← België

Arrest 259617 - Monumenten en Landschappen - 24/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.617 Rolnummer: A. 236993/X-18210 Zaak: Arrest 259617 - Monumenten en Landschappen - 24/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-26 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-11 01:45 Fiche Arrest nr 259.617 van 24 april 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.617 no lien 276857 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 259.617 van 24 april 2024 in de zaak A. 236.993/X-18.210 In zake : S.R. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 augustus 2022, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het agentschap Onroerend Erfgoed van 17 februari 2022 “waarbij het preselectiedossier van de Stad Roeselare voor de erfgoedpremie via oproep binnen het thema ‘kleine totaalprojecten’ onontvankelijk wordt verklaard”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 255.081 van 22 november 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. X-18.210-1/8 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 november
  3. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Fiers, die loco advocaten Steve Ronse en Sofie Logie verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Angelique Van De Meirssche, die loco advocaat Veerle Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Het agentschap Onroerend Erfgoed van het Vlaamse Gewest (hierna: het agentschap) lanceert in 2021 een oproep voor het toekennen van een erfgoedpremie met als thema ‘kleine totaalprojecten’. X-18.210-2/8
  6. Op 1 februari 2022 dient de stad Roeselare een aanvraag in voor een erfgoedpremie voor de restauratie van het stadhuis met bijhorend belfort, dat sedert 1999 op de lijst van UNESCO-werelderfgoed is opgenomen (hierna: de betrokken site).
  7. Op 17 februari 2022 deelt het agentschap aan de stad Roeselare het volgende mee: “Wij stellen vast dat uw dossier niet voldoet aan de deelnemingsvoorwaarden […]. Het stadhuis van Roeselare met Belfort is UNESCO-werelderfgoed. Voor werken aan werelderfgoed is een goedgekeurd beheersplan vereist. Dit beheersplan ontbreekt. (Onroerenderfgoedbesluit artikel 11.2.
  8. 2°).” Dit is het bestreden besluit.
  9. Op 31 mei 2022 verzoekt de stad Roeselare het agentschap om het in het vorige randnummer bedoelde besluit te heroverwegen.
  10. Op 14 juni 2022 laat het agentschap aan de stad Roeselare weten niet op dit verzoek in te gaan.
  11. Bij ministerieel besluit van 31 mei 2022, gaat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Wonen en Onroerend Erfgoed over tot de preselectie van de projecten in het kader van voornoemde oproep voor een erfgoedpremie met als thema ‘kleine projecten’. Het project van de stad Roeselare is daar niet bij. X-18.210-3/8 IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Standpunt van verzoekster 9.
  12. Het eerste middel is genomen uit de “schending van het legaliteitsbeginsel, de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. 9.
  13. De verzoekende partij betwist dat het vigerend regelgevend kader oplegt dat een goedgekeurd beheersplan reeds voorhanden dient te zijn in de preselectieronde. Daartoe ontbreekt elke wettelijke bepaling. De verzoekende partij erkent dat artikel 11.2.1, 2°, van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 bepaalt dat een goedgekeurd beheersplan vereist is om een erfgoedpremie aan te kunnen vragen wanneer het project UNESCO-werelderfgoed betreft. Dit artikel lijkt evenwel een generieke bepaling te zijn, die niet specifiek verbonden is aan de preselectie of de effectieve aanvraag. Opgemerkt moet worden dat deze bepaling alvast niet specificeert op welk moment tijdens de aanvraag van de premie het goedgekeurd beheersplan moet voorliggen. De verzoekende partij vervolgt dat specifiek met betrekking tot de oproep en de preselectieronde (de zogenaamde “eerste ronde”) hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoedbesluit de onderafdeling 10/1 bevat. In de laatstgenoemde onderafdeling is nergens sprake van een goedgekeurd beleidsplan. Pas in onderafdeling 10/2 “Dossier voor de aanvraag van een erfgoedpremie via oproep” van het Onroerenderfgoedbesluit, zijnde de bepalingen voor de “tweede ronde”, valt de eerste vermelding van een goedgekeurd beheersplan op te merken. Voorts is er in de te dezen gedane oproep geen sprake van een goedgekeurd beheersplan. Volgens de verzoekende partij is het legaliteitsbeginsel geschonden aangezien noch het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, noch het Onroerenderfgoedbesluit noch de projectoproep zelf de ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.617 X-18.210-4/8 deelnemings-voorwaarde van een goedgekeurd beheersplan oplegt bij de preselectie. Bovendien frappeert het dat het agentschap het dossier van de verzoekende partij onontvankelijk verklaart. Er is immers geen enkele rechtsbasis voorhanden die het onontvankelijk verklaren van een projectdossier rechtvaardigt. Noch de afwezigheid van een goedgekeurd beheersplan, noch het ontbreken van enige andere deelnemingsvoorwaarde kan de onontvankelijkheid onderbouwen.
