← België

Arrest 259692 - Bewakingsondernemingen - 03/05/2024

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2024 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 Rolnummer: A. 236893/VII-41610 Zaak: Arrest 259692 - Bewakingsondernemingen - 03/05/2024 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-05-07 Raadplegingen: 113 - laatst gezien 2026-06-07 05:51 Fiche Arrest nr 259.692 van 3 mei 2024 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Verwerping overige Depersonalisatie Schadevergoeding tot herstel toegekend Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing ERROR JUPORTARobotRecordLienECLI WARNING ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 no lien 276925 identiques RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 259.692 van 3 mei 2024 in de zaak A. 236.893/VII-41.610 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Pourcq kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem Kortrijksesteenweg 127, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek 1. Met een verzoek, ingediend op 20 juli 2022, vraagt verzoeker hem bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen op grond van de onwettigheid van de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.610-1/15 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 3 juli 2023 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 maart 2024. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Pourcq, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 29 april 2020 vraagt de werkgever van verzoeker de hernieuwing aan van zijn identificatiekaart om als bewakingsagent actief te mogen blijven in de sector van de private en bijzondere veiligheid. 3.2. Bij arrest nr. 253.855 van 24 mei 2022 vernietigt de Raad van State onder meer de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij de hernieuwing van de identificatiekaart opnieuw wordt geweigerd, op grond van de volgende motieven: VII-41.610-2/15 “[…] De beide bestreden beslissingen steunen op de vaststelling dat verzoeker door de veroordeling bij vonnis van 17 januari 2020 van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 waarin wordt gesteld dat de persoon in kwestie ‘niet veroordeeld [mag] geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer’. […] Bij arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 heeft het Grondwettelijk Hof […] voor recht gezegd dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval. […] Op grond van artikel 28, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ dient de Raad van State zich voor de oplossing van het geschil te voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.” IV. Gegrondheid van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel Standpunt van de partijen 4. Verzoeker staaft zijn verzoek tot schadevergoeding als volgt: “[…] De materiële schade bestaat uit de volgende drie aspecten: SCHADEPOST BEDRAG 1 inkomensverlies tijdens ontslag (18 maart 2021 t.e.m. 30 april 2021): € 568,22 toelichting: • gemiddeld maandloon op basis van maandloon september, oktober, november en december 2020 (stukken C.9 t.e.m. C.12): € 2.128,90 • 1,5 maand loonverlies (44 dagen): € 3.193,35 • ontvangen ziekte-uitkeringen t.e.m. 30 april (stuk C.17): € 2.154,28 = 18 maart tot 31 maart: € 693,86 (pro rata van € 842,55) 1 april tot 14 april: € 674,04 15 april tot 30 april: € 786,38 • ontvangen covid-uitkeringen t.e.m. 30 april (stuk C.17) € 470,85 = 18 maart tot 31 maart: € 175,10 (pro rata van € 387,72) 1 april tot 30 april: € 295,75 (pro rata van € 631,84) → verlies: € 3.193,35 - € 2.154,28 - € 470,85 = € 568,22 2 geschat verlies aan vakantiegeld voor 18 maart 2021 t.e.m. 30 april € 492,48 2021: toelichting: in 2020: € 3.938,84 vakantiegeld (stuk C.19) in 2021 (na tweede weigeringsbesluit): 1,5 maand niet gewerkt, dus 12,5% minder vakantiegeld ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 VII-41.610-3/15 → verlies: € 3.939,84 x 0,125 = € 492,48 3 geschat verlies aan eindejaarspremie voor 18 maart 2021 t.e.m. 30 € 222,24 