← België

Arrest 259636 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/04/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 Rolnummer: A. 238603/VII-41948 Zaak: Arrest 259636 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 25/04/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-04-29 Raadplegingen: 142 - laatst gezien 2026-06-11 00:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 259.636 van 25 april 2024 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 no lien 276402 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.636 van 25 april 2024 in de zaak A. 238.603/VII-41.948 In zake : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. XXXX
  2. XXXX
  3. XXXX
  4. XXXX
  5. XXXX
  6. XXXX
  7. XXXX
  8. XXXX
  9. XXXX
  10. XXXX
  11. XXXX
  12. XXXX
  13. XXXX
  14. XXXX
  15. XXXX
  16. XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Astrid Lippens kantoor houdend te 9000 Gent Nieuwebosstraat 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen :
  17. het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Bert Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 VII-41.948-1/14 bij wie woonplaats wordt gekozen
  18. de NV CLUB BRUGGE DEVELOPMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Matthias Strubbe kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  19. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 maart 2023, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2223-0506 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 2 februari 2023 in de zaak 2122 RvVb-0125-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  20. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 20 april
  21. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 mei
  22. De eerste tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. De nv Club Brugge Development heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 juni
  23. De tweede tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. VII-41.948-2/14 Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 21 september 2023 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’ (hierna: cassatieprocedurebesluit). De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 maart
  24. Staatsraad Francis Van Nuffel heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Astrid Lippens en Milo Vandekerckhove, die verschijnen voor de verwerende partijen, advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Pieter-Jan Defoort, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  25. De tweede tussenkomende partij dient bij de verzoekende partij een aanvraag in tot afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouw en exploitatie van een voetbalstadion en de aanleg van een parkzone, op de Olympiasite te Brugge. De verzoekende partij beslist op 6 oktober 2021 om de omgevingsvergunning onder voorwaarden te verlenen. VII-41.948-3/14 3.
  26. De verwerende partijen stellen een vernietigingsberoep in bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Met het bestreden arrest vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de beslissing tot afgifte van de omgevingsvergunning. IV. Onderzoek van het derde middel tot cassatie Uiteenzetting van het middel
  27. De verzoekende partij voert de schending aan van: - de bijzondere voorwaarde in artikel 4, § 1, 5°, van de omgevingsvergunning, - de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 8.15 tot 8.18 van het Burgerlijk Wetboek en het principe van de miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken, - artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, - artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, d), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, - het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
  28. Het eerste onderdeel van het middel wordt “genomen uit de schending van de bijzondere voorwaarde in artikel 4, § 1, 5° van de omgevingsvergunning, van de artikelen 1319, 1320 en 1322 [van het oud Burgerlijk Wetboek], de artikelen 8.15 tot 8.18 [van het Burgerlijk Wetboek], het hieruit volgende principe van de miskenning van de bewijskracht van de akte en de rechterlijke motiveringsplicht van artikel 149 [van de] Grondwet en artikel 32, tweede lid, [van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’]. Doordat de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] oordeelt dat als de uitgangspunten van het mobiliteitsplan ‘geen realistisch beeld van de huidige referentiesituatie weergeven, […] het risico [bestaat dat een vertekend beeld wordt geschept over de haalbaarheid van enkele maatregelen of ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 VII-41.948-4/14 doelstellingen uit het mobiliteitsplan’, vervolgens oordeelt dat het ‘louter feit dat het mobiliteitsplan zo is opgesteld dat de [tweede tussenkomende partij in cassatie] geen tickets mag verkopen wanneer er onvoldoende beschikbaarheid bestaat van parkeerplaatsen (op afstandsparkings), en hierdoor geen mobiliteitshinder wordt verwacht’ daaraan geen afbreuk doet en vervolgens oordeelt dat de bezwaren van een aantal van [de verwerende partijen in cassatie] in de bestreden beslissing en het administratief dossier niet betrokken worden; Terwijl, in artikel 4, § 1, 5° van de omgevingsvergunning een juridisch bindende bijzondere voorwaarde is opgenomen die erin bestaat dat er nooit meer tickets met de vervoerkeuze ‘personenwagen’ verkocht kunnen worden dan er beschikbare (afstands)parkings zijn en de rechter aan een stuk geen uitlegging mag geven die onverenigbaar is met de inhoud ervan of geen zaken mag toevoegen die niet in het stuk aanwezig zijn of zaken weglaten die wel in het stuk aanwezig zijn.” De verzoekende partij verschaft bij dit eerste onderdeel nog de toelichting dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen vertrekt van de veronderstelling dat uit het mobiliteitsplan volgt dat de exploitant in bepaalde omstandigheden geen tickets mag verkopen, maar in de beoordeling van het middel volkomen eraan voorbijgaat dat het om een juridisch bindende bijzondere voorwaarde gaat die opgelegd wordt in de omgevingsvergunning. Door volkomen abstractie te maken van de omstandigheid dat de bijzondere voorwaarde juridisch bindend is, zou de bewijskracht van de omgevingsvergunning worden miskend.
