id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.629 Rolnummer: A. 238132/VII-41849 Zaak: Arrest 259629 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-08 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-06-11 01:49 Fiche Arrest nr 259.629 van 25 april 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.629 no lien 276866 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.629 van 25 april 2024 in de zaak A. 238.132/VII-41.849 In zake : K.M. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Cauwelier kantoor houdend te 1930 Zaventem Vilvoordelaan 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 januari 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0278 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 december 2022 in de zaak 2122-RvVb-0712-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 16 maart
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 27 juli 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. VII-41.849-1/7 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart
- Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Denderleeuw weigert aan verzoeker een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een parkeerstrook in de voortuin van zijn woning. Na bestuurlijk beroep van verzoeker wordt de vergunning ook geweigerd door de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt het beroep van verzoeker tegen het deputatiebesluit als onontvankelijk gelet op de laattijdige betaling van het rolrecht. VII-41.849-2/7 IV. Onderzoek van de cassatiemiddelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Hij zet uiteen: “[Het] betrof […] een initieel beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingevolge de beslissing van 7/4/2022 van de Provincie Oost-Vlaanderen, vertegenwoordigd door de Deputatie van de Provincieraad. Wanneer gekeken wordt naar de initiële beslissing, en meer bepaald de beroepsmogelijkheden, werd verwezen op pagina 7 naar de website van de Raad voor Vergunningsbetwistingen […] alsook naar de toepassing van art. 105 van het Omgevingsvergunningsdecreet. [Verzoeker] heeft dit dan ook tevens gedaan en vastgesteld dat in de publicatie (website) bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen nog steeds melding werd gemaakt van het feit dat de betaling van de rolrechten nog steeds ingingen of dienden gerespecteerd te worden van 15 dagen na de betekening van het verzoek daartoe door de griffier van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Dit werd opgenomen in het luik FAQ van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en was op datum van 2/10/2022 nog steeds actueel. ([Verzoeker] legde een originele afdruk neer middels zijn verantwoordingsnota voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen). Deze informatie wordt overigens op dit ogenblik nog steeds zo gecommuniceerd via het Omgevingsloket. [Verzoeker] voegt ook het bewijs dienaangaande. Dergelijke schendingen met betrekking tot de kennisgeving en het recht van verdediging leiden onherroepelijk tot een niet te herstellen schending van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging. [Verzoeker] heeft dit ook aangehaald in het kader van zijn verantwoordingsnota bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, verwijzend naar het feit dat hij dienaangaande misleid werd. N.a.v. de verantwoordingsnota en de bestreden beslissing van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, heeft [verzoeker] overigens een nieuwe zoektocht op het internet gedaan en heeft vastgesteld dat de Raad voor ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.629 VII-41.849-3/7 Vergunningsbetwistingen inmiddels [zijn] publicatie op de website dienaangaande heeft verwijderd. [Verzoeker] meent dan ook dat de termijn van 15 dagen, zoals ook gepubliceerd op de website van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (minstens tot 2/10/2022, alsook via het Omgevingsloket, publicaties waarnaar ook expliciet verwezen wordt in de bestreden beslissing), dan ook in aanmerking dient genomen te worden. Dat [verzoeker] dan ook meent dat zijn rechten op een eerlijk proces en verdediging manifest werden geschonden.” Beoordeling
- Artikel 6.1 EVRM waarborgt eenieder het recht op een eerlijk proces, wat het recht omvat op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld. Het recht op toegang tot een rechter is echter niet absoluut en kan worden onderworpen aan procedureregels, voor zover zij niet van aard zijn de toegang tot de rechter onmogelijk te maken, een legitiem doel nastreven, en er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen het nagestreefde doel en de gebruikte middelen. Bij de toepassing van zulke procedureregels moet de rechter zowel overdreven formalisme, dat afbreuk zou doen aan de eerlijkheid van het proces, als overdreven flexibiliteit, dat de procedureregels waardeloos zou maken, vermijden (zie bv. Europees Hof voor de Rechten van de Mens, arrest van 31 januari 2017 in de zaak Hasan Tunç en anderen tegen Turkije, overwegingen 31 tot 33).
- De Raad voor Vergunningsbetwistingen verklaart het beroep van verzoeker niet ontvankelijk omdat het rolrecht niet tijdig werd betaald. Hij maakt daartoe toepassing van artikel 21, § 5, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, dat als volgt luidt: “§
- Gelijktijdig met de indiening van het verzoekschrift houdende een vordering tot vernietiging of een vordering tot schorsing, dat ingediend is conform artikel 40, § 1, of gelijktijdig met haar tussenkomst in de voormelde ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.629 VII-41.849-4/7 vorderingen, bezorgt de verzoekende of tussenkomende partij het bewijs dat een overschrijvingsopdracht is gegeven of dat een storting is uitgevoerd tot betaling van het rolrecht. Als het rolrecht, vermeld in het eerste lid, niet op tijd is gestort, nodigt de griffier de verzoekende of de tussenkomende partij met een beveiligde zending uit om het rolrecht alsnog te betalen. De griffier vermeldt daarbij de sanctie, vermeld in het derde lid. In dit geval wordt het rolrecht gestort binnen acht dagen na de dag van de betekening van de voormelde beveiligde zending. Als het bedrag van het rolrecht niet op tijd is gestort door de verzoekende of tussenkomende partij, is het beroep of de tussenkomst van die partij onontvankelijk.” De Raad voor Vergunningsbetwistingen erkent daarbij dat de sanctie van de niet-ontvankelijkheid kan worden gemilderd in geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling, doch oordeelt dat uit de uiteenzetting van verzoeker geen redenen blijken die als overmacht of onoverwinnelijke dwaling kunnen worden beschouwd.
- De verplichting om, op straffe van niet-ontvankelijkheid, het rolrecht tijdig te betalen, is gericht op de goede en efficiënte rechtsbedeling en streeft als zodanig een legitiem doel na. Tussen de zorg voor een goede en efficiënte rechtsbedeling en de sanctie van de niet-ontvankelijkheid van het beroep bestaat ook een redelijk verband van evenredigheid nu die sanctie maar zal kunnen worden toegepast wanneer de verzoekende partij heeft nagelaten het rolrecht te betalen binnen de acht dagen na de dag van betekening van een beveiligde zending waarin de griffier haar uitnodigt de betaling uit te voeren, behoudens wanneer die betaling niet kon worden uitgevoerd door een geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Het bestreden arrest miskent dan ook niet de draagwijdte van artikel 6 EVRM. Als cassatierechter kan de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf treden. De Raad van State kan dan ook niet opnieuw beoordelen of VII-41.849-5/7 de door verzoeker in het middel aangehaalde feitelijke gegevens als overmacht of onoverwinnelijke dwaling kwalificeren.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel voert verzoeker de “miskenning [aan van de] materiële motiveringsverplichting”. Hij zet uiteen dat hij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft aangevoerd dat hij door een geval van overmacht werd verhinderd om het rolrecht tijdig te betalen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen zou bij de beoordeling van zijn argumenten niet zijn uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die argumenten niet correct hebben beoordeeld en op grond daarvan een onredelijk besluit hebben genomen. Beoordeling
- De Raad voor Vergunningsbetwistingen is een rechtsprekend orgaan en geen orgaan van actief bestuur. Als zodanig is hij niet onderworpen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel. Het middel dat ervan uitgaat dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dient na te leven bij het onderzoek van de ontvankelijkheid van het voor hem gebrachte vernietigingsberoep, is niet ontvankelijk. VII-41.849-6/7 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.849-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.629 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div