april 2021: toelichting: in 2020: € 1.777,92 eindejaarspremie (stuk C.18) in 2021: 1,5 maand niet gewerkt, dus 12,5% minder eindejaarspremie → verlies: € 1.777,92 x 0,125 = € 222,24 TOTAAL VOOR PERIODE 18 MAART 2021 (TWEEDE € 1.282,94 WEIGERINGSBESLUIT) TOT EN MET 30 APRIL 2021 Het voormelde bedrag van € 1.282,94 moet worden vermeerderd met de vergoedende rente aan de wettelijke intrestvoet vanaf 18 maart 2021 (start van deze schade) tot aan het tussen te komen arrest van Uw Raad, meer de gerechtelijke intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot aan de volledige betaling. […] Het causaal verband tussen de voormelde schadeposten en de onwettigheid van het weigeringsbesluit, spreekt voor zich. Indien de overheid op 18 maart 2021 de identificatiekaart van de heer […] had verlengd, had hij zijn job ook in maart en april 2021 verder kunnen uitoefenen. De vernietiging van het besluit kan die schade niet herstellen. […] DE MORELE SCHADE ALS GEVOLG VAN HET TWEEDE WEIGERINGSBESLUIT […] De morele schade valt ook uiteen in verschillende elementen. Zoals uiteengezet in de feiten in de procedure A.é.024/VII-41.036, is de heer […] in een depressie terechtgekomen door de problemen over zijn identificatiekaart (stukken C.15 en C.16: ‘majeure depressie’; ‘stress syndroom’). De depressie is ontstaan toen de overheid nog geen besluit had genomen en de heer […] dus in volledige onzekerheid verkeerde. Uiteraard is de depressie blijven bestaan toen de heer […] kort daarna kennis nam van het weigeringsbesluit van 4 februari 2021. A fortiori is de heer […] blijven kampen met een depressie toen hij op 18 maart 2021 moest vaststellen dat de overheid bij haar standpunt bleef, ondanks het duidelijke arrest van Uw Raad van 8 april 2021. Het is zeer begrijpelijk dat dat weigeringsbesluit die ernstige mentale weerslag veroorzaakte. De heer […] verloor immers plotseling zijn job en dus zijn enige inkomstenbron. Hij werd plotseling gedwongen om op zoek te gaan naar een nieuwe job, louter omdat hij ooit betrokken was geweest bij een verkeersongeval. Het moet worden onderstreept dat het gaat over de job die de heer […] al meer dan 20 jaar uitoefende. Uiteraard leidde dat bij de heer […] tot grote onzekerheid over de toekomst. Ook de aanzienlijke financiële impact baarde de heer […] veel zorgen. Als alleenstaande vader van een 11-jarige zoon (stuk C.5), is een dergelijk financieel verlies extra zwaar. Bovendien is de heer […] in collectieve schuldbemiddeling (stuk C.6) en moet hij dus aanzienlijke financiële lasten dragen. De vaste maandelijkse uitgaven van verzoeker bedragen € 877 à € 897. 1n die uitgaven is onder meer een huishuur van € 595 begrepen. Daarbij komen dan ook nog allerlei andere noodzakelijke uitgaven, zoals de ziekenfondsbijdrage, verschillende belastingen, verzekeringen,... (stuk C.7). In die omstandigheden vormde het eerste weigeringsbesluit van de overheid de spreekwoordelijke druppel die de heer […] te veel werd. Het tweede weigeringsbesluit versterkte uiteraard die toestand. VII-41.610-4/15 De vernietiging van het weigeringsbesluit neemt die ernstige morele schade die de heer […] heeft geleden, niet weg. Ook hier is het causaal verband tussen de voormelde schade en de onwettigheid van het weigeringsbesluit, duidelijk. Indien de overheid op 18 maart 2021 wél een (tijdelijke) identificatiekaart had toegekend aan de heer […], was de onzekerheid voor de heer […] verminderd. […] De morele schade die voortvloeit uit het tweede weigeringsbesluit heeft betrekking op twee periodes: 1) Periode 1: vanaf 18 maart 2021 (tweede weigeringsbesluit) tot 14 april 2021 (28 dagen) Pas op 15 april 2021 merkte de heer […] dat er dan toch rechtvaardigheid zou geschieden. Op die dag ontving hij de brief van verweerder met de boodschap dat hij een nieuwe, tijdelijke identificatiekaart ontvangt met een geldigheidsduur van 24 maanden (stukken D.1 en D.2). De heer […] meent dat de morele schade in periode 1 ex aequo et bono kan worden begroot op 25 euro per dag. Verzoeker vordert dan ook een morele schadevergoeding van € 700 (28 maal € 25), meer de gerechtelijke intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot aan de volledige betaling. 