  29. Het tweede onderdeel van het middel wordt “genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de [wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’] en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, van de artikelen 1319, 1320 en 1322 [van het oud Burgerlijk Wetboek], de artikelen 8.15 tot 8.18 [van het Burgerlijk Wetboek] en het hieruit volgende principe van de miskenning van de bewijskracht van de akte Doordat de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] in antwoord op het tweede middel uit het verzoek tot nietigverklaring samengevat oordeelt dat uit de motieven van de bestreden beslissing ‘niet kan worden afgeleid dat de bezwaren die geuit werden over de doeltreffendheid van het mobiliteitsplan op een afdoende zorgvuldige wijze beoordeeld zijn door het Team Mer en/of door de [verzoekende partij in cassatie]’ en dat ‘meer bepaald […] de resultaten uit de studie van mobiliteitsdeskundige [D.L.] over het gegeven dat het mobiliteitsplan en het project-MER een verkeerde ‘huidige modal ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 VII-41.948-5/14 split’ en ‘huidige autobezettingsgraad’ hanteren, in strijd met de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, nergens in de bestreden beslissing betrekken’, Terwijl, de formele motiveringsverplichting die is vervat in de artikelen 2 en 3 van de [wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’] ten aanzien van tijdens het openbaar onderzoek opgeworpen bezwaren inhoudt dat de motivering summier mag zijn en dat niet is vereist dat stelselmatig en punt na punt wordt geantwoord op alle bezwaren die in de loop van het openbaar onderzoek zijn geuit en terwijl het volstaat dat in de beslissing wordt aangegeven op grond van welke elementen en argumenten de relevante bezwaren niet kunnen worden bijgetreden en op de overheid geen verplichting elk bezwaar of onderdeel van een bezwaar uitdrukkelijk afzonderlijk te beoordelen. En terwijl, het zorgvuldigheidsbeginsel inhoudt dat een bestuur zich op afdoende wijze dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen en deze belangen tegen elkaar dient af te wegen in het licht van het doel van het besluit, zonder dat daarbij vereist is dat het bestuur punt voor punt op elk bezwaar antwoordt. En doordat het oordeel van de [Raad voor Vergunningsbetwistingen] dat ‘de resultaten uit de studie van mobiliteitsdeskundige [D.L.] over het gegeven dat het mobiliteitsplan en het project-MER een verkeerde ‘huidige modal split’ en ‘huidige autobezettingsgraad’ hanteren, in strijd met de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, nergens in de bestreden beslissing betrokken’ worden, strijdt met de passage in de omgevingsvergunning waar de bezwaren worden besproken, en meer bepaald de volgende passage […], waaruit duidelijk blijkt dat niet zonder meer voorbij wordt gegaan aan dit bezwaar[:] - Het risico op het niet halen van het combi-ticketsysteem wordt bij de uitbater gelegd. Zo worden vele opmerkingen gemaakt over de haalbaarheid van de voorgestelde gemiddelde autobezettingsgraad van 3,5 personen voor niet-VIP’s die op de site zelf parkeren, of de haalbaarheid om aan supporters een verplicht aankomstuur op te leggen. Deze opmerkingen worden niet relevant, omdat de exploitant maar zoveel tickets kan verkopen als er beschikbaar zijn voor een bepaalde vervoermodus en zelfs voor een bepaald tijdslot. Als alle tickets voor autobestuurders (beperkt door de capaciteit van de parking), fiets (beperkt door de capaciteit van de fietsenstalling), shuttles (beperkt door de capaciteit van de afstandsparkings) of bussen (beperkt door het aanbod aan supportersbussen) op zijn, en de persoon niet woont in de perimeter waar hij ook een ticket