id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.615 Rolnummer: A. 233164/XII-9553 Zaak: Arrest 259615 - Rusthuizen - 24/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-26 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2026-06-18 21:20 Fiche Arrest nr 259.615 van 24 april 2024 Sociale zaken en volksgezondheid - Rusthuizen Beslissing : heropening debatten bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.615 no lien 276855 identiques ecli_input ECLI:BE:CASS:20201207 ecli_prefixe ECLI ecli_pays BE ecli_cour CASS ecli_cour_old ecli_annee 20201207 ecli_ordre ecli_typedec ecli_datedec ecli_chambre ecli_nosuite Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI ECLI:BE:CASS:20201207 invalide Invalid ECLI ID - 4 element(
- s)RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 259.615 van 24 april 2024 in de zaak A. é.164/XIV-39.319 In zake : 1. de NV BEAUPREZ SERVICE RESIDENTIES (in vereffening) 2. de VZW BEAUPREZ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen en Sarah Jacobs kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64 bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 29 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid van 3 maart 2021, waarbij de intrekking van de erkenning en de sluiting van de groep van assistentiewoningen Beauprez, 9506 Geraardsbergen, […], uitgebaat dor de NV Beauprez Service Residenties […], wordt bevolen”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 250.232 van 26 maart 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-39.319-1/17 De verzoekende partijen hebben een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 februari 2024. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Julie Beausaert, die loco advocaten Koen Geelen en Sarah Jacobs verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. In het arrest nr. 250.232 van 26 maart 2021, waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is verworpen, worden de feiten als volgt weergegeven: XIV-39.319-2/17 XIV-39.319-3/17 “3. De bestreden beslissing luidt: “Rechtsgrond(
- en)Dit besluit is gebaseerd op: - het woonzorgdecreet van 15 februari 2019, artikel 64, eerste lid en artikel 66, §1; - het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures van woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers, artikel 19, §1; - het besluit van de Vlaamse Regering van 30 oktober 2015 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen en van de intern verzelfstandigde agentschappen, artikel 17, eerste lid, 5°. Vormvereisten De volgende vormvereiste is vervuld: - De kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers heeft advies gegeven op 24 februari 2021. Motivering Dit besluit is gebaseerd op de volgende motieven: - de groep van assistentiewoningen Beauprez, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen (Grimminge) en uitgebaat door de NV Beauprez Service Residenties, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen werd erkend met ingang van 1 december 2017 voor onbepaalde duur onder nummer PE 1641 voor maximaal 70 wooneenheden; - de inspectieverslagen van Zorginspectie met de kenmerken V-2020-DADE-[XXX1] en V-2020-DADE-[XXX2], van het inspectiebezoek op 28 januari 2020 stellen vast dat er in de assistentiewoningen Beauprez, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen (Grimminge) en uitgebaat door de NV Beauprez Service Residenties op hetzelfde adres verschillende ernstige tekorten zijn; - omwille van deze verschillende ernstige tekorten heeft het Agentschap Zorg en Gezondheid op 19 maart 2020 een aanmaning om zich te schikken naar de erkenningsvoorwaarden voor groepen van assistentiewoningen verstuurd; - hetzelfde agentschap heeft op dezelfde dag twee beschermende maatregelen opgelegd; - de beheersinstantie NV Beauprez Service Residenties heeft op 25 maart 2020 een remediëringsplan opgestuurd als reactie op deze aanmaning; - het Agentschap Zorg en Gezondheid heeft aan de beheersinstantie NV Beauprez Service Residenties een brief van de administrateur-generaal bezorgd waarin hetzelfde agentschap vaststelt dat het toegestuurde remediëringsplan onvoldoende is; - het inspectieverslag van Zorginspectie met het kenmerk V-2020-DADE-[XXX3] van het inspectiebezoek op 3 juni 2020 stelt vast