2) Periode 2: vanaf 15 april 2021 tot aan het vernietigingsarrest van 24 mei 2022 (404 dagen): Ook nadat verzoeker wist dat hij een tijdelijke identificatiekaart kreeg, bleef het echter onzeker of hij zijn job zou kunnen blijven uitoefenen in de toekomst, eens die 24 maanden voorbij zouden zijn. De overheid bleef in die periode immers verweer voeren. Alles hing dus af van de beslissing van Uw Raad. De onzekerheid werd dan ook pas weggenomen door het arrest van uw Raad van 24 mei 2022. Pas dan was het voor verzoeker duidelijk dat hij de job die hij al meer dan 20 jaar had uitgeoefend, kan blijven verderzetten. Bovendien had verzoeker in periode 2 ook nog zorgen over zijn anciënniteit. Als gevolg van het noodgedwongen ontslag en het feit dat er een nieuwe arbeidsovereenkomst moest worden afgesloten, was verzoeker de aanzienlijke anciënniteit die hij had opgebouwd, verloren. Pas in november 2021, een half jaar nadat hij weer was gestart met werken, vernam verzoeker dat zijn werkgever toch rekening zal houden met de anciënniteit die verzoeker heeft opgebouwd voor zijn ontslag. De heer […] meent dat de morele schade ex aequo et bono kan worden begroot op € 15 euro per dag. Verzoeker vordert dan ook een morele schadevergoeding van € 6.060 (404 maal € 15), meer de gerechtelijke intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot aan de volledige betaling. Verzoeker beklemtoont dat hij geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering heeft ingesteld om het herstel van het omschreven nadeel te verkrijgen.” 5. De verwerende partij antwoordt: “[…] In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij aanvoert, is de onwettigheid, t.t.z. de ongrondwettelijkheid van het vroegere artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid[…], niet ontstaan door de beslissing van 18 maart 2021, die ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 VII-41.610-5/15 volledig in lijn lag met voormelde wetgeving, doch pas ontstaan nadat het Grondwettelijk Hof werd gevat door een prejudiciële vraag en oordeelde in haar arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval. […] Ook uw Raad heeft de interpretatie van artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 zoals toegepast door verwerende partij steeds bevestigd […]. Verwerende partij heeft dan ook sedert geruime tijd te goeder trouw toepassing gemaakt van artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 zoals door hem geïnterpreteerd in geval van onopzettelijke slagen en verwondingen in een verkeerssituatie. Bovendien is er nu een rechtsonzekerheid gecreëerd voor wat betreft de eerder genomen weigeringsbeslissingen. Het komt dan ook gepast voor de vordering tot schadevergoeding af te wijzen, minstens om billijkheidsreden en in het kader van het algemeen belang te verminderen. […] Er wordt steeds van uitgegaan dat alle wetten grondwetconform zijn. Het feit dat achteraf de ongrondwettelijkheid komt vast te staan, zelfs jaren na afkondiging van de wet, doet vanzelfsprekend geen afbreuk aan het feit dat alle reeds genomen beslissingen hierop gestoeld wettelijk zijn tot stand gekomen. Verwerende partij dient de wetten te goeder trouw uit te voeren en kan om evidente redenen niet afwijken van een wet, dit zou neerkomen op een uitvoering contra legem. Het feit dat naderhand de wettelijke grondslag van deze beslissing ongrondwettelijk is doet -zoals reeds opgemerkt- geen afbreuk aan het feit dat reeds genomen beslissingen rechtsgeldig werden genomen. […] Verwerende partij kon op het moment dat het toenmalige wetsartikel werd afgekondigd (in 2017) niet anticiperen dat vier jaar later deze ongrondwettelijk zou worden bevonden. Zelfs indien zij dit al zou vermoeden, kon zij als uitvoerende macht niets ondernemen. De talloze beslissingen die sedert de afkondiging hierop zijn gestoeld, waaronder