← België

Arrest 259631 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.631 Rolnummer: A. 239021/VII-42017 Zaak: Arrest 259631 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-08 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-06-11 01:49 Fiche Arrest nr 259.631 van 25 april 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.631 van 25 april 2024 in de zaak A. 239.021/VII-42.017 In zake : J.D. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Roland Mittenaere kantoor houdend te 8500 Kortrijk Peter Benoitstraat 7, bus 8 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE OOSTKAMP -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 mei 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0709 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 30 maart 2023 in de zaak 2122-RvVb-0667-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 15 juni
  3. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 12 oktober 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). VII-42.017-1/8 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart
  4. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp neemt met een besluit van 28 maart 2022 akte van de melding die de exploitant van een tuinbouwbedrijf heeft gedaan van de exploitatie van een bovengrondse dieseltank als inrichting van de derde klasse. 3.
  7. Verzoeker is eigenaar van een aanpalend terrein, en dient tegen het besluit van 28 maart 2022 een beroep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het bestreden arrest verwerpt dat beroep. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  8. Verzoeker heeft in zijn “laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure” inhoudelijk gerepliceerd op het verslag van de eerste auditeur. VII-42.017-2/8 Het cassatieprocedurebesluit voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het auditoraatsverslag nog een schriftelijke repliek in te dienen. Wanneer de auditeur concludeert dat het cassatieberoep moet worden verworpen, kan de verzoeker luidens artikel 18 van het cassatieprocedurebesluit vragen dat de procedure wordt voortgezet, bij gebreke waaraan de afstand van het geding kan worden toegewezen. De “laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de procedure” wordt slechts als procedurestuk aanvaard in zoverre hierin de vraag wordt gesteld om de procedure voort te zetten. V. Onderzoek van de cassatiemiddelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van “de bestemmingsvoorschriften” van “het koninklijk besluit van 7 april 1977 waarbij het gewestplan ‘Brugge-Oostkust’ [werd vastgesteld] en van de voorschriften van de verkaveling van [F-F.W.] van 27 december 2010”: “- Eerste onderdeel: […] Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn bestreden beslissing stelt dat verzoeker de schending van de verkavelingsvoorschriften niet ondersteunt, Terwijl uit de bestreden aktename zelf uitdrukkelijk blijkt dat de [ingedeelde inrichting of activiteit] gelegen is in woongebied volgens het gewestplan ‘Brugge-Oostkust’ vastgesteld bij het koninklijk besluit van 7 april 1977 en in de verkaveling van [F-F.W.] van 27 december 2010 […]. Verzoeker heeft dan ook wel degelijk de schending van de bestemmings- en verkavelingsvoorschriften ondersteund én aangetoond. - Tweede onderdeel: […] Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet gevolgd kan worden waar de Raad van oordeel is dat een mazouttank bestemd om er diesel te laten tanken door bedrijfsvoertuigen thuishoort in de woonzone waarvan sprake in de betwiste aktename van 28 maart
  10. Terwijl dat niet het geval is voor een litigieuze mazouttank die bestemd [is] voor bedrijfswagens gelet op de bestemming woonzone en tuingrond.” VII-42.017-3/8 Beoordeling
  11. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. Verzoeker duidt in het middel niet met voldoende nauwkeurigheid aan welke “bestemmingsvoorschriften” door het bestreden arrest zouden zijn miskend, zodat het voor de Raad van State niet mogelijk is om zijn wettigheidscontrole op het bestreden arrest uit te oefenen. Het middel is niet ontvankelijk. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  12. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 5 en 111 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’: “Doordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt dat de aktenemende overheid geen verplichting heeft om te toetsen of de aanvraag verenigbaar is [met] de goede ruimtelijke ordening, onder meer wat betreft hinderaspecten zoals geurhinder en vervuiling van de voor huishoudelijk gebruik dienstige regenwaterput. Terwijl de minimale beoordelingsruimte van het bestuur in geen geval toelaat de bestemmingsvoorschrift[en] en de goede ruimtelijke ordening te miskennen nu het Omgevingsvergunningsdecreet in zijn art. 5 bepaalt dat het zowel van toepassing is op projecten die aan de vergunningsplicht zijn onderworpen als op projecten die onderworpen zijn aan de meldingsplicht.” VII-42.017-4/8 Beoordeling