dat er in de assistentiewoningen Beauprez, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen (Grimminge) en uitgebaat door de NV Beauprez Service Residenties op hetzelfde adres twee opgelegde beschermende maatregelen niet werden nageleefd; - het inspectieverslag van Zorginspectie met het kenmerk V-2020-DADE-[XXX4] van het inspectiebezoek op 28 augustus 2020 stelt vast dat er in de assistentiewoningen Beauprez, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen (Grimminge) en uitgebaat door de NV Beauprez Service Residenties op hetzelfde adres nog steeds verschillende tekorten niet geremedieerd zijn en dat er een aantal ernstige tekorten zijn bijgekomen; - de administrateur-generaal van het Agentschap Zorg en Gezondheid heeft op 19 november 2020 aangetekend met kennisgeving van ontvangst een gemotiveerd voornemen tot intrekking van de erkenning met de sluiting tot gevolg betekend aan de uitbater van de groep van assistentiewoningen gelegen Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen (Grimminge); XIV-39.319-4/17 - NV Beauprez Service Residenties heeft op 17 december 2020 en dus binnen de maand na ontvangst van voornoemd voornemen tot sluiting van 19 november 2020 in toepassing van artikel 39 van voornoemd besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 een bezwaarschrift ingediend bij het Agentschap Zorg en Gezondheid; - het Agentschap Zorg en Gezondheid heeft dit bezwaarschrift met bijhorende administratief dossier op 18 december 2020 bezorgd aan het secretariaat van de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers; - op maandag 1 februari 2021 heeft de zitting van de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezind en (Kandidaat-)pleegzorgers dit bezwaarschrift behandeld; - de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers heeft het advies AC/W-2020-02 op 24 februari 2021 aan het Agentschap Zorg en Gezondheid bezorgd; - de kamer Welzijnsvoorzieningen van de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers concludeert in haar advies AC/W-2020-02 het volgende: ‘Het woonzorgdecreet, goedgekeurd op 13 maart 2009, definieert een groep van assistentiewoningen als: ‘... een voorziening die bestaat uit een of meerdere gebouwen die functioneel een geheel vormen en waar, onder welke benaming ook, aan gebruikers van 65 jaar of ouder die er zelfstandig verblijven in individuele aangepaste wooneenheden, huisvesting wordt gegeven en ouderenzorg waarop zij facultatief een beroep kunnen doen.’ In een assistentiewoning ligt de nadruk op het bieden van huisvesting aan een bepaalde doelgroep. Het woonaanbod, eventueel aangevuld met comfortdiensten zoals poetsen en maaltijden, primeert op het zorgaanbod dat slechts bedoeld is om, bij uitzondering, de autonomie van de bewoner te ondersteunen. Op basis van de stukken en de hoorzitting stelt de commissie vast dat de organisator het zorgaanbod in de voorziening sterk benadrukt. Dat is onder meer het geval in de remediëringsplannen, met daarin onder andere een voorstel om logistiek personeel te instrueren over het uitvoeren van zorgtaken (wat wettelijk gezien niet mag) en om één van de uitbaters om te scholen tot zorgkundige. Ook is het voor wie op de website van GAW Beauprez naar informatie zoekt, onduidelijk dat zorg facultatief is in deze woonvorm. Hierdoor bestaat de indruk dat de organisator in de GAW Beauprez een zorgaanbod ontwikkelt dat niet overeenstemt met wat een groep van assistentiewoningen kan aanbieden. Bovendien merkt de commissie op dat er in de GAW Beauprez momenteel bewoners verblijven met een zorgprofiel dat niet is aangepast aan de aard van de voorziening. De kwaliteit van zorg voor deze bewoners is daardoor niet gewaarborgd. Hoewel de commissie vaststelt dat de verzoekende partij inspanningen heeft geleverd om de door zorginspectie vastgestelde tekorten weg te werken, en ze deze inspanningen ook apprecieert, meent de commissie dat deze inspanningen onvoldoende zijn om het voornemen tot intrekking van de erkenning te heroverwegen. De commissie is er immers niet van overtuigd dat de overgang naar wat een groep van assistentiewoningen volgens het woonzorgdecreet kan bieden en het bewonersprofiel dat ze kan huisvesten, effectief is ingezet en ook in de toekomst