de beslissing van 18 maart 2021, maken deze daarom niet plotsklaps onwettig op het moment ze zijn genomen. […] Niettegenstaande de on(grond)wettigheid sedert het arrest van het Grondwettelijk Hof vaststaat, moet vastgesteld worden dat verwerende partij, als lid van de uitvoerende macht, bij het nemen van de beslissing van 18 maart 2021 geen onwettigheid heeft begaan, gezien dit pas een klein jaar later kwam vast te staan door het arrest van het Grondwettelijk Hof. […] Gezien verwerende partij gebonden is door de wettelijk norm (ook al wordt zij later ongrondwettelijk geacht), kan de onwettigheid aldus nooit opgetreden zijn op het ogenblik de beslissing van 18 maart 2021 werd genomen, doch pas sedert het arrest van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof. De fout in hoofde van verwerende partij komt aldus niet te staan op datum van 18 maart 2021, wel integendeel. Indien zij toen een contra legem beslissing had genomen, had zij effectief een fout en een onwettigheid begaan. Het komt verwerende partij niet toe wettelijke bepalingen aan de Grondwet te toetsen of ze buiten toepassing te laten. […] Gelet op het bovenstaande lijkt het de verwerende partij billijk te oordelen dat de onwettigheid pas kwam vast te staan bij het arrest 190/2021 VII-41.610-6/15 van 23 december 2021 van het grondwettelijk Hof en bijgevolg de onwettigheid die geleid heeft tot de vernietiging van de beslissing van 18 maart 2021 pas kon vastgesteld worden op 23 december 2021. Artikel 11bis van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State voorziet immers dat uw Raad een schadevergoeding tot herstel kan toekennen met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang. Het feit dat de grond tot vernietiging pas is komen vast te staan door een arrest van het grondwettelijk hof kan volgens verwerende partij in aanmerking genomen worden als een openbaar belang. Te meer daar verwerende partij de keuze van verzoekende partij om een schadevergoeding overeenkomstig artikel 11bis van de gecoördineerde wetten van de Raad van State te vorderen dient te ondergaan. Verzoekende partij stelt zelf in haar schadebegroting dat de periode waarin zij materiële schade zou hebben geleden zich situeert vanaf 18 maart 2021 tot de afgifte van de identificatiekaart op datum van 13 april 2021, oftewel een aanzienlijke tijd vóór het moment dat de onwettigheid kwam vast te staan. […] Voor wat betreft de periode van morele schade stelt verzoekende partij dat deze loopt vanaf 18 maart 2021 tot op het vernietigingsarrest van 24 mei 2022. Dit standpunt is om evidente reden niet ernstig daar verzoekende partij sedert 13 april 2021 beschikt over een geldige identificatiekaart en geen verdere (morele) schade kan lijden. Alleszins dient ook hierbij erop gewezen te worden dat de onwettigheid pas sedert 23 december 2021 kwam vast te liggen, zijnde lange tijd ná 13 april 2021, zodat ook hier verzoekende partij geen morele schade kan geleden hebben. […] Gezien de onwettigheid aldus pas vaststaat op datum van 23 december 2021, kan de vordering tot schadevergoeding dan ook niet gegrond worden verklaard gezien de periodes van zowel de materiële als de morele schade zich lange tijd voor deze datum situeren. […] De vordering tot schadevergoeding tot herstel dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden. […] In ondergeschikte orde - de schadevergoeding moet om billijkheidsredenen getemperd worden bij gebrek aan fout van verwerende partij […] Daarenboven - en in zoverre de onwettigheid effectief kwam vast te liggen op het moment dat de beslissing van 18 maart 2021 werd genomen - is verwerende partij niet aansprakelijk voor eventuele schade. […] Artikel 11bis van de gecoördineerde Wetten op de Raad van State […] geeft aan verzoekende partij de mogelijkheid om de voor hem meest gunstige weg te kiezen om een schadevergoeding te verkrijgen. Verwerende partij dient deze keuze te ondergaan. Voor wat betreft artikel 11bis RvSt-wet is een onwettigheid voldoende en dient in hoofde van