeling van de mogelijkheid om zich te verhalen bij de Raad van State zodat het voorliggende beroep “per definitie” ontvankelijk is ratione temporis.
- Luidens artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) verjaren de beroepen tot nietigverklaring zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. XIV-39.201-12/20 Indien ze noch bekendgemaakt noch aan verzoekster betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop verzoekster er kennis van heeft gehad of geacht moet worden er (redelijkerwijze) kennis van te hebben gehad. Opdat de termijn voor een derde belanghebbende zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat deze feitelijk kennis heeft van een erkenning die bekendgemaakt noch aan derden betekend moet worden, moet die kennis de precieze inhoud en draagwijdte van de beslissing omvatten. Toepassing in casu Vooraf
- Het koninklijk besluit van 21 april 1983 ‘tot vaststelling van de nadere regelen voor erkenning van artsen-specialisten en van huisartsen’ (hierna: het koninklijk besluit van 21 april 1983) regelt in de artikelen 33bis tot 43 van Hoofdstuk IV ‘De erkenning van de stagemeesters en stagediensten’ de (procedure voor een) erkenning van stagemeesters en stagediensten, daarin begrepen de regelen inzake bekendmaking/kennisgeving van beslissingen inzake erkenningen. Opdat ieder jaar veertig percent van het aantal afgestudeerde artsen een specialistische opleiding zouden kunnen aanvatten, dermate gespreid dat aan de wettelijk gediplomeerde artsen van de onderscheiden faculteiten, evenredig met hun aantal, dezelfde kansen tot specialisatie worden geboden, moet er een voldoende aantal stagemeesters en stagediensten worden erkend (art. 33bis, §1). De erkenning als stagemeester of als stagedienst voor de opleiding van artsen-specialisten wordt verleend voor een hernieuwbare termijn van (3 tot) 5 jaar. De aanvraag tot hernieuwing (als stagemeester of als stagedienst) moet zes maanden voor het verstrijken van de termijn worden ingediend. Bij een aanvraag tot hernieuwing gelden de procedurevoorschriften zoals vervat in de artikelen 34 tot 38 (cfr. artikel 39 van het koninklijk besluit van 21 april 1983). De aanvraag om als stagemeester (dit is de verantwoordelijke arts voor de gehele of de gedeeltelijke opleiding van een of meerdere kandidaat artsen-specialisten) te worden erkend, moet door de kandidaat-stagemeester bij een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 XIV-39.201-13/20 aangetekende brief worden ingediend bij de minister “bij middel van een formulier dat door het bestuur [lees: de FOD VVVL)] wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald” (artikel 34). Ook de aanvraag om als “stagedienst” – dit is de dienst in het raam van dewelke de gehele of gedeeltelijke opleiding van de kandidaat arts-specialist wordt volbracht –, te worden erkend, wordt bij een aangetekende brief door de verantwoordelijke arts van de stagedienst ingediend bij de minister “bij middel van een formulier dat door het bestuur wordt bezorgd en waarvan het model door de Minister wordt bepaald. De aanvraag wordt medeondertekend door de beheerder van de inrichting.” (artikel 35). De minister stuurt, alvorens te beslissen, de aanvraag om erkenning samen met het dossier voor advies naar de Hoge raad volgens de procedure bepaald in de artikelen 36 tot
- Zowel het advies als de eindbeslissing inzake aanvragen tot erkenning komt aldus de minister toe die ervan een afschrift bezorgt aan de belanghebbende (lees: de aanvrager) per aangetekende brief tegen afgiftebewijs (artikel 38, §§ 1 en 3). Daarnaast bepaalt artikel 43 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 dat “de lijst van de erkende stagemeesters en stagediensten wordt bijgehouden door het bestuur en op verzoek aan de belanghebbenden medegedeeld”. Het aanvraagformulier voor erkenning als “stagemeesters en stagediensten arts-specialist”, te dezen in Nucleaire geneeskunde dat op de website van de FOD VVVL ter beschikking is gesteld, omvat (i) een “algemeen document” en (ii) een “specifiek formulier”. Zowel het algemeen document als het specifiek formulier dat de stagemeester én de stagedienst moeten indienen voorzien in de ondertekening ervan door zowel de inrichtende macht van de stagedienst als de kandidaat-stagemeester.