met de optie ‘te voet’ kan kiezen, dan blijven alleen de optie openbaar vervoer of autopassagier over. Als er daar geen vraag voor is, blijven deze tickets onverkocht, wat het risico is van de exploitant. Hetzelfde geldt voor de bezwaren inzake de haalbaarheid en beschikbaarheid van de afstandsparkings of de beschikbaarheid van shuttlebussen. Indien dit aanbod er minder is, dan kunnen er minder tickets met die vervoerregeling verkocht worden. Hetzelfde geldt voor de peak shaving: indien er alleen nog tickets zijn voor een bepaald aankomst- of vertrekuur, dan zullen alleen supporters die bereid en in staat zijn om ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 VII-41.948-6/14 zich daarnaar te schikken het ticket kunnen kopen. Het is positief dat de verplichte combi-ticketregeling de supporters ertoe dwingt zich bewust te zijn van de wijze en de tijd waarop ze zich naar het stadion kunnen begeven, en daarmee rekening te houden, niet enkel voor hun eigen comfort, maar ook voor de draagkracht van de buurt; Terwijl, de artikelen 1319, 1320 en 1322 [van het oud Burgerlijk Wetboek], de artikelen 8.15 tot 8.18 [van het Burgerlijk Wetboek] en het hieruit volgende principe van de miskenning van de bewijskracht van de akte betekent dat de rechter aan een stuk (in deze de omgevingsvergunning) geen uitlegging mag geven die onverenigbaar is met de inhoud ervan of geen zaken mag toevoegen die niet in het stuk aanwezig zijn.” In de toelichting bij het tweede onderdeel van het middel zet de verzoekende partij uiteen dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen aan de motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel een onjuiste invulling heeft gegeven door te oordelen dat uit de motieven van de bestreden vergunning niet kan worden afgeleid dat de bezwaren die geuit worden over de doeltreffendheid van het mobiliteitsplan op een afdoende zorgvuldige wijze beoordeeld zijn door het “Team Mer” en/of de verzoekende partij, en dat de resultaten uit de studie van mobiliteitsdeskundige D.L. over het gegeven dat het mobiliteitsplan en het project-MER een verkeerde ‘huidige modal split’ en ‘huidige autobezettingsgraad’ hanteren. Door te oordelen dat het niet betrekken van de resultaten van de mobiliteitsdeskundige op zich in strijd is met de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, zou de Raad voor Vergunningsbetwistingen impliciet aannemen dat de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel wel een verplichting tot het stelselmatig punt per punt beantwoorden impliceren. De omstandigheid dat er geen verplichting bestaat om de kritiek van mobiliteitsdeskundige D.L. meer omstandig te weerleggen, zou volgens de verzoekende partij des te meer gelden gelet op de bijzondere vergunningsvoorwaarde die erin bestaat dat er nooit meer tickets kunnen worden verkocht dan er beschikbare parkeerplaatsen zijn. In het licht hiervan zou de kritiek van mobiliteitsdeskundige D.L. niet relevant zijn. De Raad voor Vergunningsbetwistingen zou dan ook aan de formelemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel een draagwijdte hebben gegeven die uitgaat van een te doorgedreven wettigheidstoets. VII-41.948-7/14 VII-41.948-8/14 Beoordeling
  30. Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen bevatten”. Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend. De verzoekende partij zet in het middel niet uiteen op welke wijze het bestreden arrest een schending zou inhouden van artikel 149 van de Grondwet, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’, en artikel 4.3.1, § 1, eerste lid, 1°, d), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. In zoverre de schending van die bepalingen wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk.