verwerende partij geen fout bewezen te worden. Uw Raad dient dan ook bij de bepaling van de schadevergoeding rekening te houden met ‘alle omstandigheden van openbaar en particulier belang’. Artikel 11bis RvSt-wet voorziet niet noodzakelijk in een volledige vergoeding van de schade. Als lid van de uitvoerende macht, heeft verwerende partij enkel de wet en haar wettelijke verplichtingen uitgevoerd. Dit is ook haar grondwettelijke taak. Indien naderhand zou blijken dat de wet of een wettelijke bepaling ongrondwettelijk voorkomt, kan verwerende partij natuurlijk niet worden bestraft omdat zij haar grondwettelijke taak heeft ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 VII-41.610-7/15 uitgevoerd. Verwerende partij heeft dan ook geen enkele fout begaan en heeft niet de mogelijkheid om de voor haar meest gunstige weg te kiezen. (Zie ook Parl. St. Senaat 2012-2013 -2é/1, p.7). Bovendien werd de toepassing door verwerende partij van artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 sedert geruime tijd bevestigd door uw Raad. Voor het arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof heeft verwerende partij nooit een onwettigheid begaan door de identificatiekaart te weigeren wanneer de (kandidaat)-bewakingsagent veroordeeld was voor onopzettelijke slagen en verwondingen in een verkeerssituatie. […] Achteraf werd echter gesteld, bij arrest 190/2021 van 23 december 2021 van het Grondwettelijk Hof naar aanleiding van de door de Raad van State gestelde prejudiciële vraag, dat artikel 61, 1° van de wet van 2 oktober 2017 de grondwet schendt. Bijgevolg is de fout begaan door de wetgever en niet door verwerende partij. WIRTGEN leidt af dat het gegeven dat de verwerende partij in het kader van de vernietigingsprocedure niet verantwoordelijk is voor de onwettigheid waarmee de bestreden bestuurshandeling behept zou zijn een omstandigheid van openbaar en particulier belang is […]. […] Concluderend en in zoverre de onwettigheid kwam vast te liggen bij het nemen van de beslissing van 18 maart 2021, kan verwerende partij niet aansprakelijk worden gesteld voor eventuele fouten in hoofde van de wetgever. […] De vordering tot schadevergoeding tot herstel dient dan ook als ongegrond afgewezen te worden minstens om billijkheidsreden getemperd te worden. […] In meer ondergeschikt orde - de vordering tot schadevergoeding is ongegrond (

  1. a)Materiële schade […] Verzoekende partij vordert een bedrag van 1.282,94 EUR vermeerderd met de vergoedende rente aan de wettelijke intrestvoet vanaf 18 maart 2021. Verwerende partij kan hiermee om evidente redenen niet akkoord gaan. […] Verzoekende partij onderging op datum van 18 maart 2021 nog niet de volledige schade van 1.282,94 EUR, aangezien deze zich nog diende te manifesteren de weken erop. Verzoekende partij kan aldus bezwaarlijk voorhouden dat de volledige schade van 1.282,94 EUR reeds aangetoond kan worden op 18 maart 2021 zodat de rente ook vanaf die dag dient te worden berekend. […] In zoverre de schadevergoeding van 1.282,94 EUR gegrond overkomt, kan de vergoedende rente pas aanvang nemen op datum van 30 april 2021, oftewel de datum waarop de hoegrootheid van het volledig schadebedrag kan aangetoond worden en die verzoekende partij ook in haar verzoekschrift weerhoudt. (
  2. b)Morele schade […] Ook voor wat betreft de morele schade kan de kwestieuze periode enkel lopen vanaf 18 maart 2021 tot de afgifte van de nieuwe identificatiekaart op datum van 13 april 2021. […] Verzoekende partij toont niet aan waarom voormelde afgifte van de nieuwe identificatiekaart de morele schade niet wegneemt. Bovendien stelt verzoekende partij in zijn eerdere memories voor Uw Raad dat hij in een ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 VII-41.610-8/15 depressie is terechtgekomen door de weigering tot afgifte van zijn identificatiekaart. Gezien de identificatiekaart op 13 april 2021 werd afgeleverd en verzoekende partij aldus onmiddellijk tewerkgesteld kon worden als bewakingsagent, komt elke morele schade na deze datum als ongegrond over, minstens toont verzoekende partij niet aan dat deze (blijvend) verband houdt met de beslissing van 18 maart 2021.” 