- Te dezen, nam verzoeksters erkenning als stagemeester voor een termijn van vijf jaar een einde op 13 januari
- XIV-39.201-14/20 Op 1 juli 2021 dient zij een nieuwe erkenningsaanvraag in met het door de FOD VVVL ter beschikking gestelde formulier. Dat formulier dat voorziet in ondertekening ervan door de inrichtende macht en de kandidaat-stagemeester, is enkel door verzoekster en niet door de inrichtende macht van de stagedienst Nucleaire geneeskunde van het ziekenhuis waarbinnen ze het stagemeesterschap wil opnemen, ondertekend. Op de eerste pagina van dat formulier wordt gesteld dat “[o]m ontvankelijk te zijn, het formulier op een zorgvuldige en leesbare manier [moet worden] ingevuld, ondertekend en vergezeld van een lijst van publicaties van de laatste vijf jaren en alle andere gevraagde bijlagen”. Het formulier voorziet in een rubriek C “Inlichtingen over de kandidaat-stagemeester” en in een rubriek D “Inlichtingen over de stagedienst”. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat met een e-mail van 2 juli 2021, dit is daags na de indiening van haar erkenningsvraag als stagemeester, een medewerker van de FOD VVVL verzoekster ontvangst meldt van het door haar ingediende dossier doch tevens verzoekt om het te vervolledigen met (onder meer) “een algemeen en specifiek aanvraagformulier dat mee ondertekend is door de inrichtende macht van het ziekenhuis”. Verzoekster antwoordt met een e-mail van 9 juli 2021 dat zij “geen handtekening mocht bekomen van de Gedelegeerd bestuurder” doch dat zij “dit als niet correct beschouwt”. Op 20 september 2021 wordt het advies van de Hoge raad aan verzoekster ter kennis gebracht (conform artikel 37 van het koninklijk besluit van 21 april 1983). Op grond van de overgelegde stukken verleent de Hoge raad een niet-gunstig advies dat in beraad wordt gehouden. In dat advies wordt uitdrukkelijk aangegeven dat “geen gunstig advies [kon worden] verleend aangezien uw erkenningsaanvraag als stagemeester en -dienst niet mee werd ondertekend door de inrichtende macht van het ziekenhuis”.
- Parallel, en los van verzoeksters aanvraag, dient ook V.S. een aanvraag tot erkenning in bij middel van het door de FOD VVVL ter beschikking gestelde formulier. Het formulier dat V.S. heeft ingediend is op 30 juni 2021 medeondertekend door de inrichtende macht van de stagedienst Nucleaire ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 XIV-39.201-15/20 geneeskunde van het ziekenhuis. Deze aanvraag wordt door de Hoge raad gunstig geadviseerd en door de minister gehonoreerd met een ministerieel besluit van 28 september 2021 met vermelding van de draagwijdte van de erkenning, met name als stagemeester in de Nucleaire geneeskunde om de opleiding van twee kandidaat-specialisten te verzekeren tijdens 60 maanden van de volledige opleiding in de dienst Nucleaire geneeskunde in het universitair ziekenhuis die met datzelfde besluit wordt erkend als stagedienst om de opleiding te verzekeren van twee kandidaten artsen-specialisten in Nucleaire geneeskunde en zulks met ingang van 14 januari
- Verzoekster ontvangt op 6 oktober 2021 het supra in punt 3.9 aangehaalde schrijven – dat zij aanduidt als de bestreden beslissing – waarin haar wordt meegedeeld dat “wegens” de erkenning van V.S. als stagemeester Nucleaire geneeskunde in het universitair ziekenhuis verzoeksters stagemeesterschap wordt stopgezet op 13 januari