  31. Naar luid van artikel 14, § 2, RvS-wet neemt de Raad van State kennis van de cassatieberoepen tegen beslissingen van administratieve rechtscolleges wegens overtreding van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen. Een omgevingsvergunning is een individuele akte zonder verordenende of algemeen verbindende kracht, die als zodanig geen “wet” is in de zin van voormeld artikel 14, §
  32. In zoverre de schending wordt aangevoerd van “de bijzondere voorwaarde in artikel 4, § 1, 5° van de omgevingsvergunning”, is het middel niet ontvankelijk.
  33. De artikelen 8.17 en 8.18 van het Burgerlijk Wetboek verplichten de rechter de bewijskracht van akten te eerbiedigen. De Raad voor Vergunningsbetwistingen miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 VII-41.948-9/14 onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, een verklaring toeschrijft die het geschrift niet bevat, dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. De rechter die uit een akte louter een feitelijk of juridisch gevolg trekt, miskent echter de bewijskracht van die akte niet.
  34. In zoverre de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel de schending aanvoert van de bewijskracht van een bijzondere voorwaarde van de omgevingsvergunning, legt zij niet uit op welke wijze de aangehaalde overwegingen van het bestreden arrest een uitlegging zouden bevatten die met de bewoordingen van die bijzondere voorwaarde onverenigbaar is. In zoverre mist het onderdeel de vereiste nauwkeurigheid. De door de verzoekende partij in het eerste onderdeel van het middel aangehaalde overwegingen van het bestreden arrest hebben immers betrekking op het mobiliteitsplan en niet op de vergunningsvoorwaarde. In zoverre het eerste onderdeel opkomt tegen de omstandigheid dat het bestreden arrest zou hebben nagelaten de juiste gevolgen te verbinden aan het juridisch bindend karakter van de vergunningsvoorwaarde, heeft de kritiek van de verzoekende partij geen betrekking op de miskenning van de bewijskracht van de akte.
  35. Het eerste onderdeel van het middel is in zijn geheel niet ontvankelijk.
  36. Het bestreden arrest stelt vast dat: - het mobiliteitsplan steunt op enkele essentiële gegevens uit de supportersenquête die in 2015 werd gehouden; - de verwerende partijen door middel van een mobiliteitsstudie van deskundige D.L. in hun bezwaarschrift concreet kritiek hebben geuit over enkele (essentiële) cijfers die uit die supportersenquête werden afgeleid en waarop het mobiliteitsplan wordt gesteund; VII-41.948-10/14 - het door de partijen niet wordt betwist, en zelfs uitdrukkelijk wordt erkend, dat het mobiliteitsplan essentieel is om de reeds bestaande mobiliteitshinder, en de mogelijks door de aanvraag te verwachten mobiliteitshinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In het licht van deze vaststellingen miskent het bestreden arrest noch de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, noch de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht die door de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ wordt voorgeschreven, wanneer het oordeelt dat: - de kritiek van de verwerende partijen waarbij ze concreet de juistheid van de gehanteerde ‘huidige modal split’ uit de supportersenquête en de daaruit volgende ‘huidige autobezettingsgraad’ betwisten op basis van een eigen mobiliteitsstudie opgesteld door de onafhankelijke mobiliteitsdeskundige D.L., als pertinent te beschouwen is en dus moet ontmoet worden in de bestreden beslissing of minstens de stukken van het administratief dossier; - uit de vergunningsbeslissing moet blijken dat deze kritiek van de verwerende partijen op een afdoende zorgvuldige wijze werd beoordeeld, ook al zou deze kritiek enkel gericht zijn tegen de haalbaarheid van een bijzondere vergunningsvoorwaarde door de aanvrager. In zoverre in het tweede onderdeel van het middel wordt aangevoerd dat het bestreden arrest ervan zou uitgaan dat de zorgvuldigheidsplicht en de formelemotiveringsplicht zouden inhouden dat stelselmatig punt per punt wordt geantwoord op alle bezwaren, mist de kritiek van de verzoekende partij feitelijke grondslag.