6. Verzoeker repliceert als volgt: “[…] Verweerder meent dat de onwettigheid pas dateert van het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 december 2021. Pas op dat moment zou ‘de fout’ van verweerder zijn komen vast te staan. Die visie is onjuist. De onwettigheid situeert zich op het moment van het besluit van 18 maart 2021. Op dat moment werd het besluit genomen dat nadien door uw Raad onwettig werd verklaard. Die datum is dan ook de enige relevante. Zoals hierboven vermeld, is er immers geen fout vereist voor het recht op schadevergoeding tot herstel. […] […] Het feit dat verweerder op het moment van het onwettige besluit mogelijk te goeder trouw/zonder fout heeft gehandeld, is geen reden om de schadevergoeding te matigen. Verwerende partij ontkent ten onrechte iedere verantwoordelijkheid voor het weigeringsbesluit. Ze verschuilt zich achter de passieve houding die zij heeft aangenomen op dit vlak. Het staat haar echter vrij om kritisch te kijken naar de wetten die ze uitvoert en indien nodig een wetsontwerp in te dienen om de desbetreffende wet te wijzigen. Het klopt dat verwerende partij art. 61, 1° wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid al eerder had toegepast op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval. Bijgevolg had ze al eerder de kans gekregen om de ongrondwettigheid van dat toepassingsgeval in te zien en actie te ondernemen om de wet te laten wijzigen. Het ongrondwettige karakter van dat toepassingsgeval spreekt immers voor zich. Bovendien kan de eventuele afwezigheid van een fout bij verweerder kan toch niet verantwoorden waarom verzoeker geen volledige vergoeding krijgt van de schade die hij wel degelijk heeft geleden? Daarenboven is het bedrag dat verweerder vordert slechts beperkt. Ook om die reden is enige matiging niet aan de orde. […] […] Verwerende partij meent dat de vergoedende rente op de vergoeding voor de materiële schade slechts kan worden toegekend vanaf 30 april 2021. Ook die visie is niet correct. De materiële schade is ontstaan op 18 maart 2021, toen het tweede weigeringsbesluit verhinderde dat de heer […] zijn job kon uitoefenen. De vergoedende rente moet dus worden toegekend vanaf 18 maart 2021. […] […] Tot slot stelt verwerende partij dat de afgifte van de identificatiekaart op 13 april 2021 de morele schade heeft weggenomen. Ze betwist ook het ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 VII-41.610-9/15 causaal verband. Dat standpunt klopt niet. Ten eerste verwijst verweerder ten onrechte naar 13 april 2021. Verzoeker werd pas op 15 april 2021 geïnformeerd over de tijdelijke identificatiekaart. Dit nam de schade niet weg. De identificatiekaart die de heer […] na het bericht van 15 april 2021 ontving, had slechts een beperkte duur van 24 maanden en gaf nog geen enkele zekerheid aan de heer […]. Verweerster heeft die kaart immers louter en alleen uitgereikt als gevolg van het arrest van Uw Raad. Het bleef voor de heer […] dus onzeker of hij ook na die 24 maanden nog een geldige identificatiekaart zou hebben. De onzekerheid over zijn professionele toekomst bleef dus ook na 15 april 2021 aanwezig. Bijgevolg is ook de morele schade blijven bestaan. Ook het causaal verband tussen het weigeringsbesluit van 18 maart 2021 en de morele schade staat vast […]. Die schade moet dan ook worden vergoed.” 7. In haar laatste memorie beklemtoont de verwerende partij dat verzoeker “slechts materiële schade [kan] eisen die in oorzakelijk verband staat met de fout, die eindigt op 14 april 2021, t.t.z. dag waar[op] verzoekende partij in kennis werd gesteld van het besluit van 13 april 2021 houdende de afgifte van een nieuwe identificatiekaart”. 