- Daargelaten nog de vraag of die mededeling een aanvechtbare administratieve rechtshandeling betreft, volgt uit wat hiervoor is uiteengezet dat verzoekster – die niet voor het eerst een erkenningsaanvraag indient –, reeds op 2 juli 2021 wist, kon of moest weten dat haar aanvraag onvolledig werd geacht omdat de medeondertekening door de inrichtende macht ontbrak. Zij erkent trouwens dat zij geen medeondertekening van de inrichtende macht mocht bekomen, wat zij weliswaar onterecht acht en toeschrijft aan juridische betwistingen met die inrichtende macht. Daargelaten voorts de vraag of het door het bestuur ter beschikking gestelde aanvraagformulier (al dan niet) terecht medeondertekening door de inrichtende macht vereist omdat de erkenningsaanvraag als stagemeester en stagedienst zodanig verstrengeld zijn dat zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – vraag die te dezen geen antwoord behoeft –, wist verzoekster alvast op 2 juli 2021 dat zij (i) geen medeondertekening mocht bekomen en (ii) haar aanvraag door het bestuur (en nadien op 20 september 2021 door de Hoge raad) onvolledig werd geacht. Het valt in die omstandigheden niet redelijkerwijze te begrijpen dat verzoekster niet zou hebben beseft dat er nog andere ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 XIV-39.201-16/20 kliniekhoofden Nucleaire geneeskunde in de betrokken stagedienst aan de door de regelgeving vereiste kwalitatieve en kwantitatieve criteria voldeden en derhalve een erkenningsaanvraag konden indienen en ook indienden, te dezen mét de vereiste medeondertekening door (en, derhalve de instemming van) de inrichtende macht waarover de minister dan, na advies van de Hoge raad, (eind september) beslist met het oog op de organisatie van de door de kandidaat artsen-specialisten te doorlopen stages in het daaropvolgende academiejaar.
- Verzoeksters standpunt dat zij geen kennis had of redelijkerwijze kon hebben van de erkenning van V.S. bij ministerieel besluit van 28 september 2021, overtuigt niet. Dit besluit, werd conform artikel 38, § 3, van het koninklijk besluit van 21 april 1983, nog dezelfde dag (dit is op 28 september 2021) betekend aan (de belanghebbende) V.S. die de aanvraag waarover de minister uitspraak deed, had ingediend. De toepasselijke regelgeving voorziet niet in enige betekening of kennisgeving aan eventuele “concurrenten” of kandidaat-stagemeesters die parallel een aanvraag tot erkenning als stagemeester hebben ingediend (doch te dezen zonder medeondertekening van de inrichtende macht van de stagedienst waarbinnen die stagemeester zijn opdracht zal vervullen). Verzoekster gaat er bovendien aan voorbij dat artikel 43 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 het bestuur er, met het oog op een ruimere openbaarheid, uitdrukkelijk mee belast de lijst van de erkende stagemeesters en stagediensten bij te houden en op hun verzoek aan “de belanghebbenden” – zoals kandidaat artsen-specialisten of, nog, “concurrenten” zoals verzoekster – mee te delen. In de mate verzoekster argumenteert dat van haar niet kan worden verwacht dat zij allerhande lijsten consulteert, wordt ze niet bijgevallen. Feitelijke kennisneming op grond van bekendmakingswijzen zoals de opname in een register zijn een geschikte vorm van bekendmaking om belanghebbenden op de hoogte te brengen van het bestaan van de beslissing althans in zoverre daarmee op voldoende transparante wijze kennis wordt gegeven van de draagwijdte van de beslissing en in de mate aan de burger geen onevenredig strenge plicht van ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 XIV-39.201-17/20 waakzaamheid wordt opgelegd; voorwaarden die zoals hierna wordt uiteengezet zijn vervuld. Bij die beoordeling dient de rechter zowel een overdreven formalisme dat afbreuk zou doen aan het eerlijke karakter van de procedure, als een buitensporige soepelheid die zou leiden tot het afschaffen van de door de regelgever vastgestelde wijzen van kennisgeving, te vermijden (GwH 27 januari 2011, nr. 8/2011, B.13.3.3.4 – B.13.3.3.6.5, GwH 19 oktober 2023, nr. 140/2023, B.10.2.). Een verzoekster mag het tijdstip van de feitelijke kennisname niet naar goeddunken uitstellen. Het houdt in dat zij er, afhankelijk van de omstandigheden, toe gehouden kan zijn actief op zoek te gaan naar