gevrijwaard zal blijven. Na kennis te hebben genomen van het administratief dossier en na de hoorzitting, beschouwt de commissie dit bezwaarschrift als ongegrond. De administratie heeft het dossier correct beoordeeld en heeft gehandeld binnen het geldend reglementair kader. De commissie beseft dat de intrekking van de erkenning een sluiting als groep van assistentiewoningen tot gevolg heeft. XIV-39.319-5/17 Ze vraagt aan beide partijen de nodige inspanningen te leveren om gezamenlijk de beste oplossing voor de huidige bewoners uit te werken. Wanneer verzoekende partij de werking voldoende bijgestuurd heeft om te voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, kan verzoekende partij steeds een nieuwe erkenning voor de groep van assistentiewoningen aanvragen.’; - de intrekking van de erkenning van de groep van assistentiewoningen heeft de sluiting tot gevolg; - de gedwongen verhuizing heeft een ernstige impact op de levenskwaliteit van de getroffen ouderen, aangezien zij hun vertrouwde woonomgeving moeten verlaten; - er moeten maatregelen worden genomen om de verdere huisvesting van de ouderen die momenteel in de voorziening verblijven te realiseren en de uitvoering van deze maatregelen moeten het voorwerp uitmaken van een voorafgaand overleg tussen de burgemeester en de voorzitter van het bijzonder comité sociale dienst van de gemeente in kwestie en het Agentschap Zorg en Gezondheid; - het is billijk voor de betrokken bewoners dat de sluiting van de groep van assistentiewoningen voldoende in de tijd wordt gespreid, in het bijzonder rekening houdend met de COVID-19 pandemie, zodat zij de kans krijgen om een volwaardig alternatief te vinden. Juridisch kader Dit besluit sluit aan bij de volgende regelgeving: - het woonzorgdecreet van 15 februari 2019; - het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 betreffende de procedures van woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers; - het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers; - het besluit van de Vlaamse Regering van 12 juli 2013 betreffende de Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (Kandidaat-)pleegzorgers; - het besluit van de Vlaamse Regering van 28 juni 2019 betreffende de programmatie, de erkenningsvoorwaarden en de subsidieregeling voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen voor mantelzorgers en gebruikers.” DE ADMINISTRATEUR-GENERAAL VAN HET AGENTSCHAP ZORG EN GEZONDHEID BESLUIT: Artikel 1. De intrekking van de erkenning en de sluiting van de groep van assistentiewoningen Beauprez, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen, uitgebaat door NV Beauprez Service Residenties, Klakvijverstraat 78 in 9506 Geraardsbergen, wordt bevolen. De intrekking van de erkenning en de sluiting houdt in dat de voorziening niet langer als groep van assistentiewoningen mag worden uitgebaat. Art. 2. Deze beslissing tot sluiting heeft uitwerking uiterlijk op 30 juni 2021. Deze beperkte periode is uitsluitend bedoeld om voor de huidige bewoners een door het agentschap aanvaarde oplossing te realiseren. Art. 3. In de periode tussen de kennisgeving van dit besluit en de uitwerking van dit besluit kunnen onder geen enkele voorwaarde nieuwe bewoners worden opgenomen. Art. 4. Ten overstaan van de bewoners kunnen enkel maatregelen genomen worden na voorafgaand en permanent overleg met het Agentschap Zorg en Gezondheid”. XIV-39.319-6/17 3.2. Bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent van 23 maart 2022 werd meester M.V. aangesteld als voorlopige bewindvoerder over de nv Beauprez Service Residenties, dit is de eerste verzoekende partij, met volgende opdracht: “(
- i)het beheer en het dagelijks bestuur van de nv Beauprez Service Residenties over te nemen en te voeren ter vervanging van haar bestuursorganen voor een voorlopige termijn van 6 (zes) maanden”; (
- ii)met uitsluiting van alle bestaande bestuurders cq. gedelegeerd bestuurder of hun gevolmachtigden, zo nodig met bijstand van de openbare macht en met gerechtsdeurwaarder, zich toegang te verschaffen tot de maatschappelijke zetel van de vennootschap alsook tot alle andere lokalen waar de boekhouding en administratie wordt bewaard ten einde zich deze en alle door haar nuttig bevonden informatie te doen overmaken om een overzicht te bekomen van de financiële en administratieve situatie van de vennootschap; (iii) een staat op te maken van alle actief- en passief bestanddelen van de vennootschap en zich daartoe indien nodig te laten bijstaan door een externe accountant; (