8. Verzoeker laat in zijn laatste memorie nog gelden dat de morele schade, namelijk de onzekerheid over de professionele toekomst, na 15 april 2021 is blijven voortduren, zij het in mindere mate, tot aan het vernietigingsarrest van 24 mei 2022. Beoordeling 9. Opdat de Raad van State verzoeker een schadevergoeding tot herstel kan toekennen ten laste van de steller van de handeling, dient hij aan te tonen dat hij een nadeel heeft geleden als gevolg van de onwettigheid van de vernietigde akte. Uit artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, artikel 25/2, § 2, 4°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ dat bepaalt dat het verzoekschrift tot schadevergoeding tot herstel het bedrag van de gevraagde vergoeding bevat, evenals een uiteenzetting die aantoont ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 VII-41.610-10/15 welk nadeel geleden wordt door de onwettigheid van de akte en, tot slot, artikel 25/2, § 3, van diezelfde procedureregeling dat bepaalt dat de stukken die het verzoek staven, samen met een inventaris bij het verzoekschrift worden bijgevoegd, vloeit voort dat de Raad van State bevoegd is om een schadevergoeding tot herstel te verlenen wanneer verzoeker, in dit geval de begunstigde van een vernietigingsarrest, aantoont dat de daarin vastgestelde onwettigheid de rechtstreekse oorzaak is van het door hem geleden nadeel dat niet (volledig) is hersteld door de tussengekomen vernietiging. Een schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan alleen worden toegekend in zoverre de onwettige bestuurshandeling, ondanks de verwijdering ervan ab initio uit de rechtsordening, schade heeft toegebracht die door de vernietiging niet volledig is hersteld. Het komt een verzoeker toe het bewijs te leveren van het vereiste oorzakelijk verband tussen de vastgestelde onwettigheid en het nadeel dat hij aanvoert waarbij moet blijken dat het nadeel zich niet zou hebben voorgedaan zonder die vastgestelde onwettigheid. Zoals tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 11bis werd verduidelijkt, onderscheidt “de schadevergoeding tot herstel die wordt toegekend met toepassing van deze bepaling [...] zich dus zowel van het herstel van de schade op basis van de artikelen 1382 tot 1386 van het Burgerlijk Wetboek als van de herstelvergoeding ‘naar billijkheid’ van artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, hoewel ze gemeenschappelijke punten heeft met deze twee begrippen”. Het gaat “om een autonoom begrip waarvan aan de Raad van State de zorg wordt overgelaten om geleidelijk aan de modaliteiten te bepalen in zijn rechtspraak” (Parl.St. Senaat 2012-2013, nr. 5-2é/1, 7). A. Betreffende de onwettigheid van de akte 10. Bij arrest nr. 253.855 van 24 mei 2022 heeft de Raad van State de onwettigheid van de bestreden akte vastgesteld met verwijzing naar het arrest nr. VII-41.610-11/15 190/2021 van het Grondwettelijk Hof van 23 december 2021 waarin voor recht wordt gezegd dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval. B. Betreffende het causaal verband 11. Uit het voormelde arrest nr. 253.855 van 24 mei 2022 volgt dat verzoekers vraag tot hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten door de verwerende partij werd geweigerd op grond van een onwettig motief. De schade die verzoeker heeft geleden door de weigering van de identificatiekaart, waarvan het bezit vereist is om in de sector van de private veiligheid tewerkgesteld te kunnen worden en blijven, vloeit rechtstreeks voort uit de vastgestelde onwettigheid. Zonder de onwettige akte zouden de aangevoerde nadelen zich niet hebben voorgedaan. De omstandigheid dat de verwerende partij in de onwettige akte louter een wetskrachtige bepaling heeft toegepast waarvan het Grondwettelijk Hof pas achteraf de ongrondwettigheid heeft vastgesteld, doorbreekt het causaal verband tussen de onwettigheid van de akte en het geleden nadeel niet. Evenmin geeft deze omstandigheid aanleiding om de gevorderde schadevergoeding om “billijkheidsredenen” te temperen. 