de beslissing die haar aanbelangt. Er anders over oordelen zou op gespannen voet staan met het karakter van openbare orde van de beroepstermijn en met de vereiste van elementaire stabiliteit en zekerheid in de rechtsverhoudingen die aan dat karakter ten grondslag ligt. Te dezen merkt de Raad van State op dat de in artikel 43 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 bedoelde lijst, per specialiteit, (onder meer) omvat de naam/voornaam van de erkende stagemeester, de erkende stagedienst waarin de betrokkene zijn opdracht als stagemeester vervult, het adres van de stagedienst, het maximaal aantal kandidaten arts-specialist dat er kan worden opgeleid, de maximale duur van de opleiding, enzovoort. Die lijst bevat met andere woorden, zoals het erkenningsbesluit zelf, “de precieze inhoud en draagwijdte” van de erkenningsbeslissing (zie supra, punt 3.8). Deze lijst is raadpleegbaar op de (publiek toegankelijke) website van de FOD VVVL (https://docs.health.belgium.be/FilesEcad/Phys_Master_Spec_Nl.csv), wat in de sector van algemene bekendheid is en, daarover ter terechtzitting bevraagd, door geen van de partijen wordt betwist. Wat de specialiteit Nucleaire geneeskunde betreft, merkt de Raad van State op dat het gaat, in totaal, voor gans België om 20 erkende stagemeesters en evenzoveel erkende stagediensten zodat die in artikel 43 bedoelde lijst ook overzichtelijk is. Het wordt niet betwist dat de verwerende partij de op haar aldus rustende bekendmakingsverplichtingen ook heeft vervuld. XIV-39.201-18/20 In die omstandigheden overtuigt verzoekster de Raad van State niet dat zij, mede gelet op haar ervaring als stagemeester en in acht genomen dat zij op dat ogenblik nog verbonden was aan hetzelfde ziekenhuis, geen feitelijke kennis zou hebben gehad, minstens redelijkerwijze kon hebben, van de erkenning van V.S. en zulks met ingang van 28 september
- Het door haar op 3 december 2021 ingediende verzoekschrift tegen de bestreden beslissing is dan ook laattijdig. Bovendien, zij het ten overvloede, heeft verzoekster evenmin tijdig gereageerd na de erkenning bij ministerieel besluit van 21 september 2023 van K.D.M. als stagemeester in Nucleaire geneeskunde in de (gelijknamige) stagedienst van het universitair ziekenhuis, zulks in opvolging van V.S.. Van dat besluit is op dezelfde wijzen als hiervoor beschreven, kennis gegeven. Uit het door V.S. met haar brief van 7 februari 2024 bijgebracht stuk blijkt dat het ministerieel besluit van 21 september 2023, weerom conform artikel 38, § 3 van het koninklijk besluit van 21 april 1983 aan K.D.M. werd betekend. Ook haar naam als erkend stagemeester evenals de erkende stagedienst van het universitair ziekenhuis, het adres van die stagedienst, het maximaal aantal kandidaten arts-specialist dat er kan worden opgeleid, de maximale duur van de opleiding, enzovoort zijn, conform de in artikel 43 aan het bestuur opgelegde plicht, bijgehouden in de in diezelfde bepaling bedoelde lijst. Ook die aanstelling is derhalve definitief.
- De excepties zijn in de aangegeven mate gegrond. Het beroep tot nietigverklaring is niet-ontvankelijk. VI. Handhaven van de gevolgen
- Het verzoek van de verwerende partij tot handhaving van de gevolgen met toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is zonder voorwerp, aangezien in deze zaak geen nietigverklaring wordt uitgesproken. XIV-39.201-19/20 BESLISSING
- Het verzoek tot tussenkomst van V.S. wordt afgewezen.
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Verzoekster in tussenkomst wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro.
- Het teveel betaalde rolrecht ten belope van 200 euro en de teveel betaalde bijdrage ten belope van 20 euro worden aan verzoekster terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.201-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div