- iv)over te gaan tot verslaggeving betreffende de toestand van de vennootschap ten aanzien van de aandeelhouders; (
- v)alle nuttige maatregelen te nemen teneinde de waarde van het patrimonium, in het bijzonder het onroerend patrimonium te vrijwaren en te behouden; (
- vi)alle juridische belangen van de vennootschap zowel in rechte als in feite waar te nemen”; en (vii) verslag uit te brengen ten aanzien van de rechtbank (zie de Bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 27 april 2022).” 3.3. Met een schrijven van 5 september 2023 meldt de verwerende partij de Raad van State nog dat de panden inmiddels zijn verkocht en volledig zijn ontruimd. Bij dat schrijven voegt de verwerende partij een kopie van de e-mail van 30 augustus 2023 van meester M.V., gericht aan de raadsman van de verwerende partij, waarbij de voorlopige bewindvoerder bevestigt dat het onroerend pand is ontruimd op woensdag 23 augustus 2023. De verwerende partij stelt in haar schrijven aan de Raad van State nog dat zij niet inziet welk belang de verzoekende partijen nog zouden kunnen hebben bij de annulatieprocedure. 3.4. Op 6 oktober 2023 bevestigen de verzoekende partijen nog steeds belang te hebben, wat zij als volgt situeren: XIV-39.319-7/17 “De verzoekende partijen hebben evident nog een actueel belang bij de vernietigingsprocedure en dit om de volgende redenen: - Indien de Raad i.k.v. de vernietigingsprocedure de onwettigheid van het bestreden besluit vaststelt, kunnen de verzoekende partijen aanspraak maken op een schadevergoeding wegens onrechtmatig overheidsoptreden. - Een vernietigingsarrest van de Raad van State zou de verzoekende partijen ook tot voordeel strekken in verschillende andere lopende procedures (o.a. procedure bestuurdersaansprakelijkheid, strafprocedure, etc.) Hierbij komt bovendien nog dat het intrekkingsbesluit net de aanleiding was van de verkoop van het gebouw. Door het intrekkingsbesluit en de verplichte ontruiming kwam het gebouw grotendeels leeg te staan en drong een verkoop van het gebouw aan een derde partij voor de ontplooiing van nieuwe activiteiten (geen GAW) zich op.” 3.5. Op 19 oktober 2023 beslist de buitengewone algemene vergadering van de eerste verzoekende partij tot (
- i)de ontbinding van de eerste verzoekende partij (schriftelijk verslag opgesteld door het bestuursorgaan en gedateerd op 29 september 2023, staat van activa en passiva afgesloten per 31 augustus 2023, controleverslag opgemaakt door de bedrijfsrevisor en gedateerd op 3 oktober 2023), (
- ii)de benoeming van Mr. M.V., advocaat, als vereffenaar, (iii) het ontslag met onmiddellijke ingang van de bestuurders en (
- iv)de notaris te verzoeken over te gaan tot schrapping in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de heren E.P. en S.P. als bestuurder respectievelijk gedelegeerd bestuurder (zie de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 13 november 2023). 3.6. Uit de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad blijkt nog dat bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, het mandaat van meester M.V. als voorlopige bewindvoerder over de nv Beauprez Service Residenties werd verlengd. IV. Ontvankelijkheid van het beroep - Hoedanigheid Exceptie wegens gebrek aan hoedanigheid wat de eerste en de tweede verzoekende partij betreft XIV-39.319-8/17 Standpunt van de partijen 4. In de memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat de tweede verzoekende partij – die in het kader van een ontvankelijk ingediend beroep weliswaar in dat beroep vermag tussen te komen – niet over de vereiste hoedanigheid beschikt om het voorliggende beroep tot nietigverklaring in te dienen. Immers, het betreft te dezen een beroep waarbij de vernietiging wordt benaarstigd van de intrekking van de uitbatingserkenning waarover de eerste verzoekende partij beschikt. Enkel deze verzoekende partij beschikt dan ook over de vereiste hoedanigheid. Het gegeven zoals door de verzoekende partijen wordt uiteengezet, dat er bepaalde