  14. In haar memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat de afwijzing van haar dossier in de preselectiefase het legaliteitsbeginsel schendt. Het lijdt bovendien geen twijfel dat op het moment van uiterste indiening voor de premiedossiers (tweede ronde), zijnde 1 februari 2023, een goedgekeurd beheersplan voorlag waarin de werken waarvoor de premie wordt aangevraagd, vermeld worden.
  15. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat de bestreden weigering voor haar des te zuurder is nu zij wel degelijk tijdig – dit is voor het beëindigen van de tweede fase – een beheersplan kon voorleggen. Beoordeling
  16. Artikel 11.2.1, 2°, van het Onroerenderfgoedbesluit eist voor UNESCO-werelderfgoed dat “de werken of diensten waarvoor een premie wordt aangevraagd vermeld zijn in een goedgekeurd beheersplan”.
  17. Artikel 11.2.27 van het Onroerenderfgoedbesluit stelt dat de projecten “worden geselecteerd via een preselectieronde met een jury”. Niet ten onrechte wijst de verwerende partij erop dat voor UNESCO-werelderfgoed de jury in de preselectieronde dient na te gaan of de werken of diensten waarvoor de premie wordt aangevraagd opgenomen zijn in een goedgekeurd beheersplan. De jury kan met andere woorden haar werk pas doen indien reeds in de preselectieronde een goedgekeurd beheersplan voorhanden is. X-18.210-5/8 Voorts geeft de verwerende partij een aannemelijke verklaring voor het feit dat er te dezen in de oproep niet is gevraagd om bij premie-aanvragen voor UNESCO-werelderfgoed een goedgekeurd beheersplan te voegen door meer bepaald te wijzen op het gegeven dat het agentschap reeds over alle goedgekeurde beheersplannen beschikt. Niet zonder pertinentie maakt de verwerende partij de vergelijking met beschermingsbesluiten: ook die moeten niet bij een premie-aanvraag worden gevoegd, daar het agentschap reeds over alle beschermingsbesluiten beschikt.
  18. De argumentatie van de verzoekende partij in verband met de onderafdelingen 10/1 en 10/2 van afdeling 2 “Erfgoedpremie” van hoofdstuk 11 van het Onroerenderfgoedbesluit mist overtuigingskracht. Met de verwerende partij wordt immers aangenomen dat artikel 11.2.1, 2°, van het Onroerenderfgoedbesluit (randnr. 12) een algemene bepaling is, die ook geldt voor de preselectieronde. De enkele omstandigheid dat de verzoekende partij op 1 februari 2023 – dit is bijna een jaar nadat het bestreden besluit genomen is – kon beschikken over een goedgekeurd beheersplan waarin de betrokken werken zijn vermeld, mag dan de zaak voor haar “des te zuurder” maken, het toont geenszins enige onwettigheid aan.
  19. Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Standpunt van verzoekster 16.
  20. Het tweede middel is genomen uit de “schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het daarin vervatte gelijkheidsbeginsel”. 16.
  21. De verzoekende partij ontwaart een schending van het gelijkheidsbeginsel in zoverre het moment waarop een erfgoedsite opgenomen wordt op de UNESCO-werelderfgoedlijst invloed heeft op de mogelijkheid om een erfgoedpremie te verkrijgen. Immers, wanneer de eigenaar van een erfgoedsite ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.617 X-18.210-6/8 slechts enkele maanden voor de uiterste datum voor het indienen van de preselectiedossiers wordt geïnformeerd over de opname van de site op de UNESCO-werelderfgoedlijst, is hij niet meer in de mogelijkheid om over een goedgekeurd beheersplan te beschikken op het ogenblik van de uiterste indieningsdatum voor de preselectiedossiers.
  22. In haar memorie van wederantwoord benadrukt de verzoekende partij dat uit haar eerste middel blijkt dat het Onroerenderfgoedbesluit geen verplichting oplegt om in de preselectiefase over een goedgekeurd beheersplan te beschikken. Beoordeling
  23. In zoverre het eerste middel wordt herhaald, wordt verwezen naar de verwerping van dit middel hiervoor (randnrs.12 tot 15).
  24. Voorts doet de verwerende partij terecht gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het tweede middel. De erin geschetste situatie doet zich immers niet voor in hoofde van de verzoekende partij, nu de betrokken site reeds in 1999 op de UNESCO-werelderfgoedlijst is opgenomen.
  25. Het tweede middel wordt verworpen. BESLISSING
  26. De Raad van State verwerpt het beroep.
  27. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, op een bijdrage van 44 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 924 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-18.210-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vierentwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.210-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.617 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.081 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.