12. De vordering om op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een schadevergoeding te verkrijgen strekt tot het herstel van alle nadelige gevolgen die de onwettig bevonden akte heeft teweeggebracht. In voorliggend geval werd de beslissing tot weigering van de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten genomen op 18 maart 2021, zodat de schade vanaf voormelde datum in aanmerking moet worden genomen. De periode waarin de VII-41.610-12/15 materiële schade werd geleden door het verlies van de mogelijkheid om in de bewakingssector verder tewerkgesteld te kunnen blijven, eindigt voorts niet op de dag waarop aan verzoeker werd meegedeeld dat een tijdelijke identificatiekaart zal worden uitgereikt. C. Bepaling van de omvang van de schadevergoeding tot herstel Materiële schade 13. Verzoeker vordert een schadevergoeding van in totaal 1.282,94 euro, samengesteld uit 568,22 euro inkomensverlies, 492,48 euro verlies aan vakantiegeld en 222,24 euro verlies aan eindejaarspremie. De verwerende partij betwist deze schadeposten enkel in zoverre de geleden schade in aanmerking wordt genomen tot op de datum van 30 april 2021. Zoals reeds werd aangegeven in randnummer 12, is er geen reden om aan te nemen dat de vernietigde beslissing van 18 maart 2021 enkel schade heeft veroorzaakt tot op het ogenblik dat, ter nakoming van de voorlopige maatregel opgelegd bij arrest nr. 250.311 van 8 april 2021, aan verzoeker een identificatiekaart werd uitgereikt met een geldigheidstermijn van 24 maanden. 14. Voor de geleden materiële schade wordt bijgevolg een bedrag van 1.282,94 euro toegekend. Moreel nadeel 15. Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de onwettigheid van de betrokken bestuurshandeling is hersteld. Verzoeker toont aan dat de abrupte weigering van de identificatiekaart om bewakingsactiviteiten te mogen uitoefenen, na een loopbaan VII-41.610-13/15 van meer dan 20 jaar in de betrokken sector, zijn mentale gezondheid heeft aangetast en dat de vaststelling van de onwettigheid van de betrokken akte niet volstaat om dit nadeel volledig te herstellen. Aangenomen wordt ook dat de onwettig verklaarde beslissing, zelfs al zou zij niet onmiddellijk aan de basis liggen van het mentale gezondheidsprobleem waarmee verzoeker te kampen kreeg, dat probleem minstens heeft bestendigd of zelfs verergerd. De morele schade wordt in aanmerking genomen tot op het ogenblik (medio april 2021) waarop aan verzoeker een nieuwe identificatiekaart werd uitgereikt. Hoewel die identificatiekaart een beperkte geldigheidsduur van 24 maanden had, mag in redelijkheid worden verondersteld dat het verlenen ervan verzoeker in belangrijke mate morele genoegdoening heeft verschaft. De omstandigheid dat het verlenen van die identificatiekaart verzoekers onzekerheid over zijn professionele toekomst niet volledig zou hebben weggenomen, is een uiting van spanning die eigen is aan het voeren van een rechtsgeding waarvan de definitieve uitkomst onzeker is. De beweerde onzekerheid wordt daarom niet aangemerkt als een moreel nadeel dat voortvloeit uit de onwettig bevonden akte. 16. Ex aequo et bono wordt voor de geleden morele schade een forfaitair bedrag van 500 euro toegekend. BESLISSING 1. Aan verzoeker wordt een schadevergoeding tot herstel toegekend van: - 1.282,94 euro voor de door hem geleden materiële schade, te verhogen met de vergoedende interesten berekend aan de wettelijke rentevoet vanaf 18 maart 2021 tot aan dit arrest, meer de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de volledige betaling van de schadevergoeding; en, - 500 euro wegens morele schade, te verhogen met de verwijlinteresten aan de wettelijke rentevoet vanaf heden tot de volledige betaling van de schadevergoeding. 2. De Raad van State verwerpt het verzoek voor het overige. VII-41.610-14/15 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. 4. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, op drie mei tweeduizend vierentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Frédéric Vanneste, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.610-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.692 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.