contracten tussen de eerste en de tweede verzoekende partij bestaan en deze laatste een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden intrekkingsbeslissing, doet er niet aan af dat de tweede verzoekende partij niet beschikt over de te dezen vereiste hoedanigheid om de vernietiging van de bestreden intrekkingsbeslissing te benaarstigen. Het komt enkel de eerste verzoekende partij toe die zowel de begunstigde is/was van de erkenning als de bestemmeling van de bestreden intrekkingsbeslissing te beoordelen of de eerste verzoekende partij verder is geïnteresseerd in het behoud van de verleende doch inmiddels ingetrokken erkenning. Dat de tweede verzoekende partij vanuit een eigen belang kan tussenkomen om het door de eerste verzoekende partij ingediende beroep te ondersteunen, leidt er niet toe dat zij de vereiste hoedanigheid heeft om de rechtsstrijd te openen. Als wie hoedanigheid heeft, de rechtsstrijd niet opent, wordt de bestuurshandeling definitief, ook al zou een derde-belanghebbende zoals de tweede verzoekende partij dat betreuren. In haar laatste memorie doet de verwerende partij nog gelden dat er in het auditoraatsverslag op correcte en pertinente wijze wordt verwezen naar de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder met een algemene opdracht over de eerste verzoekende partij. Enkel de voorlopige bewindvoerder vermocht dus een verzoek tot voortzetting in te dienen en enkel bij de voorlopige bewindvoerder kan procesbevoegdheid worden gesitueerd. Enkel indien de voorlopige bewindvoerder een verzoek tot voortzetting zou hebben ingediend zou er zijn voldaan aan de voorwaarde van hoedanigheid. Bovendien blijkt dat deze bewindvoerder door de voorzitter van de Ondernemingsrechtbank is aangesteld op verzoek van de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.615 XIV-39.319-9/17 minderheidsaandeelhouders. Voorts is, zo vervolgt de verwerende partij in haar laatste memorie, inmiddels op 19 oktober 2023 beslist tot ontbinding van de eerste verzoekende partij en tot benoeming van een vereffenaar (en het adres van de vereffenaar, het kantooradres, is uiteraard ook nu het adres van de zetel), te dezen meester M.V. die tevens de voorlopige bewindvoerder is over de eerste verzoekende partij zodat enkel deze voorlopige bewindvoerder met de daartoe vereiste hoedanigheid een verzoek tot voortzetting van de procedure vermocht in te dienen. Wat de tweede verzoekende partij betreft, handhaaft de verwerende partij haar standpunt dat de beëindigde erkenning, die betwist wordt, enkel is verleend aan de eerste verzoekende partij zodat enkel deze – en dus niet de tweede verzoekende partij – kan beslissen dat zij de erkenning wil behouden, met dien verstande dat – sedert dezer aanstelling – enkel de voorlopige bewindvoerder dit nog vermag te doen, wat niet is gebeurd. De verwerende partij wijst er nog op dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie verzuimen te repliceren op hetgeen ter zake in het auditoraatsverslag is gesteld. Het verzoek tot voortzetting is neergelegd nadat de eerste verzoekende partij in vereffening is gesteld en derhalve nadat de voorlopige bewindvoerder/vereffenaar is aangesteld. Er is dan ook geen processuele hoedanigheid. 5. In de memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen dat, anders dan de verwerende partij beweert, de tweede verzoekende partij wel degelijk beschikt over de vereiste hoedanigheid bij het verzoek tot nietigverklaring aangezien (
- i)tussen de eerste verzoekende partij en de tweede verzoekende partij op 1 januari 2017 een serviceovereenkomst van onbepaalde duur is gesloten, (