  13. Artikel 111, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ bepaalt dat de bevoegde overheid nagaat of de gemelde handelingen of exploitatie meldingsplichtig zijn of niet verboden zijn bij of krachtens artikel 5.4.3, § 3, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’, of krachtens de artikelen 4.2.2, § 1 en 4.2.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. De Raad voor Vergunningsbetwistingen leidt uit deze bepaling terecht af dat de bevoegde overheid geen verplichting heeft om te toetsen of de gemelde handelingen of exploitatie verenigbaar zijn met de goede ruimtelijke ordening. Artikel 5 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’, dat het toepassingsgebied vaststelt van dat decreet, doet hieraan geen afbreuk. Het middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  14. Het derde middel wordt afgeleid uit de schending van “het wettigheidstoezicht [met betrekking tot] het omvormen van tuinzone tot industriegrond [d]oordat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in fine van zijn bestreden beslissing stelt dat het zonder vergunning omvormen van de tuinzone in woongebied tot industrieterrein [een] opportuniteitsbeoordeling uitmaakt, [t]erwijl het hier gaat om een uitgesproken wettigheidstoezicht [zodat] [d]e Raad voor Vergunningsbetwistingen […] in gebreke [is] gebleven om het zich opdringende wettigheidstoezicht uit te oefenen”. VII-42.017-5/8 Beoordeling
  15. Verzoeker duidt in het middel niet aan welke rechtsregel of welk beginsel wordt bedoeld met het geschonden geachte “wettigheidstoezicht [met betrekking tot] het omvormen van tuinzone tot industriegrond”. Het middel laat de Raad van State niet toe zijn wettigheidscontrole op het bestreden arrest uit te oefenen, en is niet ontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  16. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van “de [artikelen] 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de regels inzake de jurisdictionele motiveringsplicht waaronder [artikel] 149 [van de] Grondwet”. Hij zet uiteen dat hij voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen diverse annulatiegronden heeft aangevoerd ten opzichte van de door hem bestreden aktename van 28 maart
  17. Het feit dat de verwerende partij bij de aktename van de melding slechts een beperkte beoordelingsbevoegdheid heeft, neemt volgens verzoeker niet weg dat haar aktename moet beantwoorden zowel aan de formele- als aan de materiëlemotiveringsplicht. Verzoeker wijst erop dat de redenen in de beslissing zelf moeten zijn opgenomen en dat de beslissing door de motivering voldoende moet gedragen worden. De schending van de motiveringsplicht zou zonder meer leiden tot de onwettigheid van de bestuurshandeling. Hij besluit dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen de wettelijke bepalingen zou hebben geschonden zowel wat de materiële- als de formelemotiveringsplicht van de bestuurshandelingen betreft. VII-42.017-6/8 Beoordeling
  18. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is niet van toepassing op rechtsprekende organen zoals de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Als cassatierechter kan de Raad van State wel onderzoeken of de Raad voor Vergunningsbetwistingen de draagwijdte van de bepalingen van deze wet heeft geschonden bij de beoordeling of het besluit dat voor hem werd bestreden, aan die bepalingen voldoet. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen echter niet aangevoerd dat de door hem bestreden aktename de bepalingen van deze wet miskent. Hij kan die grief niet voor het eerst in cassatie opwerpen. In zoverre het middel de schending aanvoert van de bepalingen van deze wet, is het dan ook niet ontvankelijk.
  19. In het middel wordt niet uiteengezet op welke wijze het bestreden arrest de jurisdictionele motiveringsplicht, opgelegd door artikel 149 van de Grondwet, zou miskennen. Ook in zoverre de schending van die bepaling wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  21. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. VII-42.017-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-42.017-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.