  37. De verzoekende partij voert in het tweede onderdeel van het middel nog aan dat het bestreden arrest de bewijskracht zou miskennen van de door haar aangehaalde passage van de bestreden omgevingsvergunning. De Raad voor Vergunningsbetwistingen zou met de beoordeling dat “de resultaten uit de studie ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 VII-41.948-11/14 van mobiliteitsdeskundige [D.L.] over het gegeven dat het mobiliteitsplan en het project-MER een verkeerde ‘huidige modal split’ en ‘huidige autobezettingsgraad’ hanteren, in strijd met de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, nergens in de bestreden beslissing [worden] betrokken” zijn voorbijgegaan aan die passage van de bestreden beslissing. In de door de verzoekende partij aangehaalde passage van de omgevingsvergunning worden echter de resultaten uit de studie van mobiliteitsdeskundige D.L. over het gegeven dat het mobiliteitsplan en het project-MER een verkeerde ‘huidige modal split’ en ‘huidige autobezettingsgraad’ hanteren, niet besproken, zodat de kritiek feitelijke grondslag mist. In zoverre deze kritiek van het tweede onderdeel opkomt tegen de omstandigheid dat het bestreden arrest zou hebben nagelaten de juiste gevolgen te verbinden aan de aangehaalde passage van de bestreden beslissing, heeft de kritiek van de verzoekende partij geen betrekking op de miskenning van de bewijskracht van de akte.
  38. In zoverre het ontvankelijk is, is het tweede onderdeel van het middel ongegrond.
  39. Het derde middel wordt verworpen. V. Ontvankelijkheid van het eerste middel en het tweede middel
  40. Het bestreden arrest oordeelt dat zowel het eerste middel als het tweede middel dat de verwerende partijen hadden opgeworpen tegen de beslissing van de verzoekende partij tot afgifte van de omgevingsvergunning, gegrond zijn. In het beschikkend deel van het bestreden arrest vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen de voor hem bestreden beslissing. Die vernietiging wordt echter reeds voldoende verantwoord door de gegrondheid van het tweede middel. VII-41.948-12/14 Het eerste middel tot cassatie en het tweede middel tot cassatie zijn enkel gericht tegen de beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen die het eerste middel van de verwerende partijen gegrond verklaart. Het derde middel tot cassatie is gericht tegen de beoordeling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen die het tweede middel van de verwerende partijen gegrond verklaart. De Raad van State verwerpt dat derde middel tot cassatie. De eventuele omstandigheid dat het eerste middel tot cassatie en/of het tweede middel tot cassatie gegrond zouden zijn, kan aldus geen afbreuk doen aan de wettigheid van de vernietiging van de beslissing tot afgifte van de omgevingsvergunning, waartoe de Raad voor Vergunningsbetwistingen is overgegaan in het beschikkend gedeelte van het bestreden arrest. Het eerste middel en het tweede middel zijn bijgevolg niet ontvankelijk. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  42. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 24 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft.
  43. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verwerende partijen niet bekendgemaakt. VII-41.948-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op vijfentwintig april tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Francis Van Nuffel, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.948-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.636 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.