- ii)de tweede verzoekende partij het betrokken onroerend pand van de eerste verzoekende partij huurt, evenals de erkenning van de eerste verzoekende partij, wat uitdrukkelijk in artikel 4.2 van de eerdergenoemde serviceovereenkomst wordt vermeld. Hieruit volgt dat de tweede verzoekende partij wel degelijk hoedanigheid heeft aangezien zij “door de huur een aanspraak heeft die haar toebehoort, zijnde (de uitoefening van) de erkenning voor de uitbating van de GAW [lees: Groep van Assistentiewoningen]”. XIV-39.319-10/17 De verzoekende partijen beperken er zich in hun laatste memorie toe te hernemen wat zij in hun eerdere procedurestukken hebben uiteengezet en beklemtonen met name dat zij nog steeds over het vereiste actuele belang beschikken. Volgens hen kan het standpunt niet worden bijgevallen dat zij op basis van de loutere verkoop en ontruiming van het pand geen belang meer zouden hebben bij hun verzoek tot nietigverklaring, omdat zij het serviceflatgebouw of de groep van assistentiewoningen (hierna: afgekort GAW), na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing toch niet meer zouden kunnen uitbaten. Het was immers onhoudbaar geworden om enerzijds in te staan voor de energiekosten en anderzijds slechts beperkte inkomsten te genereren uit de co-housing. Een faillissement zou in dat geval onafwendbaar zijn. Het standpunt vertolkt in het auditoraatsverslag dat de verzoekende partijen door de verkoop van de betrokken panden als het ware automatisch hun belang verliezen, “druist in tegen artikel 6.1. EVRM en artikel 13 Gw.”. Daarenboven kan het niet redelijkerwijze worden betwist dat de verzoekende partijen nog een moreel voordeel (“hoe miniem ook”) zullen ondervinden ten gevolge van de nietigverklaring van de bestreden beslissing, wat “volgt uit de specifieke omstandigheden van dit dossier”. De intrekking van de erkenning van de GAW Beauprez genereerde immers zodanig veel negatieve media-aandacht, dat de reputatie van de verzoekende partijen ernstig werd geschaad. Een bevestiging erga omnes van de onwettigheid van de bestreden beslissing zou de verzoekende partijen vanzelfsprekend een morele genoegdoening verschaffen, omdat hun reputatie hierdoor toch voor een gedeelte zou worden hersteld. Beoordeling 6. De vereiste van hoedanigheid – procesbevoegdheid of kwaliteit – dient te worden onderscheiden van de vereiste van het belang. De hoedanigheid of procesbevoegdheid is het vermogen om een geschil bij de rechter aan te brengen met het verzoek er uitspraak over te doen. Een verzoekende partij dient over de vereiste hoedanigheid te beschikken om het beroep tot nietigverklaring in te stellen, voort te zetten of, in voorkomend geval, het geding te hernemen, te dezen, na een voor haar ongunstig auditoraatsverslag. XIV-39.319-11/17 Een verzoekende partij kan geen vordering instellen die erop is gericht een aanspraak die haar niet toebehoort, alsnog gerealiseerd te zien worden. Zij beschikt in dit geval niet over de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406, Van Dooren). Opdat een verzoekende partij de vereiste hoedanigheid zou hebben bij het beroep tot nietigverklaring, is vereist dat zij een zekere persoonlijke en individuele band vertoont met de bestreden beslissing, dat de bestreden beslissing haar benadeelt en zij, aldus, beschikt over het vereiste belang om de vernietiging ervan te benaarstigen. Samengevat, strekt de vereiste van hoedanigheid er niet enkel toe om in hoofde van een verzoekende partij de vereiste kwaliteit om in rechte op te treden te beoordelen, doch ook om de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring te beoordelen vanuit het oogpunt van het daartoe vereiste belang. A. Toepassing van de vereiste hoedanigheid in hoofde van de tweede verzoekende partij 7. De rechtsvordering waarvan het specifieke opzet erin bestaat om de bestreden beslissing tot “intrekking” ex nunc van een eerder toegekende erkenning ongedaan te maken kan alleen worden ingesteld door diegene waarvan de erkenning werd opgeheven. Alleen in hoofde van die persoon kan immers de opheffing van de erkenning ongedaan worden gemaakt. 8. Een verzoekende partij zoals te dezen de tweede verzoekende partij kan derhalve geen vordering instellen die erop is gericht een erkenning waarvan een andere partij de titularis is, alsnog gerealiseerd of bestendigd te zien door de vernietiging van de bestreden beslissing te benaarstigen. Het voordeel dat met de vernietiging van de bestreden beslissing wordt benaarstigd, met name het voortbestaan van de erkenning waarvan de eerste verzoekende partij de houdster is, kan alleen worden ingesteld door diegene die op dat voordeel aanspraak kan XIV-39.319-12/17 maken. Alleen aan die persoon – en dat is te dezen de eerste verzoekende partij – kan immers dat voordeel worden verleend. Het gegeven dat de tweede verzoekende partij daarop zoals zij voorhoudt via een met de eerste verzoekende partij gesloten serviceovereenkomst huurrechten zou kunnen doen gelden, verandert daaraan niets, wat des te meer geldt nu het betrokken onroerend pand waarop deze overeenkomst en de aan de eerste verzoekende partij verleende uitbatingserkenning betrekking had, inmiddels werd verkocht. 9. In de voorliggende zaak dient te worden vastgesteld dat het annulatieberoep in de mate het door de tweede verzoekende partij is ingesteld, niet ontvankelijk is nu zij daartoe niet over de vereiste processuele hoedanigheid beschikte noch beschikt. Het beroep tot nietigverklaring is niet ontvankelijk in hoofde van de tweede verzoekende partij. Met het oog op de uitspraak over de kosten, dient de tweede verzoekende partij evenwel, enkel wat dit aspect betreft, in het geding te worden behouden totdat definitief uitspraak over de kosten wordt gedaan. B. Toepassing van de vereiste hoedanigheid in hoofde van de eerste verzoekende partij 10. Wat de vereiste processuele hoedanigheid in hoofde van de eerste verzoekende partij betreft, stelt de Raad van State vast dat, tot en met de memorie van wederantwoord, de namens de eerste verzoekende partij ingediende procedurestukken zijn ondertekend en ingediend door een advocaat die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 19, vierde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. XIV-39.319-13/17 Evenwel, zoals supra bij de uiteenzetting van de feiten is gebleken (zie supra, punten 3.2 en 3.6), werd bij beschikking van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Gent, van 23 maart 2022 een voorlopige bewindvoerder aangesteld. Sedertdien beschikken de gewone bestuursorganen van de eerste verzoekende partij niet (langer) over de vereiste vertegenwoordigingsbevoegdheid om nog langer de vernietiging van de bestreden beslissing te benaarstigen en daartoe opdracht te verlenen. De aldus aangestelde voorlopige bewindvoerder, meester M.V., beschikt, zoals de verzoekende partijen reeds in het auditoraatsverslag hebben kunnen lezen, over een algemene opdracht over de eerste verzoekende partij en heeft onder meer (ook) tot taak alle juridische belangen van deze vennootschap zowel in rechte als in feite waar te nemen. De aanstelling van meester M.V. als voorlopige bewindvoerder werd nadien verlengd, waaruit volgt dat de gewone bestuursorganen tijdens de duur van dit mandaat hun vertegenwoordigingsbevoegdheid verliezen. Zolang die aanstelling niet wordt tenietgedaan, kunnen de gewone bestuursorganen van de vennootschap namens die vennootschap geen rechtsvorderingen en rechtsmiddelen instellen (Cass. 7 december 2020, nr. C.19.0593.N, ECLI:BE:CASS:20201207). Uit de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad van 13 november 2023, blijkt voorts nog dat de buitengewone algemene vergadering van de eerste verzoekende partij, gehouden op 19 oktober 2023, heeft beslist, samengevat, tot (
- i)de ontbinding van de eerste verzoekende partij, (
- ii)de benoeming van meester M.V. als vereffenaar, (iii) ingevolge de ontbinding, het ontslag met onmiddellijke ingang van de bestuurders en (
- iv)tot de schrapping in de Kruispuntbank van Ondernemingen van de heren E.P. en S.P. als bestuurder respectievelijk gedelegeerd bestuurder (zie supra, punt 3.5). 11. Het komt in die omstandigheden enkel de bij rechterlijke beslissing aangestelde voorlopige bewindvoerder, die inmiddels door de buitengewone algemene vergadering van de eerste verzoekende partij is aangesteld als vereffenaar, toe om namens de (ontbonden) eerste verzoekende partij rechtsvorderingen en rechtsmiddelen in te stellen. XIV-39.319-14/17 12. Te dezen is het auditoraatsverslag op 25 oktober 2023 door de griffie van de Raad van State op het elektronisch platform geplaatst. De laatste memorie met verzoek tot voortzetting werd door de verzoekende partijen ingediend op 24 november 2023. In hun laatste memorie repliceren de verzoekende partijen niet op hetgeen in het auditoraatsverslag is uiteengezet wat het gebrek aan hoedanigheid betreft. In dat verslag hebben zij kunnen lezen dat de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder met algemene opdracht – zoals het geval is wat de eerste verzoekende partij betreft –, tot gevolg heeft dat de gewone bestuursorganen tijdens de duur van dit mandaat hun vertegenwoordigingsbevoegdheid verliezen en waaruit volgt dat – zolang die aanstelling niet wordt tenietgedaan –, de gewone bestuursorganen van de vennootschap namens die vennootschap geen rechtsvorderingen en rechtsmiddelen kunnen instellen. Niet blijkt met de daartoe vereiste zekerheid dat de voorlopige bewindvoerder-vereffenaar van de inmiddels ontbonden eerste verzoekende partij kennis heeft kunnen nemen van het voor die verzoekende partij ongunstige auditoraatsverslag. Evenmin blijkt of zij, na kennisneming van het auditoraatsverslag, de gelegenheid heeft gehad te oordelen – mede in het licht van het daartoe vereiste actueel belang –, omtrent de opportuniteit om de nietigverklaring van de bestreden beslissing verder te benaarstigen en dus om, in het licht daarvan, met toepassing van artikel 58 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ ter griffie een verklaring tot hervatting van het geding in te dienen dan wel daartoe opdracht te verlenen. De verklaring ter terechtzitting van de raadsman van de verzoekende partijen dat hij “geen instructie tot stopzetting van de procedure” heeft bekomen, kan in de concreet voorliggende omstandigheden niet volstaan. Het is in die omstandigheden gepast de voorlopige bewindvoerder-vereffenaar de mogelijkheid te bieden desgevallend het geding namens de eerste verzoekende partij in vereffening te hervatten en desgewenst zijn ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.615 XIV-39.319-15/17 standpunt te laten kennen omtrent de bevindingen in het auditoraatsverslag wat (het belang van) de eerste verzoekende partij betreft, en wat haar eigen belang bij het beroep betreft. 13. De hervatting van een geding kan in beginsel binnen een redelijke termijn gebeuren. Aangezien enerzijds van een zorgvuldige verzoekende partij mag worden verwacht dat zij, bij een vereffening, reeds kennis heeft gegeven aan de vereffenaar van het feit dat zij een procedure tot nietigverklaring heeft ingediend nopens een (essentieel) bestanddeel van haar vermogen en anderzijds een eenvoudige verklaring ter griffie ter zake kan volstaan en gelet bovendien op het bepaalde in artikel 15 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling), volstaat een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de betekening van dit arrest om desgevallend die verklaring ter griffie te doen. 14. Indien de eerste verzoekende partij in vereffening binnen de supra, punt 13 bepaalde termijn, beslist het geding te hervatten, kan zij deze verklaring vergezellen met een nota waarin zij haar standpunt uiteenzet omtrent de bevindingen in het auditoraatsverslag inzake (het belang van) de eerste verzoekende partij en inzake haar (eigen) belang bij het beroep. In dat geval beschikt de verwerende partij over dertig dagen vanaf de kennisgeving dat (al dan niet) het geding is hervat en van de desgevallend bijgevoegde nota, om (ook) haar standpunt schriftelijk ter kennis te brengen van de Raad van State. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. Dit arrest wordt samen met het auditoraatsverslag betekend aan de voorlopige bewindvoerder–vereffenaar van de vennootschap. XIV-39.319-16/17 3. De voorlopige bewindvoerder beschikt over dertig dagen vanaf de kennisgeving van dit arrest om desgevallend ter griffie te verklaren om het geding te hervatten, waarbij die verklaring mag worden vergezeld met een nota zoals nader omschreven in punt 14. 4. De verwerende partij beschikt over dertig dagen vanaf de kennisgeving dat er al dan niet een verklaring tot gedinghervatting is neergelegd, die al dan niet is vergezeld van een nota, om schriftelijk haar standpunt inzake de (niet-)hervatting en de desgevallend overgelegde nota uiteen te zetten. 5. De zaak wordt vastgesteld op de terechtzitting van 4 september 2024 om 14.00 uur. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Chantal Bamps, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-39.319-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.615 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.232 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.187 citeert: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.406 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.